Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12277

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
09/837184-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verkrachting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/837184-18

Datum uitspraak: 2 december 2020

Tegenspraak

(Vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum 1] 1993 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 4 april 2019 (pro forma) en 18 november 2020 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.A.C. Looijestijn en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. T.V. Seedorf naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 28 juli 2018 te Delft, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten

- het naar beneden trekken van de slaapzak waar [slachtoffer 1] in lag en/of

- het naar beneden trekken van de broek en onderbroek van [slachtoffer 1] en/of

- het vasthouden van de armen van [slachtoffer 1] en/of

- het (met zijn, verdachte’s, been) uit elkaar duwen van de benen van [slachtoffer 1]

die [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit liet seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers heeft verdachte (meermalen) zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en/of heen en weer bewogen;

2. hij in of omstreeks de periode van 30 april 2018 tot en met 1 mei 2018 te Delft, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid, te weten

- het op het bed duwen van [slachtoffer 2] en/of

- het uittrekken van de broek van [slachtoffer 2] en/of

- het vasthouden van de armen van [slachtoffer 2] en/of

- het (met zijn, verdachte’s), knie uit elkaar duwen van de benen van [slachtoffer 2]

die [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , immers heeft verdachte (meermalen) zijn penis is de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en/of heen en weer bewogen.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat beide feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard wegens gebrek aan bewijs.

3.3.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

[slachtoffer 2] heeft op 29 juli 2018 aangifte gedaan van verkrachting door de verdachte in de nacht van 30 april op 1 mei 2018. Zij verklaarde die avond aanwezig te zijn geweest in de woning van de verdachte om haar spullen op te halen, omdat hun relatie kort daarvoor was verbroken. In de woning zou het tot een worsteling zijn gekomen die eindigde op het bed. [slachtoffer 2] verklaarde – kort gezegd – dat de verdachte haar aldaar heeft overmeesterd, haar tegen haar wil heeft uitgekleed en haar gedurende de nacht meerdere malen heeft verkracht. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij die nacht tweemaal seks met [slachtoffer 2] heeft gehad, maar dat dit vrijwillig en met haar instemming was.

Steunbewijs

In zedenzaken doet zich vaak de situatie voor dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de gewraakte seksuele handelingen: aangeefster en de vermeende dader. Ook in deze zaak is dat het geval. [slachtoffer 2] zegt dat zij door de verdachte verkracht is, de verdachte zegt dat de seks vrijwillig was. Volgens artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Op grond van inmiddels vaste rechtspraak kan in een dergelijke zedenzaak een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaringen van [slachtoffer 2] voldoende wettig bewijs opleveren. De rechtbank stelt daarentegen vast dat aanvullend bewijs dat betrekking heeft op de in deze zaak ten laste gelegde gedragingen, ontbreekt. Het dossier bevat immers geen getuigenverklaring die of een ander (objectief) bewijsmiddel dat de verklaring van [slachtoffer 2] over het misbruik of de gevolgen daarvan ondersteunt.

Schakelbewijs

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het dossier wel steunbewijs in de vorm van schakelbewijs bevat. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het gebruik van aan andere, soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als steunbewijs (in de vorm van zogenaamd schakelbewijs) onder omstandigheden is toegelaten. Voor een bewezenverklaring van een feit wordt in dat geval mede redengevend geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer strafbare feiten betrokken was. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal ten aanzien van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van verdachte.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een overeenkomende modus operandi kunnen betrokken worden de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de betreffende feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen die feiten zich hebben voorgedaan, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven en het desbetreffende handelen van de verdachte alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Het bewijs in elk van de zaken kan over en weer redengevend worden geacht, zelfs als geen enkel feit afzonderlijk wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De rechtbank stelt vast dat zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] , de aangeefster van feit 1, hebben verklaard dat de verdachte hun broek en onderbroek naar beneden trok, met zijn knie dan wel been met kracht de benen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] uit elkaar duwde, en dat hij hun armen vasthield om ze te overmeesteren. De rechtbank is echter van oordeel dat de geconstateerde overeenkomsten tussen de verklaringen van zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] over de verdachte onvoldoende zijn om te kunnen spreken van een specifieke handelswijze van de verdachte. Dit geldt des te meer nu de verklaringen op diverse anderen punten niet overeenkomen. Van de voor schakelbewijs benodigde handelswijze die op essentiële punten overeenkomt is aldus geen sprake, zodat de verklaring van [slachtoffer 1] niet kan worden gebruikt als wettig bewijsmiddel in de zaak van [slachtoffer 2] .

De verklaring van [slachtoffer 2] , dat zij is (meermalen) is verkracht door de verdachte wordt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende ondersteund door andere, objectieve bewijsmiddelen in het dossier dan wel in de vorm van schakelbewijs.

Conclusie

De rechtbank kan onder deze omstandigheden niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen wat er zich heeft afgespeeld tussen de aangeefster en de verdachte op de betreffende avond. De rechtbank zal, op grond van het voorgaande, de verdachte vrijspreken van feit 2.

3.4.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018203624, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 93) en het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018115793-1, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 94 t/m 128).

1. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden met [slachtoffer 1] , opgemaakt op 29 juli 2018, voor zover inhoudende (p. 57 en 58):

Tussen 28 juli 2018 om 03:00 uur en zaterdag 28 juli 2018 03:30 uur in Delft trok

hij (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) haar slaapzak met kracht naar beneden, zodat ze (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) uit de slaapzak kwam en haar broek en onderbroek daardoor ook naar beneden werden getrokken. Ze lag op haar rug en hij had haar beide armen omhoog gedaan en hield beide armen vast. Hij duwde met zijn been, haar benen uit elkaar en het lukte hem zijn piemel in haar vagina te doen. Het lukte hem daarna weer om de piemel in haar vagina te doen. Ze weet nog dat dat rond 03:30 uur was.

Ik zei steeds: “Nee dat wil ik niet” Ik heb gezegd: “Ik wil dit niet, hou op, serieus”.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 juli 2018, voor zover inhoudende (p. 83 en 84):

Op 28 juli 2018 hoorde ik [slachtoffer 1] te 04:43 uur op de locatie in Delft verklaren:

  • -

    Dat zij in de kamer ook weer meerdere malen had aangegeven niet meer te willen dan zoenen en knuffelen;

  • -

    Dat [verdachte] haar onderbroekje uit kreeg;

  • -

    Dat zij hem wederom mondeling aangaf dit niet te willen en hem weer weg begon te duwen;

  • -

    Dat [verdachte] tot 2 maal toe met zijn geslachtsdeel in haar geslachtdeel kort binnen is gedrongen.’

3. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , opgemaakt op 28 juli 2018, voor zover inhoudende (p. 62 en 63):

‘Ik denk rond 3:30 uur. Ik zag dat ze (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) in paniek was. Ze ademde heftig en ze had een geschrokken gezicht. Ze had een slaapzak om zich heen gewikkeld. Dat zij samen sliepen. Dat hij (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) handelingen had uitgevoerd die zij niet wilde.

Hij heeft wel echt een paar keer gezegd dat zij had gezegd: “blijf van mij af”.

4. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] , opgemaakt op 28 juli 2018, voor zover inhoudende (p. 68 en 69);

‘Ik werd wakker gemaakt om ongeveer 3:30 uur. Ik vroeg wat er was gebeurd en ze (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) zei dat ze met hem aan het zoenen was. Op een gegeven moment, wilde hij wat meer en lag boven op haar. Zij had een ontbloot bovenlijf en hij zat ook aan haar borsten. Hij wilde seks, zei ze dat hij moest stoppen en dat ze het niet wilde en dat hij van haar af moest gaan. Dat deed hij niet en toen is hij bij haar binnengedrongen. Ze heeft in ieder geval duidelijk gemaakt dat hij met zijn penis bij haar naar binnen was gegaan. Ze had echt meerdere malen “stop” gezegd. Er was toen een worsteling ontstaan, omdat ze weg wilde. Ik vroeg aan haar of hij nou echt seks met haar heeft gehad en toen zei [slachtoffer 1] “ja”. Ze was zichtbaar aangedaan. Ik zag verdriet en onmacht en haar stem klonk emotioneel.’

5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 november 2020, voor zover inhoudende:

‘Zij koos de kamer uit om daar samen te slapen. Ze had ook een matje neergelegd. Ik zat op haar. Ik heb haar kleding uit getrokken. We zaten aan elkaar, we zoenden en we knuffelden. Toen zei zij ineens drie keer achter elkaar “blijf van mij af”. Ze heeft toen een handdoek gepakt en is de kamer uit gegaan.’

3.5.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van voldoende wettig bewijs om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde verkrachting van [slachtoffer 1] te komen. Dat is het geval indien haar verklaring van voldoende steunbewijs is voorzien. Er mag in dat geval geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband tussen het overige gebruikte bewijsmateriaal en de betreffende verklaring. De Hoge Raad oordeelt meer algemeen in zedenzaken waarin geen direct steunbewijs is voor het misbruik, dat waarnemingen van (emotioneel) gedrag van een aangever/aangeefster dat wordt toegeschreven aan het misdrijf die direct, of kort, na het misdrijf worden gedaan, in beginsel niet in een te ver verwijderd verband staan tot het overige bewijs om de vereiste steun aan de verklaring van de aangever/aangeefster te bieden.

Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] in voldoende mate wordt ondersteund door de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] . De rechtbank acht het daarbij in het bijzonder van belang dat [slachtoffer 1] direct na het voorval naar collega’s is gegaan, met een slaapzak nog om haar heen gewikkeld, om te vertellen wat er was voorgevallen. Meteen vertelde zij aan [getuige 2] dat zij was verkracht door de verdachte. Dat aan hen niet in detail is verteld wat er wanneer en in welke volgorde heeft plaatsgevonden, is niet van belang nu wel blijkt van de kern van het verwijt. Voorts hebben zowel getuige [getuige 2] als getuige [getuige 1] daarbij waargenomen dat het slachtoffer in een heftige emotionele toestand verkeerde, die past bij de door [slachtoffer 1] beschreven gebeurtenis kort daarvoor met de verdachte.

Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat het slachtoffer uit het niets opgesprongen is terwijl zij “houd op’’ zei en weggerend is, zonder dat zij daarvoor heeft aangegeven dat zij wilde stoppen met de seksuele handelingen. Dit acht de rechtbank op grond van al het voorgaande niet aannemelijk.

De rechtbank heeft gelet op het voorgaande geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [slachtoffer 1] en acht die betrouwbaar. De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.

3.6.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

hij op 28 juli 2018 te Delft, door geweld, te weten

- het naar beneden trekken van de slaapzak waar [slachtoffer 1] in lag en

- het naar beneden trekken van de broek en onderbroek van [slachtoffer 1] en

- het vasthouden van de armen van [slachtoffer 1] en

- het met zijn, verdachte’s, been uit elkaar duwen van de benen van [slachtoffer 1]

die [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van meer handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers heeft verdachte meermalen zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, uitgaande van een bewezenverklaring van beide feiten, gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met bijzondere voorwaarden, zoals vermeld in het reclasseringsrapport d.d. 27 maart 2018.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat kan worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest met een voorwaardelijk strafdeel met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, nu [slachtoffer 1] eerder heeft verklaard dat zij geen strafoplegging wenst.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkrachting van [slachtoffer 1] , een collega op het jeugdkamp waar zij beiden leiding gaven. Hoewel de beginfase van het intieme contact tussen de verdachte en het slachtoffer met wederzijdse instemming was, heeft de verdachte geen gehoor gegeven aan het slachtoffer toen zij meermalen aangaf niet verder te willen gaan met het seksuele contact. De verdachte is zelfs zo ver gegaan, dat hij haar gedwongen heeft tot seks, bestaande uit het penetreren van haar vagina met zijn penis. Met zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Verkrachting is een zeer ernstig feit, dat bij het slachtoffer naast pijn en angst ook grote en langdurige psychische problemen kan veroorzaken.

De verdachte heeft ook ter zitting niet laten blijken dat hij het laakbare van zijn gedrag inziet. De rechtbank rekent de verdachte dit zwaar aan.

Strafblad

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van de verdachte d.d. 20 oktober 2020. Hieruit is gebleken dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van een reclasseringsadvies over de verdachte d.d.
27 september 2018. De reclassering vindt het bij een veroordeling van belang dat meer zicht komt op de relatievorming en seksualiteitsbeleving van de verdachte en dat hij leert hoe hier op een adequate manier mee om te gaan. De reclassering adviseert in dat geval het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, contactverbod ten overstaande van de slachtoffers, meewerken aan het convenant tussen reclassering en politie, inzicht verschaffen op de voortgang van de behandeling en toestemming verlenen aan de reclassering om relevante referenten te raadplegen en openheid geven over partnerrelaties.

Nu de conclusies en adviezen van de reclassering gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, legt de rechtbank die conclusies mede aan haar oordeel over de straftoemeting ten grondslag. De rechtbank zal dan ook de geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen.

Redelijke termijn

Verdachte is voor het bewezenverklaarde onder feit 1 1 op 28 juli 2018 in verzekering gesteld. Daarmee is de redelijke termijn aangevangen. De behandeling in eerste aanleg is vervolgens niet binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn met een eindvonnis afgerond, terwijl niet van bijzondere omstandigheden is gebleken die deze overschrijding rechtvaardigen. De rechtbank zal de overschrijding van de redelijke termijn in straf verminderende zin betrekken in haar vaststelling van de op te leggen straf.

Strafmodaliteit en strafmaat

De rechtbank zal, reeds vanwege de vrijspraak voor feit 2, de eis van de officier van justitie niet volgen. De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, enkel een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De ernst van het bewezenverklaarde gebiedt de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan die van het reeds ondergane voorarrest; de verdachte zal derhalve nog een vrijheidsstraf moeten ondergaan. Daarnaast acht de rechtbank de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden, als stok achter de deur voor de verdachte.

7 De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.520,51, te vermeerderen met de wettelijke rente alsmede met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 20,51 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade.

7.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente alsmede de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel omdat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu de verdachte vrijgesproken moet worden van het tenlastegelegde feit.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte van het ten laste gelegde feit waaruit de schade rechtstreeks zou voortvloeien wordt vrijgesproken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij wordt veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 14d en 242 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.66 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

verkrachting;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 12 (twaalf) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich meldt bij Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht;

- meewerkt aan een intake en – indien geïndiceerd – een hieruit voorkomende behandeling bij I-Psy of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig acht. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt met [slachtoffer 1] , [geboortedatum 2] 2000, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

- meewerkt aan het convenant tussen reclassering en politie, dat onder meer inhoudt dat hij door de wijkagent bezocht kan worden in zijn huis of omgeving;

- de reclassering zicht verschaft op de voortgang van zijn behandeling en begeleiding en de reclassering toestemming verleent om relevante referenten te raadplegen en contact te onderhouden met personen en instanties die deel uitmaken van zijn netwerk;

- openheid geeft over het aangaan en onderhouden van (partner)relaties en toestemming verleent tot contactopname met een eventuele partner;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, en begroot deze op nihil.