Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12181

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
AWB 20/1839
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Visum kort verblijf - schending hoorplicht nu geen sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar - onvoldoende sociale en economische binding - beroep gegrond, rechtsgevolgen in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/1839

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer [V-nummer] , eiseres,

(gemachtigde: mr. J. Singh),

en

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Brand).

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.

Bij besluit van 19 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2020 via Skype. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Daarnaast is dhr. [referent] verschenen, referent in deze procedure. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiseres woont in Pakistan. Zij heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf omdat zij zegt haar oom [referent] (referent) voor twee weken in Nederland te willen bezoeken.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet is gebleken dat eiseres beschikt over voldoende middelen van bestaan voor tijdens het verblijf en voor de terugreis. Ook is niet gebleken dat referent hier over beschikt. Verweerder heeft dit immers niet goed kunnen beoordelen omdat referent onvoldoende stukken over zijn inkomen als zelfstandig ondernemer heeft overgelegd. Daarnaast heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat hij twijfelt of eiseres daadwerkelijk van plan is om Nederland voor een periode van uiterlijk 90 dagen te bezoeken, of dat zij zich hier voor langere tijd wil vestigen. Verweerder twijfelt hier met name aan omdat eiseres te weinig sociale en economische binding met Pakistan heeft.

Horen in bezwaar

3. Eiseres voert aan dat verweerder de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden. Verweerder heeft het bezwaar immers ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard. In het primaire besluit is de aanvraag onder meer afgewezen omdat de familieband tussen eiseres en referent niet aangetoond zou zijn. Omdat dit in het bestreden besluit niet meer werd tegengeworpen, is het volgens eiseres vreemd als er dan alsnog een kennelijk ongegrond bezwaar zou zijn. Daar komt bij dat het primaire besluit beknopt is en er in bezwaar nog veel stukken zijn overgelegd.

4. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van horen kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Volgens vaste rechtspraak vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure en kan daarvan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De rechtbank overweegt dat de aanvraag in het primaire besluit om drie redenen is afgewezen: De familieband tussen eiseres en referent was niet aangetoond, eiseres en referent zouden niet voldoende financiële middelen voor het verblijf hebben en de terugkeer van eiseres zou onvoldoende gewaarborgd zijn. In het bestreden besluit werd het ontbreken van een familieband niet meer tegengeworpen. Voor wat betreft het inkomen van referent en de studie van eiseres, waarmee zij economische binding met Pakistan probeert aan te tonen, heeft eiseres in bezwaar verschillende stukken overgelegd om dit te onderbouwen. Los van de vraag of referent bepaalde stukken over zijn inkomen niet heeft overgelegd terwijl hij dit wel had moeten doen, kan naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval gezegd worden dat verweerder met de wel overgelegde stukken al een redelijk goed beeld kan krijgen van het inkomen en het vermogen van referent. Referent heeft met deze stukken invulling gegeven aan de vragen van verweerder over wat zijn inkomen is. Ook heeft eiseres invulling gegeven aan de vraag van verweerder wat haar, naast haar familie, aan Pakistan bindt. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat er op voorhand geen twijfel mogelijk was over dat de bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. Het bezwaar was dus niet kennelijk ongegrond en verweerder had eiseres moeten horen en vragen moeten stellen over onder meer de overgelegde stukken. De beroepsgrond slaagt.

5. Wegens het onder 4 geconstateerde gebrek is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:3 van de Awb. De rechtbank zal vervolgens bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb geheel in stand kunnen blijven.

Vestigingsgevaar

6. Eiseres betoogt dat zij wel voldoende sociale en economische binding met Pakistan heeft om haar terugkeer te kunnen waarborgen. Zij woont in Pakistan bij haar vader en haar broers, waardoor er sociale binding bestaat. Zij heeft ook economische binding met Pakistan omdat zij hier een studie Software Engineering volgt. Zij zit hiervoor in het derde jaar en heeft hier al collegegeld voor betaald. Volgens eiseres zijn deze omstandigheden bij elkaar zo zwaarwegend dat een tijdige terugkeer gewaarborgd is.

7. De rechtbank overweegt dat de Visumcode verweerder verplicht een visum te weigeren als er redelijke twijfel bestaat of de vreemdeling wel echt van plan is het grondgebied van de lidstaten te verlaten voordat zijn visum is verstreken.1 Dit wordt ook wel vestigingsgevaar genoemd. Het hoeft niet zeker te zijn dat iemand zich voor langere tijd in Nederland wil vestigen; bij redelijke twijfel hierover moet verweerder het visum al afwijzen. Het is aan de vreemdeling om aan te tonen dat hij zich niet in Nederland wil vestigen.2 Verweerder moet vervolgens beoordelen of er sprake is van vestigingsgevaar, waarbij hij onder andere bekijkt of er bij eiseres is gebleken van sociale of economische binding. Verweerder heeft hierbij beoordelingsruimte. De rechtbank moet tot slot beoordelen of verweerder de Visumcode goed heeft toegepast.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen beslissen dat er sprake is van vestigingsgevaar. Verweerder heeft op goede gronden besloten dat de combinatie van de gestelde sociale en economische binding die eiseres met Pakistan heeft onvoldoende is om redelijke twijfel aan een tijdige terugkeer weg te nemen. Wat betreft de sociale binding heeft verweerder van belang mogen vinden of eiseres de zorg heeft over familieleden of anderen, of dat zij om bepaalde zwaarwegende maatschappelijke redenen aan Pakistan gebonden is. Eiseres woont bij haar vader en broers, en niet is gebleken dat zij zorgtaken heeft die haar aan het gezin bindt. Ook anderszins is geen sociale binding gebleken die terugkeer naar Pakistan impliceert. In het kader van de economische binding heeft verweerder de studie die eiseres volgt onvoldoende mogen vinden om het vestigingsgevaar weg te nemen. Over het algemeen kan een opleiding immers tijdelijk worden onderbroken en later of elders worden hervat. Ook is hierbij van belang dat het om een avondstudie gaat. De rechtbank is het met eiseres eens dat zij door de naar voren gebrachte omstandigheden wel sociale en economische binding met Pakistan heeft. Bij de beoordeling van het vestigingsgevaar gaat het echter om de vraag of deze binding zodanig sterk is dat hieruit geconcludeerd kan worden dat eiseres weer tijdig naar Pakistan terugkeert. Verweerder heeft mogen vinden dat de binding daarvoor niet sterk genoeg is.

9. Nu verweerder op goede gronden vestigingsgevaar heeft aangenomen, mocht verweerder reeds om die reden de aanvraag afwijzen. De rechtbank zal om die reden ook niet ingaan op de beroepsgrond die betrekking heeft op het middelenvereiste. De rechtbank beslist daarom dat de rechtgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

Conclusie

10. De rechtbank concludeert dat het beroep wegens schending van de hoorplicht gegrond is. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit zullen echter in stand worden gelaten, omdat verweerder aan eiseres tegen heeft mogen werpen dat een tijdige terugkeer naar het land van herkomst niet gewaarborgd is.

11. Vanwege de gegrondheid van het beroep, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indien van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Ook bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier, op 20 augustus 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Op grond van artikel 84, onder b, van de Vreemdelingenwet staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.

1 Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b van de Visumcode.

2 Artikel 14, eerste lid, aanhef en onder d van de Visumcode.