Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1267

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-02-2020
Datum publicatie
18-02-2020
Zaaknummer
09/253133-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft familieleden mishandeld en bedreigd. Desondanks wordt hij met onmiddellijke ingang in vrijheid gesteld. De rechtbank is onvoldoende geïnformeerd over de toerekeningsvatbaarheid en behandelmogelijkheden van de verdachte. De verdachte heeft ernstige psychische problemen en werd eerder in GGZ Rivierduinen opgenomen. Toen justitie de verdachte vast had gezet, is toegezegd dat een psycholoog en een psychiater van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) zouden rapporteren. Dat is de voorgeschreven gang van zaken. Vanwege capaciteitsgebrek bij het NIFP is er niet gerapporteerd. Er zijn ook geen voorbereidingen voor een zorgmachtiging getroffen. De reclassering adviseerde om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De advocaat van de verdachte ging hiermee akkoord en heeft gevraagd om zijn cliënt langer vast te houden omdat nog onbekend is of er binnen de psychiatrische zorg een plek voor hem is. De rechtbank gaat hier niet in mee, noemt de gang van zaken onacceptabel en wijst de overheid op haar zorgplicht voor deze psychiatrische patiënt. Aan een verdachte kan geen gevangenisstraf worden opgelegd als de misdrijven die hij heeft begaan, niet aan hem kunnen worden toegerekend. Of dat in deze zaak het geval is, kan niet worden vastgesteld omdat de rapportages van het NIFP ontbreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09-253133-19

Datum uitspraak: 18 februari 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,

[adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 4 februari 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K.J.R. van Halderen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. P.F.D.P. de Milliano naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 juni 2019 te Zoetermeer zijn moeder, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door haar in haar polsen te knijpen en tegen haar hoofd, althans haar lichaam te slaan;

2.

hij op of omstreeks 13 juni 2019 te Zoetermeer [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [verdachte] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je kinderen af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 13 juni 2019 te Zoetermeer een tas, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan,

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die tas uit de handen van [slachtoffer] te rukken/trekken;

4.

hij op of omstreeks 1 oktober 2019 te Leiderdorp zijn moeder, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door haar bij haar armen te pakken en (vervolgens) tegen het aanrecht te duwen en/of haar hoofd vast te pakken en met haar hoofd tegen een muur te slaan;

5.

hij op of omstreeks 1 oktober 2019 te Leiden [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar te slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam.

3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs/standpunten van de officier van

justitie en de verdediging met betrekking tot afdoening van de zaak

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het geweldsbestanddeel van feit 3.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van deze feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een opname en behandeling in een zorginstelling en, aansluitend op deze opname/behandeling, een verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang alsmede een ambulante behandeling voor de psychische problematiek van de verdachte met de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling. De voorwaarden en het toezicht dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard, aldus de officier van justitie.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de feiten 1, 2 en 4 bewezen kunnen worden verklaard. Van feit 5 kan alleen bewezen worden verklaard dat de verdachte het slachtoffer éénmaal in het gezicht heeft geslagen. Ten aanzien van feit 3 dient vrijspraak te volgen omdat de verdachte niet het oogmerk had om zich de tas wederrechtelijk toe te eigenen.

Voorts heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verdediging zich kan vinden in afdoening van de zaak op de wijze die door de reclassering is geadviseerd. Daarbij heeft de raadsman bepleit om de verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur het mogelijk maakt dat de verdachte in het PPC kan blijven tot het moment dat een indicatiestelling voor forensische zorg is afgegeven en een plek voor hem in een zorginstelling is gevonden.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4

Op 8 oktober 2019 heeft [slachtoffer 1] , de moeder van de verdachte, aangifte gedaan van mishandeling door haar zoon. Zij heeft verklaard dat hij haar vanaf mei 2019 is gaan mishandelen. Op 13 juni 2019 pakte de verdachte haar bij de polsen en hij kneep erin. Dit deed erg pijn. Toen sloeg hij haar met zijn linkerhand tegen de rechterzijde van haar hoofd. Ook dit deed erg pijn. Tegen zijn zus [slachtoffer] zei hij dat hij haar kinderen ging afmaken.

Voorts heeft aangeefster verklaard dat de verdachte op 1 oktober 2019 bij haar in de woning te Leiderdorp was. Hij pakte haar bij de armen en duwde haar tegen het aanrecht. Hij duwde haar daarna op een krukje en hij pakte haar hoofd met twee handen vast. Hij sloeg vervolgens haar hoofd met kracht tegen de muur. De aangeefster voelde op dat moment erg veel pijn.2

Op 2 oktober 2019 heeft huisarts Van Haasteren kneuzingen aan de schouder en het hoofd van aangeefster geconstateerd.3

Op 10 oktober 2019 heeft [slachtoffer] , de zus van de verdachte, aangifte gedaan.

Zij was op 13 juni 2019 met haar moeder bij haar woning in Zoetermeer. De verdachte kwam met de auto aanrijden en hij liep naar zijn moeder, [slachtoffer 1] . Hij greep haar bij de polsen, duwde haar tegen de auto en hij sloeg hij haar met zijn linkerhand.

Tegen de aangeefster zei hij: Ik maak je kinderen af.4

De verdachte heeft bij de politie ten aanzien van feit 4 verklaard dat hij zijn moeder heeft vastgepakt.5

De rechtbank acht op basis van de zojuist genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 4 heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 5

Op 8 oktober 2019 heeft [slachtoffer 2] aangifte van mishandeling gedaan door haar neef,

de verdachte. Zij heeft verklaard dat de verdachte haar op 1 oktober 2019 uit de auto bij haar woning te Leiden heeft getrokken en haar vervolgens op haar gezicht heeft geslagen.6

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de aangeefster met de vlakke hand heeft geslagen.7

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank is met betrekking tot dit feit met de raadsman van oordeel dat de verdachte niet het oogmerk had om de tas van zijn moeder weg te nemen. Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte zijn moeder mee naar huis wilde nemen om daar de problemen te bespreken. Hij heeft toen de tas van zijn moeder uit de handen van zijn zus [slachtoffer] getrokken omdat hij vond dat de tas met zijn moeder mee moest. Nu het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt, dient de verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 13 juni 2019 te Zoetermeer zijn moeder, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door haar in haar polsen te knijpen en tegen haar hoofd te slaan;

2.

hij op 13 juni 2019 te Zoetermeer [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je kinderen af";

4.

hij op 1 oktober 2019 te Leiderdorp zijn moeder, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door haar bij haar armen te pakken en tegen het aanrecht te duwen en haar hoofd vast te pakken en met haar hoofd tegen een muur te slaan;

5.

hij op 1 oktober 2019 te Leiden [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar te slaan in het gezicht.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Zoals hierna onder 6. uiteen is gezet, hebben zich in deze zaak complicaties voorgedaan waardoor de rechtbank onvoldoende inzicht heeft in de strafbaarheid van de verdachte. Aangezien er in deze zaak niet door gedragsdeskundigen is gerapporteerd – terwijl dat wel zo had moeten zijn – kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat de bewezenverklaarde feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Nu er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid (volledig) uitsluiten, moet de verdachte strafbaar worden geacht.

6 De strafoplegging

Het oordeel van de rechtbank.

De verdachte heeft familieleden mishandeld en bedreigd. Het gaat om zijn moeder, tante en zuster. De naaste familie van de verdachte voelt zich daardoor niet veilig en heeft steeds aangedrongen op behandeling van de verdachte voor zijn psychische problemen.

De rechtbank wijst erop dat de psychische problematiek in deze zaak vanaf het moment dat politie en justitie hierbij betrokken raakten, een punt van aandacht is geweest. De gang van zaken is de volgende geweest.

De verdachte heeft geen documentatie (strafblad) met betrekking tot geweldsdelicten.

In 2016 werd de verdachte slachtoffer van een gasexplosie op zijn werk. Na deze

gebeurtenis kreeg de verdachte last van depressieve gevoelens en verkeerde hij in een sombere toestand. De verdachte werd in 2017 door zijn huisarts voor het eerst aangemeld bij GGZ Rivierduinen vanwege depressieve gevoelens na de explosie. Nadat de situatie thuis escaleerde, werd hij op 6 oktober 2019 vrijwillig opgenomen bij GGZ Rivierduinen te Leiden. Hier heeft hij slechts kort verbleven, aangezien hij nadien in deze zaak gedetineerd raakte vanwege geweldsdelicten waarvoor hij in deze zaak terechtstaat. Sindsdien verblijft hij in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC).

Toen de verdachte in voorlopige hechtenis is genomen, zijn er met de officier van justitie afspraken gemaakt over een onderzoek naar zijn geestesvermogens.

Ten behoeve van de voorgeleiding voor de rechter-commissaris heeft de officier van justitie het volgende in diens vordering tot inbewaringstelling van 23 oktober 2019 opgenomen:

aannemelijk is dat verdachte tot het vermoedelijk begane feit is gekomen onder invloed van psychosociale problemen, waarvoor ook thans nog geen oplossing is gevonden; Overwegende, dat hij op basis van de stukken heeft besloten op grond van artikel 151 Wetboek van Strafvordering ten aanzien van deze verdachte een onderzoek naar de geestesvermogens in te doen stellen. In verband hiermee wordt verzocht ter gelegenheid van het verhoor van verdachte op deze vordering inbewaringstelling het standpunt van verdachte en de verdediging hieromtrent in het proces-verbaal van verhoor op te nemen;”

Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft de verdachte het volgende verklaard.

“U zegt mij dat de psychiater mondeling over mij heeft gerapporteerd dat er op de

achtergrond aanwijzingen zijn voor psychiatrische problematiek en dat een eventuele plaatsing in een PPG aangewezen is. U zegt dat de psychiater ook een nader onderzoek door een psychiater en psycholoog heeft geadviseerd. U vraagt of ik bereid ben om daaraan mee te werken. Ja, sowieso. Maar met u, rechter­

commissaris, en mijn advocaat erbij is het beter. Ik wil dat u het onder controle

houdt voor mij.

14. U vraagt mij of ik bereid ben om mee te werken aan het opstellen van een

reclasseringsrapport. Ik wil eerst uitrusten daar en medicatie. De medicatie hielp mij echt. In de cel krijg ik dubbele psychische problemen. Ik hoor niet en het is gesloten, je wordt dan dubbel gesloten. Als u zegt dat ik afstand moet houden van mijn familie, dan is dat ook prima.”

Ook in de raadkamer gevangenhouding is het onderzoek naar de geestesvermogens van de verdachte aan de orde gekomen. Daarover staat het volgende in het proces-verbaal van 31 oktober 2019 vermeld:

De raadsman voert het woord: Ik heb gisteren lang met cliënt gesproken. (…). Als het goed is, is er dubbelrapportage aangevraagd. Cliënt wil graag terug naar Rivierduinen maar dat is op vrijwillige basis. Dus dan zou een rechterlijke machtiging nodig zijn. Voor nu refereer ik aan uw oordeel.

De officier van justitie voert het woord: Het BOPZ-traject wordt separaat onderzocht. Ik persisteer bij de vordering.”

De rechtbank heeft moeten constateren dat een dubbelrapportage is uitgebleven.

Daags voor de terechtzitting ontving de rechtbank wel een adviesrapport van GGZ Fivoor Haarlem d.d. 3 februari 2020 waarin onder meer het volgende wordt bericht:

“Op 29 oktober 2019 kregen wij de opdracht om te rapporteren over de heer [verdachte] . Naar aanleiding van een trajectconsult door het NIFP werd er geadviseerd om een dubbele rapportage aan te vragen waarbij een eventuele terbeschikkingstelling niet werd uitgesloten. De reclassering heeft sindsdien meermaals contact gehad met het NIFP, maar hier werd ons constant verteld dat de heer [verdachte] nog niet ‘gematched’ was aan een psycholoog en/of psychiater. Wij hebben hierover meermaals contact gehad met het Openbaar Ministerie. Wij lieten weten geen advies uit te zullen brengen alvorens het NIFP haar rapportage afrondde, aangezien wij de criminogene factoren ten tijde van het delict en de mate van (on)toerekeningsvatbaarheid niet konden inschatten. Echter, op 28 januari 2020, een week voor de gestelde zittingsdatum, liet het NIFP weten toch geen rapportage uit te zullen brengen. Gezien deze ongebruikelijke gang van zaken hebben wij momenteel geen plan van aanpak aansluitend aan detentie, terwijl het allesbehalve wenselijk is dat betrokkene terugkeert naar zijn moeder en/of een zwervend bestaan leidt. In dit korte tijdsbestek hebben wij contact gehad met meerdere partijen, om samen toch tot onderhavig plan van aanpak te komen (zie: advies).”

Over het psychosociaal functioneren van de verdachte wordt in dit rapport het volgende opgemerkt:

Zoals reeds benoemd is heeft het NIFP op 27 januari 2020 laten weten dat zij geen rapportage zullen uitbrengen. Nadien hebben wij veel contact gehad met het personeel op het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC), die ons van informatie en advies voorzag. Op 21 januari 2020 ontvingen wij een DSM-classificatie opgesteld door mevrouw. A. Pruijssers , behandelcoördinator op het PPC. Hieruit komt het volgende beeld naar voren;

DSM V classificatie

298.9 Ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis

317 Verstandelijke beperkingen (licht)

300.82 Somatische symptoomstoornis (tinitus)

Diagnose op As 3: complex, gehoorverlies, NNO doofheid.”

Het volgende advies van mevrouw Pruijssers is in de reclasseringsrapportage opgenomen.

Het advies is om de psychotische stoornis verder te behandelen, mogelijk ook met psycho-educatie afgestemd op zijn cognitieve niveau, eveneens is ego-versterking nodig (mogelijk middels non-verbale therapie). Hij heeft daarnaast ook behandeling nodig voor de tinnitus-klachten en hoe hier mee om te kunnen gaan. Daarnaast wil hij graag naar een KNO arts om een beter hoortoestel te krijgen (dit is verouderd en hij is ook al lange tijd niet meer voor controle geweest). Hij heeft korte tijd behandeling gehad bij de GGMD. Daar maakte hij gebruik van een schrijftolk. [verdachte] wil graag weer behandeling vanuit de GGMD en na een klinische plaatsing is een beschermde / begeleide woonvorm met passende dagbesteding zeer gewenst.”

GGZ Fivoor heeft in genoemde rapportage onder meer het volgende geadviseerd.

Een klinische behandeling wordt noodzakelijk geacht. Het is onwenselijk dat

betrokkene terugkeert naar zijn familie en/of een zwervend bestaan leidt. Betrokkene behoeft zorg en heeft onzes inziens het meeste baat bij onderstaand plan van aanpak. Gezien het intrekken van de NIFP-rapportage alsmede het korte tijdsbestek tot aan de rechtszitting, is het nog niet mogelijk gebleken om de indicatiestelling rond te krijgen bij Indicatiestelling Forensische Zorg (IFZ). Wel hebben wij betrokkene reeds aangemeld middels een spoed-indicatiestelling op 31-01-2020. Dit duurt enkele dagen. Echter, het is onduidelijk of de indicatie vóór de gestelde zittingsdatum afgegeven zal worden. Nadien zal Divisie Individuele Zaken (DIZ) op zoek gaan naar een geschikte kliniek. Hoelang dit duurt, is afhankelijk van het aanbod en eventuele wachtlijsten.

“Bij een veroordeling adviseren wij een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden.

- Opname in een zorginstelling

- Meldplicht bij reclassering

- Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

- Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)”

De rechtbank constateert allereerst dat gemaakte afspraken over een dubbelrapportage niet zijn nagekomen. Desgevraagd heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat het ondanks een grote hoeveelheid e-mails zijnerzijds richting het NIFP niet is gelukt om gedragswetenschappers te laten rapporteren, vanwege het reeds bekende capaciteitsgebrek bij het NIFP. Ook van enig onderzoek naar een zorgmachtiging, zoals in de raadkamer door de officier van justitie is toegezegd, is de rechtbank niets gebleken, althans in het reclasseringsrapport wordt daarover niet gerept en ook anderszins is de rechtbank daarover niet geïnformeerd. Daar komt nog bij dat ook een spoedindicatiestelling van 31 januari 2020 niet heeft geleid tot een indicatiestelling waardoor het op dit moment onduidelijk is of en waar de verdachte terecht kan, indien het advies van de reclassering wordt gevolgd. De raadsman van de verdachte heeft om die reden – blijkbaar om bestwil van zijn cliënt (en diens familie) – voorgesteld om de detentie/voorlopige hechtenis voort te laten duren totdat er een indicatiestelling is.

Dit alles overziend, komt de rechtbank tot het oordeel dat de hiervoor beschreven gang van zaken niet acceptabel is. Eén van de kernvragen van het strafrecht, of we te maken hebben met een strafbare verdachte zoals bedoeld in artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering, kan door de rechtbank niet op een zorgvuldige wijze beantwoord worden. Het gaat niet aan om aan een verdachte die mogelijk niet strafbaar is (om bestwil) een gevangenisstraf op te leggen. Dat klemt temeer omdat er ernstige redenen zijn om te vermoeden dat de verdachte lijdt aan een psychotische stoornis en de rechtbank daarom rekening dient te houden met een mogelijk volledige ontoerekeningsvatbaarheid.

In verband met de persoonlijkheid van de dader en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, acht de rechtbank het daarom raadzaam om een rechterlijk pardon uit te spreken door te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd (artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht).

Het komt de rechtbank dan ook voor dat de overheid zich tot het uiterste dient in te spannen om aan de verdachte passende psychiatrische zorg te verlenen nu dat binnen een strafrechtelijk kader op dit moment niet mogelijk is en de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang opgeheven dient te worden.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De artikelen:

- 9a, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden en gelden ten tijde van het

bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van de feiten 1, 4 en 5:

mishandeling;

ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd;

heft op het bevel gevangenhouding en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, voorzitter,

mr. R.J. de Bruijn, rechter,

mr. R. Wieringa, rechter,

in tegenwoordigheid van W.M.W. van Nuss, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 februari 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2019294523, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden – Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 87).

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 10 oktober 2019, p. 9 t/m 13, met fotobijlagen, p. 14 t/m 19.

3 Een geschrift, zijnde een medische verklaring van de huisarts d.d. 9 oktober 2019.

4 Proces-verbaal van aangifte d.d. 10 oktober 2019, p. 48/49.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 oktober 2019.

6 Proces-verbaal van aangifte d.d. 9 oktober 2019, p. 35 t/m 38.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 oktober 2019, p. 85.