Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12533

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
C/09/601414 / JE RK 20-2474
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing art. 1:265b BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/601414 / JE RK 20-2474

Datum uitspraak: 19 november 2020

Beschikking van de kinderrechter

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 23 oktober 2020 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

betreffende:

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2007 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man]

hierna te noemen: de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M. Verschoor, te Rozenburgh,

[de vrouw] ,
hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M. Doganer, te Rotterdam.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen;

  • -

    het verweerschrift met producties d.d. 16 november 2020 van de advocaat van de vader.

Op 17 november 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de [vertegenwoordigers van de GI] namens de gecertificeerde instelling.

[minderjarige] is op 17 november 2020 voorafgaand aan de zitting apart door de kinderrechter in raadkamer gehoord.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

  • -

    het faxbericht d.d. 18 november 2020 van de advocaat van de vader;

  • -

    de e-mail d.d. 19 november van de tante van [minderjarige] (moederszijde).

Feiten

  • -

    Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.

  • -

    De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

  • -

    [minderjarige] verblijft feitelijk in een (netwerk)pleeggezin bij de oom en tante (moederszijde).

  • -

    De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 26 mei 2020 [minderjarige] onder toezicht gesteld van 26 mei 2020 tot 26 mei 2021, alsmede machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 26 mei 2020 tot 26 november 2020.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 26 mei 2021, zijn de duur van de ondertoezichtstelling.

Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. Inmiddels zijn er zes maanden verstreken sinds de uithuisplaatsing en zijn er te weinig stappen gezet door de moeder om een thuisplaatsing op de korte termijn te realiseren. Tijdens de gesprekken is het niet gelukt om de patronen te doorbreken en tot de kern van de problemen te komen. Het dringende advies is om specialistische GGZ hulp in te zetten voor [minderjarige] om de traumatische gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt te verwerken. De moeder en de partner bagatelliseren de zorg en verschillen van visie met de gecertificeerde instelling over het inzetten van de juiste hulp voor [minderjarige] . De moeder komt de afspraken niet na en kan niet goed de veiligheid en de risico’s inschatten in het contact met [minderjarige] , waardoor er al enige tijd geen omgang is. De afgelopen periode is [minderjarige] binnen het netwerk geplaatst bij de oom en de tante (moederszijde). De plaatsing was tijdelijk van aard en er is hard gezocht naar een vervolgplek voor hem, omdat de oom en de tante hebben aangegeven dat ze niet langer voor [minderjarige] kunnen zorgen. Een plaatsing bij de vader is op korte termijn ook niet mogelijk, omdat er nog te weinig zicht is op de thuissituatie en capaciteiten van de vader. Het is daarom noodzakelijk de machtiging te verlengen en [minderjarige] bij een nieuw pleeggezin te plaatsen.
De moeder heeft, mede bij monde van haar advocaat, verweer gevoerd tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder heeft verklaard dat ze de afgelopen periode openheid van zaken heeft gegeven en hard heeft gewerkt aan de doelen om [minderjarige] weer thuis te laten wonen. Ze heeft inmiddels een woning en een vaste baan. Ook heeft ze contact met een ervaringsdeskundige van de Brijder en doet ze urinetesten om te laten zien dat ze gestopt is met haar drugsgebruik. De partner van de moeder heeft een goede band met [minderjarige] . Hij werkt aan zijn verslavingsproblematiek en heeft sinds kort ook een baan. De moeder voldoet hiermee aan de gestelde eisen om voor [minderjarige] te zorgen. Primair verzoekt de advocaat daarom om het verzoek af te wijzen en subsidiair om de zaak voor twee maanden aan te houden, omdat de gecertificeerde instelling een informatieachterstand heeft en de situatie verder moet onderzoeken.

De vader heeft, mede bij monde van zijn advocaat, verweer gevoerd tegen de plaatsing in een pleeggezin en heeft verzocht [minderjarige] bij de vader te plaatsen. De vader is stabiel en gebruikt medicatie voor zijn psychiatrische problematiek. Hij is getrouwd, heeft een kind van zestien maanden en kan [minderjarige] een stabiele gezinsomgeving bieden. Bovendien heeft [minderjarige] aangegeven dat hij liever bij de vader woont dan in een pleeggezin. De gecertificeerde instelling heeft zich de afgelopen periode onvoldoende ingezet om zicht te krijgen op de opvoedomgeving van de vader en te werken aan plaatsing bij de vader. Het is niet in het belang van [minderjarige] om hem uit zijn vertrouwde omgeving te halen en te plaatsen bij een pleeggezin buiten het netwerk. De vader heeft benadrukt dat hij tegen de terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder is.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn.

Daarbij overweegt de kinderrechter dat beide ouders in het verleden niet in staat waren om [minderjarige] een veilig opvoedklimaat te bieden, waardoor hij in onveilige situaties terecht is gekomen. De afgelopen periode is onvoldoende gebleken dat de moeder in staat is om voor [minderjarige] te zorgen en hem een stabiele en veilige opvoedsituatie te bieden. De kinderrechter overweegt dat de zorgen in het verleden dermate ernstig waren dat het risico om [minderjarige] weer bij de moeder te plaatsen op dit moment nog te groot is. De komende periode is het van belang dat de communicatie met de gecertificeerde instelling verbetert en er verder wordt gewerkt aan terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Ook dient er meer onderzoek te worden gedaan naar de opvoedcapaciteiten van de vader. De kinderrechter overweegt dat plaatsing bij een pleeggezin buiten het netwerk betekent dat [minderjarige] uit zijn vertrouwde omgeving wordt gehaald. De kinderrechter zal het verzoek daarom voor twee maanden toewijzen en voor het overige aanhouden. Bij de plaatsing dient door de gecertificeerde instelling rekening te worden gehouden met de mogelijkheid om [minderjarige] in de weekenden bij de eigen familie te laten verblijven. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk een week voor de nieuwe zitting schriftelijk te rapporteren over de voortgang van de moeder om aan de gestelde bodemeisen te voldoen voordat [minderjarige] bij haar kan wonen en de voortgang van de vader om de eisen te voldoen om [minderjarige] bij hem te laten wonen. Indien beide opties tot onvoldoende voortang hebben geleid dient de gecertificeerde instelling ook te rapporteren over een geschikte vervolgplek voor [minderjarige] .

Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

verlengt de aan Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland verleende machtiging [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 26 november 2020 tot 26 januari 2021;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, die in ieder geval is gelegen vóór 26 januari 2021;

gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:

  • -

    Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;

  • -

    de vader;

  • -

    de advocaat van de vader: mr. M. Verschoor;

  • -

    de moeder;

  • -

    de advocaat van de moeder: mr. M. Doganer;

  • -

    [minderjarige] .

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2020 door mr. H.A.G. Nijman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van V.A.H. Schoorl als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 1 december 2020.

Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.