Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12673

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
20_6987
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vovo woningsluiting, artikel 13b opiumwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/6987

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 december 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. L.A. Versteegh),

tegen

de burgemeester van Zoetermeer, verweerder

(gemachtigde: R.E. Ruitenberg).

Procesverloop

Bij ongedateerd besluit maar door verzoekster ontvangen op 5 november 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoekster gelast de woning aan de [straat] [huisnummer] te [plaats] (hierna de woning) met ingang van 9 november 2020 voor een periode van drie maanden gesloten te houden.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij mail van 6 november 2020 laten weten het bestreden besluit op te schorten tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2020 middels video-conferentie. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Tevens is de partner van verzoekster verschenen.

Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen aanvullende informatie te overleggen. Verweerder heeft vervolgens aanvullende stukken overgelegd en verzoekster heeft hierop gereageerd. Beide partijen hebben desgevraagd de voorzieningenrechter toestemming gegeven voor het doen van uitspraak zonder nadere zitting.

Hierop heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.

2 Verzoekster huurt de woning van Stichting De Goede Woning.

Op 13 juni 2020 heeft de politie, basisteam Zoetermeer van de Eenheid Den Haag, een bestuurlijke rapportage uitgebracht over de woning. Hieruit komt naar voren dat er op 6 juni 2020 een politie-eenheid naar de woning is gestuurd naar aanleiding van een melding dat aldaar een voertuig zou staan met twee personen erbij. In het voertuig zou een vuurwapen zijn gezien en vanuit het voertuig zou worden gedeald. Eén persoon zou vanuit het voertuig de woning ( [straat] [huisnummer] ) zijn binnen gegaan en het voertuig zou zijn weggereden.

Vervolgens troffen politieambtenaren de betreffende auto elders in [plaats] aan. De bestuurder was [A] , zoon van verzoekster en bewoner van de [straat] [huisnummer] (hierna: zoon 1). Deze persoon is aangemerkt als verdachte en is aangehouden in verband met de Wet Wapens en Munitie. Tijdens de insluitingsfouillering werden verdovende middelen aangetroffen.

De verdachte gaf desgevraagd aan ponypacks bij zich te dragen alsmede twee losse gripzakjes met daarin vermoedelijk hasj. Tijdens de fouillering werden ook ponypacks aangetroffen. In totaal droeg de verdachte een geldbedrag en 60 ponypacks bij zich waarvan de inhoud een totaal brutogewicht bleek te hebben van 50 gram. Uit een voorlopige identificerende test bleek het om cocaïne te gaan.

Toen de politieambtenaren onderweg naar de [straat] [huisnummer] gingen, kwam er een melding binnen dat er vanuit de achterkant van de woning meerdere personen met tassen de woning verlieten. Deze mannen zouden goederen en tassen via een steeg in een auto laden. In de steeg troffen de politieambtenaren twee personen aan. Uit de aanvullende bestuurlijke rapportage van 27 november 2020 is gebleken dat één van deze personen de niet-inwonende zoon van verzoekster is (hierna: zoon 2). Bij het vervolgonderzoek bleek dat in het voertuig in totaal 24 ponypacks en een aanzienlijk geldbedrag in contanten lagen. De drugs bleken een brutogewicht te hebben van 23 gram. Uit een voorlopige identificerende test bleek het om cocaïne te gaan.

Vervolgens werd een doorzoeking uitgevoerd in de woning. In de woning werd aangetroffen:

- 2 ponypacks met daarin blijkens de voorlopige identificerende test bruto 2 gram cocaïne;

- een zakje met bruto 2 gram hennep;

- 2 kogelwerende vesten;

- een zakje met 5 patronen;

- een taser;

- een zwart imitatiewapen.

3 Verweerder heeft bij het primaire besluit op basis van de bestuurlijke rapportage de sluiting van de woning bevolen. Verweerder heeft redenen aan te nemen dat de zonen van verzoekster samen in de drugshandel zitten. Verweerder acht de sluiting noodzakelijk omdat de woning een rol binnen de verkoopketen van verdovende middelen vervulde. Hij heeft hiervoor het Damoclesbeleid Zoetermeer toegepast.

4 Verzoekster is het niet eens met het primaire besluit. Zij voert - samengevat - aan dat er geen sprake was van feitelijke handel in of vanuit de woning. De drugs zijn niet in de woning aangetroffen. De geringe hoeveelheid drugs die wel in de woning zijn aangetroffen rechtvaardigen geen woningsluiting. Deze drugs waren ten behoeve van eigen gebruik. Uit het proces-verbaal van de politie volgt dat alleen in de auto drugs zijn aangetroffen, en niet bij de personen die daarbij zijn aangehouden. Dit toont aan dat de drugs niet in de woning zijn geweest. Ook is er geen vuurwapen in de woning aangetroffen en is er nooit sprake geweest van overlast vanuit de woning. Verweerder stelt ten onrechte dat zoon 1 verdacht en vervolgd is voor het voorhanden hebben van een wapen. De zoon is wel aangehouden met een hoeveelheid drugs, maar hij is na zijn aanhouding geschorst door de rechter-commissaris. Ook de stelling dat de twee zonen van verzoekster in georganiseerd verband samenwerken is onjuist en zeer kwalijk. Verder heeft het gedrag van zoon 1 niets met verzoekster te maken. Verzoekster was niet op de hoogte van het feit dat deze zoon drugs in de auto voorhanden had.

5 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd, voor zover van belang, tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

De bevoegdheid tot het toepassen van artikel 13b van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld uitspraak van 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1807) is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet naar zijn tekst niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs immers met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt kan evenwel worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid harddrugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het is dan vervolgens aan de rechthebbende op de woning om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738, betekent dit dat, indien het om een geringe overschrijding van de 0,5 g grens gaat en de rechthebbende feiten en omstandigheden kan noemen waaruit volgt dat het om een hoeveelheid voor eigen gebruik zou kunnen gaan, er dan in beginsel toch geen bevoegdheid tot sluiting is en de burgemeester zal moeten motiveren waarom desondanks de conclusie gerechtvaardigd is dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs bestemd is voor de verkoop, aflevering of verstrekking, zodat hij niettemin bevoegd is om ter zake van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.

Niet in geschil is dat er bruto 2 gram cocaïne in de woning (in de kamer van zoon 1) is aangetroffen. Deze hoeveelheid harddrugs overschrijdt de door het openbaar ministerie als voor eigen gebruik aangemerkte hoeveelheid van maximaal 0,5 g. Derhalve is in beginsel aannemelijk dat het om een handelshoeveelheid drugs ging die geheel of mede bestemd was voor verkoop, aflevering of verstrekking in of vanuit de woning. Verzoekster heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat het voor eigen gebruik van zoon 1 is en dat het om verkreukelde (oude) ponypacks ging, acht de voorzieningenrechter daartoe onvoldoende. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld, dat de in de woning aangetroffen drugs aanwezig waren teneinde te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt. Dat geen melding van overlast heeft plaatsgevonden doet aan de bevoegdheid van verweerder om de woning te sluiten niet af. Gelet op de tekst van artikel 13b, eerste lid, is voor het ontstaan van de in deze bepaling neergelegde bevoegdheid niet noodzakelijk dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de woning bekendstaat als drugspand of dat er aan drugshandel gerelateerde overlast heeft plaatsgevonden (zie onder meer de uitspraak van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2401). Mitsdien was verweerder bevoegd om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet sluiting van de woning te gelasten.

6 Vervolgens dient aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder allereerst de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs in de woning in ieder geval als een ernstig geval kunnen aanmerken. Voorts zijn in de woning een taser, zakje hennep, kogelwerende vesten, zakje met 5 patronen en zwart imitatiewapen aangetroffen.

Het aantreffen van deze attributen heeft verweerder mogen betrekken in zijn afweging of sprake is van drugshandel vanuit de woning. Daarbij heeft verweerder tevens de informatie van de politie mogen betrekken dat zoon 1 op 6 juni 2020 is aangehouden in een auto waarin een geldbedrag en 60 ponypacks met in totaal 50 gram cocaïne is aangetroffen. Ook de bij de politie binnengekomen melding dat twee personen (waarvan één zoon 2 betreft) met tassen de achterzijde van de woning verlieten en goederen en tassen in een auto aan het laden waren, waarbij later in die auto onder meer een grote hoeveelheid harddrugs worden aangetroffen, heeft verweerder bij zijn afweging over de ernst en omvang van de overtreding mogen betrekken. Dat er ter zitting onduidelijkheid is ontstaan bij verweerder over onder meer welke twee personen het hier betrof en dat er nadien nog door zowel verweerder als verzoekster stukken zijn overgelegd, laat vorenstaande onverlet.

De voorzieningenrechter kan verweerder, gelet op het voormelde, volgen in het standpunt dat sprake is van een ernstige situatie en daarom sluiting van de woning noodzakelijk heeft mogen vinden.

7 De volgende vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden, is of de sluiting van de woning evenredig is. De voorzieningenrechter wijst daarbij op de uitspraken van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840 en 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912. Daaruit volgt dat verweerder gehouden is om alle omstandigheden van het geval te betrekken in haar beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb, die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Persoonlijke verwijtbaarheid is niet vereist voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. Dat verzoekster stelt in het geheel niet op de hoogte te zijn geweest van de activiteiten van haar zoon, doet daarom niet af aan de bevoegdheid van verweerder om over te gaan tot sluiting. De vraag of verzoekster een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt, kan daarentegen wel aan de orde komen in het kader van de beoordeling van de evenredigheid van de sluiting. De voorzieningenrechter acht niet aannemelijk geworden dat verzoekster niet op de hoogte kon zijn van de aangetroffen drugs en attributen in de woning. Daarbij is verzoekster als huurder verantwoordelijk voor wat zich afspeelt in de woning.

Dat zoon 1 na zijn aanhouding door de rechter-commissaris is geschorst, betekent evenmin dat verweerder van sluiting had moeten afzien. De bestuursrechtelijke bevoegdheid van verweerder tot sluiting staat namelijk los van een eventuele strafrechtelijke procedure (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:395 en 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:313.

Inherent aan een sluiting van een woning is dat een bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Dat wordt anders als de betrokkene een bijzondere binding heeft met de woning, bijvoorbeeld om medische redenen. Daarvan is de voorzieningenrechter niet gebleken. Daarbij heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat zij geen vervangende woonruimte kan regelen. Dit hoeft niet per se het huren van een hotelkamer te betreffen, maar kan ook een onderkomen bij vrienden of familie zijn.

8 Gelet op al het voorgaande zal naar verwachting het primaire besluit in bezwaar in stand blijven, zodat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af.

9 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2020.

De voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.