Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12478

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
09-12-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3496
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2021:1193, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Van eiseres zijn bij drie afzonderlijke beschikking bijdragen uit het BTW compensatiefonds (BCF) over de jaren 2015-2017 teruggevorderd. Hierbij is aan eiseres belastingrente in rekening gebracht. In geschil is of er terecht belastingrente in rekening is gebracht over het jaar 2017 en voor de overige jaren of tot de juiste bedragen belastingrente in rekening is gebracht. De terug te vorderen bedragen BCF zijn niet in geschil.

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en neemt daarbij in aanmerking dat het verschil in berekeningstijdvakken niet in strijd is met de Wet BCF, er geen aanleiding is om de belastingrente te matigen in verband met trage besluitvorming met betrekking tot het jaar 2015, er evenmin rede is de belastingrente te matigen wegen schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, verweerder bij het vaststellen van de jaarbeschikking 2017 niet had moeten afwijken van de jaaropgave van eiseres, er geen aanleiding is om de belastingrente te matigen op grond van beleid en er geen sprake is van strijd met het Unierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-12-2020
FutD 2020-3863 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2021/366
NLF 2021/0063 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 19/3496, SGR 19/3497 en SGR 19/3498

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 september 2020 in de zaken tussen

Gemeente [eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Brouwer),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Met dagtekening 29 januari 2019 heeft verweerder bij drie afzonderlijke beschikkingen bijdragen uit het BTW-compensatiefonds (BCF) over de jaren 2015 tot en met 2017 van eiseres teruggevorderd (de terugvorderingsbeschikkingen). Hierbij is aan eiseres, eveneens bij afzonderlijke beschikkingen, belastingrente in rekening gebracht ten bedrage van respectievelijk € 766.608, € 215.958 en € 961 (de rentebeschikkingen).

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de rentebeschikkingen.

Met dagtekening 24 april 2019 zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2020.

Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen samen met kantoorgenoot G.W.H. Peters. Namens verweerder zijn verschenen mr. drs. [A] , drs. ing. [B] , [C] en [D] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres maakt samen met de gemeenten [gemeenteplaats 1] en [gemeenteplaats 2] onderdeel uit van de Gemeenschappelijke regeling BAR-organisatie (de BAR). Dit betreft een per
1 januari 2014 opgericht samenwerkingsverband tussen deze drie gemeenten. De kosten van de BAR worden gedragen door de drie gemeenten. Taken die de gemeentelijke organisaties voorheen zelfstandig verrichtten, worden na oprichting van de BAR uitgeoefend door de BAR. De gemachtigde van eiseres is tevens de gemachtigde van de BAR en van de andere hiervoor genoemde gemeenten.

2. De BAR heeft over haar prestaties aan de deelnemende gemeenten geen omzetbelasting in rekening gebracht, omdat deze prestaties volgens haar onder de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onder u, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de koepelvrijstelling) vallen.

3. In zijn brief van 22 juni 2015 heeft verweerder meegedeeld dat volgens hem de koepelvrijstelling niet van toepassing is. Naar aanleiding hiervan heeft de BAR op
14 september 2015 suppletieaangiften omzetbelasting over het jaar 2014 en de eerste helft van het jaar 2015 ingediend. Verweerder heeft overeenkomstig die suppleties naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. De BAR heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen.

4. De BAR heeft voor de nageheven omzetbelasting aan eiseres en de andere deelnemende gemeenten aanvullende facturen uitgereikt. Vanaf het vierde kwartaal van 2015 tot en met het vierde kwartaal van 2016 heeft de BAR over de door haar verrichte prestaties aan de gemeenten omzetbelasting in rekening gebracht. De gemeenten, waaronder eiseres, hebben de op de facturen vermelde omzetbelasting (deels) opgenomen in hun opgaven van het BCF. Nadat verweerder zijn standpunt over de toepassing van de koepelvrijstelling in 2017 had herzien (zie hierna onder 5 en 6), heeft de BAR de koepelvrijstelling toegepast en geen omzetbelasting meer in rekening gebracht.

5. Naar aanleiding van Kamervragen over de btw-plicht van gemeenten bij ambtelijke fusies heeft de staatssecretaris van Financiën op 15 februari 2016 onder andere geantwoord: “In 2015 is in Europees verband, namelijk in het btw-comité, volop gesproken over de reikwijdte van de koepelvrijstelling. Deze overleggen hebben inmiddels tot een succesvolle uitkomst geleid. De Europese Commissie heeft zich namelijk onverwacht en duidelijk uitgesproken voor een ruimere toepassing van de koepelvrijstelling dan onder meer in Nederland het geval is. Deze ruimte benut ik graag. Dit betekent dat de koepelvrijstelling voor de dienstverlening van de fusieorganisatie geldt als de dienst van de fusieorganisatie hoofdzakelijk (voor 70% of meer) wordt gebruikt door de deelnemende gemeenten voor onbelaste overheidsactiviteiten of vrijgestelde activiteiten. Daarmee is de btw-problematiek van gemeentelijke samenwerking in de vorm van een fusieorganisatie vrijwel geheel opgelost. Ik zal deze beleidswijziging op de gebruikelijke wijze publiceren, waarbij conform het Besluit Fiscaal Bestuursrecht ambtshalve niet op het verleden wordt teruggekomen.”

6. Verweerder heeft op 9 februari 2016 een concept uitspraak op het bezwaar van de BAR aan de gemachtigde gestuurd waarin hij stelt dat de koepelvrijstelling niet van toepassing is. Naar aanleiding van de hiervoor vermelde Kamervragen en antwoorden heeft verweerder op 15 februari 2016 voorgesteld de uitspraak op bezwaar uit te stellen. Verweerder en de gemachtigde hebben vervolgens per e-mail veelvuldig contact gehad over de termijn waarop uitspraak op bezwaar zal worden gedaan. Op 10 maart 2017 heeft verweerder een concept uitspraak op bezwaar naar de gemachtigde gestuurd, waarin hij het standpunt inneemt dat de koepelvrijstelling kan worden toegepast. De naheffingsaanslagen zullen vernietigd worden gelijktijdig met de terugvorderingen BCF. Aangaande het BCF is in deze concept uitspraak verder het volgende opgenomen:

“Inmiddels is de door de BAR-organisatie in rekening gebrachte omzetbelasting aan de gemeenten doorgeschoven, door de betreffende individuele gemeenten geclaimd in het BTW-compensatiefonds (BCF) en heeft er uitbetaling vanuit het fonds plaatsgevonden. Nu de naheffingsaanslagen zullen worden vernietigd, zal de geclaimde omzetbelasting moeten worden teruggevorderd inzake het fonds. Ik stel voor dat de gemeenten in contact treden met de klantcoördinator (…) voor wat betreft de (administratieve) verwerking van de terug te geven omzetbelasting en verschuldigde BCF.

Na deze periode is ook omzetbelasting afgedragen en teruggevraagd middels het BCF. Voordat deze naheffingen worden verminderd wil ik graag een overzicht van de bedragen die zijn doorgeschoven naar de gemeenten en dat de afstemming rond is en de individuele gemeenten instemmen met de terugvordering van de BTW compensatie.”

7. In reactie hierop heeft de gemachtigde op 4 mei 2017 een e-mailbericht aan verweerder gezonden waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Naar aanleiding van deze ontwikkeling zal voor de periode 2014-2016 een complete herrekening moeten worden vastgesteld voor zowel de BAR-organisatie zelf als de deelnemende gemeenten. Immers, de deelnemende gemeenten hebben bedragen op het BCF verhaald. Mijn voorstel aan u is om eerst overeenstemming te bereiken over de cijfermatige aspecten van deze herrekening en vervolgens op de meest pragmatische wijze deze herrekening te effectueren.”

8. Op 18 mei 2017 heeft de gemachtigde per e-mail een berekening over het jaar 2016 aan verweerder gezonden. In deze e-mail is onder meer vermeld:

“U gaf aan het wenselijk te vinden dat bij de opgaaf BCF voor het jaar 2016 reeds rekening wordt gehouden met het (gewijzigde) standpunt jegens de BAR-organisatie dat de koepelvrijstelling kan worden toegepast op bijdragen van de gemeenten voor zover deze betrekking heeft op de dienstverleningsovereenkomst. U hebt in dat kader gevraagd hiervoor een berekening op te stellen.

(…)

In juli 2017 zullen de gemeenten dus een fors lager bedrag ontvangen dan waar zij rekening mee hebben gehouden. Het betreft zeer grote bedragen. Om bij de gemeenten problemen met de kasgeldlimiet en de aflossing van kasgeldleningen te voorkomen, is het noodzakelijk dat de bezwaarschriften van de BAR op zeer korte termijn worden afgewikkeld en de teruggaven worden verleend. De aan de BAR verleende teruggaven zal de BAR na ontvangst hiervan en vergezeld van een creditfactuur direct terugstorten naar de gemeenten. Indien deze geldstromen rond 1 juli 2017 plaatsvinden, dan zullen de gemeenten er geen hinder van ondervinden dat de BCF-opgaven lager zijn dan ingediend.”

9. Op 19 mei 2017 heeft verweerder per e-mail het volgende meegedeeld:

In tegenstelling we eerder hebben besproken, laat ik de vaststelling van de BTW compensatie beschikkingen 2016 voor de individuele BAR gemeenten conform de ingediende opgaven doorlopen. Dit teneinde liquiditeitsproblemen voor de gemeenten te voorkomen. Na bestudering van uw voorstel, zijn er een paar punten die afstemming behoeven. (…)

Zodra u en de heer (…) het eens zijn over de methode van afwikkeling voor 2016 is een definitieve uitspraak op de bezwaren 2014 en 2015 van de BAR-organisatie mogelijk, nadat u de cijfers daarvoor hebt aangedragen. Na vastlegging in een vaststellingsovereenkomst (2014 tot en met 2016) kunnen de teruggaven omzetbelasting voor de BAR organisatie en de nieuwe beschikkingen BTW compensatie voor de individuele gemeenten zoveel mogelijk gelijktijdig worden afgegeven.”

10. Na 19 mei 2017 heeft er tussen de gemachtigde en verweerder een verdere
e-mailwisseling plaatsgevonden. In een e-mailbericht van 21 maart 2018 van de gemachtigde is onder meer het volgende vermeld:

“Tijdens het overleg van 15 februari jl. hebben wij hierover overeenstemming bereikt. Afgesproken is dat het (financiële) verschil tussen partijen wordt gedeeld en dat dit uitganspunt ertoe leidt dat in compromis wordt vastgesteld dat (ongeveer) 96,5% van de DVO-diensten door de gemeenten worden gebruikt voor hun niet-economische activiteiten, en de BAR dus conform dat gedeelte kan doorschuiven naar de deelnemende gemeenten. In het bijgevoegde Excelbestand hebben wij de berekening opgesteld. Een verdeling van het verschil leidt tot een percentage van 96,42%. (…)

(…)

Voor de jaren 2014-2016 hebben wij u de berekeningen van de afwikkeling van de bezwaarschriften en de gevolgen daarvan reeds toegezonden, overigens uitgaande van 100% doorschuif-btw. Voor het jaar 2017 is dat nog niet gebeurd. In 2017 heeft de BAR de koepelvrijstelling toegepast op de DVO-activiteiten conform uw standpunt met betrekking tot de voorgaande jaren. In zoverre is een correctie niet meer aan de orde. De BAR heeft echter de volledige niet-aftrekbare btw doorgeschoven en de gemeenten hebben deze btw opgenomen in de opgaaf BCF voor het jaar 2017. Met inachtneming van het compromis, zal dan nog een correctie nodig zijn op dat punt.

(…)

Wij zien graag een concept vaststellingsovereenkomst tegemoet.”

11. Uiteindelijk wordt op 4 oktober 2018 een vaststellingsovereenkomst (de vso) gesloten tussen enerzijds de BAR en de individuele gemeenten en anderzijds verweerder. In de vso is afgesproken dat de naheffingsaanslagen vernietigd worden en dat van eiseres bedragen van € 7.324.285 (2015), € 3.339.563 (2016) en € 38.998 (2017) aan te veel uit het BCF ontvangen bedragen bij beschikking zullen worden teruggevorderd. Over de belastingrente is in de vso opgenomen dat deze wordt berekend conform de wettelijke bepalingen. De BAR en de gemeenten hebben in de vso afstand gedaan van hun recht op bezwaar en beroep ter zake van de in de vso vermelde terug te vorderen bedragen BCF, de naheffingsaanslagen en de teruggaven omzetbelasting.

Over de teruggaven aan de BAR is een (aanzienlijk) lager bedrag aan belastingrente vergoed dan in totaal aan belastingrente aan de gemeenten in rekening is gebracht over de daarmee samenhangende terugvorderingsbeschikkingen BCF.

Geschil
12.In geschil is of over het jaar 2017 terecht belastingrente in rekening is gebracht en voor de overige jaren of tot de juiste bedragen belastingrente in rekening is gebracht. De terug te vorderen bedragen BCF zijn niet in geschil.

13. Eiseres stelt voor wat betreft de jaren 2015 en 2016 dat de renteberekening, voor zover die wordt veroorzaakt door het onjuiste standpunt van verweerder over de koepelvrijstelling, in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voor het jaar 2015 voert eiseres verder aan dat de renteberekening in strijd is met de Wet BCF. Verder is volgens eiseres de terugvordering met betrekking tot het jaar 2015 te traag vastgesteld en is deze vertraging aan verweerder te wijten. Ook op dit punt heeft verweerder volgens eiseres gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voor het jaar 2017 stelt eiseres dat verweerder de jaarbeschikking BCF had moeten vaststellen overeenkomstig het compromis zodat geen terugvorderingsbeschikking met renteberekening nodig zou zijn geweest. Ter zitting heeft eiseres daar nog aan toegevoegd dat verweerder bij het vaststellen van alle jaarbeschikkingen al rekening had moeten houden met het van toepassing zijn van de koepelvrijstelling.

Volgens eiseres moet bovendien de belastingrente worden verminderd, omdat de teruggevorderde bedragen materieel reeds op de rekening bij verweerder stonden doordat de BAR de omzetbelasting had voldaan. De schatkist is daardoor niet verarmd. Eiseres verwijst in dat kader naar beleid van verweerder zoals vermeld in de conclusie van AG IJzerman van 20 februari 2020.1 Tenslotte voert eiseres aan dat de heffing van omzetbelasting, terwijl de koepelvrijstelling van toepassing is, in strijd is met het Unierecht.

14. Verweerder stelt dat de belastingrente terecht en overeenkomstig de wettelijke bepalingen in rekening is gebracht. Er is geen sprake van strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Zo al sprake is van te trage besluitvorming voor het jaar 2015 staat dat volgens de Hoge Raad2 niet in de weg aan renteberekening en de terugvorderingsbeschikkingen zijn binnen de in de Wet BCF opgenomen termijn vastgesteld. Het beleid waar eiseres naar verwijst, was ten tijde van het vaststellen van onderhavige beschikkingen al geruime tijd ingetrokken en was overigens ook niet van toepassing op het BCF. De terugvorderingen van bedragen uit het BCF zijn niet gelijk te stellen aan belastingen. Dat de naheffing van omzetbelasting bij de BAR in strijd zou zijn met het Unierecht is volgens verweerder niet van belang voor de vraag of de rentebeschikkingen terecht zijn opgelegd.

Beoordeling van het geschil

Berekening belastingrente in strijd met Wet BCF

15. Artikel 9, vijfde lid, van de Wet BCF bepaalt dat de belastingrente berekend wordt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 30h, 30ha en 30hb van de Algemene wet rijksbelastingen (Awr) als ware de bijdrage omzetbelasting, met dien verstande dat rente niet eerder wordt berekend dan met ingang van de eerste dag van de zevende maand volgend op het kalenderjaar waarop het recht op bijdrage betrekking heeft. De te vergoeden belastingrente naar aanleiding van de teruggaven omzetbelasting aan de BAR en de te betalen belastingrente over de terugvorderingsbeschikkingen worden over verschillende tijdvakken berekend, waardoor in onderhavige zaken per saldo meer belastingrente in rekening wordt gebracht dan vergoed wordt.

16. In de Nota van Wijziging3 is met betrekking tot het huidige vijfde lid van artikel
9 van de wet op het BCF de volgende tekst opgenomen: “In het vierde lid van artikel 9 van de Wet op het BTW-compensatiefonds wordt de vervanging van het begrip heffingsrente door belastingrente geregeld. Het nieuwe vijfde lid regelt de wijze van toepassing van de belastingrente op teruggaven en terugvorderingen van de inspecteur naar aanleiding van de over een kalenderjaar vastgestelde bijdrage. Het aanvangstijdstip voor renteberekening blijft onveranderd 1 juli na afloop van het kalenderjaar. Daarmee wordt de op dit punt bestaande afwijking van het voor de omzetbelasting geldende renteregime gecontinueerd. Het einde van de renteperiode verandert wel omdat op dit punt niet van het voor de omzetbelasting geldende renteregime wordt afgeweken. In de huidige regeling heffingsrente wordt rente berekend tot de dagtekening van de teruggaaf-, onderscheidenlijk de terugvorderingsbeschikking van de inspecteur. Onder het regime van de regeling belastingrente eindigt de renteperiode 14 dagen later.
De aansluiting op het voor de omzetbelasting geldende regime van de belastingrente brengt voorts met zich mee dat rente niet langer automatisch wordt vergoed bij teruggaafbeschikkingen. Rente zal alleen nog worden vergoed in situaties waarin de inspecteur na de ontvangst van een verzoek om een teruggaaf langer dan 8 weken doet over het geven van een teruggaafbeschikking. In dat geval wordt rente vergoed vanaf het tijdvak dat aanvangt 8 weken na de ontvangst van het verzoek maar niet eerder dan 1 juli volgend op het bijdragejaar. Ten slotte volgt uit de aansluiting op de regeling belastingrente dat voor wat betreft de hoogte van de rente voortaan wordt aangesloten op het percentage van de wettelijke rente voor niet-handelstransacties.”

17. Eiseres heeft aangevoerd dat door het verschil in berekening van de belastingrente over de omzetbelastingteruggaven aan de BAR en die van de belastingrente verschuldigd over de terugvorderingsbeschikkingen BCF geen sprake is van rente-neutraliteit. Zij stelt dat daardoor een rentenadeel van ongeveer 1,7 miljoen wordt geleden, waarmee het voordeel van de koepelvrijstelling teniet wordt gedaan. Dat is volgens eiseres in is strijd met de uitgangspunten van de Wet BCF. Uit de onder 16 vermelde Nota van Wijziging volgt echter dat de wetgever het verschil in berekening bij teruggaven omzetbelasting en terugvorderingen BCF heeft onderkend en geen rente-neutraliteit heeft beoogd. De stelling van eiseres dat het verschil in berekeningstijdvakken in strijd is met de Wet BCF treft dan ook geen doel.

Trage afhandeling van het jaar 2015

18. Eiseres stelt dat de inspecteur voor de omzetbelasting voor het jaar 2015 al vier weken na de mededeling van de staatssecretaris van 15 februari 2016 een nieuwe beslissing had kunnen nemen. Die beslissing had dan vervolgens reeds in 2016 kunnen leiden tot herziening van de jaarbeschikking BCF voor het jaar 2015. Door pas op 10 maart 2017 een concept beslissing op bezwaar te nemen, is een onnodige vertraging van een jaar ontstaan. Om die reden moet volgens eiseres de renteberekening over de terugvorderingsbeschikking BCF worden gematigd over die periode.

19. De staatssecretaris heeft op 15 februari 2016 aangekondigd een beleidswijziging te publiceren. Uit het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 20194 leidt de rechtbank af dat het de inspecteur niet kan worden verweten dat hij aanvankelijk die publicatie heeft afgewacht. Verder blijkt uit de stukken van het geding dat de uitspraak op bezwaar is aangehouden in overleg met de gemachtigde. Gezien de samenhang tussen de omzetbelasting en het BCF, kan onder die omstandigheden niet worden gesteld dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door niet reeds in 2016 een terugvorderingsbeschikking BCF te nemen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de belastingrente te matigen wegens te trage besluitvorming.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

20. Eiseres heeft aangevoerd dat het in rekening brengen van belastingrente, gelet op het aanvankelijk onjuiste standpunt van verweerder over de koepelvrijstelling, in strijd is met de hierna vermelde beginselen van behoorlijk bestuur en dat dit zou moeten leiden tot matiging van de in rekening gebrachte belastingrente.

Fair play beginsel en vertrouwensbeginsel

21. Eiseres heeft haar stelling dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het fair play beginsel en het vertrouwensbeginsel onvoldoende geconcretiseerd. Het enkele feit dat verweerder is teruggekomen van zijn aanvankelijke opvatting over de toepasselijkheid van de koepelvrijstelling, is daarvoor onvoldoende. Dat eiseres heeft gehandeld overeenkomstig het oorspronkelijke standpunt van verweerder zoals vermeld in de brief van 22 juni 2015, betekent niet dat verweerder, met het conform de wettelijke bepalingen in rekening brengen van belastingrente, handelt in strijd met het vertrouwensbeginsel. Verder is gesteld noch gebleken dat verweerder op enig moment het vertrouwen heeft gewekt dat de berekening van belastingrente achterwege zou blijven.

Zorgvuldigheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel

22. Verweerder had volgens eiseres, net als bij aanslagbelastingen, met een normale zorgvuldigheid van de jaaropgaven BCF kennis moeten nemen en de gegevens uit de jaaropgaven dienen te vergelijken met de hem beschikbare informatie, te weten het van toepassing zijn van de koepelvrijstelling. Verweerder had daarom bij het vaststellen van de jaarbeschikkingen BCF al rekening moeten houden met de koepelvrijstelling. Door desondanks de jaaropgaven van eiseres te volgen en deze pas later met de terugvorderingsbeschikkingen te corrigeren, heeft verweerder gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Eiseres wijst in dit kader op het arrest van de Hoge Raad van
18 juni 2010.5

23. De rechtbank stelt voorop dat het BCF een regeling is op grond waarvan een gemeente aanspraak kan maken op een bijdrage uit het BCF. Van belastingheffing is dan ook geen sprake. Dat de uitvoering van het BCF is belegd bij de belastingdienst, maakt niet dat de terugvordering van BCF-bedragen moet worden beschouwd als belastingheffing.

24. Eiseres heeft haar jaaropgaven BCF over de jaren 2015 en 2016 ingediend in januari 2016 respectievelijk januari 2017. De jaarbeschikkingen zijn overeenkomstig die jaaropgaven vastgesteld op respectievelijk 30 juni 2016 en 30 juni 2017. Op 30 juni 2016 stond nog geenszins vast dat verweerder zijn standpunt dat de koepelvrijstelling niet van toepassing is, zou wijzigen. Er was op dat moment voor verweerder dan ook geen aanleiding af te wijken van de jaaropgave over 2015. Uit de e-mailwisseling opgenomen onder 7, 8 en 9 volgt dat het vaststellen van de jaarbeschikking voor 2016 overeenkomstig de jaaropgaaf, mede is ingegeven door de door eiseres aangegeven liquiditeitsproblemen. De rechtbank stelt vast dat partijen niet onderkend hebben hoe hoog het te betalen bedrag aan belastingrente zou zijn noch dat de door de BAR te ontvangen belastingrente sterk zou verschillen van het door de gemeenten in totaal te betalen bedrag aan rente. Zij hebben daar verder ook niet over gesproken. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard in de (achteraf onjuiste) veronderstelling te hebben verkeerd dat er over de teruggaven omzetbelasting bij de BAR een vergelijkbaar bedrag aan rente zou worden vergoed als in rekening zou worden gebracht over de terugvorderingsbeschikkingen BCF. Zij heeft die veronderstelling echter niet geuit, zodat verweerder niet kan worden verweten dat hij niet expliciet op dat verschil in berekening heeft gewezen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiseres van meet af aan is bijgestaan door een terzake deskundige gemachtigde. De gemachtigde heeft verder ter zitting verklaard dat er niet voor is gekozen om de jaaropgaven BCF te corrigeren, aangezien dit zou leiden tot het direct moeten terugbetalen van hoge bedragen aan het BCF. Eiseres beschikte op dat moment niet over de liquide middelen om een terugbetaling aan het BCF te doen. Tevens heeft de gemachtigde verklaard dat aangezien de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen op dat moment nog niet waren afgehandeld het procesrisico bij eiseres zou komen te liggen. Uit de stukken van het geding blijkt tenslotte dat na de concept beslissing op bezwaar van 10 maart 2017 nog uitgebreid is gesproken over de manier waarop een en ander diende te worden afgerond en dat dit pas is afgerond met de vso in oktober 2018. Gelet op al het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de jaaropgaven van eiseres over 2015 en 2016 te volgen.

25. Evenmin heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat verweerder aldus heeft gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De enkele stelling dat partijen uiteindelijk nog uitsluitend verdeeld waren over de transparantiemethode, is daarvoor onvoldoende.

Slotsom algemene beginselen van behoorlijk bestuur

26. De stelling van eiseres dat de belastingrente wegens schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur moet worden gematigd, treft gezien het voorgaande geen doel.

Jaarbeschikking 2017

27. Zoals partijen ter zitting hebben bevestigd, is de jaarbeschikking 2017 overeenkomstig de jaaropgaaf van eiseres vastgesteld. Daarbij is uitgegaan van de toepassing van de koepelvrijstelling. De terugvorderingsbeschikking voor het jaar 2017 is uitsluitend het gevolg van hetgeen partijen in de vso zijn overeengekomen. Uit de stukken van het geding blijkt weliswaar dat partijen in februari 2018 overeenstemming hebben bereikt over de manier waarop zij hun geschillen zouden oplossen, maar de cijfermatige gevolgen daarvan stonden toen nog niet vast. In het e-mailbericht van eiseres van 21 maart 2018 wordt uiteengezet wat die cijfermatige gevolgen volgens haar zijn, maar verweerder moest zich daarover nog uitlaten. Pas met de vso is vast komen te staan in hoeverre de jaaropgaaf voor het jaar 2017 onjuist was. De stelling van eiseres dat verweerder bij het vaststellen van de jaarbeschikking overeenkomstig het compromis had moeten afwijken van de jaaropgave van eiseres zodat een terugvordering met renteberekening niet nodig zou zijn geweest, vindt dan ook geen steun in de feiten.

Matiging belastingrente op grond van beleid
28. Eiseres heeft zich in de aanvulling op haar beroepschrift op het standpunt gesteld dat er een 1-op-1 relatie te onderkennen is tussen de door de BAR betaalde omzetbelasting en de voor de individuele gemeenten compensabele omzetbelasting via het BCF en dat de schatkist in zoverre niet is verarmd. Eiseres doet in dat kader een beroep op begunstigend beleid van verweerder dat bekend is geworden naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB). Het gaat hierbij om de volgende passages uit verslagen van de Landelijke vakgroep Formeel recht. Uit het verslag van 23 november 2015: “In de praktijk kan het voorkomen dat belastingrente berekend wordt over een periode dat de Belastingdienst de beschikking had over het geld. Wij hebben dan geen rente nadeel en het zou reëel zijn de in rekening gebrachte rente op verzoek te verminderen. Voorgesteld is om in het BFB een passage op te nemen om in deze specifieke gevallen de rente op verzoek te verminderen. Naschrift: er zal geen passage opgenomen worden in het BFB. Met een beroep op een redelijke wetstoepassing en het licht van doel en strekking van de belastingrenteregeling kunnen we uitgaan van de lijn dat we geen rente berekenen over de periode dat het geld al bij de fiscus was. Mits er geen (andere) rentevergoeding heeft plaatsgevonden bij de eerdere terugbetaling”.


Uit het verslag van 30 september 2016: “De belastingrente blijft ons bezig houden. De Stas heeft op Kamervragen antwoorden gegeven; zie: http://intranet.belastingdienst.nl/beeldkrant/2016/09/14/antwoorden-op-kamervragen-over-belastingrente/. Goed om deze te lezen. Uit de antwoorden blijkt de strakke interpretatie die we moeten hanteren. De regeling is bewust vormgegeven zoals hij is. De lijn die tot nu toe door de lavaco’s is uitgedragen: er wordt geen beleid gemaakt. Wel kan er in incidentele gevallen aanleiding zijn om de rente te matigen gelet op de bijzonderheden omstandigheden van het geval (zoals situaties waarbij rente werd berekend over periode waarin het geld al bij de fiscus stond).”

29. Het hiervoor aangehaalde beleid ziet op de situatie dat het belastingbedrag dat door een bepaalde belastingplichtige over een bepaald jaar is verschuldigd reeds bij de fiscus was. Het gaat hier echter om twee verschillende entiteiten; de BAR en deelnemende gemeenten. De geldstroom van de BAR richting Belastingdienst en de geldstroom van eiseres richting Belastingdienst zijn daarmee evenmin hetzelfde, zodat niet gesteld kan worden dat wat eiseres moet betalen reeds in het bezit van de fiscus was. Daarnaast is, zoals bij 23 reeds is overwogen, bij het BCF geen sprake van belastingheffing, zodat de betaling van omzetbelasting enerzijds en de terugbetaling van wat teveel is ontvangen uit het BCF anderzijds, ongelijke geldstromen zijn. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat het BCF niet wordt gevuld door middel van belastingheffing maar vanuit het provincie- en gemeentefonds.

Reeds om die reden is het voor de belastingheffing geldende beleid niet van toepassing op het BCF. Zo het beleid al van toepassing zou zijn, volgt overigens uit jurisprudentie6 dat dit beleid op 8 december 2017, dus ruim voor de dagtekening van de hier voorliggende rentebeschikkingen, door de Staatssecretaris is ingetrokken. De ter zitting door eiseres ingenomen stelling dat het beleid in dat geval in ieder geval moet worden toegepast op de rente die is berekend over de tijdvakken voorafgaand aan de intrekking, volgt de rechtbank niet. Op het moment dat de rentebeschikking wordt genomen, dient immers te worden gehandeld overeenkomstig het dan geldende beleid.

Strijd met Unierecht?

30. Met betrekking tot het standpunt van eiseres dat het in rekening brengen van belastingrente strijdig is met het Unierecht overweegt de rechtbank het volgende.

Zo al door het naheffen van omzetbelasting bij de BAR sprake zou zijn van strijd met het Unierecht, dan gaat deze strijdigheid niet zover dat dit ook gevolgen heeft voor het BCF en de in rekening gebrachte belastingrente bij de individuele gemeenten. Het BCF en de belastingrente ingevolge de artikelen 30h, 30ha en 30hb van de Awr worden immers niet, zoals de omzetbelasting, beheerst door het Unierecht.

31. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

32. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Drok, voorzitter, en mr. G.J. Ebbeling en

mr. A.J. van Doesum, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2020.

De griffier is verhinderd te ondertekenen

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.

1 ECLI:NL:PHR:2020:170.

2 HR 8 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5535.

3 Kamerstukken II 2011/12, 33 245, nr 8 (NvW), blz. 4 en 5.

4 ECLI:NL:HR:2019:1039.

5 ECLI:NL:HR:2019:1039

6 Gerechtshof Den Haag 14 november 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3106