Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12417

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
NL20.15157
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit de door eiser aangehaalde bronnen volgt dat de detentie- en opvangsituatie in Malta al jaren slecht is en in 2019 nog verder significant is verslechterd. Verweerder heeft daarom niet kunnen volstaan met te stellen dat de situatie niet wezenlijk is veranderd ten opzichte van de eerdere jaren.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Malta sprake is van een effectief rechtsmiddel ten aanzien van de opvang- en detentieomstandigheden.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.15157


uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

gemachtigde: mr. N.D. Schraa,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M. Luigjes).

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Malta verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.15158, plaatsgevonden op 28 oktober 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw R. Shenouda-Ramzi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Malta een verzoek om terugname gedaan. Malta heeft dit verzoek aanvaard.

2. Eiser betoogt dat verweerder niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, omdat het asielsysteem in Malta structurele tekortkomingen kent op het gebied van opvang en detentie.

Eiser stelt in dit kader dat asielzoekers die op grond van de Dublinverordening terugkeren naar Malta structureel worden gedetineerd, zonder dat sprake is van een risico op onttrekking. Dublinclaimanten kunnen ook worden gedetineerd op grond van het verspreiden van ziekten en vreemdelingen worden pas uit detentie vrijgelaten als er een plek vrij is in het open centrum. De gronden van bewaring worden niet proportioneel toegepast, wat een schending is van artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de Opvangrichtijn. Ook zijn de detentie- en opvangvoorzieningen in Malta al jaren zeer slecht en inmiddels nog verder verslechterd. Niet blijkt dat de opvang- en detentieomstandigheden voor Dublinterugkeerders beter zijn. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft verder in een aantal uitspraken geoordeeld dat er geen effectief rechtsmiddel bestaat in Malta dat in overeenstemming is met artikel 5 van het EVRM, om zich te beklagen over deze structurele tekortkomingen.

Eiser beroept zich ter onderbouwing op:

-de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 8 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6212;

-het AIDA-rapport over Malta, Update 2018, van maart 2019;

-het AIDA-rapport over Malta, Update 2019, van april 2020;

-het UNHCR Progress report 2018: “A Global Strategy to Support Governments to End the

Detention of Asylum Seekers & Refugees, 2014 – 2019”, pagina 70;

-het UNHCR Universal Periodic Review Malta report, van juli 2018, pagina 3;

-het rapport van de European Union Agency for Fundamental Rights (FRA), “Migration: Key Fundamental Rights Concerns”, van 2020, pagina 4.

De omstandigheden worden volgens eiser bevestigd door zijn eigen ervaringen, aangezien hij zelf gedetineerd is geweest, slachtoffer is geworden van politiegeweld en in onmenselijke omstandigheden heeft verbleven in Malta. Het risico bestaat dat dit na overdracht weer gebeurt.

3. De rechtbank merkt allereerst op dat de vindplaats van het UNHCR Universal Periodic Review Malta report, van juli 2018, onbekend is, zodat dit rapport niet bij de beoordeling kan worden betrokken. Verder slaagt ook het beroep op pagina 70 van het UNHCR Progress report 2018 niet, aangezien dit gaat over het Verenigd Koninkrijk.

4.1

Verweerder mag in zijn algemeenheid ten opzichte van Malta uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet mag.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn stelling dat elke Dublinterugkeerder bij aankomst in Malta wordt gedetineerd, niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit het rapport van AIDA, Update 2019, blijkt weliswaar dat NGO’s rapporteren dat de meeste Dublinterugkeerders bij aankomst in Malta in detentie worden geplaatst, maar het rapport noemt niet het aantal personen dat wordt gedetineerd. Ook blijkt er niet uit dat de Maltese autoriteiten hun bevoegdheden in dit kader misbruiken. Het enkele feit dat eiser mogelijk in detentie zal worden gesteld is onvoldoende voor het oordeel dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

Eiser heeft verder erop gewezen dat uit het betreffende rapport blijkt dat de Maltese autoriteiten in de praktijk vrijwel alle asielzoekers die op een illegale manier (voornamelijk via de zee) het land binnenkomen in detentie plaatsen. Al sinds 2019 worden deze asielzoekers gedetineerd op grond van richtlijnen ter bescherming van de volksgezondheid. Volgens het rapport is er geen effectief rechtsmiddel tegen deze vorm van detentie beschikbaar. De rechtbank acht dit echter niet op eiser van toepassing, omdat hij legaal op grond van de Dublinverordening zal worden overgedragen aan Malta.

4.3

De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een verslechtering van de opvang- en detentieomstandigheden die zodanig is dat sprake is van structurele systematische tekortkomingen.

De rechtbank vindt hiervoor de volgende citaten uit het AIDA-rapport, Update 2019, van belang:

“The reception system is under intense pressure and has reached its full capacity throughout 2019. As a result, newly-arrived applicants in 2019 could not access reception centres and were systematically held in detention instead.” (pagina 13)

“The lack of space and resources have led to overcrowded reception centres and a severe deterioration of reception conditions. Several riots took place throughout the year as residents complained about the extreme degradation of conditions. Evictions had taken place to make space for new residents resulting in a number of asylum-seekers becoming homeless.” (pagina 13)

“Asylum seekers living in open centres experience difficulties in securing an adequate standard of living. The daily allowance provided is barely sufficient to provide for the most basic of needs, and the lack of access to social welfare support exacerbates these difficulties. Social security policy and legislation precludes asylum seekers from social welfare benefits, except those benefits which are defined as “contributory”. With contributory benefits,entitlement is based on payment of a set number of contributions and on meeting the qualifying conditions, which effectively implies that only a tiny number of asylum seekers would qualify for such benefits, if any.” (pagina 53)

“Overall, the living conditions in the open centres, save for a few exceptions, are extremely challenging. Low hygiene levels, severe over-crowding, a lack of physical security, the location of most centres in remote areas of Malta, poor material structures and occasional infestation of rats and cockroaches are the main general concerns expressed in relation to the open centres. According to NGOs regularly visiting the centres, the situation has not improved in recent years and the living conditions in the reception centres remained deplorable in 2019, especially in the Ħal Farcentres.” (pagina 58)

“In 2019, the conditions in the reception centres continued to deteriorate significantly, due to over-crowding and a lack of resources. Issues include a lack of cleaning, difficult access to bathrooms, very limited hot water, or air conditioning and heating not being available.” (pagina 58)

“Detention conditions remain very difficult and precarious and have deteriorated greatly in 2018 and 2019 due to overpopulation.” (pagina 70)

“In recent years there have been a number of incidents within the centres which have raised concerns because of allegations of excessive use of force, as well as the lack of any systematic review of DS conduct and of any effective remedies to provide redress wherever abuse or ill-treatment by DS staff is alleged.

The use of excessive force and other questionable forms of punishment remains an issue primarily in contexts such as protests or escapes from detention, when force is used in an attempt to assert control or, at times, to discipline detainees, as is evident from the recent protests in 2019.

As mentioned, the conditions in detention centres in 2019 deteriorated and became extremely challenging with severe overcrowding, insanitary conditions, limited availability of shared toilets and showers and no privacy. Applicants enjoy limited time in the open, or with access to fresh air and sunlight. They also have hardly any contact with the outside world.” (pagina 71)

Uit de door eiser aangehaalde bronnen volgt dat de detentie- en opvangsituatie in Malta al jaren slecht is en in 2019 nog verder significant is verslechterd. Gelet op deze significante verslechtering heeft verweerder in het bestreden besluit niet kunnen volstaan met te stellen dat de situatie niet wezenlijk is veranderd ten opzichte van de eerdere jaren. Hetgeen verweerder in het verweerschrift en ter zitting heeft gesteld, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit motiveringsgebrek is gerepareerd. Zo is wat betreft de opvangomstandigheden de algemene stelling in het verweerschrift dat Malta is aangesloten bij het EVRM en dat relevante Europese regelgeving is geïmplementeerd, in dit kader onvoldoende. Daarnaast heeft verweerder erop gewezen dat uit het rapport blijkt dat er verschillen bestaan tussen de omstandigheden in de opvangcentra in Malta, maar naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hiervoor geciteerde passages uit het AIDA-rapport dat de slechte omstandigheden niet zijn beperkt tot een klein aantal centra. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat niet zou blijken dat ook Dublinterugkeerders onder de omschreven omstandigheden worden opgevangen, is de rechtbank van oordeel dat uit de aangehaalde bronnen niet kan worden opgemaakt dat de opvang- en detentieomstandigheden voor Dublinterugkeerders beter zijn. Wat betreft de detentieomstandigheden heeft verweerder gewezen op een aantal passages in het AIDA-rapport ten aanzien van kwetsbaren en medische zorg, maar de rechtbank vindt dit onvoldoende voor een ander oordeel gelet op de hiervoor geciteerde andere passages uit het AIDA-rapport. De rechtbank betrekt bij het voorgaande ook dat verweerder niet heeft bestreden dat eiser, zowel tijdens de opvang als zijn detentie, al problemen heeft ondervonden in Malta, die overeenkomen met de in de rapporten beschreven omstandigheden.

4.4

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Malta sprake is van een effectief rechtsmiddel ten aanzien van de opvang- en detentieomstandigheden. Wat betreft de opvangomstandigheden zijn de geconstateerde ernstige gebreken het gevolg van een overbelast opvangsysteem op Malta. Gelet hierop dient verweerder nader te motiveren waarom geacht kan worden dat hierover kan worden geklaagd bij de (hogere) autoriteiten en dit bij een terechte klacht ook op een korte termijn soelaas kan bieden. Evenmin is afdoende gemotiveerd dat sprake is van een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 5 van het EVRM. De rechtbank acht daarvoor van belang het gestelde in het AIDA-rapport, Update 2019, pagina 71 en 75 tot en met 77.

Zo is daarin vermeld dat er serieuze zorgen bestaan of tegen excessief geweld tegen gedetineerden, hetgeen zich recentelijk meermalen heeft voorgedaan, van een effectief rechtsmiddel sprake is. Verder is hierin vermeld dat het de vraag is of de andere beschikbare rechtsmiddelen voor gedetineerden op korte termijn (‘speedy judicial remedy’) tot een oplossing leiden en dat het EHRM ook meermalen heeft geoordeeld dat deze inadequaat zijn. Dat, zoals verweerder heeft betoogd, uit het AIDA-rapport blijkt dat het voor gedetineerden wel mogelijk is om met een advocaat te spreken, betekent nog niet dat sprake is van een effectief rechtsmiddel.

5. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzitter, mr. A.M. den Dulk en

mr. V. Wolting, rechters, in aanwezigheid van mr. A. Korporaal-Wisman, griffier.

De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op de hierboven vermelde datum.

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.