Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12321

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-12-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
09-84218920
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brand bij een flat aan de Laan van Wateringse Veld op 1 januari 2020. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van medeplichtigheid aan brandstichting. De verdachte had geen opzet op het behulpzaam zijn bij de brandstichting van de auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842189-20

Datum uitspraak: 7 december 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 15 juni 2020, 7 september 2020 (allen pro forma) en 23 november 2020 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. van der Harg, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. M. van Stratum, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

[medeverdachte 1] op of omstreeks 01 januari 2020 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een (onderdeel/gedeelte van) een - in/op een overdekte garage/parkeerplaatsen en/of onder een appartementencomplex geparkeerd staande - (personen)auto (merk: Fiat, kenteken: [kenteken] ), althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan die auto en/of zeven andere auto's en/of een of meer andere vervoermiddelen en/of een gedeelte van het plafond van die garage en/of een gedeelte van het bovenliggende appartementencomplex en/of andere goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan

- gemeen gevaar voor de overige in/op die garage/parkeerplaats geparkeerd staande auto's en/of andere vervoermiddelen en/of dat appartementencomplex en/of andere goederen in die garage/parkeerplaats en/of dat appartementencomplex, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

- levensgevaar voor de zich in dat appartementencomplex bevindende personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of

- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in dat appartementencomplex bevindende personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was

bij en/of tot het plegen van welk vorenomschreven misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 01 januari 2020 te 's-Gravenhage tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door met zijn mededader(s), althans alleen,

-telefonisch contact te zoeken met zijn medeverdachte, [medeverdachte 2] , en/of

vervolgens

-die [medeverdachte 1] de toegang tot dat appartementencomplex en/of die garage/parkeerplaats te verschaffen;

3 Vrijspraak

3.1

Inleiding

Op 1 januari 2020 is een Fiat Punto in brand gestoken. Deze Fiat Punto bevond zich onder een flat aan [adres 2] in Den Haag. Door de brandstichting van de Fiat Punto zijn verschillende andere voertuigen in brand geraakt. Er is een rookkolom ontstaan, waardoor bewoners van de flat halsoverkop hun appartement moesten verlaten. Sommige bewoners konden door de rookontwikkeling niet zelf de woning verlaten, maar moesten door de brandweer daaruit worden gered. Door de brand is, naast de voertuigen, de flat beschadigd geraakt, was er brand- en rookschade in enkele appartementen en zijn verschillende bewoners in een ziekenhuis behandeld aan hun luchtwegen.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de brand heeft gesticht. Om bij de Fiat Punto te komen diende hij in de afgesloten parkeerplaats onder de flat te komen. [medeverdachte 1] heeft de verdachte gevraagd een andere persoon, de tweede medeverdachte [medeverdachte 2] , te bellen. Deze [medeverdachte 2] woont in de flat en hij heeft [medeverdachte 1] toegang tot de parkeerplaats verschaft.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend kan bewezen worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan de brandstichting van de Fiat Punto.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir, gerekwireerd tot vrijspraak van het ten laste gelegde.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, overeenkomstig zijn pleitnota, zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

Op specifieke standpunten van de verdediging zal – voor zover relevant – hierna worden ingegaan.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid is nodig dat bewezen kan worden dat de verdachte opzet had op het misdrijf zelf én op zijn behulpzaamheid daarbij. De verdachte heeft bekend dat hij telefonisch contact heeft gezocht met [medeverdachte 2] . De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte ten tijde van het telefonisch contact met [medeverdachte 2] wist dat [medeverdachte 1] het opzet had om de Fiat Punto in de brand te steken.

De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij door [medeverdachte 1] is gebeld, omdat hij [medeverdachte 1] moest helpen om wraak te nemen op een man uit de flat. [medeverdachte 1] zei de verdachte dat hij niet klaar was met de buurman (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ). Later belde [medeverdachte 1] opnieuw om de verdachte te vragen naar buiten te komen en hem te helpen de buurman aan te pakken. [medeverdachte 1] verzocht de verdachte toen hij buiten was [medeverdachte 2] te bellen. Dat heeft de verdachte gedaan: hij heeft [medeverdachte 2] gebeld en hem gezegd dat hij buiten nodig was. Hij heeft verder verklaard dat [medeverdachte 1] heeft gezegd: “Ik ga zijn auto pakken.” Desgevraagd heeft de verdachte verklaard dat hij dacht dat [medeverdachte 1] daarmee ‘iets met een vuurtje’ bedoelde. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij na het telefoongesprek met [medeverdachte 2] naar huis is gegaan.

De rechtbank is van oordeel dat enkel het bovenstaande onvoldoende is om (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op het misdrijf, de brandstichting van de Fiat Punto, te bewijzen. Weliswaar lijkt de verdachte rekening gehouden te hebben met de mogelijkheid dat [medeverdachte 1] brand zou stichten (‘iets met een vuurtje’), maar uit de door de verdachte afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris kan niet afgeleid worden dat de verdachte wist dat de auto in brand zou worden gestoken of dat hij zich dat achteraf, bij de rechter-commissaris, realiseerde. Daarnaast blijkt uit deze verklaring onvoldoende op welk moment – voorafgaand aan het telefoon gesprek of nadien – die mogelijke wetenschap bij de verdachte openbaarde. Het dossier bevat verder geen informatie waaruit die (tijdige) wetenschap kan worden afgeleid. Zodoende kan niet bewezen worden dat de verdachte ten tijde van het plegen van het telefoontje aan [medeverdachte 2] opzet had op het behulpzaam zijn bij de brandstichting van de Fiat Punto.

De rechtbank zal daarom de verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde.

4 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

4.1

De vorderingen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering ter hoogte van:

[slachtoffer] : € 7.375,87,-, bestaande uit € 5.375,87 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.

[benadeelde 1] : € 7.478,-, bestaande uit € 5.478,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.

[benadeelde 2] : € 150,-, bestaande uit materiële schade.

[benadeelde 3] : € 12.569,17, bestaande uit € 9.569,17 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade.

[benadeelde 4] : € 3.500,- bestaande uit immateriële schade.

[benadeelde 5] : € 3.500,- bestaande uit immateriële schade.

[benadeelde 6] (2010): € 3.500,- bestaande uit immateriële schade.

[benadeelde 7] (2012): € 3.500,- bestaande uit immateriële schade.

[benadeelde 8] (2018): € 3.500,- bestaande uit immateriële schade.

[benadeelde 9] : € 3.500,- bestaande uit immateriële schade.

[benadeelde 10] : € 3.500,- bestaande uit immateriële schade.

[benadeelde 11] : € 3.500,- bestaande uit immateriële schade.

[benadeelde 12] : € 2.390,- bestaande uit materiële schade.

[benadeelde 13] : € 3.500,- bestaande uit immateriële schade.

[benadeelde 14] : € 3.885,-, bestaande uit € 385,- aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade.

[benadeelde 15] : € 6.093,32, bestaande uit € 2.593,32 aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade.

[benadeelde 16] : € 3.500,- bestaande uit immateriële schade.

[benadeelde 17] : € 3.500,- bestaande uit immateriële schade.

[benadeelde 18] : € 3.500,- bestaande uit immateriële schade.

[benadeelde 19] : € 3.500,- bestaande uit immateriële schade.

[benadeelde 20] : € 3.500,- bestaande uit immateriële schade.

[benadeelde 21] : € 3.500,- bestaande uit immateriële schade.

[benadeelde 22] , gemachtigde [benadeelde 22] : € 306.103,26 bestaande uit materiële schade.

[benadeelde 23] : € 3.500,- bestaande uit immateriële schade.

[benadeelde 24] : € 3.500,- bestaande uit immateriële schade.

[benadeelde 25] : € 3.500,- bestaande uit immateriële schade.

Alle personen hebben verzocht om de schade te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, aangezien de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

bepaalt dat de benadeelde partijen:

[slachtoffer] ;

[benadeelde 1] ;

[benadeelde 2] ;

[benadeelde 3] ;

[benadeelde 4] ;

[benadeelde 5] ;

[benadeelde 6] (2010);

[benadeelde 7] (2012);

[benadeelde 8] (2018);

[benadeelde 9] ;

[benadeelde 10] ;

[benadeelde 11] ;

[benadeelde 12] ;

[benadeelde 13] ;

[benadeelde 14] ;

[benadeelde 15] ;

[benadeelde 16] ;

[benadeelde 17] ;

[benadeelde 18] ;

[benadeelde 19] ;

[benadeelde 20] ;

[benadeelde 21] ;

[benadeelde 22] ;

[benadeelde 23] ;

[benadeelde 24] ;

[benadeelde 25] ;

niet-ontvankelijk zijn in hun vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt bovenstaande benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.F.H. van Eijk, voorzitter,

mr. E.A. Poppe-Gielesen, rechter,

mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Schuttevaer, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 december 2020.