Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12554

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
C/09/532994 / HA ZA 17-552
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Vonnis na deskundigenbericht. Schade door supercel kwalificeert niet als “stormschade” zoals genoemd in de polisvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/532994 / HA ZA 17-552

Vonnis van 11 november 2020

in de zaak van

[eiser] , te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne,

tegen

1 REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V., te Zoetermeer,

2. AEGON SCHADEVERZEKERING N.V., te Den Haag,

3. ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., te Apeldoorn,

4. NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V., te Den Haag,

gedaagden,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 maart 2019 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    het deskundigenrapport van RoyalHaskoningDHV van 15 september 2019 en de aangehechte notitie van 20 december 2019;

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van 18 maart 2020 van de zijde van [eiser];

  • -

    de akte uitlating deskundigenbericht van 18 maart 2020 van Reaal c.s.

  • -

    de akte uitlating na conclusie van 27 mei 2020 van Reaal c.s.

1.2.

Ten slotte is de datum voor vonnis nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij tussenvonnis van 27 maart 2019 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek door ir. F.H. (Erik) Middelkoop van RoyalHaskoningDHV (hierna ook: ‘Middelkoop’) bevolen en vragen ter beantwoording aan de deskundige voorgelegd.

2.2.

In het deskundigenrapport van 15 september 2019 heeft Middelkoop de vragen als volgt beantwoord:

5 Beantwoording vragen

1. Is de schade (aan de opstallen van [eiser]) – mede – door de storm ontstaan?

Ja, grotendeels wel.

2 Zou de schade ook zijn ontstaan zonder de storm?

Nee, zonder de storm zouden de hagelstenen aanzienlijk minder schade hebben veroorzaakt.

3 Zo ja, in welke mate, en zo nee, waarom niet?

De verticale delen zouden niet zijn beschadigd zonder de storm. De schade aan de loefzijde van de daken zou aanzienlijk minder zijn, waarschijnlijk vergelijkbaar met de schade die nu aan de lijzijde is opgetreden.

4. Bestaat er een verschil in schadeoorzaak tussen de schade die is ontstaan aan de verticale delen van de gebouwen enerzijds en de horizontale c.q. liggende delen van de gebouwen anderzijds?

Nee, voor beide delen geldt dat de schade is ontstaan door de combinatie van storm en hagel. Voor de verticale delen geldt dat zonder storm er in het geheel geen schade zou zijn geweest. Voor de liggende delen geldt dat zonder storm de schade aanzienlijk minder zou zijn geweest.

5. In hoeverre en in welke mate heeft wind tot 30 meter hoogte invloed gehad op de valhoek en snelheid van de op 23 juni 2016 gevallen hagelstenen?

Het maximale effect van de wind op de snelheid en valhoek zijn indicatief bepaald in respectievelijk paragraaf 5 en 6. De invloed van de wind is sterk afhankelijk van de diameter van hagelsteen. De berekende waarden zijn de maximale invloed ten tijde van de windvlagen in de storm. Tussen de windvlagen in zullen er hagelstenen zijn gevallen met een valhoek en snelheid vergelijkbaar met de situatie zonder storm.

6. Bij welke valsnelheid is de impact van de vallende hagelsteen met een doorsnede van 8 centimeter groot genoeg om het dakmateriaal van de stallen van [eiser] te beschadigen?

De valsnelheid van een hagelsteen met een diameter van 8 centimeter is groot genoeg om het dakmateriaal te beschadigen. Hiervoor is het wel nodig dat de inslaghoek ongeveer 90° is (loodrecht op het dakoppervlak).

7. Welke invloed heeft de wind op die hagelstenen en leidt dit tot een ander antwoord dan het antwoord op de vorige vraag?

De wind verandert de valhoek en verhoogt de snelheid van de hagelstenen. Voor de loefzijde van de daken van [eiser] geldt dat, als gevolg van de wind, de hagelstenen loodrecht op het oppervlak inslaan met een aanzienlijk grotere snelheid.

8. Was de aanwezigheid van harde wind (minimaal windkracht 7) aan het aardoppervlak een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van schade aan het dakenmateriaal van [eiser], meer specifiek gaten in de daken?

Nee. Harde wind was wel een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van gaten in de daken. Het is echter aannemelijk dat met windkracht 6 ook gaten in de daken zouden zijn ontstaan als gevolg van de hagelstenen.”

2.3.

Reaal heeft bij brief van 9 december 2019 aanvullende vragen gesteld aan de deskundige. In een aan zijn rapport gehecht memo van 20 december 2019 heeft de deskundige de vragen van Reaal beantwoord. Hij heeft hieraan toegevoegd dat er geen aanleiding is het rapport te wijzigen.

2.4.

In zijn conclusie na deskundigenbericht heeft [eiser] gesteld dat de schade aan de daken niet enkel door hagel maar ook door storm is ontstaan. Hij beroept zich er in dat kader op dat Middelkoop heeft gerapporteerd dat hagel aanzienlijk meer schade veroorzaakt in combinatie met storm en dat de schade aan de opstallen van [eiser] grotendeels door de storm is ontstaan. Zonder de storm zouden de hagelstenen aanzienlijk minder schade hebben veroorzaakt. [eiser] wijst er daarbij op dat de storm de valrichting van de hagel verandert, hetgeen ongunstig is voor schade aan verticale en hellende oppervlakken. De snelheid, en daarmee de stootkracht van de hagelstenen neemt daarbij toe. De storm leidt tot meer schade aan de daken aan de loefzijde. [eiser] stelt dat de schade aan de daken aan de lijzijde als indicatief wordt beschouwd voor de schade die zou zijn opgetreden bij dezelfde hagelstenen in windstille condities.

2.5.

Reaal voert hiertegen aan dat [eiser] niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd omdat Middelkoop in zijn rapport tot de conclusie komt dat de storm niet de rechtens relevante oorzaak is van de schade aan de daken van [eiser]. Immers, zo stelt Reaal primair, Middelkoop concludeert dat ook zonder windkracht 7 de schade aan de daken zou zijn ontstaan in de vorm van gaten. Reaal concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

Storm géén doorslaggevende factor voor de schade

2.6.

Anders dan [eiser] heeft betoogd, is hij niet geslaagd in de hem opgedragen bewijslevering. Uit het door Middelkoop ingediende deskundigenbericht in combinatie met het aangehechte memo van 20 december 2019 kan niet de conclusie worden getrokken dat voor de schade aan de daken de storm aan het aardoppervlakte van doorslaggevende invloed is geweest en dat dus de schade door de storm is ontstaan.

2.7.

Uit de rapportage van Middelkoop volgt dat de valsnelheid van een hagelsteen primair afhankelijk is van de diameter (een hagelsteen met een diameter van 1 cm heeft een valsnelheid van 48 km/h en een hagelsteen met een diameter van 8 cm heeft een valsnelheid van 139 km/h) (paragraaf 3.3). De storm heeft daarbij geen invloed op de valsnelheid maar wel op de snelheid in de bewegingsrichting. Voor kleine hagelstenen geldt dat deze snelheid aanzienlijk wordt vergroot door de storm, terwijl de snelheid van zeer grote hagelstenen als gevolg daarvan significant toeneemt. Middelkoop concludeert dat hagel aanzienlijk meer schade veroorzaakt in combinatie met storm.

2.8.

Met het voorgaande staat evenwel niet vast dat de storm – volgens de polisvoorwaarden gedefinieerd als ‘een windsnelheid van ten minste 14 meter per seconde’ (windkracht 7) – een noodzakelijke voorwaarde voor de schade aan de daken is geweest. Middelkoop bevestigt in zijn beantwoording van de vragen weliswaar dat de schade aan de opstallen van [eiser] grotendeels door de storm is ontstaan (vraag 1) en dat de hagelstenen zonder de storm aanzienlijk minder schade zouden hebben veroorzaakt (vraag 2), maar op de vraag of de aanwezigheid van harde wind (minimaal windkracht 7) een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van schade aan het dakenmateriaal van [eiser] is geweest, antwoordt hij dat dat niet het geval is. Hij voegt daaraan toe dat harde wind wel een noodzakelijke voorwaarde is voor het ontstaan van de gaten, maar dat het aannemelijk is dat die met windkracht 6 ook zouden zijn ontstaan als gevolg van de hagelstenen. In het memo verduidelijkt hij daarbij zijn antwoord op de eerste onderzoeksvraag door erop te wijzen dat hij er bij de beantwoording daarvan niet vanuit is gegaan dat storm een noodzakelijke voorwaarde was.

2.9.

Op grond van het voorgaande moet het ervoor worden gehouden dat de aanwezigheid van storm aan het aardoppervlakte binnen het samenstel van hagel en storm niet een doorslaggevende invloed op de schade heeft gehad, zodat niet gesproken kan worden van stormschade. Immers, ook als er aan het aardoppervlakte geen storm was geweest, maar enkel harde wind, geldt dat de hagel voor schade aan de daken zou hebben gezorgd.

Prejudiciële vragen

2.10.

[eiser] heeft in zijn conclusie na deskundigenbericht de rechtbank nog verzocht prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen over de toepassing van de dominant-cause-leer in verzekeringszaken en over wat rechtens is als twee of meer mogelijke schadeoorzaken leiden tot schade, die door die gebeurtenissen afzonderlijk niet ingetreden zou zijn. De rechtbank gaat aan dit verzoek voorbij.

2.11.

Nog los van het feit dat het stellen van prejudiciële vragen in de stand waarin het geding zich nu bevindt tot een onredelijke vertraging van de procedure zou leiden, geldt dat daarvoor in deze procedure geen noodzaak is. In het tussenvonnis van 8 augustus 2018 heeft de rechtbank het juridisch kader voor de beoordeling van de vordering van [eiser] gegeven. Deze beoordeling kwalificeert als een bindende eindbeslissing waarop niet zomaar teruggekomen mag worden. De vraag die na het tussenvonnis nog resteerde betrof een feitelijke vraag, namelijk of binnen het samenstel van storm en hagel, de storm een doorslaggevende factor voor de schade geweest is geweest. Deze vraag is door Middelkoop beantwoord, zodat voor het stellen van prejudiciële vragen geen aanleiding bestaat.

Conclusie en proceskostenveroordeling

2.12.

Nu de schade aan de daken van [eiser] niet kwalificeert als stormschade in de zin van de polis, is Reaal niet tot dekking onder de polis gehouden. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.

2.13.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden begroot op € 5.146,-, bestaande uit € 1.924,- voor betaald griffierecht en een vergoeding salaris advocaat van € 3.222,- (liquidatietarief berekend op basis van 3 punten x € 1.074 (tarief IV). Nu [eiser] de kosten voor het deskundigenrapport heeft voorgeschoten, geldt dat deze niet in de proceskostenveroordeling hoeven te worden betrokken. Omdat de deskundige een lager bedrag in rekening heeft gebracht (€ 5.929,-) dan het bedrag dat door [eiser] is voorgeschoten (€ 7.260,-), zal het restant van het voorschot van (€ 7.260,- minus € 5.929,-) € 1.331,- via het LDCR aan [eiser] worden geretourneerd, voor zover het LDCR daartoe nog niet is overgegaan.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst het gevorderde af;

3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op heden begroot op € 5.146,-;

3.3

bepaalt dat het restant van het voorschot van € 1.331,- dat door [eiser] is voldaan aan hem zal worden geretourneerd;

3.4

verklaart de proceskostenveroordeling onder 3.2 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. de Coninck en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel, rolrechter, op 11 november 2020.1

1 type: 2577 coll: