Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12207

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
NL20.18328
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

identiteit, nationaliteit en herkomst is niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht, verweerder heeft kunnen uitgaan van geregistreerde meerderjarigheid in Griekenland, leeftijd is ook niet met authentieke, identificerende documenten aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.18328


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.M. Walls),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Berk).


Procesverloop
Bij besluit van 14 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.18329, plaatsgevonden op 2 november 2020. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedag] 2003 en de Libische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 17 juli 2020 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Libië is ontvlucht vanwege de oorlog aldaar en ook vanwege de mishandelingen die hij heeft ondergaan van de zijde van zijn ooms en de vrouw van zijn oom.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd.

Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1) nationaliteit, identiteit en herkomst;

2) de door eiser gestelde aanleiding om Libië te verlaten.

Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig geacht. Nu eiser zijn nationaliteit, identiteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft verweerder de door eiser gestelde aanleiding om Libië te verlaten niet beoordeeld op geloofwaardigheid.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe –samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser verwijst allereerst naar de ingediende zienswijze en verzoekt de rechtbank deze als in de gronden van beroep herhaald en ingelast te beschouwen. Voorts voert eiser aan dat ten onrechte tot meerderjarigheid is geconcludeerd en dat hij ten onrechte niet is bijgestaan door een voogd. In dit verband verwijst eiser naar een uitspraak van het Bundesverwaltungsgericht van Zwitserland van

2 juli 2020 (E-3021/2020). Gelet op hetgeen is neergelegd in de Werkinstructie 2018/19 (WI 2018/19), heeft verweerder in het voornemen niet afdoende gemotiveerd waarom wordt uitgegaan van zijn meerderjarigheid. Eiser geeft aan dat hij nog immer doende is zijn nationaliteit en identiteit te onderbouwen met Libische documenten en dat deze, indien mogelijk, in het beroepsdossier geplaatst zullen worden.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling Onze Minister heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1.

Verweerder is in het bestreden besluit uitgebreid ingegaan op de door eiser naar voren gebrachte zienswijze. Voor zover eiser in zijn beroepsgronden enkel heeft verwezen naar zijn zienswijze, gaat de rechtbank hieraan in het navolgende voorbij. Het is immers aan eiser om in zijn gronden van beroep aan te geven dat en in welke zin verweerder in zijn motivering in het bestreden besluit tekort is geschoten. De enkele verwijzing naar de zienswijze kan dan ook niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

7.2.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat van zijn meerderjarigheid dient te worden uitgegaan. In het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het relevante beleid en de WI 2018/9, uitvoerig gemotiveerd waarom de door eiser opgegeven minderjarige leeftijd niet is gevolgd. In de WI 2018/9 is neergelegd dat in beginsel iedere gestelde alleenstaande minderjarige vreemdeling die zijn minderjarigheid niet kan aantonen met bewijsmiddelen bij binnenkomst wordt geschouwd. Deze leeftijdsschouw heeft bij eiser echter niet geleid tot evidente meerder- of minderjarigheid, omdat de twee ambtenaren belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen (de AVIM) en de medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst niet unaniem waren in hun oordeel over de minderjarigheid van eiser. Dit maakt dat er twijfel bestond over de opgegeven leeftijd. Om die reden heeft verweerder verder onderzoek verricht naar de leeftijd van eiser door op grond van artikel 34 van de Dublinverordening informatie op te vragen bij Griekenland, het land waar eiser eerder asiel had gevraagd. Op 17 september 2020 hebben de Griekse autoriteiten bericht dat eiser bij hen geregistreerd staat als meerderjarige vreemdeling, geboren op 7 november 1993. Van deze in Griekenland geregistreerde meerderjarigheid mag verweerder volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals de uitspraak van 20 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:780), uitgaan.

7.3.

Nu eisers verklaringen over zijn leeftijd, gelet op het voorgaande, niet zijn gevolgd, is het aan eiser om zijn minderjarigheid aan te tonen door middel van authentieke en identificerende documenten. Eiser geeft aan dat hij in contact staat met de Libische ambassade om dergelijke documenten te verkrijgen maar heeft deze documenten tot op heden niet in de procedure overgelegd. Om die reden mag verweerder uitgaan van de in Griekenland geregistreerde geboortedatum van eiser waaruit blijkt dat hij meerderjarig is.

7.4.

Aan eiser is geen voogd toegewezen door het NIDOS, omdat verweerder uitgaat van de meerderjarigheid van eiser. Dit acht de rechtbank niet onredelijk. De verwijzing naar een uitspraak van het Bundesverwaltungsgericht van Zwitserland maakt niet dat aan eiser wel een voogd had moeten worden toegewezen. Verweerder is immers niet gebonden aan dit oordeel van de Zwitserse rechter.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.