Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12647

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-11-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
C/09/601182 / KG RK 20-1267
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoeker stelt dat hij in zijn belangen wordt geschaad en op een kennisachterstand wordt gesteld doordat de kantonrechter een conclusie van dupliek na de comparatie van partijen heeft toegelaten. Vervolgens is verzoeker niet in de gelegenheid gesteld om op deze uitgebreide conclusie van dupliek, waarin nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht, te reageren. In de conclusie van dupliek worden standpunten aangevoerd die pas tijdens de mondelinge behandeling ter sprake zijn gekomen; de conclusie van dupliek is dus “op voorzet” van de kantonrechter gemaakt. Hierdoor handelt de kantonrechter in strijd met diverse beginselen. Er zijn stelselmatig processuele fouten gemaakt in het voordeel van de wederpartij. De wrakingskamer is van oordeel dat dit processuele beslissingen zijn en dat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. Dit is uitsluitend anders indien de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Dat is hier naar het oordeel van de wrakingskamer niet aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

wrakingnummer 2020/67

zaak- /rekestnummer: C/09/601182 / KG RK 20-1267

Beslissing van 9 november 2020

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van

mr. I.F. Dam,

kantonrechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

Belanghebbende in deze procedure is:

- de vereniging van de Nederlandse gemeente t.h.o.d.n. Landelijke Klachtencommissie Ongewenst Gedrag voor de Decentrale Overheid, vertegenwoordigd door mr. J.P. Hoogland

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het schriftelijke wrakingsverzoek van 2 oktober 2020;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 21 oktober 2020.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoeker;

- de rechter;

- de belanghebbende.

2 Feiten en wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak tussen verzoeker en de belanghebbende.

2.2.

Verzoeker heeft de belanghebbende in de zaak met nummer 8099580 RL EXPL 19-23513 gedagvaard. Hij vordert onder meer te verklaren voor recht dat de belanghebbende de klachten van verzoeker ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard dan wel niet in behandeling heeft genomen en de klachten in behandeling moet nemen en een onderzoek moet instellen onder last van een dwangsom. Op 10 augustus 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. Ter zitting heeft de rechter bepaald dat de belanghebbende in de gelegenheid werd gesteld om een conclusie van dupliek te nemen, omdat zij een onbalans constateerde in de procedure. Verzoeker had een conclusie van repliek genomen maar er was geen conclusie van dupliek. Bij brief van 19 augustus 2020 is aan verzoeker medegedeeld dat de kantonrechter heeft bepaald dat de uitspraak van het vonnis zal geschieden op de rolzitting van woensdag 16 september 2020 te om 11.00 uur. Verzoeker heeft de conclusie van dupliek ontvangen op 25 september 2020. Hij heeft vervolgens de rechter bij brief van 2 oktober 2020 gewraakt. Hangende de kantonprocedure heeft de verzoeker diverse klachten ingediend, bij de kantonrechter en de directie van de rechtbank. Deze klachten zijn afgedaan door de president en zijn niet gegrond verklaard. De klacht van 17 juni 2020 betrof de beslissing van de kantonrechter om de termijn voor de indiening van een conclusie van antwoord te verlengen. De klacht van 15 augustus 2020 betrof de beslissing van de kantonrechter om de belanghebbende in de gelegenheid te stellen een conclusie van dupliek te nemen.

2.3.

Verzoeker heeft aan zijn verzoek tot wraking het volgende ten grondslag gelegd. Verzoeker wordt in zijn belangen geschaad en op een kennisachterstand gesteld doordat de kantonrechter een conclusie van dupliek na de comparatie van partijen heeft toegelaten. Vervolgens is verzoeker niet in de gelegenheid gesteld om op deze uitgebreide conclusie van dupliek, waarin nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht, te reageren. In de conclusie van dupliek worden standpunten aangevoerd die pas tijdens de mondelinge behandeling ter sprake zijn gekomen; de conclusie van dupliek is dus “op voorzet” van de kantonrechter gemaakt. Hierom meent verzoeker dat de kantonrechter onder een hoedje speelt met de belanghebbende en dat er gesproken kan worden van partijdigheid van de rechter. De kantonrechter handelt zo in strijd met beginselen van behoorlijke rechtspleging, de beginselen van een goede procesorde, het beginsel van behoorlijk verloop van de procedure, het fair play beginsel, het beginsel van hoor- en wederhoor en het motiveringsbeginsel. Al met al zijn er stelselmatig processuele fouten in het voordeel van de belanghebbende gemaakt, ook bij de verlenging van de termijn voor het indienen van de conclusie van antwoord. Daardoor is bij verzoeker de vrees ontstaan dat de rechter vooringenomen is.

2.4.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en zij heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1.

Een verzoek tot wraking moet worden gedaan zodra de omstandigheden die daarvoor aanleiding hebben gegeven zich hebben voorgedaan. De wrakingskamer stelt vast dat een deel van de omstandigheden waarop verzoeker zijn wrakingsverzoek baseert bij hem bekend is geworden op de terechtzitting van 10 augustus 2020 en bij de brief van 19 augustus 2020, maar dat verzoeker het verzoek tot wraking eerst op 2 oktober 2020 bij de rechtbank heeft ingediend. Verzoeker is echter pas op 25 september 2020 bekend geworden met de inhoud van de conclusie van dupliek. Hem werd toen duidelijk op welke informatie hij niet meer zou mogen reageren. Dat was voor hem het moment dat hij over wilde gaan tot wraking. Kort daarna, op 2 oktober 2020, heeft hij het wrakingsverzoek ingediend. Gelet hierop is de wrakingskamer van oordeel dat het verzoek tot wraking tijdig is ingediend.

3.2.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren.

3.3.

Verzoeker vindt de rechter vooringenomen omdat deze onjuiste beslissingen heeft genomen. De rechter heeft op de terechtzitting van 10 augustus 2020 beslist dat de belanghebbende na de comparatie van partijen nog een conclusie van dupliek mocht indienen. Vervolgens heeft de rechter bepaald dat de uitspraak van het vonnis zal plaatsvinden op de rolzitting van 16 september 2020 en dus dat verzoeker niet meer in de gelegenheid behoefde te worden gesteld om nog te reageren op de conclusie van dupliek. Dit zijn (processuele) beslissingen van de rechter. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek, voor zover het is gebaseerd op de processuele (tussen)beslissingen, in beginsel niet toewijsbaar is.

3.4.

Bovenstaande is uitsluitend anders indien de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten

- bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. De wrakingskamer is van oordeel dat in dit geval niet aan deze strenge toetsingsmaatstaf wordt voldaan.

3.5.

Vaststaat dat verzoeker al voor de zitting een (lijvige) conclusie van repliek had genomen. De rechter heeft ter zitting van de wrakingskamer medegedeeld dat dat in de gangbare kantonpraktijk ongebruikelijk is. Zij heeft vervolgens, om de noodzakelijke balans in de procedure te herstellen, ter zitting van 10 augustus 2020 aan partijen medegedeeld dat zij de belanghebbende zou toestaan om nog een conclusie van dupliek te nemen. Aan verzoeker kan worden toegegeven dat de belanghebbende hierdoor in zijn conclusie van dupliek rekening kon houden met wat er op de zitting door de rechter was gezegd. Dit leidt evenwel niet tot de conclusie dat de (uiteindelijke) beslissing van de rechter om de conclusie van dupliek toe te laten en verzoeker niet meer in de gelegenheid te stellen daarop te reageren, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid. Immers, art. 6 EVRM vereist dat de rechter, ter bewaking van de goede procesorde, ambtshalve toeziet op het beginsel van “fair balance”, zoals de rechter heeft gedaan. Van de kant van verzoeker waren een dagvaarding en een (lijvige) conclusie van repliek ingediend en van de zijde van de belanghebbende slechts een conclusie van antwoord. Uit de toelating van de conclusie van dupliek kan evenmin worden afgeleid dat de kantonrechter voornemens is ten nadele van verzoeker informatie uit de conclusie van dupliek te laten meewegen waarover hij zich niet heeft kunnen uitlaten. In tegendeel, de rechter heeft terecht gesteld dat zij volgens vaste jurisprudentie de in de conclusie van dupliek nieuw ingenomen stellingen en daarbij nieuw overgelegde producties, niet als vaststaand mag aannemen. De conclusie van dupliek is in de regel het laatste schriftelijk stuk. Het beginsel van hoor en wederhoor vereist niet dat partijen steeds op het laatst ingediende stuk mogen reageren. Een procedure moet immers eens ten einde komen. Dat de rechter onder één hoedje zou spelen met de belanghebbende kan uit deze gang van zaken evenmin worden afgeleid.

3.6.

Verzoeker heeft eerder op procedurele punten ongelijk gekregen. Zo heeft hij bijvoorbeeld vergeefs bezwaar gemaakt tegen de verlenging van de termijn voor het indienen van een conclusie van antwoord door de belanghebbende. Verzoeker is hier ongelukkig over. Ook hier geldt echter dat processuele beslissingen in beginsel geen grond voor wraking kunnen vormen. Van ‘een opeenstapeling van processuele fouten’ die niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter, is de wrakingskamer niet gebleken. Ook in zoverre is er geen grond voor wraking.

3.7.

Het verzoek zal, gelet op al het bovenstaande, worden afgewezen.

4 De beslissing

De wrakingskamer

4.1.

wijst het verzoek tot wraking af;

4.2.

bepaalt dat de behandeling van de onder 2.2 vermelde procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

4.3.

beveelt dat een afschrift van deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker;

• de belanghebbende;

• de (kanton)rechter;

Deze beslissing is gegeven door mr. M.J. Alt-van Endt, mr. R. Cats en mr. R.E. Perquin in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Beeck en is in het openbaar uitgesproken op

9 november 2020.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.