Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12311

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-12-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
20_6569
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vovo afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/6569

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 december 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening van

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Zelmate).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] , vergunninghoudster.

(gemachtigde: mr. W. van Galen)

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een in- en uitrit op de locatie [weg] [huisnummer] te [plaats] .

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoeker heeft het verzoek desgevraagd nader toegelicht.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Vergunninghoudster heeft haar zienswijze gegeven op het ingediende verzoek.

De griffier heeft vervolgens verzoeker gevraagd of hij bereid is om het verzoek in te trekken.

Verzoeker heeft bij brief van 4 november 2020 aangegeven het verzoek te handhaven.

Verzoeker heeft vervolgens nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft bij brief van 2020 een nadere reactie ingediend.

Overwegingen

1.1

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2

Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

1.3

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een in- en uitrit op de locatie [weg] [huisnummer] te [plaats] .

3.1

Verzoeker vreest dat als gevolg van de werkzaamheden die in het kader van de omgevingsvergunning worden uitgevoerd schade zal ontstaan aan een waardevolle bomenrij en aan de dijk waarop de [weg] is aangelegd. Die dijk zal volgens hem niet bestand zijn tegen het aanbrengen van damwanden ten behoeve van de aanleg van de in- en uitrit en tegen het zware vrachtverkeer dat daar gebruik van zal maken.

3.2

Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat reeds 3 bomen zijn gekapt en heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat (1) er geen nieuwe bomen worden gekapt, (2) het aanleggen van een in- en uitrit 'omkeerbaar' is en (3) er geen sprake is van een verkeersgevaarlijke situatie of een andere vorm van gevaar voor de omgeving.

3.3

In haar zienswijze van 29 oktober 2020 heeft vergunninghoudster opgemerkt dat voor het aanbrengen en hebben van een dam met duiker door de dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland bij besluit van 16 april 2020 een vergunning is verleend, zodat hetgeen verzoeker stelt over de dijk buiten de omvang van het verzoek om voorlopige voorziening valt. Verder heeft vergunninghoudster hierin opgemerkt dat al in de week van 19 oktober 2020 de in- en uitrit – op het aanbrengen van een zandlaag ten behoeve van de klinkerverharding en de klinkers zelf na – is gerealiseerd en de werkzaamheden die volgens verzoeker tot onherstelbare schade aan de bomenrij en de dijk zouden leiden reeds hebben plaatsgehad. Gelet daarop heeft verzoeker geen spoedeisend belang meer bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, aldus vergunninghoudster.

3.4

Verzoeker heeft vervolgens in zijn reactie van 29 oktober 2020 gesteld dat de door hem gestelde onomkeerbaarheid niet wordt weggenomen door te stellen dat de inrit weer weg te nemen is. Dat zal volgens hem namelijk pas gebeuren nadat hij in bezwaar in het gelijk is gesteld als blijkt dat de verkeersveiligheid in het geding is. Er zal dan al veel schade aan de dijk zijn ontstaan, aldus verzoeker.

4.1

Anders dan door verzoeker is betoogd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de verzochte voorlopige voorziening. Hierbij wordt in de eerste plaats in aanmerking genomen dat de verleende omgevingsvergunning, anders dan verzoeker heeft gesteld, geen betrekking heeft op het aanbrengen en hebben van een dam met duiker waarvoor het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland bij besluit van 16 april 2020 een vergunning heeft verleend.

Daarnaast zijn de werkzaamheden aan de in- en uitrit, zoals het aanbrengen van een zandlaag en klinkerverharding – voor zover die nog niet zijn uitgevoerd – naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onomkeerbaar. Door het zand en de klinkerverharding te verwijderen kan de oorspronkelijke situatie immers worden hersteld. Van een blijvend gewijzigde situatie is de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken.

4.2

Verder is de voorzieningenrechter uit hetgeen verweerder en vergunninghoudster naar voren hebben gebracht gebleken dat de onomkeerbare werkzaamheden bestaande uit het kappen van bomen en het aanbrengen van een dam met duiker, die overigens niet onder de bestreden omgevingsvergunning voor de aanleg van een in- en uitrit vallen, reeds zijn uitgevoerd. Dit betekent dat verzoeker hieraan evenmin een spoedeisend belang kan ontlenen.

4.3

Hetgeen verzoeker overigens naar voren heeft gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden.

5. Nu verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, zal de voorzieningenrechter het verzoek afwijzen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.