Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12652

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-11-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
C/09/599018 / KG RK 20-1115
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Afwijzing wrakingsverzoek.

Nu de rechter, na uitblijven van een verzoek om (alsnog) een mondelinge behandeling ter zitting te gelasten, de gebruikelijke procedure heeft gevolgd, kan door de gang van zaken naar het oordeel van de wrakingskamer bij verzoeker op geen enkele wijze de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter zijn gewekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

wrakingnummer 2020/55

zaak- /rekestnummer: C/09/599018 / KG RK 20/1115

Beslissing van 23 november 2020

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

Zhold Services B.V.,

gevestigd te ’s-Gravenzande (gemeente Westland),

hierna te noemen: verzoeker,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

strekkende tot de wraking van

mr. M.E. Groeneveld-Stubbe,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

Belanghebbende in deze procedure is:

J.T. van den Hemel,

wonende te Zuidland (gemeente Nissewaard),

gemachtigde: mr. P.W.J.C. van Peer van ARAG rechtsbijstand.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het schriftelijke wrakingsverzoek van 2 september 2020;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 8 september 2020.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling is namens verzoeker, gemachtigde [gemachtigde] , verschenen. De belanghebbende is niet verschenen. De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 8257741 / RL EXPL 20-415, waarin verzoeker diens voormalig cliënt, belanghebbende, heeft gedagvaard in een kantonprocedure. Belanghebbende heeft zich in deze procedure gesteld en het verzochte uitstel verkregen voor het opstellen en indienen van een conclusie van antwoord. Verzoeker heeft van rechtsbijstandsverzekeraar ARAG de namens de belanghebbende ten behoeve van de rolzitting van 13 augustus 2020 ingediende conclusie ontvangen. Verzoeker heeft op 28 augustus 2020 van de griffie vernomen dat op de rolzitting van 10 september 2020 vonnis zou worden gewezen, zonder mondelinge behandeling van de zaak ter zitting.

2.2.

Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht ter zitting van de wrakingskamer, een verschoningsverzoek gedaan en, indien de kantonrechter daartoe niet bereid zou zijn, verzocht om wraking. Het volgende is aan het verzoek ten grondslag gelegd. Verzoeker acht de beslissing van de rechter om geen zitting te gelasten, maar direct vonnis te wijzen, onbegrijpelijk. Hiermee is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Er is volgens verzoeker, gezien alles wat er in de aanhangige zaak speelt tussen verzoeker en belanghebbende, geen objectieve rechtvaardiging geweest waarom in de zaak zou moeten worden afgeweken van hetgeen niet meer dan gebruikelijk is in zaken als de onderhavige, namelijk het gelasten van een zitting voor een mondelinge behandeling van de zaak.

2.3.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.

3.2.

Verzoeker heeft ter zitting van de wrakingskamer gewezen op een andere zaak, waar, ondanks dat sprake was van een gering (geldelijk) belang, wél een mondelinge behandeling van de zaak ter zitting is gelast. Mede in het licht daarvan acht verzoeker de beslissing van de rechter in de onderhavige zaak om direct vonnis te wijzen onbegrijpelijk. Verzoeker heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij niet meer weet of hij – nadat hem bekend werd dat geen mondelinge behandeling zou worden bepaald – zelf om een mondelinge behandeling heeft verzocht.

3.3.

De rechter heeft in haar schriftelijke reactie toegelicht dat in deze zaak in verband met de uitbraak van het COVID-19 virus na de conclusie van antwoord geen mondelinge behandeling, maar re- en dupliek is bepaald. Omdat partijen niet hadden verzocht om alsnog een mondelinge behandeling te houden, is de zaak – volgens de standaard procedure in re- en dupliek zaken – op de (schriftelijke) rol voor vonnis gezet op 10 september 2020.

3.4.

De wrakingskamer overweegt dat nergens uit blijkt dat verzoeker voor het indienen van zijn verschonings-, dan wel wrakingsverzoek, de rechter heeft verzocht om alsnog een mondelinge behandeling ter zitting te gelasten. Nu verzoeker zich dit ook niet kan herinneren, gaat de wrakingskamer uit van de lezing van de rechter dat een dergelijk verzoek niet is gedaan. Nu de rechter, na uitblijven van dit verzoek, de gebruikelijke procedure heeft gevolgd, kan door deze gang van zaken naar het oordeel van de wrakingskamer bij verzoeker op geen enkele wijze de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter zijn gewekt. Dat in een andere zaak wel een mondelinge behandeling is gelast, maakt dat niet anders. Immers, iedere zaak staat (in beginsel) op zichzelf en daarin worden door de rechter op grond van de feiten en omstandigheden die in die zaak aan de orde zijn (processuele) beslissingen genomen. Bovendien zijn de precieze aard, inhoud en eventuele verzoeken in die andere zaak onbekend gebleven. Ook overigens blijkt nergens uit dat de rechter enige (procedurele) beslissing heeft genomen, waarop een wrakingsverzoek kan worden gegrond en ter beoordeling aan de wrakingskamer kan worden voorgelegd.

Uit het voorgaande volgt dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

4 De beslissing

De wrakingskamer

4.1.

wijst het verzoek tot wraking af;

4.2.

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

4.3.

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a gemachtigde [gemachtigde] ;

• de gedaagde in de hoofdzaak;

• de rechter.

Deze beslissing is gegeven door mrs. S.W.E. de Ruiter, C.M. van der Kleijn en

R.E. Perquin, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Noorlander en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2020.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.