Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12542

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6534 en SGR 19/7856
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Staking van het salaris, de toegekende salaristoelagen en de opbouw van het Individueel Keuzebudget (IKB) voor één dagdeel. Eervol ontslag, primair op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het vervullen van zijn functie anders dan op grond van ziekten of gebreken en subsidiair op grond van verstoorde verhoudingen dan wel een fundamentele vertrouwensbreuk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/6534 en SGR 19/7856

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. drs. P. van Wegen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder

(gemachtigde: mr. G.G.E.A. Frederix).

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2018 (het primaire besluit 1) heeft verweerder het salaris, de toegekende salaristoelagen en de opbouw van het Individueel Keuzebudget (IKB) op 5 december 2018 voor één dagdeel gestaakt.

Bij besluit van 2 september 2019 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 1, in afwijking van het advies van de Commissie Bezwaarschriften Westland (hierna: de Commissie), ongegrond verklaard.

Bij besluit van 20 mei 2019 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiser met ingang van 22 mei 2019 eervol ontslag verleend, primair op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het vervullen van zijn functie anders dan op grond van ziekten of gebreken en subsidiair op grond van verstoorde verhoudingen dan wel een fundamentele vertrouwensbreuk waarbij de regeling is getroffen dat voor eiser onder voorwaarden een budget beschikbaar is voor outplacement en/of scholing van maximaal € 5.000,- inclusief BTW.

Bij uitspraak van 2 juli 2019 (SGR 19/3282) is een verzoek van eiser om een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 26 november 2019 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 2, in afwijking van het advies van de Commissie, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft bij brief van 1 oktober 2020 aanvullende stuken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G.E.A. Frederix, drs. K.P.M. van Laarhoven en mr. S. den Boer.

Overwegingen

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar en beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

De staking van de bezoldiging voor één dagdeel

2. Eiser is met ingang van 1 september 2017 in dienst getreden bij de gemeente Westland als Coördinator handhaving openbare ruimte. Eind 2017 heeft hij verlof gevraagd en van zijn leidinggevende, mw. [A] , verkregen om in die periode Sinterklaasactiviteiten te verrichten. Op 20 juni 2018 heeft eiser zich ziek gemeld. In de periode hierna heeft eiser herhaaldelijk de bedrijfsarts bezocht. Deze adviseerde dat sprake was van arbeidsongeschiktheid en dat werkhervatting nog niet aan de orde was.

3. Eiser heeft op zaterdag 24 november 2018 in de [straat] te [plaats 1] als Sinterklaas opgetreden. Op 1 december 2020 heeft hij in [plaats 2] bij particuliere huishoudens als Sinterklaas opgetreden. Bij het laatste afgelegde bezoek is eiser onwel geworden.

In de ochtend van 5 december 2018 heeft eiser een Sinterklaasoptreden verzorgd op basisschool de Fontein te [plaats 3] .

4. Verweerder heeft bij het primaire besluit 1 op grond van artikel 7:13:2, eerste lid, aanhef en onder f, van de CAR/UWO het salaris, de toegekende salaristoelagen en de opbouw van het Individueel Keuzebudget (IKB) op 5 december 2018 voor één dagdeel gestaakt. Verweerder legt daaraan ten grondslag dat eiser tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, op 5 december 2018 arbeid voor zichzelf of voor derden heeft verricht, terwijl dit niet vooraf door de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk is geacht. Eiser heeft de arbodienst niet vooraf van deze activiteiten op de hoogte gesteld. Voorts heeft verweerder ook geen toestemming verleend voor deze arbeid.

5. De Commissie heeft in het kader van het door eiser gemaakte bezwaar geadviseerd het primaire besluit 1 te herroepen, omdat de Sinterklaasactiviteiten van eiser niet kunnen worden aangemerkt als arbeid. Daarbij is volgens de Commissie van belang dat het ging om onbetaalde, niet-structurele activiteiten. Voorts wijst de Commissie erop dat het niet ging om nieuwe activiteiten die eiser tijdens zijn arbeidsongeschiktheid is gaan verrichten. Hij had immers het jaar daarvoor ook als Sinterklaas opgetreden. Daarbij verwijst de Commissie naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 2 maart 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AV4641).

6. Verweerder heeft het advies niet gevolgd en bij het bestreden besluit 1 de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

7. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

7.1.

Ingevolge artikel 7:13:2, eerste lid, aanhef en onder f, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling sector gemeenten en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO), worden de doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, en de opbouw van het IKB, bedoeld in artikel 3:28, gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het college daartoe toestemming heeft verleend.

7.2.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat geen sprake is van arbeid in de zin van artikel 7:13:2, eerste lid, aanhef en onder f, van de CAR/UWO. Of eiser voor zijn Sinterklaasoptreden daadwerkelijk werd betaald is daarbij niet van doorslaggevend belang. Het is een feit van algemene bekendheid dat het optreden als Sinterklaas een beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit kan zijn met een economische waarde. Daarvan is in eisers geval sprake, gelet op het herhaalde Sinterklaasoptreden van eiser voor derden, niet slechts in familie- of kennissenkring. Nu eiser deze optredens heeft verricht tijdens ziekte is artikel 7:13:2, eerste lid, aanhef en onder f, van de CAR/UWO van toepassing.

7.3.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat verweerder niet vooraf toestemming heeft verleend aan eiser om tijdens zijn ziekte op te treden als Sinterklaas. Reeds daarmee staat vast dat de uitzondering genoemd in artikel 7:13:2, eerste lid, aanhef en onder f, van de CAR/UWO niet van toepassing is. Overigens is ook niet gebleken dat eiser zijn Sinterklaasoptredens vooraf heeft gemeld bij de bedrijfsarts en dat deze heeft geadviseerd dat deze optredens in het belang van eisers genezing waren.

Het behoort tot de verantwoordelijkheid van eiser om eerst een standpunt te vragen van de bedrijfsarts over de wenselijkheid van het verrichten van ander werk tijdens de ongeschiktheid voor zijn eigen werk, en het antwoord op die vraag en de toestemming van verweerder af te wachten alvorens dit andere werk te gaan doen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 21 oktober 1999 (ECLI:NL:CRVB:1999:AA5485 ). Uit deze uitspraak volgt ook dat een goedkeuring van de werkzaamheden door de bedrijfsarts achteraf, daargelaten of daarvan in eisers geval sprake is geweest, niet volstaat. Het feit dat eisers behandelend arts van GGZ Delfland eiser heeft geadviseerd om leuke activiteiten te blijven doen, is niet relevant. Dit is immers geen advies van de arbodienst.

7.4.

De rechtbank is van oordeel dat de uitspraak van de CRvB van 2 maart 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AV4641) betrekking heeft op een andere situatie dan die van eiser. Het ging in die zaak om een ambtenaar die structureel vóór zijn ziekteperiode voor een andere werkgever heeft gewerkt en dit na zijn uitval wegens ziekte heeft voortgezet gedurende niet meer uren per maand dan in de periode vóór zijn uitval wegens ziekte.

In eisers geval was geen sprake van structurele werkzaamheden die hij na zijn uitval wegens ziekte in gelijke mate heeft voortgezet, maar van incidentele arbeid.

7.5.

Verweerder was dan ook gehouden de doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, en de opbouw van het IKB voor het ochtenddeel van 5 december 2018 te staken.

7.6.

Het beroep tegen het bestreden besluit 1 is ongegrond.

Het ontslag op grond van ongeschiktheid anders dan op grond van ziekten of gebreken en subsidiair op grond van verstoorde verhoudingen c.q. een fundamentele vertrouwensbreuk.

8.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende op hoofdlijnen weergegeven feiten.

8.2.

Eiser is met ingang van 1 september 2017 in dienst getreden bij de gemeente Westland als Coördinator handhaving openbare ruimte, ook genoemd Coördinator Toezicht & Handhaving. Volgens de vacaturetekst is dit een functie op hbo-niveau, schaal 10 en houdt de functie onder meer in:

- aanspreekpunt, werkverdeler en vraagbaak voor de medewerkers APV, de

medewerkers bijzondere wetten (vergunningverleners) en de marktmeester;

- het dagelijks aansturen van de BOA-medewerkers;

- beleids- en bedrijfsvoering ondersteunende werkzaamheden;

- het in- en extern vertegenwoordigen van de medewerkers die belast zijn met toezicht

en handhaving en de vergunningsverleners, en;

- het bijwonen van relevante overleggen.

8.3.

Op 22 januari 2018 kreeg eiser van zijn leidinggevende opdracht om voor de burgemeester een plan van aanpak op te stellen waarin werd uitgewerkt op welke prioriteiten de BOA-medewerkers worden ingezet.

8.4.

Op 8 maart 2018 vond het startgesprek plaats tussen eiser en de leidinggevende. Op enig moment is een actielijst met prioriteiten voor eiser opgesteld, volgens verweerder in januari 2018. Volgens eiser is deze actielijst hem voor het eerst in maart/april 2018 onder ogen gekomen.

8.5.

Eiser heeft op 26 april 2018, in reactie op het verzoek om een jaarverslag, een actiepuntenlijst betreffende de prioriteiten voor BOA’s ingediend. Daarop heeft de leidinggevende per e-mail aangegeven dat dit stuk niet voldoet aan wat de burgemeester verwacht en met welke concrete informatie het plan moet worden aangevuld.

8.6.

Na haar terugkomst van vakantie op 21 juni 2020 heeft de leidinggevende eiser aangesproken op het achterwege blijven van het jaarplan. Enkele uren daarna heeft eiser zich ziek gemeld.

8.7.

Op 26 juni 2018 hebben eiser en de leidinggevende een gesprek gehad. Daarin heeft de leidinggevende haar ongenoegen geuit over het functioneren van eiser en hem voorgehouden dat het, wat haar betreft, ‘vijf voor twaalf’ is. Op 9 juli 2018 heeft de leidinggevende een rapportage van eisers functioneren over de periode van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018 opgesteld. Als eindoordeel komt daarin naar voren dat eiser niet functioneert, niet levert, de kantjes ervan afloopt en willekeurig en wispelturig is in zijn aansturing. Eiser is voor de leidinggevende/teammanager onbetrouwbaar, en komt zijn afspraken richting BOA’s, leidinggevende/teammanager en burgemeester niet na. In de samenwerking met het college en de burgemeester pakt hij absoluut niet de goede rol. De leidinggevende oordeelt dat zij geen vertrouwen meer heeft in de samenwerking met eiser in zijn functie.

8.8.

Op 19 juli 2018 en 10 september 2018 hebben vervolggesprekken plaatsgevonden.

8.9.

Omdat naar het oordeel van de leidinggevende signalen bestonden die maakten dat de situatie rondom het functioneren van eiser ernstiger was dan aanvankelijk werd gedacht, is opdracht gegeven tot het doen van onderzoek gericht op het functioneren van eiser, zijn houding en gedrag en de vraag of er nog draagvlak voor hem was binnen de organisatie. Bij brief van 26 september 2018 is eiser van de opdracht tot onderzoek op de hoogte gesteld. Daarbij heeft verweerder eiser met klem verzocht om tijdens het onderzoek geen contact op te nemen en/of te onderhouden met zijn collega’s, in welke zin dan ook. Het door eiser daartegen gemaakte bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is bij mondelinge uitspraak van deze rechtbank van 12 juni 2019 (SGR 19/867) ongegrond verklaard. Eiser heeft, ondanks daartoe te zijn uitgenodigd door de onderzoeker, mr. J. van Zanten (hierna: de onderzoeker), geen medewerking aan het onderzoek verleend.

8.10.

Eiser heeft op 17 oktober 2018 bij de gemeentesecretaris tegen zijn leidinggevende een klacht ingediend wegens “ongelijke behandeling en een wanstaltige handelwijze”. In het kader van deze klacht heeft op 19 november 2018 een gesprek plaatsgevonden.

8.11.

De onderzoeker heeft op 14 december 2018 zijn rapport uitgebracht.

8.12.

Bij brief van 28 januari 2019 is eisers klacht ongegrond verklaard. Daarna is een mediationpoging gedaan. De mediation is op 2 april 2019 beëindigd zonder dat een oplossing is bereikt.

8.13.

Verweerder heeft bij brief van 17 april 2019 aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt hem ontslag te verlenen. Op 9 mei 2019 heeft eiser schriftelijk zijn zienswijze gegeven.

8.14.

Bij het primaire besluit 2 is eiser met ingang van 22 mei 2019 ontslag verleend.

Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 2, in afwijking van het advies van 5 november 2019 van de Commissie, ongegrond verklaard.

9. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling, waarbij wordt ingegaan op de door eiser tegen het bestreden besluit 2 aangevoerde gronden en het verweer daartegen.

9.1.

Ingevolge artikel 8:6, eerste lid, van de CAR/UWO kan ontslag aan de ambtenaar worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.

9.2.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld uitspraak van de CRvB van 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016: 3254) moet het bestuursorgaan de ongeschiktheid voor het vervullen van een functie - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van die functie vereist zijn - aannemelijk maken aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Verder is volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 3 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1098) een ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken in het algemeen niet toelaatbaar, als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Dit is volgens eveneens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 10 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4285 en van 3 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016: 4206) anders in als uitzonderlijk aan te merken situaties waarin het bieden van een verbeterkans niet zinvol zou zijn.

Tot slot is vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 30 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:249) dat in geval de ambtenaar als gevolg van ziekte of gebrek ongeschikt is voor zijn functie, het bestuursorgaan niet bevoegd is hem ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid op andere dan medische gronden.

9.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met voldoende concrete voorbeelden heeft onderbouwd dat eiser ongeschikt is voor zijn functie. Uit de gedingstukken komt naar voren dat eiser is aangesproken op het niet aanleveren van een jaarplan met betrekking tot de inzet van de BOA’s en de te stellen prioriteiten bij inzet in de toekomst. Eiser heeft uiteindelijk het jaarplan niet in de gewenste vorm aangeleverd. Voorts heeft eiser niet zelf de gevraagde kwartaalrapportage APV over het vierde kwartaal 2017 opgesteld en is hij in gebreke gebleven bij het aanleveren van de gevraagde inbreng voor Verkenningen II met betrekking tot de zichtbaarheid van BOA’s en de aanpak van overlast door geparkeerde vrachtwagens. Verweerder kon zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat deze werkzaamheden, het aanleveren van het jaarplan, de kwartaalrapportage APV en de inbreng voor Verkenningen II vielen onder de bij de functie behorende beleids- en bedrijfsvoering ondersteunende werkzaamheden. Deze werkzaamheden zijn te rangschikken onder de in de functiebeschrijving genoemde elementen ‘adviseren over beleidsterreinen en beleidsprocessen’ en ‘adviseert over vertaling naar beleid, regelgeving en procedures’. Voorts blijkt dat de waardering van eisers functie is opgeschaald van schaal 9 naar schaal 10 vanwege deze beleidsondersteunende werkzaamheden. Uit de stukken blijkt niet dat eiser vóór zijn ziekmelding heeft aangegeven dat deze werkzaamheden niet tot zijn takenpakket behoorden. Integendeel, hij heeft verzocht om hoger ingeschaald te worden omdat hij beleidstaken moest verrichten. Voorts komt uit het onderzoek van de onderzoeker naar voren dat op enkele personen na, alle 19 in dat onderzoek gehoorde personen hebben aangegeven dat zij niet tevreden zijn over de aansturing door eiser en in bredere zin geen draagvlak meer voor eiser als leidinggevende zien. Ook kwam uit dit onderzoek naar voren dat eiser werkzaamheden liet liggen of werkzaamheden door anderen liet verrichten, dat het eiser ontbreekt aan voldoende gevoel voor bestuurlijke verhoudingen, dat hij onvoldoende sturing gaf aan het team APV, dat hij enige met de BOA’s besproken punten buiten het zicht van de leidinggevende heeft gehouden en dat eiser zich niet heeft gehouden aan de regels over minimale bezetting en het inkoopbeleid.

9.4.

De rechtbank is evenwel van oordeel dan eiser onvoldoende kans heeft gehad zijn functioneren te verbeteren. Het startgesprek is overwegend positief over eisers functioneren.

Nog geen drie maanden later is eiser aangesproken op het achterwege blijven van het aanleveren van het jaarplan en is, nadat eiser zich ziek had gemeld, een gesprek over zijn functioneren met hem gevoerd, dat niet is aangekondigd als een functioneringsgesprek. Uit het door eiser opgestelde verslag van dat gesprek blijkt, wat er verder zij van de juistheid van dat verslag, dat eiser de wil heeft, met begeleiding, het opstellen van beleidsondersteunende verslagen te leren en zich ook op andere punten te verbeteren. Van de wekelijkse bilaterale overleggen tussen eiser en zijn leidinggevende zijn geen verslagen gemaakt. Eiser heeft ontkend dat hij in die gesprekken is gewezen op de gebreken in zijn functioneren en is begeleid bij het verbeteren van dat functioneren, zodat de rechtbank er niet van uit kan gaan dat eiser op grond van die bilaterale overleggen in de gelegenheid is geweest zijn functioneren te verbeteren. Van de door verweerder overgelegde actielijst (met betrekking tot de door eiser te verrichten werkzaamheden) is – ook ter zitting – onduidelijk gebleven wanneer eiser deze voor het eerst heeft ontvangen, hoe vaak deze werd bijgewerkt en wanneer deze met eiser werd besproken. Het feit dat de leidinggevende inmiddels signalen hadden bereikt dat het disfunctioneren van eiser ernstiger was dan aanvankelijk gedacht, is niet een zodanig uitzonderlijk situatie dat op grond daarvan kon worden geoordeeld dat een verbetertraject niet zinvol zou zijn en dus achterwege kon blijven.

9.5.

Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder eiser onvoldoende gelegenheid heeft geboden zijn functioneren te verbeteren, was verweerder niet bevoegd eiser ongeschiktheidsontslag te verlenen. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is gegrond voor zover het de primaire ontslaggrond betreft. Het bestreden besluit 2 zal in zoverre worden vernietigd. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit 2 te herroepen voor zover het betreft het ongeschiktheidsontslag.

10.1.

Ingevolge artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO kan een ambtenaar die vast is aangesteld eervol worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.

Ingevolge artikel 10d:4, eerste lid, van de CAR/UWO treft het college voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt, een passende regeling.

Ingevolge het derde lid betrekt het college bij de vaststelling van de regeling de inhoud van de paragraaf over aanvullende uitkering bij ontslag uit dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.

10.2.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:137) kan de ontslaggrond van artikel 8:8 van de CAR/UWO worden toegepast als er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd.

10.3.

Anders dan eiser heeft betoogd kunnen de feiten en omstandigheden die verweerder aan het ontslag op andere gronden ten grondslag heeft gelegd de conclusie dragen dat ten tijde van het ontslag de arbeidsverhouding tussen eiser en verweerder ernstig was verstoord. Met name uit de verslagen van de bij het onderzoek gehoorde leidinggevenden, collega’s en BOA’s blijkt dat er geen enkel draagvlak meer is voor een terugkeer van eiser. De weerspreking door eiser van de aanwezigheid van verstoorde verhoudingen is ook niet te rijmen met de door hem geuite verwijten richting verweerder en de beschuldiging “van een ongelijke behandeling en een wanstaltige handelwijze” richting zijn leidinggevende. Dat inmiddels een deel van de in het onderzoek gehoorde personen uit dienst is of een ander functie heeft gekregen doet daaraan niet af. Van belang is de situatie ten tijde van het bestreden besluit 2. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit 2 was een groot deel van de gehoorde personen, waaronder zijn leidinggevende, nog steeds werkzaam binnen het team. Het standpunt van eiser dat uit de functioneringsverslagen die hij heeft gevoerd met de BOA’s, zonder meer zou blijken dat er geen sprake was van verstoorde verhoudingen, volgt de rechtbank niet. Voor zover de opmerkingen die bij de functioneringsgesprekken door de BOA’s hierover zijn gemaakt, positiever zijn dan bleek uit het onderzoek, moet in aanmerking worden genomen dat deze zijn gedaan in de context van een gesprek waarbij het functioneren van de betrokken BOA’s werd besproken en niet in het kader van een onafhankelijk onderzoek naar het functioneren van eiser. Verweerder heeft zich – mede gelet hierop – terecht op het standpunt gesteld dat deze functioneringsverslagen geen op het geding betrekking hebbende stukken zijn. Bovendien hebben de betrokkenen medewerkers op twee na geen toestemming verleend om de verslagen van hun functioneringsgesprekken ten behoeve van dit beroep aan eiser ter beschikking te stellen. Mede gelet op het feit dat eiser leidinggevende was, kon voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet van het bestuursorgaan worden verlangd. Verweerder was dan ook bevoegd eiser ontslag te verlenen op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO. Verweerder kon in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik maken met in achtneming van hetgeen hierna zal worden overwogen over de passende regeling bedoeld in artikel 10d:4, eerste lid, van de CAR/UWO.

10.4.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:672) geldt bij een ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO als uitgangspunt dat, naast (de garantie op) een werkloosheidsuitkering, een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 10d:25 van de CAR/UWO moet worden toegekend. Hiernaast dient een na-wettelijke uitkering als bedoeld in artikel 10d:30 van de CAR/UWO te worden toegekend als het ontslag is gelegen in de werksfeer en niet grotendeels te wijten is aan de ambtenaar. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat dit uitgangspunt hier niet zou gelden.

De rechtbank volgt niet het standpunt van verweerder dat sprake is van een bijzondere situatie die in dit geval voldoende aanleiding geeft om van het algemene uitgangspunt af te wijken. Het gegeven dat eiser bij een ontslag op grond van artikel 8:6 van de CAR/UWO, gelet op de duur van zijn dienstverband, geen recht zou hebben op een re-integratiefase en dus ook niet op een aanvullende uitkering, acht de rechtbank niet relevant, omdat het nu gaat om een ontslag op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO. De rechtbank ziet evenmin grond om eiser een aanspraak (garantie) op de na-wettelijk uitkering te onthouden, nu het ontslag is gelegen in de werksfeer en niet grotendeels te wijten is aan eiser. Er is dan ook, anders dan verweerder stelt, geen grond om de toekenning van de aanspraak (garantie) op de na-wettelijke uitkering niet redelijk en billijk te achten.

De rechtbank is dus van oordeel dat de door verweerder getroffen ‘passende regeling’ onvoldoende is. Het bestreden besluit 2 komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking en het primaire besluit zal in zoverre worden herroepen.

10.5.

Gelet op de in artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de bestuursrechter gegeven opdracht om het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien door de door verweerder getroffen ‘passende regeling’ aan te vullen met een aanspraak (garantie) op een werkloosheidsuitkering, een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 10d:25 van de CAR/UWO en een na-wettelijke uitkering als bedoeld in artikel 10d:30 van de CAR/UWO.

10.6.

De conclusie van het voorgaande is dat de rechtbank de subsidiaire ontslaggrond in stand laat met aanpassing van de ‘passende regeling’.

10.7.

Omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem in de zaak 19/7856 betaalde griffierecht vergoedt.

10.8.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser in de zaak 19/7856 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.100,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 2 voor zover het betreft de primaire ontslaggrond en voor zover het betreft de bij de subsidiaire ontslaggrond getroffen passende regeling.

- herroept het primaire besluit 2 voor zover daarbij eiser ontslag is verleend op de primaire ontslaggrond en voor zover het betreft de aan de subsidiaire ontslaggrond verbonden passende regeling;

- bepaalt dat aan de subsidiaire ontslaggrond de volgende passende regeling wordt verbonden:

‘kent eiser naast (de garantie op) een werkloosheidsuitkering, een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 10d:25 van de CAR/UWO en een na-wettelijke uitkering als bedoeld in artikel 10d:30 van de CAR/UWO toe en stelt eiser onder voorwaarden een budget beschikbaar voor outplacement en/of scholing van maximaal € 5.000,00 inclusief BTW’

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit 2;

- draagt verweerder op het in de zaak 19/7856 betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.100,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzitter, en mr. D. Biever en mr. dr. M.K.G. Tjepkema, leden, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.