Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12257

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-09-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4756 en AWB - 20_5472
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aanvraag om een urgentieverklaring. Aanvraag op goede gronde niet-inhoudelijk getoetst, nu zich algemene afwijzingsgronden voordoen. Beroep ongegrond en verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 20/4756 en SGR 20/5472

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 september 2020 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.S. Jordan),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Tjon Man Tsoi).

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 3 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker, overeenkomst het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (de Adviescommissie) van 29 juni 2020, ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2020 via Skype.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is de echtgenote van verzoeker verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. Het juridische kader is opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

3.1.

Verzoeker woont met zijn parter en hun dochter aan de [adres] [huisnummer] in [woonplaats] . Verweerder heeft op 27 maart 2019 op medische gronden aan verzoeker een voorrangsverklaring verleend. Deze voorrangsverklaring gold voor de volgende woontypen: een portiekwoning of flat zonder lift, te bereiken met maximaal acht treden (zoals opgenomen in het medisch advies), een flat met lift en een benedenwoning. Verzoeker heeft geen bezwaar gemaakt tegen de voorrangsverklaring.

Op 21 juni 2019 heeft verzoeker gevraagd om verlenging van de voorrangsverklaring. Bij besluit van 25 oktober 2019 heeft verweerder geweigerd de voorrrangsverklaring te verlengen, omdat verzoeker de voorrangsverklaring niet adequaat heeft benut. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard. Tegen het besluit heeft verzoeker geen beroep ingesteld.

3.2.

Op 7 november 2019 heeft verzoeker opnieuw een aanvraag om een urgentieverklaring ingediend. Bij zijn aanvraag heeft verzoeker naar voren gebracht dat hij sinds 2014 een dubbele hernia heeft en daarvan veel pijnklachten heeft. Verzoeker is geopereerd en heeft epidurale corticosteroïd injecties gekregen ter verlichting van de zenuwpijn, maar dat heeft niet geholpen. Aan een tweede operatie zijn te veel risico’s verbonden. Dit beangstigt verzoeker en veroorzaakt spanningen en stress waardoor hij in een depressie raakt. De huidige woning is een portiekwoning op de derde (lees: vierde) etage. Het traplopen gaat zeer moeizaam en verzoeker is niet in staat om de trappen te lopen om de woning te bereiken. Elke ondernomen activiteit zorgt voor veel pijn en spanningen. Daarom onderneemt verzoeker nauwelijks tot geen activiteiten buitenshuis. Hij raakt hiervoor geïsoleerd. Verzoeker is afhankelijk van zijn partner voor ondersteuning en begeleiding. Hij hoopt een passende woning om zelfstandig activiteiten te ondernemen en zijn leven geleidelijk aan op te pakken.

3.3.

Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit afgewezen op de grond dat de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan verzoeker verleende vergunning is vervallen of ingetrokken en omdat verzoeker niet eerst direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden zelf aantoonbaar heeft gereageerd op het beschikbare woningaanbod.Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet optimaal gebruik heeft gemaakt van zijn voorrangsverklaring in de periode van 26 maart 2019 tot 26 juni 2019. Verzoeker heeft geen passende woonruimte geaccepteerd. Volgens verweerder had verzoeker zijn woonprobleem kunnen oplossen door actief en passend te reageren op het woningaanbod. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat verzoeker niet tenminste twee keer per week heeft gereageerd op het woningaanbod in de periode van drie maanden direct voorafgaand aan de aanvraag.

Verweerder heeft geen aanleiding gezien de hardheidsclausule toe te passen.

3.4.

Tegen dit primaire besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

3.5.

Op 16 juni 2020 heeft de Adviescommissie een hoorzitting gehouden. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn niet op de hoorzitting verschenen. Op 29 juni 2020 heeft de Adviescommissie verweerder geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.

3.6.

Verweerder heeft het advies van de Adviescommissie overgenomen en het bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit. Verweerder heeft het vertrouwensbeginsel geschaad door de aanvraag af te wijzen, terwijl hij naar aanleiding van het advies van de Adviescommissie een nieuwe aanvraag heeft ingediend en hij er op vertrouwde dat de aanvraag inhoudelijk zou worden behandeld.

Verder heeft hij wellicht onvoldoende gereageerd, maar dit kan hem niet worden tegengeworpen omdat zijn gezondheidstoestand is verslechterd. Daardoor was het zoekprofiel niet meer passend en daarmee achterhaald. Hij heeft namelijk baat bij het verkrijgen van een woning in de gemeente Den Haag, aangezien hij een sterke binding heeft met [plaats] , zijn familie en vrienden wonen in [plaats] , zijn vrouw (zijn mantelzorger) in [plaats] werkzaam is, zijn dochter in [plaats] op school zit en zijn behandelaren (artsen, psycholoog en maatschappeijk werker) in [plaats] gevestigd zijn. Omdat het woningaanbod in [plaats] schaars is heeft verzoeker niet op voldoende woningen kunnen reageren. Hem kan dan ook geen verwijt worden gemaakt van het voortduren van zijn woonproblematiek. Hij heeft voldoende gedaan om het probleem zelf op te lossen. Hij heeft ook in de particuliere woningsector gezocht naar een passende woning die binnen zijn budget valt. Hem kan ook geen verwijt worden gemaakt dat hij niet in bezwaar is gekomen tegen het zoekprofiel van de aan hem verleende voorrangsverklaring, omdat zijn medische situatie pas na de toekenning van het zoekprofiel is verslechterd. Verweerder had het zoekprofiel ambtshalve moeten beperken tot de gemeente Den Haag.

Gelet hierop had verweerder niet de algemene weigeringsgronden mogen tegenwerpen, maar het bezwaar inhoudelijk moeten behandelen en alle relevante feiten en omstandigheden in zijn besluit moeten betrekken.

Het is maatschappelijk onaanvaardbaar dat hij, gelet op zijn leeftijd en medische situatie, niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Hij voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een urgentieverklaring. En anders valt hij onder de hardheidsclausule. De situatie is schrijnend.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder bij de aan hem verleende bevoegdheid tot het toekennen van een urgentieverklaring beoordelingsruimte en beleidsvrijheid toekomt. Dit leidt ertoe dat de voorzieningenrechter het bestreden besluit terughoudend moet toetsen.

5.2.

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.

In het advies van de Adviescommissie van 23 oktober 2019, dat verweerder in zijn besluit van 24 oktober 2019 heeft overgenomen, is het volgende overwogen: “Bezwaarmaker brengt naar voren dat zowel zijn rugklachten als zijn psychische klachten zijn toegenomen. Zoals gezegd worden het zoekprofiel en het zoekgebied niet opnieuw beoordeeld in het kader van een verzoek om verlenging. Hier is de verleende voorrangsverklaring maatgevend. Het bezwaar is dus kennelijk ongegrond. Gewijzigde feiten en omstandigheden kunnen wel een reden zijn om opnieuw een voorrangsverklaring aan te vragen.”

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan verzoeker aan deze overweging niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat het indienen van een nieuwe aanvraag er toe zou leiden dat verweerder de aanvraag niet eerst zou toetsen aan artikel 4:5 van de Huisvestingsveronderning Den Haag 2019 (de Huisvestingsverordening) en de aanvraag direct ter beoordeling zou voorleggen aan een GGD-arts. Een dergelijke manier van toetsen zou haaks staan op de geldende regelgeving. Uit de geldende regelgeving volgt immers dat een aanvraag om een urgentieverklaring op medische gronden niet inhoudelijk kan worden beoordeeld als sprake is van één van de weigeringsgronden als genoemd in artikel 4:5 van de Huisvestingsverordening. Verweerder is gehouden een aanvraag af te wijzen, indien sprake is van één van deze weigeringsgronden, tenzij er sprake is van een zeer incidenteel noodgeval.

5.3.

De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat verzoeker de aanvraag heeft ingediend binnen twee jaar nadat de eerder aan hem verleende urgentieverklaring is vervallen en dat hij niet direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden zelf aantoonbaar actief heeft gereageerd op het beschikbare woningaanbod in de regio.

5.4.

Verweerder heeft daarom op goede gronden de aanvraag niet inhoudelijk getoetst aan artikel 4:7 van de Huisvestingsverordening. Voor zover verzoeker betoogt dat hij behoort tot de urgentiecategorie "sociaal of medische urgentie", als bedoeld in artikel 4:7, eerste lid, van de Huisvestingsverordening, leidt dat niet tot het gewenste doel. Uit artikel 4:7, eerste lid, van de Huisvestingsverordening volgt dat een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in artikel 4:5 genoemde afwijzingsgronden voordoen. Zoals hiervoor onder 5.3 is vastgeteld, doen zich afwijzingsgronden voor als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, van de Huisvestingsverordening en komt verzoeker om die reden al niet voor een urgentieverklaring in aanmerking. Daarom behoeft hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ten aanzien van zijn medische en sociale situatie in deze procedure geen bespreking.

5.5.

Het betoog van verzoeker dat hem niet verweten kan worden dat hij onvoldoende op het woningaanbod heeft gereageerd omdat het zoekprofiel niet meer passend was, volgt de voorzieningenrechter niet. Net als verzoekers betoog dat hij niet tijdig bezwaar heeft kunnen maken omdat zijn gezondheidsituatie na het verstrijken van de bezwaartermijn is verslechterd. De onderbouwing die verzoeker heeft gegeven ziet niet alleen op zijn gezondheid, maar ook op omstandigheden waarom hij in Den Haag wil blijven wonen. Die omstandigheden zijn niet anders dan op het moment van verlening van de voorrangsverklaring. Het lag dan ook op zijn weg om vanwege die reden bezwaar te maken tegen het zoekprofiel en dat heeft verzoeker niet gedaan.

5.6.

Het al dan niet toepassen van een hardheidsclausule is een discretionaire bevoegdheid, die de rechter alleen terughoudend kan toetsen. Gelet op de aard van een urgentieverklaring voert verweerder een zeer terughoudend beleid ten aanzien van het gebruik van de hardheidsclausule, omdat bij ruime toepassing een urgentieverklaring immers zijn betekenis verliest. Hierbij heeft verweerder in redelijkheid kunnen betrekken dat er een grote schaarste is aan goedkope huurwoningen in de regio Haaglanden. Er zijn meer woningzoekenden dan woningen wat betekent dat het heel moeilijk is voor een woningzoekende om aan een woning te komen. Voor iedere persoon aan wie verweerder een urgentieverklaring verleend, moet een andere woningzoekende zonder urgentieverklaring langer wachten op een woning. Hoewel niet valt te ontkennen dat verzoeker in een lastige en onwenselijke situatie verkeert, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze niet dusdanig uitzonderlijk is, dat hij op grond van de hardheidsclausule voorrang op andere woningzoekenden zou moeten krijgen. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid van zijn discretionaire bevoegdheid om de hardheidsclausule toe te passen, kunnen afzien.

6. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Huisvestingsverordening Den Haag 2019

Artikel 4:5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring

Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:

[…];

h. de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager of een lid van zijn huishouden verleende urgentieverklaring is vervallen of ingetrokken met toepassing van artikel 4:8 of artikel 4:9;

[…];

m. de aanvrager heeft niet eerst direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden zelf aantoonbaar gereageerd op het beschikbare woningaanbod, tenzij de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6;

[…].

Artikel 4:7 Overige urgentiecategorieën

1. Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in artikel 4:5 genoemde omstandigheden voordoet en indien een woonsituatie binnen de gemeente naar het oordeel van burgemeester en wethouders door sociale of medische omstandigheden zodanig is verstoord dat:

a. levensgevaar voor één of meer leden van het huishouden dreigt; of

b. één of meer leden van het huishouden zodanig geestelijk, emotioneel of lichamelijk belast is, dat volledige ontwrichting van het huishouden optreedt en de leden zelf niet in staat zijn dit op te lossen.

[…].

Artikel 7:3 Hardheidsclausule

Burgemeester en wethouders kunnen een artikel of artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing ervan gelet op het belang van de bestrijding van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.

Beleidsregels Urgentieverklaringen Den Haag 2019

Artikel 2.1.8 Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder h, van de verordening

Een woningzoekende kan niet in een urgentiecategorie worden ingedeeld, wanneer de aanvraag binnen

twee jaar nadat een eerder aan de aanvrager of een lid van diens huishouden verstrekte

urgentieverklaring is vervallen of ingetrokken met de toepassing van artikel 4:8 of 4:9 van de verordening.

Dit betekent onder andere:

a. dat het huishouden van de aanvrager een urgentieverklaring heeft toegewezen gekregen en daarmee in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag een woning heeft geaccepteerd;

b. dat het huishouden van de aanvrager tot twee jaar voorafgaand aan de aanvraag een

urgentieverklaring heeft toegewezen gekregen, maar toen geen passende woonruimte heeft

geaccepteerd;

c. dat een aan het huishouden van de aanvrager toegewezen urgentieverklaring in de afgelopen twee jaar voorafgaand aan de aanvraag is ingetrokken.

Artikel 2.1.13 Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder m, van de verordening

Een woningzoekende kan niet in een urgentiecategorie worden ingedeeld, indien de aanvrager niet eerst zelf, direct voorafgaand aan de aanvraag, gedurende minstens drie maanden aantoonbaar heeft gereageerd op beschikbaar en passend woningaanbod, met uitzondering van een aanvraag die wordt gedaan op grond van artikel 4:6 van de verordening (mantelzorg en blijf-van-mijn-lijf-huis). De aanvrager heeft niet optimaal gereageerd op het beschikbare woningaanbod op woonnet-haaglanden, indien:

a. de woningzoekende niet tenminste twee keer per week heeft gereageerd;

b. de woningzoekende veelvuldig of uitsluitend op eengezinswoningen reageert;

c. de woningzoekende, zonder legitieme noodzaak, veelvuldig of uitsluitend reageert binnen een beperkter zoekgebied dan de hele regio Haaglanden.