Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12538

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-11-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
SGR 18/8331 TU
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank doet een tussenuitspraak. De behandeling wordt geschorst. De rechtbank bepaalt dat een fiscalist als deskundige wordt benoemd voor het verrichten van een onderzoek naar de vraag of verzoeker fiscale schade heeft geleden en zo ja, voor welk bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/8331

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2020 op het verzoek om schadevergoeding in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: A.M. Snijders).

Procesverloop

Met een brief van 19 december 2018 heeft verzoeker een verzoek om schadevergoeding bij de rechtbank ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn zus. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst en bepaald dat verzoeker de gelegenheid krijgt om nadere stukken in te dienen.

De behandeling ter zitting is voortgezet op 26 november 2019. Verzoeker en zijn zus zijn verschenen. Verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

Op 7 januari 2020 is het onderzoek heropend en is verweerder in de gelegenheid gesteld om op de door verzoeker ingediende stukken te reageren en zo mogelijk alsnog de fiscale schade te berekenen. Ook na verlenging van de termijn om te reageren, heeft verweerder van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Nu geen van partijen opnieuw mondeling op een zitting wenste te worden gehoord, heeft de rechtbank bepaald dat verder onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft zij het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 9 oktober 2018 heeft verzoeker verweerder verzocht om vergoeding van fiscale schade.

2. Bij brief van 28 november 2018 heeft verweerder op het schadevergoedingsverzoek gereageerd. Daarbij heeft verweerder te kennen gegeven dat het verzoek kennelijk betrekking heeft op fiscale schade als gevolg van de nabetaling in 2017 over de jaren 2015, 2016 en 2017. Om het progressienadeel, dat wil zeggen de (mogelijkerwijs) geleden financiële schade doordat verzoeker door de hoogte van de nabetaling een hoger belastingpercentage diende af te dragen dan wanneer de geëigende uitkering op de haar geëigende momenten betaalbaar zou zijn gesteld, te kunnen berekenen dient verweerder eerst te beschikken over de in die brief genoemde bescheiden. Nu het verweerder niet duidelijk is over welke bescheiden verzoeker beschikt, is verzoeker in de gelegenheid gestelde deze alsnog aan te leveren binnen vier weken. Van die gelegenheid heeft verzoeker geen gebruik gemaakt.

3. Bij brief van 4 december 2018 heeft verweerder aan verzoeker laten weten dat hij voor de berekening ook nog over de in die brief genoemde bescheiden dient te beschikken.

4. Bij brief van 19 december 2018, ingekomen bij de rechtbank op 20 december 2018, heeft verzoeker bij de rechtbank een verzoek om schadevergoeding ingediend.

5. De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2019. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verzoeker de gelegenheid gegeven de stukken in te dienen die genoemd zijn in de brieven van het Uwv van 28 november 2018 en 4 december 2018. Verzoeker heeft nadien stukken ingediend. De behandeling ter zitting is op 26 november 2019 voortgezet.

6. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens heropend en verweerder verzocht de door verzoeker ingediende stukken te bestuderen, te reageren op de overwegingen in de heropeningsbeslissing en zo mogelijk alsnog de fiscale schade te berekenen. Van deze gelegenheid heeft verweerder, ook na het verlengen van de reactietermijn, geen gebruik gemaakt.

7. Onder verwijzing naar de overwegingen van de heropeningsbeslissing van 7 januari 2020 gaat de rechtbank ervan uit dat verzoeker hangende deze verzoekschriftprocedure alsnog de ontbrekende stukken heeft overgelegd die nodig zijn om de gestelde mogelijkerwijs geleden fiscale schade te kunnen berekenen. Gelet hierop en vanwege het uitblijven van een reactie van verweerder ziet de rechtbank aanleiding om een fiscalist als deskundige te benoemen om een onderzoek in te stellen en de rechtbank te adviseren over de vraag of verzoeker fiscale schade heeft geleden en zo ja, voor welk bedrag. Partijen krijgen nader bericht over welke fiscalist de rechtbank zal inschakelen. De rechtbank wijst partijen erop dat zij verplicht zijn om mee te werken aan het deskundigenonderzoek. Als niet aan die verplichting wordt voldaan, kan de rechtbank daaraan gevolgen verbinden op grond van artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De rechtbank zal de behandeling van het verzoek om schadevergoeding schorsen in afwachting van de uitkomst van het deskundigenonderzoek. Elke verdere beslissing wordt aangehouden. Na ontvangst van het deskundigenverslag zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen daarop schriftelijk te reageren.

Beslissing

De rechtbank:

- schorst de behandeling;

- bepaalt dat een fiscalist als deskundige wordt benoemd voor het verrichten van een onderzoek naar de vraag of verzoeker fiscale schade heeft geleden en zo ja, voor welk bedrag;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2020.

de griffier is niet in de gelegenheid

deze uitspraak mede te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.