Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12559

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-11-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
NL 20.17850 en 20.18751 VK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat het aan verweerder is om in zaken als deze opnieuw te bezien en duidelijk te maken hoe hij het behoren tot de Hazara bevolkingsgroep betrekt bij de beoordeling van individuelen. Dit betekent dat verweerder moet onderzoeken en motiveren wat in het specifieke geval van eiser – gelet op de huidige veiligheidssituatie voor Hazara's in Afghanistan – thans het risico bij terugkeer is, vanwege zijn Hazara afkomst. Verweerder kan niet volstaan met het standpunt dat eiser eerder heeft verklaard geen problemen te hebben gehad met het zijn van Hazara en dat hij mede daarmee geen geringe indicaties heeft gesteld noch aannemelijk heeft gemaakt voor vrees bij terugkeer op grond van zijn etniciteit. In het geval van eiser kan zijn medische gesteldheid en de stukken die zijn overgelegd ter onderbouwing hiervan, hierbij een rol spelen. Niet in geschil is immers dat eiser thans leidt aan psychische problematiek. Verweerder zal, alvorens deze beoordeling te kunnen maken, eiser in ieder geval in de gelegenheid moeten stellen te worden gehoord over de aanwezigheid van geringe indicaties voor vrees bij terugkeer op grond van zijn etniciteit, gelet op de huidige veiligheidssituatie voor Hazara in Afghanistan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.18750 (beroep) en NL20.18751 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: [naam] ),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).


Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2020. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens is verschenen aan de zijde van eiser [naam] van [naam] .

Overwegingen

1.1.

Eiser stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

1.2.

Eiser heeft eerder op 10 maart 2010 een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Zijn vader was voor het huwelijk met zijn moeder, een sjiitische vrouw, soenniet. Hij heeft zich voor hun huwelijk bekeerd tot de sjiitische islam. Na een aantal jaar kwam de familie van zijn vader er achter dat zijn vader sjiitisch moslim was geworden. Vanaf dat moment viel de familie van zijn vader het

gezin van zijn ouders (en dus ook eiser) lastig. In verband met deze bedreigingen is de familie van eiser naar Iran verhuisd. Ook daar werd het gezin niet met rust gelaten door de broers van eisers vader. De broers van eisers vader hebben zijn vader gedood, waarna de bedreigingen zich richtten op eiser en zijn broer. Eiser is vanwege deze bedreigingen samen met zijn broer gevlucht. Bij besluit van 21 december 2010 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Deze afwijzing staat in rechte vast1.

1.3.

Op 24 september 2013 heeft eiser een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Bij besluit van 11 december 2014 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Deze afwijzing staat eveneens in rechte vast2.

1.4.

Eiser heeft op 13 november 2015 wederom een asielaanvraag ingediend en daaraan ten grondslag gelegd dat sprake is van een relevante wijziging van de veiligheidssituatie in Afghanistan. Voorts is sprake van een verslechtering van de positie van minderheden in Afghanistan, meer in het bijzonder van de sjiitische Hazara waartoe eiser behoort. Bij besluit van 17 november 2015 is deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, hetgeen in rechte vaststaat3.

1.5.

Op 8 juni 2017 heeft eiser deze opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij lijdt aan een ernstige posttraumatische stressstoornis, die verband houdt met wat hij heeft meegemaakt in Afghanistan, Iran en tijdens de reis naar Nederland. Eiser betoogt dat met deze omstandigheden bij de beoordeling van zijn eerdere asielaanvragen onvoldoende rekening is gehouden. Zijn medische situatie is reden om zijn asielzaak opnieuw te beoordelen. Daarnaast betoogt eiser dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM4 in verband met zijn psychische problematiek en zijn Hazara achtergrond. . Ter onderbouwing van zijn asielaanvraag heeft eiser de volgende documenten overgelegd:

1. Bericht van [naam] aan huisarts van 11 juli 2016;

2. Rapport psychiatrisch onderzoek [naam] van 27 december 2013;

3. Advies reclassering van 24 december 2013;

4. Arrest [naam] van 19 april 2016;

5. Aanmeldingsformulier [naam] van 28 november 2017;

6. Brief [naam] van 17 november 2017;

7. Opnameverklaring [naam] van 20 februari 2018;

8. Diverse artikelen en rapporten over de algemene situatie (van Hazara en sjiieten) in Afghanistan;

9. Rapport met betrekking tot medische behandeling in Afghanistan;

10. Medische informatie over de periode dat eiser in detentie zat.

1.6.

Verweerder heeft Forensisch Medisch Onderzoek (FMO) laten verrichten, omdat twijfel was gerezen over de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser in combinatie met de medische aspecten. Er zijn twee rapporten opgesteld, te weten een forensisch medisch onderzoeksrapport door een forensisch arts verbonden aan het [naam] , en een psychiatrisch onderzoeksrapport door een psychiater verbonden aan het [afkorting 2] . Geconcludeerd is het volgende:

“ Ten aanzien van de meeste waargenomen littekens ontbreekt een (voldoende nauwkeurige) beschrijving van de toedracht, zodat het niet mogelijk is om aan te geven of de verklaring juist of onjuist is. Ten aanzien van enkele littekens heeft eiser wel een verklaring gegeven; hiervan kan gesteld worden dat deze verklaring mogelijk juist is, maar dat er ook andere verklaringen mogelijk zijn.”

“ Bij eiser is sprake van complexe psychiatrische problematiek. In diagnostische zin is sprake van een chronische PTSS, een depressieve stoornis, recidiverend, in gedeeltelijke remissie (bij gebruik van een antidepressivum), en een periodiek explosieve stoornis. Zijn klachten en symptomen worden vermoedelijk in stand gehouden door onderliggende persoonlijkheidsproblematiek (borderline trekken). Eiser wordt door zijn klachten en symptomen fors belemmerd in het psychosociaal functioneren op meerdere levensgebieden (wonen, daginvulling, sociale contacten en relaties), wat geobjectiveerd is door de beschikbare collaterale informatie.”

“ Op basis van het huidige onderzoek kan slechts een globaal verband gelegd worden tussen het asielrelaas en zijn chronische psychiatrische problematiek die vermoedelijk verankerd is in zijn traumatische ervaringen in Afghanistan en/of Iran. Een precies verband tussen concrete trauma’s en psychopathologie kan echter niet worden ontrafeld. Wel kan gesteld worden dat eiser waarschijnlijk al in zijn jeugd getraumatiseerd is geraakt door meerdere ingrijpende ervaringen, zoals gewelds-, verlies- en ongewenste seksuele ervaringen, waarvan de precieze bijdrage aan zijn algehele problematiek niet (meer) te achterhalen is. Zijn latere ervaringen, zoals het seksueel misbruik en het kwijtraken van zijn broer tijden de vlucht, worden gezien als vorm van retraumatisering, waardoor de psychische schade zich mogelijk verder heeft verdiept. Dit leidt tot de volgende classificatie ten aanzien van causaliteit: de causale relatie tussen de psychiatrische bevindingen en de gestelde ervaringen uit het asielrelaas wordt geïnterpreteerd als consistent tot zeer consistent.”

“ De bij eiser waargenomen psychiatrische en lichamelijke bevindingen kunnen veroorzaakt zijn door de gestelde gebeurtenissen, zoals weergegeven in zijn asielrelaas. Doordat de opgegeven toedracht van de meeste lichamelijke letsels onvolledig is, kan niet vastgesteld worden of er sprake is van causaliteit in de samenhang van fysieke en psychische sporen.” 5

1.7.

Eiser heeft op de rapportage gereageerd bij brief van 29 november 2019.

1.8.

Hier is door de forensisch arts op gereageerd bij brief van 5 februari 2020.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser vervolgens kennelijk ongegrond verklaard

op grond van artikel 31 van de Vw 2000 in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000, omdat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Verweerder heeft verder gesteld dat – hoewel er redenen zijn om aan te nemen dat de situatie in Afghanistan voor Hazara nu onveiliger is dan in het verleden – het enkele behoren tot de etniciteit van Hazara niet zonder meer aanleiding geeft om een verblijfsvergunning te verlenen. Eiser dient in zijn persoonlijke situatie aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling. Hierin is hij niet geslaagd, aldus verweerder.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe – samengevat – aan dat uit het onderzoek van [naam] is gebleken wat met eiser in [land] is gebeurd. Eiser is nooit in het bezit geweest van dit rapport en was ook niet bekend met de inhoud hiervan. Hij kon dit rapport daarom destijds ook niet overleggen. Dit is een verschoonbare reden. Eiser heeft in het kader van het psychiatrisch onderzoek aan de psychiater dingen kunnen vertellen die hij nooit eerder heeft verteld. Uit de [naam] rapportage blijkt dat hij vier keer onder bedreiging met een mes in Griekenland door de reisagent is verkocht. Deze informatie moet – gelet op Bahaddar6 – tot een nadere beoordeling leiden. Dit geldt te meer nu uit de stukken blijkt dat eiser ernstig getraumatiseerd is. Verweerder gaat voorbij aan alle stukken die eiser heeft ingebracht, ook aan het FMO. Eisers kwetsbaarheid dient in het kader van het nieuwe beleid ten aanzien van Hazara’s beoordeeld te worden. Verweerder heeft daarbij ten onrechte het risico bij terugkeer voor Hazara niet nader onderzocht, aldus eiser.

Oordeel rechtbank

4. De rechtbank stelt vast dat in het FMO-rapport is vermeld dat eiser voor veel van zijn littekens geen specifieke verklaring kon geven over de oorzaak. De FMO-arts heeft geconcludeerd dat over die littekens dan ook niet valt aan te geven of deze kunnen zijn ontstaan zoals aangegeven in het asielrelaas. Ten aanzien van enkele andere littekens heeft eiser wel een verklaring gegeven; hiervan wordt gesteld dat deze verklaring mogelijk juist is, maar dat ook andere verklaringen mogelijk zijn. Zo is de verklaring dat zijn linkeroor gehecht is als plausibel beoordeeld. Ook de verklaring dat een litteken op de linkerhand van eiser kan passen bij een scenario van een steekincident en een latere hechting, is plausibel. De FMO-arts heeft echter geconcludeerd dat dit slechts een van de mogelijke scenario’s voor het litteken is. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook op goede gronden aan eiser tegengeworpen dat het causaal verband tussen de littekens en het gestelde asielrelaas hiermee onvoldoende aannemelijk is gemaakt.

4.1.

Over de psychische schade en psychische problematiek in combinatie met eisers asielrelaas is in het FMO-rapport vermeld dat de klachten van eiser aannemelijk zijn in consistente tot zeer consistente mate. Dit betekent volgens de FMO-arts dat de psychiatrische bevindingen kunnen zijn veroorzaakt door de gebeurtenis zoals beschreven door eiser, maar hier zijn eveneens andere mogelijke oorzaken voor. Uit het rapport blijkt daarbij dat eiser waarschijnlijk al in zijn jeugd getraumatiseerd is geraakt door meerdere ingrijpende ervaringen en dat een precies verband tussen zijn psychische problematiek en eisers asielrelaas niet kan worden gelegd. Verweerder heeft dan ook op goede gronden aan eiser tegengeworpen dat het causaal verband tussen de psychische schade en het gestelde asielrelaas eveneens onvoldoende aannemelijk is geworden.

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich gelet op het voorgaande op goede gronden op het standpunt gesteld dat het FMO-rapport voldoende overtuigingskracht mist om de eerdere besluiten te herzien.

5. De rechtbank stelt voorts vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser Hazara is.

5.1.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 18 december 20197 het volgende geconcludeerd:

“(…) De Afdeling oordeelt dat (…) er redenen zijn om aan te nemen dat de situatie in Afghanistan voor Hazara nu onveiliger is dan in het verleden. Uit de nu beschikbare informatie blijkt dat Hazara om allerlei redenen problemen kunnen krijgen met verschillende strijdende groepen in Afghanistan. Dat kan zijn omdat hun een bepaald geloof en mede daarom een bepaalde politieke opvatting wordt toegedicht, maar bijvoorbeeld ook door een bepaalde sociaal-economische positie. Volgens de Afdeling is de situatie voor Hazara in Afghanistan niet zo slecht dat het enkel zijn van Hazara betekent dat een vreemdeling een gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een reëel risico op onmenselijke behandeling loopt. De staatssecretaris hoeft dus niet elke Hazara uit Afghanistan zonder meer een asielvergunning te verlenen. Maar de situatie in Afghanistan voor Hazara is wel zo onveilig geworden dat de staatssecretaris opnieuw moet bezien en duidelijk maken hoe hij het behoren tot de Hazarabevolkingsgroep betrekt bij de beoordeling van individuele asielrelazen. Dit gelet op de risico's die zij in Afghanistan om verschillende redenen lopen. (…)”

5.2.

Op de zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het aan eiser is om te stellen en aannemelijk te maken dat de door de Afdeling bedoelde geringe indicaties aanwezig zijn en dat heeft eiser niet gedaan. Eiser heeft immers bij zijn eerste asielaanvraag8 verklaard dat hij geen problemen heeft ervaren vanwege zijn Hazara afkomst. Om die reden is volgens verweerder geen aanleiding om dit punt nader te onderzoeken en te motiveren. De rechtbank oordeelt anders.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat het aan verweerder is om in zaken als deze opnieuw te bezien en duidelijk te maken hoe hij het behoren tot de Hazara bevolkingsgroep betrekt bij de beoordeling van individuelen. Dit betekent dat verweerder moet onderzoeken en motiveren wat in het specifieke geval van eiser – gelet op de huidige veiligheidssituatie voor Hazara's in Afghanistan – thans het risico bij terugkeer is, vanwege zijn Hazara afkomst. Verweerder kan naar het oordeel van de rechtbank niet volstaan met het standpunt dat eiser eerder heeft verklaard geen problemen te hebben gehad met het zijn van Hazara en dat hij mede daarmee geen geringe indicaties heeft gesteld noch aannemelijk heeft gemaakt voor vrees bij terugkeer op grond van zijn etniciteit. In het geval van eiser kan zijn medische gesteldheid en de stukken die zijn overgelegd ter onderbouwing hiervan, hierbij een rol spelen. Niet in geschil is immers dat eiser thans leidt aan psychische problematiek. Verweerder zal, alvorens deze beoordeling te kunnen maken, eiser in ieder geval in de gelegenheid moeten stellen te worden gehoord over de aanwezigheid van geringe indicaties voor vrees bij terugkeer op grond van zijn etniciteit, gelet op de huidige veiligheidssituatie voor Hazara in Afghanistan.

Conclusie

6. De rechtbank komt tot de volgende conclusie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich zonder nadere motivering niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een risico loopt vanwege zijn Hazara afkomst. De rechtbank is van oordeel dat verweerder nader had moeten onderzoeken wat in het geval van eiser thans het risico is bij terugkeer vanwege zijn Hazara afkomst. In dat kader had het op de weg van verweerder gelegen om eiser te horen.

7. Gelet op het voorgaande is eisers beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd, wegens een onzorgvuldig voorbereiding en ondeugdelijke motivering (artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht). Verweerder moet op eisers aanvraag een nieuw besluit nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Omdat op het beroep is beslist, is geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

8. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, stelt de rechtbank de proceskosten voor rechtsbijstand vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

In de procedure met nummer NL20.18750:

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak te nemen op de met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.575,-.

In de procedure met nummer NL20.18751:

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van

mr. L.A. Super, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 10 november 2011 (AWB 11/1241) en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 december 2011 (201112720/1/V3).

2 Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 10 maart 2015 (AWB 11/1241) en de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2015 (201503006/1/V3).

3 Zie de uitspraak van deze rechtbank 15 december 2015 (AWB 15/20397) en de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2016 (201509275/1/V2).

4 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

5 De rapporten bevatten geen paginanummers. De rechtbank volstaat daarom met een citering zonder verwijzing naar de betreffende pagina.

6 Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Bahaddar tegen Nederland, nummer 25894/94, 19 februari 1998.

7 ECLI:NL:RVS:2019:4202.

8 Zie pagina 8 van het nader gehoor van 16 april 2010.