Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12551

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
NL20.19436
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Italië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, art. 17 DVO, beroep ongegrond.

(ZIE OOK: ECLI:NL:RBDHA:2020:12550)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amersfoort Bestuursrecht zaaknummer: NL20.19436

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.C. van Zundert), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.19437, plaatsgevonden op 24 november 2020. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser verwijst naar de door hem ingediende zienswijze en stelt dat inhoud daarvan als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd op de zienswijze is ingegaan. Eiser maakt niet concreet inzichtelijk waarom deze motivering

niet juist zou zijn, noch op welke punten van zijn zienswijze verweerder niet, althans onvoldoende is ingegaan. Dit had wel op zijn weg gelegen. Daarom gaat de rechtbank aan deze beroepsgrond voorbij.

4. Eiser voert aan dat Nederland de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich moet trekken. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar een rapport over de Europese Unie met de titel: ‘Democratic values in the 27-country bloc’. In dit rapport erkent Eurocommissaris Jourova dat sprake is van een gebrek in de democratie. Daarmee erkent zij ook dat opvang voor asielzoekers in Italië in het geheel ontbreekt. Italië is dus niet in staat opvang aan eiser te bieden op grond van de Opvangrichtlijn. In het bestreden besluit wordt door verweerder ten onrechte vastgehouden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

5. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover thans van belang, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

6. De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft dit in de uitspraken van 5 augustus 2020 nog bevestigd.1 Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Eiser is hier niet in geslaagd.

7. Zoals verweerder reeds in het bestreden besluit terecht heeft gemotiveerd, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er concrete aanwijzingen zijn dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen een asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. De enkele algemene verwijzing van eiser naar het rapport voornoemd is daarvoor onvoldoende. Verweerder stelt daarover terecht dat eiser niet aangeeft op welke passages van het rapport hij een beroep doet. Verder volgt uit het rapport ook niet dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen.

8. Daarnaast heeft eiser zijn stelling niet onderbouwd met stukken die hem persoonlijk betreffen. Italië heeft middels het claimakkoord gegarandeerd het asielverzoek van eiser als Dublinclaimant in behandeling te nemen, in overeenstemming met de internationale verplichtingen. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser, indien hij meent dat Italië zich niet houdt aan de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn dan wel aan de verdragsverplichtingen, zich dient te wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten in Italië dan wel tot de daartoe geëigende instanties. Niet is gebleken dat eiser al heeft geprobeerd te klagen bij de Italiaanse autoriteiten of deze instanties, dan wel dat de autoriteiten of deze instanties eiser niet willen of kunnen helpen.

1. ECLI:NL:RVS:2020:1848, ECLI:NL:RVS:2020:1849 en ECLI:NL:RVS:2020:1850.

9. Concluderend overweegt de rechtbank dat verweerder ten aanzien van Italië onverminderd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan en niet gehouden is om eisers aanvraag met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

01 december 2020

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Mr. L.A. Banga A. Vranken

Rechter Griffier

Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: DSR13392903

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling

bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.