Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12213

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
04-01-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1011
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag accijns. Verweerder maakt niet aannemelijk dat eiser betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van de goederen en dus belastingplichtig is. De naheffingsaanslag wordt daarom vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-01-2021
NTFR 2021/278
FutD 2021-0109
DouaneUpdate 2021-0073
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 20/1011

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.A. Caljé),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag accijns (de naheffingsaanslag) opgelegd van € 297.750. Daarbij heeft verweerder bij beschikking € 16.144 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 december 2019 de naheffingsaanslag en de rentebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2020.

Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] .

Overwegingen

Feiten

1. Op 12 december 2017 is door medewerkers van het politiedistrict Rijnmond Oost een inval gedaan in een pand aan de [straat] [huisnummer 1] te [plaats 1] . In het pand werd een hoeveelheid tabak aangetroffen. Hierop is de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) ingeschakeld. De FIOD heeft in het pand een forensisch onderzoek verricht. Bij doorzoeking van het pand zijn onder meer aangetroffen 27 dozen met stukken van (gedeeltelijk) gestripte tabaksbladeren, in totaal 3000 kilo en met versneden tabak gevulde builtjes, zowel open builtjes als dichtgeplakte builtjes (de goederen). De aangetroffen tabaksbladeren en buidels met shag zijn in beslag genomen. Op 13 juni 2018 zijn monsters van de in beslag genomen tabaksbladeren en shag genomen. Deze monsters zijn op 14 juni 2018 overgebracht naar het Douanelaboratorium in Amsterdam.

2. Op 3 juli 2018 heeft het Douane Laboratorium aan de FIOD gerapporteerd dat de tabaksbladeren en de versneden tabak onder andere nicotine, neophytadiene en propaandiol bevatten en de microscopische kenmerken van tabak hebben. De tabaksbladeren zijn na versnijding rookbaar, de versneden tabak is zonder bewerking rookbaar.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat het pand aan de [straat] [huisnummer 1] in [plaats 1] geen accijnsgoederenplaats is en dat over de tabaksbladeren geen accijns zijn voldaan.

4. De naheffingsaanslag betreft de over de aangetroffen hoeveelheid tabaksbladeren, 3000 kilo, verschuldigde tabaksaccijns.

Geschil
5. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend en verweerder bevestigend.

6. Verweerder stelt dat eiser accijnsgoederen voor handen heeft gehad of betrokken was bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen, zonder dat de voor die goederen verschuldigde accijns is voldaan.

7. Eiser stelt dat hij geen belastingplichtige is omdat hij de tabaksbladeren niet voorhanden heeft gehad of betrokken was bij het voorhanden hebben van die bladeren en dat geen sprake is geweest van een belastbaar feit omdat de tabaksbladeren geen accijnsgoed in de zin van artikel 1 van de Wet op de Accijns (de Wet) zijn, nu de bladeren ruwe grondstof voor tabak zijn en geen als tabak verhandelbare goederen.

Beoordeling van het geschil

8. Op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet wordt de accijns verschuldigd ter zake van de uitslag tot verbruik van accijnsgoederen. Artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet bepaalt dat onder uitslag tot verbruik mede wordt verstaan het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht en de nationale wetgeving. Indien deze bepaling van toepassing is, wordt op grond van artikel 51, eerste lid, onder b, van de Wet de accijns geheven van de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en enig ander persoon die bij het voorhanden hebben ervan is betrokken.

9. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (MvT) dat heeft geleid tot invoering van artikel 51, eerste lid, onder b, van de Wet (Kamerstukken II 2008/09, 32 031, nr. 3, p. 8 en p. 23) is onder meer het volgende vermeld:

“De in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde voorwaarden voor toepassing van artikel 2f, zoals de feitelijke beschikkingsmacht en het wetenschapsvereiste, zijn voor de toepassing van het nieuwe artikel 2, eerste lid, onderdeel b, niet meer van belang. Ter zake van het in deze bepaling bedoelde ‘voorhanden hebben’ wijst de Accijnsrichtlijn 2008 (artikel 8, eerste lid, onderdeel b) als belastingplichtige aan ‘de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of enig ander persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is’. Dit betekent dat ook een persoon, die niet de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft, maar wel betrokken is bij het voorhanden hebben van die goederen, als belastingplichtige kan worden aangemerkt.”

(…)

“De Accijnsrichtlijn 2008 vereist voorts niet dat degene die accijnsgoederen voorhanden heeft wetenschap droeg of redelijkerwijs had moeten dragen van het feit dat de goederen niet conform de wettelijke bepalingen in de heffing zijn betrokken (wetenschapsvereiste).”

10. Ter onderbouwing van de stelling dat eiser betrokken was bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen, heeft verweerder (een gedeelte van) het overzichtsprocesverbaal inzake het materieel onderzoek Vestavia Hills van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) overgelegd (het proces-verbaal).

De rechtbank heeft op basis van het proces-verbaal het volgende vastgesteld.

De goederen zijn aangetroffen in een door een medeverdachte van eiser (de medeverdachte) gehuurde ruimte. Eiser kent de medeverdachte en ook andere medeverdachten persoonlijk en heeft met de medeverdachten telefonisch contact gehad en is in hun aanwezigheid geweest.

Bij doorzoeking van eisers woning zijn documenten aangetroffen, die betrekking hebben op de voor het opzetten van een tabaksfabriek benodigde machines, grondstoffen en ander materiaal, alsmede berekeningen van kosten en opbrengsten.

Tevens is bij eiser aangetroffen een oppasovereenkomst voor het object [weg 1] [huisnummer 2] te [plaats 2] , plaatselijk ook bekend als de [objectnaam] . Eiser is door de huurder van een loods aan de [weg 1] [huisnummer 3] te [plaats 2] (dit is een ander gebouw dan de [objectnaam] ) bij die loods aangetroffen en heeft volgens de huurder gezegd dat hij van een derde persoon toestemming had gekregen om de loods te gebruiken. Het proces-verbaal bevat op 21 november 2017 in de loods genomen foto’s. Deze foto’s zouden zijn gemaakt tijdens een inspectie. Uit het proces-verbaal kan niet worden afgeleid wie deze inspectie heeft uitgevoerd, of uit hoofde van welke bevoegdheid deze werd uitgevoerd. Op de foto’s is te zien dat in de loods kartonnen dozen staan en dat één van deze dozen op een pompwagen staat.

In de ruimte aan de [straat] [huisnummer 1] te [plaats 1] zijn stapels lege dozen, een grote kartonnen doos en een pompwagen aangetroffen.

Op 5 december 2017 zijn op naam van een B.V., waarvan de medeverdachte de DGA is, bij een autoverhuurbedrijf twee Volkswagens Crafter en een Volkswagenbusje gehuurd. Eiser was aanwezig toen de huurovereenkomst werd getekend en de auto’s werden opgehaald. Eiser heeft bij die gelegenheid op een tablet een handtekening gezet.

De medeverdachte heeft met de gebruiker van het perceel [weg 2] [huisnummer 4] te ’ [plaats 3] afgesproken dat het perceel gebruikt kon worden voor het overladen van goederen. Op 6 december 2017 is bij dit perceel een vrachtwagen met een [buitenlands] kenteken gearriveerd. Op dat moment stonden de op 5 december 2017 gehuurde Crafters op dit perceel. De lading uit de vrachtwagen was verpakt in grote kartonnen dozen. De dozen zijn overgeladen in de Crafters. De vrachtwagen is vertrokken en de Crafters zijn tot 10 december 2017 op het perceel aan de [weg 2] [huisnummer 4] te ’ [plaats 3] blijven staan. De gebruiker van het perceel heeft tegenover de FIOD verklaard dat er volgens hem tabak in de dozen zat. Uit de GPS-gegevens van de Crafters blijkt dat deze op 10 december 2017 van de [weg 2] [huisnummer 4] te ’ [plaats 3] naar de [straat] in [plaats 1] zijn gereden en, na enige tijd te hebben stilgestaan, van het laatst genoemde adres naar de [weg 1] in [plaats 2] en na weer enige tijd stilstand weer terug naar [plaats 1] zijn gereden. De Crafters zijn op 11 december 2017 weer bij het verhuurbedrijf ingeleverd. Het Volkswagenbusje is bij de inval op 12 december 2017 aangetroffen in de loods aan de [straat] [huisnummer 1] te [plaats 1] .

Uit de gps-gegevens van een telefoon van eiser blijkt dat hij op 9 december 2017 in de omgeving van de [weg 1] in [plaats 2] was en op 10 december 2017 in de omgeving van de [straat] in [plaats 1] .

Het proces-verbaal bevat een overzicht van de financiële situatie van eiser.

Het proces-verbaal vermeldt tenslotte het volgende: “Op 13 maart 2018 werd door het NFI een 1e rapport onderzoek naar de dactyloscopische sporen opgemaakt. In dat rapport is te lezen, dat op 13 maart 2019 door de FIOD duct tape was aangeleverd om te onderzoeken of op deze duct tape dactyloscopische sporen aanwezig zijn. (…) [nummer onderzoeksmateriaal] De duct tape werd aangetroffen op een beveiligingscamera, die boven in de hoek was geplaatst in de loods aan de [straat] [huisnummer 1] te [plaats 1] . (…) [foto’s]

Door het NFI werd op 02 mei 2018 een tweede rapport opgemaakt.

In dit rapport wordt het onderzoek beschreven met betrekking tot de aanwezigheid van humane biologische sporen en DNA op drie over elkaar geplakte stroken tape, (…) [nummer onderzoeksmateriaal]. Tijdens dit onderzoek werd vastgesteld, dat op de stroken tape dactyloscopische sporen aanwezig waren en dat het een DNA-profiel is van een man, dat afkomstig kan zijn van verdachte [naam] (rb:eiser).

(…)

Op 18 april 2018 werd door TMFI een rapport Forensisch DNA-onderzoek opgemaakt. Op pagina 3 van het rapport staat vermeld, dat er een match werd gevonden met het DNA-profiel afkomstig van verdachte [naam] (rb:eiser). Op de bijlage, die bij dit rapport werd gevoegd, wordt verwezen naar NFI-zaaknummer [nummer] en betreft het onderzoek aan de duct tape, onderzoeksmateriaal [nummer].”

11. De rechtbank is van oordeel dat met de in het proces-verbaal vastgelegde bevindingen niet is komen vast te staan dat eiser betrokken was bij het voorhanden hebben van de op 12 december 2017 aangetroffen goederen. Dat eiser een persoonlijk bekende was van medeverdachten, van wie (de betrokkenheid bij) het voorhanden hebben van de goederen op basis van het proces-verbaal wellicht wel kan worden vastgesteld, en in de periode voorafgaand aan 12 december 2017 (telefonisch) contact met hen heeft gehad, is hiertoe niet voldoende. De in het proces-verbaal opgenomen verslagen van afgeluisterde gesprekken bevatten geen informatie op basis waarvan betrokkenheid van eiser bij het voorhanden hebben van de goederen kan worden vastgesteld.

Dat in de woning van eiser documenten zijn aangetroffen, waaruit blijkt dat eiser informatie heeft ingewonnen over het opzetten van een tabaksfabriek en exploitatieberekeningen heeft gemaakt, maakt dit niet anders. Het proces-verbaal bevat geen informatie op basis waarvan kan worden geoordeeld dat eiser daadwerkelijk, al dan niet ter realisering van bij hem bestaande plannen, een rol heeft gespeeld bij het voorhanden zijn van de goederen. Het proces-verbaal bevat geen informatie over de herkomst van de goederen, de eigendom of de financiering daarvan. Dat eiser op basis van zijn financiële situatie in staat was tot de aanschaf van de goederen, wil nog niet zeggen dat hij ook daartoe over is gegaan. Voor zover ervan uit moet worden gegaan dat de goederen, die op 6 december 2017 in ’ [plaats 3] zijn overgeladen en vervolgens naar [plaats 1] zijn gebracht, ook de in [plaats 1] aangetroffen goederen zijn, zijn in het proces-verbaal geen feiten aangetroffen op basis waarvan de betrokkenheid van eiser bij die overslag kan worden vastgesteld. Er zijn geen verklaringen over de aanwezigheid van eiser bij deze activiteiten; de verklaring waaruit volgt dat de sleutels van de Crafters zijn overgedragen aan een persoon die eiser zou kunnen zijn, is hiertoe niet voldoende.

Op basis van de foto’s in het proces-verbaal kan niet worden vastgesteld dat de in de ruimte aan de [straat] [huisnummer 1] te [plaats 1] aangetroffen kartonnen dozen en de pompmachine dezelfde zijn als de op 21 november 2017 in de loods aan de [weg 1] in [plaats 2] gefotografeerde dozen en pompmachine.

Uit hetgeen in het proces-verbaal is opgenomen over het onderzoek door NFI naar de aangetroffen DNA-sporen op de duct tape gebruikt bij de camera op het adres [straat] [huisnummer 1] te [plaats 1] , volgt niet dat het DNA van eiser daarop is aangetroffen; onduidelijk is welke tests zijn uitgevoerd en er is DNA aangetroffen, waarvan niet kan worden uitgesloten dat het van eiser afkomstig is, het NFI heeft niet vastgesteld dat het gaat om DNA sporen van eiser. Het is de rechtbank niet duidelijk of TMFI een eigen onderzoek heeft uitgevoerd en zo ja, wat het resultaat van dit onderzoek is, maar voor zover door TMFI is vastgesteld dat de op de duct tape aangetroffen sporen eenduidig van eiser afkomstig zijn, kan op basis van die conclusie slechts worden vastgesteld dat de duct tape op enig moment in handen van eiser is geweest. De rechtbank kan daarom aan hetgeen in het proces-verbaal is vermeld niet de conclusie verbinden dat eiser aanwezig is geweest in het pand aan de [straat] [huisnummer 1] te [plaats 1] .

12. Het vorenstaande betekent dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van de goederen, en daarom belastingplichtig is. De naheffingsaanslag is ten onrechte aan eiser opgelegd. De rechtbank kan en zal dan ook in het midden laten of de aangetroffen goederen tot verbruik bereide tabak in de vorm van rooktabak, en daarmee met accijns belaste tabaksproducten zijn.

Het beroep is gegrond.

De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb, ook de navorderingsaanslag vernietigen.

Proceskosten

13. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, en mr. G.J. Ebbeling en

mr. H.W.M. van Kesteren, leden, in aanwezigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2020.

De griffier is verhinderd te ondertekenen

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.