Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12461

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 7552
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor de transformatie van een bestaand kantoorgebouw in tien appartementen en de bouw van een derde laag op dit kantoorgebouw waarin nog twee appartementen zullen worden gerealiseerd. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/7552

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2020 in de zaak tussen

1. [eiser 1]te [woonplaats] , eiser I

2. [eiser 2] en [eiseres] [woonplaats] , tezamen aangeduid als eisers II

(gemachtigde: mr. J.A. de Boe),

hierna gezamenlijk ook te noemen: eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder

(gemachtigde: B. van der Maarel).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Achter de Wilgen B.V. (vergunninghoudster), te Den Haag (gemachtigde: mr. J.S. Haakmeester).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster.

Eiser I heeft op 26 november 2019 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het door hem daartegen gemaakte bezwaar.

Bij besluit van 26 november 2019, verzonden op 27 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser I en eisers II gedeeltelijk gegrond verklaard.

Eiser I en eisers II hebben gezamenlijk bij brief van 4 januari 2020 (nadere) gronden ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2020. [eiser 1] en [eiser 2] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens de derde-partij zijn verschenen [A] en [B] , bijgestaan door hun gemachtigde.

Overwegingen

Procedureel

De rechtbank heeft meerdere verzoeken van de gemachtigde van eisers ontvangen inhoudende het verzoek om twee zaaknummers toe te kennen aan het beroep. Daarbij is het zijn bedoeling dat er administratief twee zaken zijn, namelijk (1) het bij de rechtbank op 27 november 2019 ingekomen beroep tegen het niet tijdig beslissen van 26 november 2019 namens eiser I met daarbij gevoegd onder meer een aanvullend bezwaarschrift namens [eiser 1] , [eiser 2] , [C] en [eiseres] en (2) een zaak over het beroep tegen het reële besluit van 26 november 2019, verzonden op 27 november 2019, waartegen hij op 4 januari 2020 beroepsgronden heeft ingediend namens eiser I en eisers II. De rechtbank heeft bij brieven van 29 januari 2020 en 19 oktober 2020 aan de gemachtigde medegedeeld dat het namens eiser I ingediende beroep ‘niet tijdig beslissen’ mede betrekking heeft op het alsnog genomen bestreden besluit. Daarom heeft de rechtbank geen aanleiding gezien twee zaaknummers toe te kennen aan dit beroep.

De gemachtigde van eisers heeft in reactie op het bovenstaande ter zitting betoogd dat het beroep van eiser I van 26 november 2019 volgens artikel 6:20, derde lid, van de Awb tevens betrekking heeft op het bestreden besluit en niet op het beroep dat is ingediend op 4 januari 2020 van eiser I en eisers II. Voor wat betreft eiser I kan het hooguit gezien worden als een reactie op het alsnog genomen besluit van 26 november 2019 in de procedure niet tijdig beslissen. Er blijft sprake van twee beroepen, die tegelijk behandeld worden, waartegen de gemachtigde zich niet verzet.

Naar aanleiding van het bovenstaande betoog overweegt de rechtbank als volgt.

Uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb volgt dat het beroep van eiser I tegen het niet tijdig nemen van een besluit van rechtswege mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, nu dit niet geheel aan het bezwaar tegemoet komt. Dit betekent dat sprake is van één beroep van eiser I, waaraan één zaaknummer is toegekend. Overigens volgt ook uit het door mede namens eiser I ingediende beroepschrift van 4 januari 2020 dat hij beoogt beroep in te stellen tegen het bestreden besluit. Dit beroepschrift bevat namelijk gronden tegen dit besluit. De rechtbank ziet niet in dat dit beroepschrift voor zover dat is ingediend door eiser I niet als zodanig kan worden aangemerkt.

Omdat het beroepschrift van 4 januari 2020 ook namens eisers II is ingediend en eisers in de bezwaarfase ook gezamenlijk optrokken, hetgeen blijkt uit het bestreden besluit, ziet de rechtbank geen aanleiding om het beroep tegen het bestreden besluit van eisers II administratief als een separaat beroep te behandelen. De rechtbank ziet daarom evenmin aanleiding een separaat zaaknummer aan het beroep van eisers II toe te kennen.

Overigens is gesteld noch gebleken dat eisers in hun processuele belangen zijn geschaad door het niet toekennen van twee zaaknummers. Daarom ziet de rechtbank in hetgeen de gemachtigde van eisers ter zitting heeft betoogd geen aanleiding om bij de administratieve behandeling van deze beroepen alsnog twee zaaknummers toe te kennen.

Inhoudelijk

1.1

Op 11 maart 2019 heeft Room for architecture B.V. namens vergunninghoudster een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor de transformatie van een bestaand kantoorgebouw in tien appartementen aan de Achterwillenseweg 22 a tot en met c in Gouda. In de aanvraag is eveneens opgenomen dat een nieuw derde laag zal worden gebouwd en hierin nog eens twee appartementen zullen worden gerealiseerd. De aanvraag ziet op de activiteiten bouwen, handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening en het aanleggen of veranderen van een uitweg.

1.2

Bij besluit van 3 juli 2019 heeft verweerder positief beslist op de aanvraag. Voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, eerste en negende lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).

1.3

Eiser I en eisers II wonen aan de [adres] [huisnummer] , [huisnummer] en [huisnummer] in de directe nabijheid van het te verbouwen pand. Zij hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij brief van 4 november 2019 heeft verweerder ingevolge artikel 7:10, derde lid, van de Awb de beslistermijn voor zes weken verdaagd. Eiser I heeft vervolgens bij brief van 11 november 2019 verweerder in gebreke gesteld. Hij meent dat hij aanspraak maakt op een dwangsom als niet vóór 25 november 2019 een beslissing op het bezwaar is genomen. Verweerder heeft dat vervolgens bij brief van 12 november 2019 bevestigd.

Beroep van eiser I gericht op het niet tijdig nemen van de beslissing op bezwaar

2. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb tot 6 november 2019 liep. Verweerder heeft op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb bij brief van 4 november 2019 de beslistermijn met zes weken verlengd met ingang van 6 november 2019. Dit betekent dat de beslistermijn daarmee was verlengd tot en met 18 december 2019. Nu de beslissing op bezwaar op 27 november 2019 is genomen was verweerder niet in gebreke ten tijde van het indienen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van de beslissing op bezwaar. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het beroep wegens niet tijdig beslissen prematuur is ingesteld. Dit beroep van eiser I is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank zal aldus beslissen.

3. De niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens niet tijdig beslissen, staat niet in de weg aan een ontvankelijk beroep van rechtswege tegen het inmiddels genomen reële besluit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 18 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO2903). De rechtbank zal daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit.

Beroep van eiser I en eisers II tegen het reële besluit

4. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat het primaire besluit voor het aspect parkeren niet in stand kan blijven. In zoverre heeft verweerder het bezwaar van eiser I en eisers II gegrond verklaard. Verweerder heeft de motivering aangevuld met betrekking tot parkeren door ontheffing van de parkeernorm te verlenen ten aanzien van één parkeerplek onder verwijzing naar artikel 3.1, sub e en onder 3, van de planregels van Parapluherziening Parkeren Gouda in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 1°, van de Wabo. Voor het overige heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

5. Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit. In de eerste plaats kan de vergunning niet worden verleend omdat het bouwplan in strijd is met het Bor. Verder leidt het bouwplan tot aantasting van hun uitzicht en privacy. Ook zal het reeds bestaande parkeerprobleem nog verder worden vergroot. Door vermindering van het uitzicht en de vergroting van het parkeerprobleem, zal vervolgens de waarde van hun woning dalen. Voorts menen zij dat het bouwplan niet in de omgeving past. Verder is het welstandsadvies niet op juiste wijze tot stand gekomen. De omgevingsvergunning is bovendien in strijd met het overgangsrecht verleend. Ook is de omgevingsvergunning in strijd met de leveringsaktes van de appartementen verleend. Eisers hebben verder niet alle stukken kunnen inzien. Ook hebben zij niet alle stukken ontvangen. Verder is een kantoorgebouwtje en een afscheidingsmuur gesloopt terwijl dit niet is vergund. Zij menen tot slot dat het bouwplan in strijd is met artikel 4.28 van het Bouwbesluit.

6. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers een nieuwe grond ingebracht. Hij stelt dat sprake is van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Hij heeft verklaard dat verweerder bewust verhult dat sprake is van een van rechtswege verleende vergunning om te voorkomen dat hij aansprakelijk zal worden gesteld voor de door vergunninghoudster geleden schade. Naast dat hier sprake is van een tardief ingebrachte grond, stelt de rechtbank vast dat het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat dat hier sprake zou zijn van een van rechtswege verleende vergunning die verweerder zou proberen te verhullen.

7.1

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo, voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo is - voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening - een vergunning of ontheffing vereist om een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd in geval van, kort gezegd, (a) strijd met het Bouwbesluit, (b) strijd met de Bouwverordening, (c) strijd met het bestemmingsplan en (d) strijd met de redelijke eisen van welstand.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 2°, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

7.2

Uit artikel 4 van bijlage II bij het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking:

1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 5 meter, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

b. de oppervlakte niet meer dan 150 m²;

(…)

9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.

8. Volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Noord’ rust op het perceel de bestemming ‘kantoor’ met een maximum bouwhoogte van 6 meter en een maximum goothoogte van eveneens 6 meter. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan ‘Noord’.

9.1.1

Eisers menen dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 2°, van de Wabo omdat het bouwplan is strijd is met het Bor. In dat verband betogen zij ten eerste dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 4, eerste lid en negende lid, van bijlage II bij het Bor is verleend. Daartoe voeren zij aan dat de derde woonlaag niet kan worden aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het eerste lid omdat deze niet kan bijdragen aan de verwezenlijking van de planologische bestemming ‘kantoor’. Eisers menen bovendien dat in feite sprake is van nieuwbouw, waardoor geen vergunning voor de nieuw te bouwen derde woonlaag kan worden verleend. In dat verband verwijzen zij naar de uitspraken van de Afdeling van 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2953, en van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:963.

9.1.2

De Afdeling heeft in meerdere uitspraken overwogen dat de verscheidene onderdelen van artikel 4 van bijlage II bij het Bor in één omgevingsvergunning gecombineerd kunnen worden toegepast en dat het zo mogelijk is om tegelijkertijd een omgevingsvergunning te verlenen voor een bepaald gebruik, bedoeld in artikel 4, negende lid, van een bestaand hoofdgebouw en voor de bouw en het gebruik van een bijbehorend bouwwerk, bedoeld in artikel 4, eerste lid van bijlage II bij het Bor (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:744, en van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:819).

9.1.3

In het licht van deze rechtspraak ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat in het onderhavige geval de derde bouwlaag noodzakelijkerwijs enkel kan worden vergund voor de verwezenlijking van de bestemming ‘kantoor’ zoals dat is neergelegd in het bestemmingsplan. Uit voormelde rechtspraak blijkt immers dat het mogelijk is een vergunning te verlenen voor de bouw en het gebruik van de derde bouwlaag ter verwezenlijking van het bij dezelfde omgevingsvergunning gewijzigde gebruik van het hoofdgebouw, in dit geval ‘wonen’.

9.1.4

Evenmin ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat hier feitelijk sprake is van nieuwbouw en om die reden artikel 4, eerste en negende lid, van bijlage II bij het Bor niet kan worden gecombineerd. Daartoe overweegt de rechtbank dat de onderhavige situatie niet vergelijkbaar is met de situatie in de door eisers vermelde uitspraak van 21 maart 2018. De Afdeling heeft namelijk over de uitspraak van 21 maart 2018 overwogen dat daarin werd geoordeeld dat het aangevraagde bouwwerk niet als bijbehorend bouwwerk in de zin van artikel 4, eerste lid, van bijlage II bij het Bor kon worden aangemerkt, omdat er geen hoofdgebouw op het perceel aanwezig was (zie de uitspraak van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:876, o. 4.1). In dit geval – net zoals in het geval van de uitspraak van 20 maart 2019 – is wel een hoofdgebouw aanwezig, namelijk het kantoorpand.

9.2

Eisers voeren aan dat ingevolge artikel 5, eerste lid, van bijlage II bij het Bor het aantal woningen niet kan toenemen indien ingevolge artikel 4, eerste lid, van bijlage II bij het Bor een vergunning wordt verleend. Naar het oordeel van de rechtbank is de verleende omgevingsvergunning niet in strijd met de in artikel 5, eerste lid, van bijlage II bij het Bor neergelegde eis dat het aantal woningen gelijk blijft, nu in dit artikel ook is bepaald dat deze eis niet geldt bij de toepassing van het negende lid van artikel 4. Dat verweerder eveneens toepassing heeft gegeven aan artikel 4, eerste lid, betekent niet dat reeds om die reden het aantal woningen niet mag toenemen. De rechtbank verwijst in dat verband naar de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2639.

9.3

Gelet op het bovenstaande treft het betoog van eisers dat de vergunning in strijd met het Bor is verleend geen doel. Artikel 4, eerste lid en negende lid, en artikel 5, eerste lid, van bijlage II bij het Bor staan er dan ook niet aan in de weg om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 2°, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwplan.

10. Toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 2°, van de Wabo, is een bevoegdheid van verweerder waarbij een belangenafweging dient plaats te vinden. Een dergelijke afweging leent zich volgens vaste rechtspraak alleen voor een terughoudende (marginale) toetsing door de rechtbank, dat wil zeggen dat de rechtbank zich moet beperken tot beantwoording van de vraag of verweerder in redelijkheid tot het al dan niet verlenen van die omgevingsvergunning heeft kunnen besluiten (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2989).

11.1

Eisers stellen dat het bouwplan leidt tot onevenredige aantasting van hun uitzicht en privacy. Zij hebben ter zitting naar voren gebracht dat de 100% privacy aanzienlijk vermindert met ongeveer 50% en dat het bestaande uitzicht op het gebouw met 100% toeneemt.

11.2

Uit vaste rechtspraak volgt dat er geen recht bestaat op vrij uitzicht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2861). De rechtbank constateert dat de woningen van eisers zich ten zuidoosten van de te realiseren appartementen bevinden. De dichtstbijzijnde woning van eisers aan de [adres] ligt op 25 meter afstand van het te transformeren gebouw. De nieuw te bouwen derde bouwlaag ligt terug van de dakrand en daarmee op een grotere afstand dan 25 meter. In de nieuwe derde bouwlaag bevindt zich één hoekraam op het zuidoosten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het realiseren van het bouwplan niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht en de privacy van eisers.

12.1

Eisers voeren aan dat het bouwplan niet in voldoende parkeerplaatsen voorziet. Dat leidt tot parkeerproblematiek in de buurt. Volgens eisers geldt een parkeernorm van 23 plekken. Deze 23 parkeerplekken worden blijkens het bouwplan niet gerealiseerd. Verder heeft verweerder ten onrechte ontheffing verleend voor één parkeerplek door niet de juiste procedure te doorlopen, aldus eisers.

12.2

In het bestreden besluit en in beroep heeft verweerder gemotiveerd dat op grond van Parapluherziening Parkeren Gouda de Achterwillenseweg 22a tot en met 22c behoort tot zone C. In deze zone geldt voor grote woningen van meer dan 110 m² gebruiksoppervlak een parkeernorm van 2,00 per woning. Voor middenwoningen met een gebruiksoppervlak tussen de 85 m² en 110 m² geldt een norm van 1,80 per woning en voor kleine woningen tot 85 m² geldt een parkeernorm van 1,60 per woning. Uit het bouwplan volgt dat vijf grote woningen zullen worden gerealiseerd, vijf middenwoningen en twee kleine woningen. Dit betekent dat de parkeernorm dient te worden vastgesteld op 22 parkeerplekken, zijnde vijf maal 2,00, vijf maal 1,80 en vijf maal 1,60 bij elkaar opgeteld. Eisers stelling dat een parkeernorm van 23 plekken geldt, treft daarom geen doel.

12.3

Verweerder heeft bij het bestreden besluit op grond van artikel 3.1, sub e en onder 3, van het bestemmingsplan Parapluherziening Parkeren Gouda aanleiding gezien ontheffing te verlenen van de parkeernorm voor één parkeerplek. Verweerder heeft in zoverre toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 1°, van de Wabo. De overige 21 parkeerplekken worden op eigen terrein gerealiseerd.

12.4

Het betoog van eisers dat verweerder bij deze ontheffing voor één parkeerplek ten onrechte niet de procedure zoals vermeld in artikel 34 van de planregels van bestemmingsplan Noord heeft gevolgd, leidt niet tot het daarmee beoogde doel. Hun stelling dat Parapluherziening Parkeren Gouda deel uitmaakt van bestemmingsplan ‘Noord’ hebben zij niet onderbouwd. Op geen enkele wijze is gebleken dat bij een ontheffing op grond van de parapluherziening verweerder gehouden is de procedure neergelegd in artikel 34 van bestemmingsplan ‘Noord’ te volgen.

12.5

Verweerder heeft aan de ontheffing van één parkeerplek ten grondslag gelegd dat een groene invulling langs de hellingbaan vanuit stedenbouwkundige optiek fraaier is en daarmee een beter straatbeeld oplevert waarmee het algemeen belang is gediend. In hetgeen eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder deze motivering niet aan de ontheffing ten grondslag heeft kunnen leggen.

13. Eisers stellen dat de waarde van hun woningen zal dalen door het verminderde uitzicht, de verminderde privacy en de toename van de parkeerproblematiek. De rechtbank stelt vast dat eisers deze stelling geen enkele wijze hebben onderbouwd. Reeds daarom kan deze stelling niet slagen. Overigens heeft verweerder er terecht op gewezen dat voor een aanvraag om tegemoetkoming in eventuele planschade een aparte procedure openstaat.

14.1

Eisers voeren aan dat de hoogte van het pand afwijkt van de omliggende bouwhoogten. Alle panden om het te verwezenlijken appartementencomplex zijn lager dan tien meter. Het appartementencomplex doet verder afbreuk aan het historische lint, aldus eisers.

14.2

Vergunninghoudster heeft in beroep een kaart overgelegd waaruit volgt wat de hoogte is van gebouwen in de nabijheid van het te realiseren appartementencomplex. Daarbij zijn 29 metingen verricht. Bij 34% van deze metingen zijn gebouwen 8,1 meter of lager, bij 31% is de hoogte tussen de 8,1 en 10,73 meter en 34% van de metingen zijn de gebouwen 10,73 meter of hoger. Deze metingen zijn door eisers niet betwist. De rechtbank volgt dan ook het standpunt van verweerder en vergunninghoudster dat de bouwhoogte van het appartementencomplex niet wezenlijk afwijkt van de omliggende bouwhoogten in de omgeving van het pand. Het betoog faalt.

14.3

De stelling van eisers dat het appartementencomplex afbreuk doet aan het historische lint, leidt niet tot het daarmee beoogde doel. Verweerder heeft de ‘Cultuurhistorische Analyse’ van Anteagroup van 8 maart 2019 aan de besluitvorming ten grondslag gelegd. Uit deze analyse volgt dat het project tegen de cultuurhistorische lijnstructuur aanligt die wordt gevormd door de Achterwillenseweg. Uit pagina 16 van deze analyse volgt dat deze lijnstructuur door het project ongewijzigd blijft. In hetgeen eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat deze analyse niet gevolgd kan worden.

15.1

Naar eisers menen heeft de welstandscommissie ten onrechte nagelaten hun belangen te betrekken in het advies. Verweerder heeft immers erkend dat de realisatie van het appartementencomplex gevolgen heeft voor het uitzicht van eisers. Om die reden kan het advies niet worden gevolgd, aldus eisers.

15.2

Uit vaste rechtspraak volgt dat verweerder, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting (zij bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8987).

15.3

In het verslag van de welstandscommissie van 26 september 2019 staat vermeld dat de Welstandsnota 2017 van toepassing is bij de toetsing van de redelijke eisen van welstand. Deze welstandsnota bevat algemene criteria en geeft er geen blijk van dat dient te worden getoetst aan de private belangen van eisers. Dit betoog van eisers slaagt daarom niet. De rechtbank ziet anderszins geen aanleiding voor het oordeel dat het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

16. Voor zover eisers betogen dat het kantoorpand onder het overgangsrecht valt en er daarom geen wijzigingen kunnen worden aangebracht die in strijd zijn met dit overgangsrecht, slaagt dit betoog niet. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat nog daargelaten of het gebouw onder het overgangsrecht valt, dit niet betekent dat noodzakelijkerwijs geen omgevingsvergunning kan worden verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan.

17.1

Eisers voeren aan dat de omgevingsvergunning in strijd is met de splitsingstekeningen behorende bij de koopovereenkomsten en de akte van levering (de ‘Groninger akte’). Zij stellen dan ook de splitsingstekeningen van het complex met daarop de breukdelen ter discussie.

17.2

De rechtbank stelt voorop dat, nog daargelaten wat uit de splitsingstekeningen behorende bij de koopovereenkomsten en de leveringsakten kan worden afgeleid, dit geen deel uitmaakt van het toetsingskader van de voorliggende omgevingsvergunning maar dit een civielrechtelijke aangelegenheid is. Reeds daarom slaagt het betoog van eisers niet.

18. Eisers stellen dat zij niet alle stukken hebben ontvangen van verweerder. Zij hebben evenmin alle stukken kunnen inzien. De rechtbank constateert dat eisers niet hebben geconcretiseerd welke stukken zij niet hebben ontvangen of niet hebben kunnen inzien en in hoeverre zij daarmee in hun belangen zijn geschaad. Daarom treft deze stelling geen doel.

19. Eisers voeren aan dat voor het afbreken van een kantoorgebouwtje en een afscheidingsmuur geen omgevingsvergunning is verleend. De rechtbank constateert dat het afbreken van een kantoorgebouwtje en een afscheidingsmuur geen betrekking heeft op het bestreden besluit. Deze grond valt daarom buiten de omvang van het geding.

20.1

Eisers stellen tot slot dat het bouwplan niet voldoet aan artikel 4.28 van het Bouwbesluit omdat in het bouwplan niet is voorzien van een brancardlift.

20.2

Nog daargelaten dat ter zitting eisers hebben toegelicht dat de vormgeving van de liftkoker inmiddels is gewijzigd en daarmee het bezwaar tegen de liftkoker (deels) is weggenomen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een inhoudelijke beoordeling van deze grond. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

20.3

Uit artikel 4.28 van het Bouwbesluit volgt – samengevat - aan welke afmetingen een liftkooi moet voldoen. Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

20.4

De rechtbank overweegt dat de bouwtechnische normen in het Bouwbesluit, voor zover thans van belang, primair strekken tot bescherming van de veiligheid van mensen in het desbetreffende bouwwerk. Daarnaast strekken deze normen evenwel tevens tot bescherming van de veiligheid van mensen in woningen op belendende percelen als het gaat om constructieve veiligheid, branddoorslag of brandoverslag.

20.5

Nu de afmetingen van de liftkooi geen betrekking heeft op de constructieve veiligheid van mensen in woningen in de nabijheid van het project, oordeelt de rechtbank dat de betreffende norm uit het Bouwbesluit eisers kennelijk niet aangaat in hun hoedanigheid van eigenaar of huurder van de nabijgelegen woningen. Dit betekent dat het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb er daarom in dit geval aan in de weg dat eisers zich beroepen op artikel 4.28 uit het Bouwbesluit.

21. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder in redelijkheid de omgevingsvergunning kunnen verlenen. Het beroep van eisers is ongegrond.

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

inzake het beroep van eiser I tegen het niet tijdig beslissen

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

inzake het beroep van eisers tegen het bestreden besluit

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. E.L. Denters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.