Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12178

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
09/748006-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Strafzaak MH17.

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak beslist op de verzoeken en de vorderingen die door de verdediging, het Rechtsbijstandsteam MH17 en het Openbaar Ministerie zijn gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

ZITTING HOUDENDE IN HET JUSTITIEEL COMPLEX SCHIPHOL TE BADHOEVEDORP

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/748006-19

Datum uitspraak: 25 november 2020

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, heeft de navolgende tussenuitspraak gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats],

[adres]

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 3, 4, 5, 12, 13 en 25 november 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de onderzoekswensen en reacties van de raadslieden van verdachte, de vorderingen en reacties van het Openbaar Ministerie en van de verzoeken van het Rechtsbijstandsteam MH17 (hierna: rechtsbijstandsteam).

Inleiding

In deze tussenuitspraak zal de rechtbank (uitsluitend in de zaak tegen verdachte) haar beslissingen geven naar aanleiding van onderzoekswensen die door de verdediging zijn ingediend, vorderingen van het Openbaar Ministerie en verzoeken van het rechtsbijstandsteam.

De rechtbank heeft eerder aangegeven dat hiermee de regiefase in deze strafzaak wordt afgerond. Dat betekent dat de rechtbank, op twee beslissingen na die worden aangehouden, in deze tussenbeslissing ook een ‘definitieve’ beslissing zal geven op alle tot op heden door de verdediging ingediende onderzoekswensen en door het Openbaar Ministerie ingediende vorderingen, zodat de verzoeken worden toe- of afgewezen.

De rechtbank zal hierna ingaan op het zittingsverloop tot nu toe. Vervolgens zal zij – voortbouwend op hetgeen zij daarover in de tussenuitspraak van 3 juli 2020 heeft overwogen – uiteenzetten op welke wijze de rechtbank de verzoeken zal toetsen en welke aspecten zij daarbij zal betrekken.

Daarna zullen de gemotiveerde beslissingen worden besproken.

Zittingsverloop vanaf 3 juli 2020

In haar beslissing van 3 juli 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat zij de verzoeken die de verdediging op dat moment had ingediend zal beoordelen aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium, maar zodanig dat de uitkomst daarvan niet wezenlijk zal verschillen van wat met toepassing van het verdedigingsbelang zou worden bereikt. Voor zover de rechtbank op de in juni 2020 ingediende verzoeken van de verdediging nog niet heeft beslist, zal de rechtbank conform dat criterium die verzoeken van de verdediging beoordelen.

Voor zover de verdediging op dat moment, vanwege het feit dat zij het dossier nog onvoldoende had kunnen bestuderen en vanwege het feit dat vanwege reisbeperkingen nog geen overleg had kunnen plaatsvinden met verdachte, nog niet in staat was verdere onderzoekswensen in te dienen, heeft de rechtbank beslist dat de verdediging uiterlijk vanaf 28 september 2020 de onderzoekswensen moest indienen waarvoor geen overleg met verdachte nodig was en vanaf 2 (nader bepaald op 3) november 2020 de onderzoekswensen moest indienen die wel afhankelijk waren van het overleg met verdachte.

Op 31 augustus 2020 is een volgend zittingsblok aangevangen. Daarin stond de positie van nabestaanden centraal. De verdediging heeft ter gelegenheid van die zitting de stand van zaken van de voorbereiding van de verdediging toegelicht. Daarbij is zij met name ingegaan op de (on)mogelijkheden om verdachte die in de Russische Federatie verblijft, te bezoeken.

De verdediging heeft op 28 september 2020 geen onderzoekswensen ingediend. Zij heeft wel uiteengezet dat zij inmiddels naar de Russische Federatie heeft kunnen reizen en dat zij daar met verdachte heeft gesproken. Onderzoekswensen die voorafgaand aan dat overleg in concept gereed lagen, moesten als gevolg van dat overleg worden aangevuld en/of worden aangepast, aldus de verdediging. Mede daarom zijn op 28 september 2020 geen onderzoekswensen ingediend. De verdediging heeft toen wel medegedeeld dat in het zittingsblok van november 2020 onderzoekswensen zouden worden ingediend.

Op 3, 4 en 5 november 2020 heeft de verdediging het tweede deel van de onderzoekswensen ingediend. De verdediging heeft bij die gelegenheid opgemerkt dat de omvang, complexiteit en de ontoegankelijkheid van het dossier haar veel tijd hebben gekost om het dossier te lezen en te begrijpen. Daarnaast zijn ook voor de verdediging beperkingen aan de tijd die beschikbaar is om het dossier te lezen en te werken aan de voorbereiding van de verdediging, en is veel tijd gemoeid met het organiseren van reizen naar verdachte. Daar komen dan nog de gevolgen bij van het Coronavirus, maar ook andere taken buiten deze zaak.1

Verder heeft de verdediging zich uitgelaten over de timing en de wijze van het indienen van onderzoekswensen, de reden die daarvoor in het algemeen geldt, namelijk het toetsen van de betrouwbaarheid van bewijsmiddelen, het bereik en de volledigheid van onderzoekswensen en de randvoorwaarden voor de uitvoering ervan. Wat de onderwerpen van de onderzoekswensen betreft komt dat – als de rechtbank het goed ziet – neer op het volgende, namelijk dat in juni 2020 onderzoekswensen zijn ingediend die zien op (de onvolledigheid van) het onderzoek van het Openbaar Ministerie naar alternatieve scenario’s. Volgens de verdediging kan op basis van het procesdossier niet worden uitgesloten dat MH17 is neergehaald door, bijvoorbeeld, een gevechtsvliegtuig of een andere BUK-raket of iets anders.2

De verdediging heeft bij de toelichting op de onderzoekswensen die in november 2020 zijn ingediend aangegeven dat naar de opvatting van verdachte MH17 niet is neergehaald met een BUK-raket die op instructie van hem of zijn ondergeschikten is afgevuurd. Dat maakt dat nader onderzoek naar de betrouwbaarheid van het beschikbare bewijsmateriaal in het belang van de verdediging en/of noodzakelijk is. De verdediging heeft de onderzoekswensen onderverdeeld in drie delen:

(1) is MH17 neergehaald met een BUK-raket;

(2) is de BUK-raket afgeschoten vanaf een landbouwveld nabij Pervomaiskyi;

(3) heeft verdachte daaraan deelgenomen op strafrechtelijk verwijtbare wijze?

De verdediging heeft erop gewezen dat het Openbaar Ministerie in deze zaak gedurende ruim zes jaren onderzoek heeft verricht naar de toedracht van het neerstorten van vlucht MH17 en naar de personen die bij die toedracht een al dan niet in strafrechtelijke zin verwijtbare rol hebben gespeeld. De verdediging heeft meermalen aangevoerd dat zij alleen al vanwege die lange duur en de omvang van het strafdossier, alsmede de complexiteit van de zaak, in de gelegenheid moet worden gesteld ook zelf het nodige onderzoek te mogen verrichten en dat zij hiermee net is aangevangen. Verzoeken die zij in het kader van dat onderzoek doet moeten mede daarom naar haar mening ruimhartig worden beoordeeld.

Het Openbaar Ministerie heeft op 12 en 13 november 2020 gereageerd op de verzoeken van de verdediging. Behoudens het voegen in het procesdossier van het NFI-rapport onder nummer 111 en het toewijzen van het verzoek tot het horen als getuige van medeverdachte [medeverdachte 1] heeft het Openbaar Ministerie geconcludeerd tot afwijzing van alle aangehouden verzoeken van 22 en 23 juni 2020, alsmede tot afwijzing van alle overige verzoeken gedaan op 3, 4 en 5 november 2020. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie enkele vorderingen ingediend tot het voegen van videomateriaal en transcripten van de vertolking van hetgeen in dat videomateriaal is gezegd, alsmede het doen samenstellen van een compilatie van beeldmateriaal van de verhoren van getuige M58, en een voorwaardelijk verzoek tot het mogen indienen van vragen aan verdachte. De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van de transcripten. Inzake het voegen van de video van [medeverdachte 1] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat zij zich daartegen alleen niet verzet indien het verzoek tot het horen van [medeverdachte 1] wordt toegewezen. De verdediging heeft zich verzet tegen het maken van een compilatie van het beeldmateriaal van de verhoren van getuige M58.

Ten slotte heeft het rechtsbijstandsteam verzocht om enkele met name genoemde processtukken te mogen ontvangen en om een bevel of opdracht te geven aan de nabestaanden om informatie uit de vaststellingsovereenkomst tussen Malaysia Airlines en nabestaanden te delen.

Toetsingscriterium verzoeken verdediging – relevantie

Door zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie is veel gezegd over het criterium dat de rechtbank zou moeten hanteren bij het beoordelen van de ingediende onderzoekswensen. De verdediging heeft betoogd dat alle verzoeken moeten worden beoordeeld aan de hand van het zogenoemde verdedigingsbelang. Dat zou ertoe leiden dat een verzoek alleen kan worden afgewezen indien de punten waarover een getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) te nemen beslissingen, dan wel redelijkerwijs moet worden uitgesloten dat die getuige iets over wel van belang zijnde punten zou kunnen verklaren. Het Openbaar Ministerie daarentegen heeft betoogd dat alleen die verzoeken kunnen worden toegewezen die voldoen aan het zogenoemde noodzakelijkheidscriterium. In dat geval hoeft enkel nader onderzoek te worden gedaan indien het dossier naar het oordeel van de rechtbank op specifieke relevante onderdelen onvolledig is.

De rechtbank heeft bij eerdere beslissingen onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt al uiteengezet hoe zij ingediende onderzoekswensen zal beoordelen. Hoewel het noodzakelijkheidscriterium formeel van toepassing is en door de rechtbank derhalve daaraan zal worden getoetst, zal – indien de verzoeken voldoende voortvarend zijn ingediend – de uitkomst van die toets niet wezenlijk verschillen van de situatie waarin de verzoeken aan het verdedigingsbelang zouden zijn getoetst. Gelet op de discussie op dit punt zal de rechtbank hierna in algemene termen uiteenzetten hoe zij de onderzoekswensen heeft benaderd, welke aspecten zij in zijn algemeenheid heeft meegewogen en waarom zij die heeft meegewogen, alvorens op de onderzoekswensen te beslissen.

Eerlijk proces – equality of arms

Artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bevat een aantal kenmerken waaraan een eerlijke strafprocedure moet voldoen. De rechtbank noemt hiervan op dit moment het recht op een proces binnen een redelijke termijn en het beginsel van equality of arms. Het beginsel van equality of arms vereist niet dat de verdediging even veel tijd en middelen tot haar beschikking krijgt als het Openbaar Ministerie teneinde een volledig (her)onderzoek naar de toedracht te kunnen verrichten. De verdediging heeft immers een geheel andere taak dan het Openbaar Ministerie. Zij is niet verantwoordelijk voor het opzetten van een opsporingsonderzoek en het achterhalen van de toedracht, maar moet de belangen van haar cliënt behartigen in een strafprocedure waarin een concreet verwijt wordt gemaakt.

Het betekent evenmin dat een verdachte aanspraak kan maken op kennisneming van alle informatie die als resultaat van opsporing is verkregen. Ook impliceert dit geen onbegrensd recht op ondervraging of bevraging van getuigen en/of deskundigen. Anders gezegd, het recht van een verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld om methoden en resultaten van onderzoek te betwisten, valt niet samen met een ongeclausuleerd of absoluut recht om deze methoden en resultaten te controleren. Daar waar de verdediging bij de formulering en motivering van sommige verzoeken van die gelijkstelling lijkt te zijn uitgegaan, heeft de rechtbank daarin aanleiding gezien de verzoeken af te wijzen. Het feit dat het Openbaar Ministerie gedurende meer dan zes jaren de gelegenheid heeft gehad onderzoek uit te voeren, maakt dat niet anders. Voor zover de verdediging dat wel meent, is dat ten onrechte.

Het beginsel van equality of arms vereist wel dat de verdediging de gelegenheid krijgt haar taken naar behoren te vervullen, hetgeen inhoudt dat zij tijd en gelegenheid krijgt om het dossier te doorgronden en in vertrouwelijkheid met haar cliënt kan overleggen. Daarnaast moet zij niet alleen gelegenheid krijgen ontlastend bewijs naar voren te brengen, maar ook het belastend bewijs uit het dossier kunnen toetsen en indien daar aanleiding voor is aan nader onderzoek onderwerpen. Het is in het kader van deze laatstgenoemde taak omtrent belastend en ontlastend bewijs dat de verdediging onderzoekswensen kan indienen. In het belang van het hiervoor eveneens genoemde vereiste dat een proces binnen een redelijke termijn wordt afgerond is de ratio gelegen dat onderzoekswensen zo spoedig mogelijk worden ingediend.

Zoals de rechtbank op 23 maart 2020 al heeft aangegeven worden onderzoekswensen die voorafgaand aan de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting worden ingediend getoetst aan het verdedigingsbelang. De lat voor de aanwezigheid van dat belang ligt niet hoog, maar de verdediging zal bij elk verzoek moeten motiveren welk belang de verdediging met het verzoek nastreeft. De rechtbank beoordeelt vervolgens aan de hand van deze motivering of de lat is gehaald. Na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting ingediende onderzoekswensen worden evenwel aan een strenger criterium getoetst. Hier speelt veeleer een rol of het dossier – zonder het verzochte onderzoek – incompleet is. Dergelijke verzoeken komen dan ook doorgaans minder snel voor toewijzing in aanmerking. Hierbij speelt het beginsel van een berechting binnen een redelijke termijn nadrukkelijk een rol. Nadat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen zal het moeten laten verrichten van nader onderzoek immers vaak tot vertraging leiden. In verschillende fasen van het proces wordt dus het belang van het ene beginsel van een eerlijk proces (namelijk equality of arms) afgewogen tegen het andere beginsel dat ook behoort tot een eerlijk proces (namelijk de berechting binnen een redelijke termijn), waarbij in de loop der tijd het accent verschuift van het eerste naar het tweede.

Uit de beslissing van 3 juli 2020 van de rechtbank volgt dat de rechtbank op dat moment nog niet van de verdediging verlangde dat zij al haar onderzoekswensen in dat zittingsblok naar voren bracht. Wel kon volgens de rechtbank worden verwacht dat de verdediging op dat moment al voldoende inzicht had in het dossier om een redelijke inschatting te maken van de tijd die zij nodig zou hebben om in ieder geval die onderzoekswensen in te dienen die zij los van een overleg met haar cliënt kon formuleren. De verdediging heeft de rechtbank een tijdpad voorgesteld en in haar beslissing van 3 juli 2020 heeft de rechtbank in grote lijnen dat tijdpad gevolgd. De rechtbank bepaalde dat de verdediging de onderzoekswensen die zij los van een overleg met haar cliënt kon formuleren uiterlijk tijdens het zittingsblok dat zou aanvangen op 28 september 2020 zou indienen. In november 2020 behoefden dan enkel nog de verzoeken te worden besproken waarvoor overleg met verdachte noodzakelijk was en zou daarna de regiefase kunnen worden beëindigd.

Niet alleen is in dit tijdpad de verdediging meer tijd gegund dan door haar zelf in juni 2020 was verzocht, ook heeft zij op geen enkel regiemoment nadien aangegeven dat het tijdpad achteraf gezien toch niet realistisch zou zijn. Integendeel, op 28 september 2020 heeft de verdediging aangegeven dat zij vele verzoeken klaar had liggen, maar deze opnieuw wilde bekijken na het overleg met haar cliënt, dat kort voor 28 september 2020 had plaatsgevonden. Dit overleg zou namelijk een nieuw licht hebben geworpen op deze verzoeken.

Overleg met verdachte

Met betrekking tot zijn eigen activiteiten rondom het moment van neerstorten van vlucht MH17 heeft verdachte verklaard dat hij op dat moment bij zijn commandopost in de auto zat en dat de auto begon te rijden. Hij hoorde een geluid dat aan een Strela-10 deed denken, een soort geritsel. Het geluid dat hij hoorde was niet van een BUK en het spoor was ook heel anders. Het geluid was ongeveer 300 meter bij hem vandaan, geografisch gezien twee kilometer ten noordwesten van Marinovka. Verdachte is uit de auto gesprongen om de reden van de lancering te achterhalen. Van de commandopost kreeg hij te horen dat een vliegtuig was gecrasht voorbij Donetsk. Informatie van de radio-verkenningseenheid gaf aan dat veel lichamen uit de lucht vielen. Verdachte is direct richting Torez gereden en naar het dorp Grabovo.

Verdachte – zo begrijpt de rechtbank – geeft aan dat hij alleen maar kan gissen naar wat er met vlucht MH17 is gebeurd, hij weet het niet. Verdachte heeft dan ook geen alternatief scenario geschetst en daarmee het hoofdscenario noch erkend noch concreet betwist. Dat lijdt slechts uitzondering waar het zijn verweten persoonlijke betrokkenheid betreft.

Over een aantal tapgesprekken heeft verdachte een verklaring afgelegd. Over een aantal niet. Dit onderdeel komt later in deze beslissing aan de orde.

De rechtbank constateert dat uit de motivering van het merendeel van de in november 2020 ingediende verzoeken niet blijkt op welke wijze het gesprek met verdachte noodzakelijk was voor de formulering van die verzoeken, hetgeen wel in de rede had gelegen gelet op het bij beslissing van 3 juli 2020 opgegeven tijdpad. Dit wringt des te meer nu is gebleken dat de verklaring die verdachte in september/oktober 2020 heeft afgelegd voor een groot deel noch afwijkt noch specifieker is dan de verklaring die hij kennelijk al in februari 2020 heeft afgelegd tegenover zijn advocaten. De rechtbank kan dan ook niet anders dan concluderen dat een groot deel van de op 3 en 4 november 2020 ingediende verzoeken eerder had kunnen worden ingediend. Het gaat hier in zijn algemeenheid om onderzoekswensen die betrekking hebben op de vraag of vlucht MH17 is neergehaald door een BUK-raket en, zo ja, of deze BUK-raket is afgevuurd vanaf een landbouwveld nabij Pervomaiskyi. Ten aanzien van deze wensen ligt de lat van de te motiveren relevantie dan ook hoger dan wanneer de onderzoekswensen zien op de persoonlijke betrokkenheid van verdachte.

Motivering van de verzoeken

De rechtbank wil evenwel benadrukken dat de vraag of een individueel verzoek wordt toegewezen niet enkel wordt ingegeven door de vraag of het tijdig is ingediend. Hoewel het een factor is die meeweegt, zal een voldoende relevant verzoek niet worden afgewezen enkel omdat het eerder had kunnen worden ingediend. De rechtbank zal bij de beoordeling van de onderzoekswensen dan ook telkens beoordelen of de verdediging voldoende heeft gemotiveerd waarom nader onderzoek zodanig relevant is dat het (uit verdedigingsoogpunt) noodzakelijk moet worden geacht. Naarmate een verzoek later is ingediend zal de verdediging de rechtbank evenwel moeten overtuigen van een steeds grotere relevantie en stijgt de lat geleidelijk van – de facto – het verdedigingsbelang naar het noodzakelijkheidscriterium.

Zoals gezegd is het de verdediging die de rechtbank moet overtuigen van de relevantie van het uitvoeren van nader onderzoek. Dat betekent dat de verdediging moet motiveren waaruit de relevantie bestaat. Indien de reden voor het nader onderzoek volgens de motivering van de verdediging is gelegen in de onvolledigheid van het verrichte onderzoek, zal tevens moeten worden gemotiveerd welke informatie ontbreekt, waarom deze informatie relevant is voor de beantwoording van de voorliggende vragen en hoe het verzochte onderzoek ertoe kan bijdragen dat deze informatie wordt verkregen.

Indien de wens tot nader onderzoek niet zozeer is gelegen in de wens een gebrek aan informatie te vullen, maar is gelegen in de wens om de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van reeds verkregen informatie te toetsen, zal de verdediging concreet moeten aangeven welke informatie ongeloofwaardig of onbetrouwbaar is en waarom dit het geval is. Dit kan bijvoorbeeld zijn omdat verdachte zelf een concreet ander scenario schetst dan het scenario vervat in het ten laste gelegde verwijt, dat er concrete aanwijzingen zijn dat vraagtekens zijn gerezen over de betrouwbaarheid van onderzoek door deskundigen of dat een getuigenverklaring ongeloofwaardig is of de getuige onbetrouwbaar. Indien dergelijke aanwijzingen niet in de motivering van het verzoek worden geconcretiseerd, kan de onderzoekswens niet anders worden gezien dan als een fishing expedition en daarin ziet de rechtbank geen belang dat noodzaakt tot het verrichten van aanvullend onderzoek.

Dit betekent heel concreet dat, hoewel de rechtbank de stelling van de verdediging onderschrijft dat het niet kunnen bewijzen van (materiële) onderdelen van de tenlastelegging (vanwege bijvoorbeeld onvoldoende betrouwbaarheid) een belang van de verdediging kan zijn omdat dat tot vrijspraak zal leiden, dit niet wegneemt dat minst genomen de stelling moet worden ingenomen dat een bepaald bewijsmiddel lijdt aan een gebrek, waarbij bovendien geldt dat die stelling met redengevende feiten en omstandigheden zal moeten worden gemotiveerd. Daar waar naar het oordeel van de rechtbank een dergelijke motivering ontbreekt, zal de rechtbank het verzoek van de verdediging om die reden afwijzen.

De rechtbank benadrukt dat de wijze waarop de ingediende onderzoekswensen op toewijsbaarheid worden beoordeeld een andere is dan de vragen die de rechtbank bij vonnis moet beantwoorden over bewijsbaarheid van, en betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde. Bij de beoordeling van onderzoekswensen ligt veeleer de vraag voor of het op dit moment beschikbare materiaal op juiste wijze tot stand is gekomen, voldoende compleet is om later alle van belang zijnde aspecten van het tenlastegelegde te kunnen beoordelen en met name of verdachte tegen de totstandkoming, beschikbaarheid en de inhoud van dat materiaal heeft kunnen inbrengen wat hem dienstig voorkomt in het belang van zijn verdediging. Dat betreft dus vooral een toets van de voldragenheid van het verrichte onderzoek en de mogelijkheid om relevante gebreken daarin nog aan te vullen. Dat is een andere toets dan de bij vonnis te beantwoorden vragen of het beschikbare materiaal voldoende bewijs oplevert voor een strafbare betrokkenheid van verdachte bij de hem verweten feiten. In de fase van het vonnis ligt de nadruk juist op de vraag of het dan beschikbare materiaal voldoende bewijskracht heeft om enig oordeel van de rechtbank op te baseren. De waardering en selectie van bewijsmiddelen is uiteindelijk aan de rechtbank voorbehouden. Dat betekent dat in die gevallen waarin in de motivering van verzoeken van de verdediging in feite de bewijswaarde van de inhoud van verklaringen of bevindingen wordt betwist, daarin niet zonder meer een aanleiding kan worden gevonden tot het verrichten van nader onderzoek. Ook dat kan een reden zijn waarom de rechtbank verzoeken van de verdediging zal afwijzen.

In een aantal gevallen kan het verrichten van gevraagd nader onderzoek op voorhand als zinloos worden bestempeld. Dat doet zich bijvoorbeeld voor als uit eerder verricht onderzoek blijkt dat hetzelfde onderzoek geen resultaat heeft opgeleverd. Een herhaald verzoek om nog eens hetzelfde te doen zal dan onder gelijk gebleven omstandigheden niet tot andere resultaten leiden. Ook het bevragen van een bepaald persoon over een specifiek onderwerp kan reeds op voorhand als zinloos worden bestempeld als duidelijk is dat die persoon niet de aangewezen persoon is om die vragen te beantwoorden. Dit kan zo zijn omdat hij de benodigde kennis of expertise niet heeft, of omdat hij reeds eerder omstandig heeft uitgelegd waarom hij bepaalde vragen niet kan beantwoorden, bijvoorbeeld vanwege gebrek aan kennis of wetenschap. Eveneens zinloos is een verhoor van een getuige of deskundige als die de gezochte antwoorden al heeft gegeven en die, evenals de wijze waarop dat antwoord tot stand is gekomen, niet worden betwist, of als het gezochte antwoord uit andere stukken blijkt die niet worden betwist. Tot slot is het zinloos om vervolgonderzoek te gelasten naar aanleiding van daaraan voorafgaand uit te voeren onderzoek als het verzoek tot het uitvoeren van dat eerdere onderzoek wordt afgewezen. Omdat dergelijke zinloosheid in overwegende mate afhankelijk is van de wijze van motivering van het gevraagde, zal de rechtbank in voorkomend geval dergelijke verzoeken afwijzen vanwege een gebrekkige motivering.

Wegingsfactoren

Naast de vraag naar de tijdigheid van een verzoek tot nader onderzoek zal de rechtbank bij het beoordelen van de relevantie van het verzoek rekening houden met de potentiële bewijskracht van hetgeen waarop het verzochte onderzoek ziet. Dat betreft zowel het onderwerp waarop het verzoek betrekking heeft als de aard van het onderzoek dat wordt verzocht.

Onderwerp van onderzoek

Een belangrijk onderscheid dat de rechtbank zal aanbrengen is het onderscheid tussen onderzoekswensen die zien op het ten laste gelegde hoofdscenario en de zogenoemde alternatieve scenario’s. De rechtbank brengt hierbij in herinnering het hiervoor reeds beschreven verschil in taak tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging. Het is de taak van het Openbaar Ministerie om de toedracht van het neerstorten van vlucht MH17 te achterhalen en hierbij zo nodig verschillende mogelijke scenario’s te onderzoeken. Uiteindelijk zal het Openbaar Ministerie moeten beoordelen of het voldoende basis aanwezig acht om uit te gaan van een specifiek scenario en dit in een concrete strafzaak aan de rechtbank voor te leggen. Hierbij zal niet alleen het gekozen hoofdscenario, maar ook de gestelde betrokkenheid van verdachte aan de hand van wettige bewijsmiddelen op overtuigende wijze moeten worden bewezen. Indien het Openbaar Ministerie er niet in slaagt om op die wijze het bewijs te leveren voor het in de tenlastelegging aan de rechtbank voorgelegde scenario, zal vrijspraak volgen. Dit zal ook gebeuren als niet is komen vast te staan wat wel de echte toedracht is geweest. De verdediging behoeft dan ook geen alternatief scenario te bewijzen. Het belang van verdachte bij nader onderzoek naar alternatieve scenario’s is dan ook beperkt.

Dat is slechts anders indien het een alternatief scenario betreft dat niet wordt weerlegd door de bewijsmiddelen die het hoofdscenario onderbouwen. Dit is een scenario van iets dat kan zijn gebeurd, ook als wordt uitgegaan van de juistheid van al het belastend bewijs, maar dat niet leidt tot een strafrechtelijk verwijt. In een dergelijk geval is er geen belang bij nader onderzoek naar het belastend bewijs, maar is aanvullend onderzoek nodig naar de juistheid van de gegeven alternatieve duiding van deze bewijsmiddelen. Bij de beoordeling van de onderzoekswensen die zien op alternatieve scenario’s zal de rechtbank dan ook toetsen of verdachte een dergelijk alternatief scenario heeft geschetst en of is gemotiveerd waarom dit noopt tot het verzochte onderzoek.

De vraag naar de relevantie van het onderwerp kan echter ook betrokken worden bij de beoordeling van onderzoekswensen die zien op het hoofdscenario. De rechtbank kan bijvoorbeeld bij de beoordeling van de motivering van onderzoekswensen die betrekking hebben op stukken in het dossier die als potentieel indirect bewijs zijn te bestempelen (zoals bijvoorbeeld bewijsmiddelen die zien op de context, maar ook op de beweerdelijke aan- en afvoerroute) hogere eisen stellen aan de motivering van de gestelde relevantie dan bij stukken die als potentieel direct bewijs zijn te duiden (bijvoorbeeld het eventuele wapen, de beweerdelijke afvuurlocatie of de betrokkenheid van verdachte ). Immers, niet gesteld kan worden dat het belang bij beide soorten bewijs hetzelfde is.

Aard van het onderzoek

Ten aanzien van de aard van het onderzoek overweegt de rechtbank dat in het algemeen het meer objectieve forensische/deskundigen bewijs grotere bewijspotentie heeft dan de verklaring van een getuige. Om verschillende – tevens door de verdediging benoemde – redenen moet in een zaak als deze, waarin het onderzochte misdrijf niet alleen gedurende, maar mogelijk ook in de context van een conflict heeft plaatsgevonden, behoedzaam worden omgegaan met getuigenverklaringen. Vaak betreffen de gebeurtenissen voorvallen die al langere tijd geleden hebben plaatsgevonden, soms onder voor de getuige traumatiserende omstandigheden. Ook is het mogelijk dat getuigen kennis hebben genomen van berichten in de (sociale) media over de mogelijke oorzaak en/of nadien veel met anderen hebben gesproken over hetgeen heeft plaatsgevonden, wat het geheugen eveneens kan hebben beïnvloed. Daar komt bij dat niet is uit te sluiten dat ook de sympathie die een getuige kan hebben voor een van de strijdende partijen de waarneming of de verklaring kan hebben gekleurd. In dergelijke zaken is het niet ongebruikelijk dat er een veelheid aan getuigenverklaringen is die onverenigbaar zijn met elkaar. Zo ook in deze zaak. Nog los van de vraag of het haalbaar is, dringt de vraag zich op in hoeverre het zinvol en daarmee relevant is om de betreffende getuigen na al deze tijd aan een nader verhoor te onderwerpen.

Om deze redenen zal de rechtbank bij het beoordelen van een verzoek tot het horen van getuigen de gestelde relevantie beoordelen aan de hand van het onderwerp waarover de getuige moet worden bevraagd en of de gezochte informatie ontbreekt, maar ook of er omstandigheden zijn die maken dat deze getuige bijzonder gewicht in de schaal legt, bijvoorbeeld omdat hij/zij stelt op 17 juli 2014 in de buurt van de beweerdelijke afvuurlocatie te zijn geweest, mogelijk belastend lijkt te verklaren over zichzelf of lijkt te verklaren in weerwil van veronderstelde/gestelde politieke of militaire sympathieën. Ook weegt mee of de verklaring van de getuige verankering lijkt te vinden in andersoortig bewijsmateriaal.

Overige wegingsfactoren

Bij de vraag of (achteraf bezien) ook bij de beoordeling van onderzoekswensen sprake was van een eerlijk proces zijn (naast relevantie en motivering) ook andere omstandigheden van belang, zoals de belangen van derden, de uitvoerbaarheid van hetgeen aan onderzoek wordt verzocht, het bestaan van alternatieven voor tijdrovend onderzoek dit alles in het belang van een voortvarende afhandeling van de zaak binnen redelijke termijn voor zowel verdachte(n) als voor slachtoffers of nabestaanden.

Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat niet iedere onderzoekswens op zichzelf moet worden bezien en beoordeeld, maar dat alle wensen in onderling verband en samenhang met elkaar en in relatie tot het totale voorliggende dossier moeten worden bezien. Dat kan er toe leiden dat relevante meervoudige verzoeken (bijvoorbeeld meerdere getuigen of deskundigen die over één onderdeel gehoord zouden moeten worden) zonder dat aan een eerlijk proces wordt afgedaan gedeeltelijk kunnen worden toegewezen door niet alle, maar enkele getuigen of deskundigen over dat onderwerp te horen. Ook kan dat er bijvoorbeeld toe leiden dat onderzoeken die tot eenzelfde resultaat zouden kunnen leiden niet allemaal uitgevoerd hoeven te worden als aan het daarmee beoogde doel van de verdediging ook kan worden voldaan door slechts één of een aantal van die daartoe strekkende verzoeken toe te wijzen.

Indien de rechtbank hierna verzoeken van de verdediging afwijst, dan is dat omdat de noodzakelijkheid ervan de rechtbank niet is gebleken vanwege een of meerdere van de hiervoor genoemde redenen.

Beslissingen van de rechtbank op de verzoeken van de verdediging

Nu de verdediging op 3, 4 en 5 november 2020 alle onderzoekswensen heeft gepresenteerd, kan de rechtbank, zoals zij ook in haar beslissing van 3 juli 2020 heeft aangegeven, deze onderzoekswensen en de in juni 2020 gedane, maar door de rechtbank bij beslissing van 3 juli 2020 aangehouden verzoeken, in hun totaliteit beoordelen.

De onderzoekswensen van de verdediging zijn grosso modo onder te verdelen in onderzoek dat is gericht op de zogenaamde alternatieve scenario’s, de vraag of een BUK-raket vlucht MH17 heeft neergehaald, of die raket (dan) is afgevuurd nabij Pervomaiskyi en of verdachte daarbij een rol heeft gespeeld.

Hieronder zal de rechtbank eerst korte opmerkingen maken over de taalkundige formulering bij anonieme of geanonimiseerde getuigen en over de diverse voorwaardelijke verzoeken die door de verdediging zijn gedaan. Daarna zal de rechtbank ingaan op de bij tussenuitspraak van 3 juli 2020 aangehouden verzoeken en vervolgens worden de onderzoekswensen besproken die zijn gedaan in november 2020.

Taalkundige formulering in geval van anonieme of geanonimiseerde getuigen

De rechtbank heeft te beslissen op een groot aantal verzoeken die zien op het horen van niet bij naam bekende personen, en op anonieme of geanonimiseerde personen. In de meeste gevallen is van die personen ook het geslacht niet bekend. Om onnodig omslachtige omschrijvingen te voorkomen zal de rechtbank – indien nodig – deze personen in de mannelijke vorm beschrijven. Deze keuze zegt echter niks over het werkelijke geslacht van die personen. De rechtbank is daar immers ook niet bekend mee.

Voorwaardelijke verzoeken

De verdediging heeft meerdere voorwaardelijke verzoeken gedaan met de motivering dat bepaald onderzoek wordt gewenst als de rechtbank een bepaald stuk of bepaalde stukken voor het bewijs zou gebruiken. Omdat de rechtbank zich pas bij eindvonnis zal uitlaten over de vraag welk bewijs zij gebruikt voor de beoordeling van het verwijt dat aan verdachte wordt gemaakt zal pas bij eindvonnis duidelijk zijn of de aan het verzoek gestelde voorwaarde aan de orde is. Dat betekent dan ook dat op alle voorwaardelijke verzoeken met die motivering pas bij eindvonnis zal worden beslist. De rechtbank zal deze voorwaardelijke verzoeken dan ook niet bespreken in deze tussenbeslissing.

Beoordeling van de aangehouden verzoeken gedaan in juni 2020

De aangehouden verzoeken uit juni 2020 zien met name op mogelijke alternatieve verklaringen voor het neerstorten van vlucht MH17, in plaats van het door het Openbaar Ministerie aangehouden hoofdscenario.

Zoals hiervoor al is overwogen, dient de rechtbank uiteindelijk met name te beoordelen of het door het OM voorgestane hoofdscenario zich inderdaad heeft voorgedaan; indien dit scenario niet bewezen kan worden, dient reeds om die reden vrijspraak van verdachte te volgen. Slechts eventuele alternatieve scenario’s die niet weerlegd kunnen worden door de bewijsmiddelen die het hoofdscenario ondersteunen, dienen zonder meer te worden onderzocht. De rechtbank constateert dat dat soort scenario’s niet door de verdachte is geschetst. Dat leidt tot de vraag of de wel door de verdediging aangeduide, mogelijke alternatieve scenario’s desalniettemin toch onderzocht zouden moeten worden. De rechtbank brengt in herinnering hetgeen hiervoor is overwogen over het niet-onbegrensde recht van de verdediging op het laten uitvoeren van nader onderzoek en de verantwoordelijkheid van de rechtbank voor een berechting binnen een redelijke termijn. De rechtbank ontkomt gezien de bijzonder grote hoeveelheid onderzoekswensen van de verdediging daarom niet aan het maken van keuzen. In dit geval leidt dat tot het uitgangspunt dat het verdedigingsbelang om het hoofdscenario door middel van nader onderzoek kritisch te toetsen relevanter en van groter belang moet worden geacht dan het door de verdediging ook voorgestane onderzoek naar mogelijke alternatieve scenario’s, dat van aanmerkelijk minder belang is. De rechtbank onderkent in dit verband dat het hoofdscenario en de door de verdediging aangeduide alternatieve scenario’s niet door waterdichte schotten worden gescheiden. Daarbij dient echter in het achterhoofd te worden gehouden dat het dossier al een grote hoeveelheid, deels potentieel ontlastend, materiaal over alternatieve scenario’s bevat, zoals een grote hoeveelheid getuigenverklaringen over gevechtsvliegtuigen die te zien zouden zijn geweest. Dit materiaal zal de rechtbank uiteraard bij haar eindbeslissingen betrekken, in welk verband de rechtbank hieronder ook zal bevelen dat de verklaring van getuige [getuige 1] in het dossier zal worden gevoegd en de verdediging zal worden uitgenodigd zo mogelijk [getuige 2] als door hen kundig geacht persoon naar de schouw van de wrakstukken mee te nemen. Alles overwegend leidt het voorgaande tot het oordeel dat nader onderzoek naar de door de verdediging aangeduide mogelijke alternatieve scenario’s niet zal worden gelast.

Het voorgaande leidt meer concreet tot de volgende beslissingen over de op 3 juli 2020 aangehouden verzoeken.

Het warplane scenario – aanwezigheid gevechtsvliegtuigen3

De rechtbank wijst het verzoek om de verhoren van [getuige 1] in het dossier te voegen toe. Het verzoek om [getuige 1] als getuige te horen heeft de verdediging ingetrokken. Op het aangehouden verzoek van de verdediging om [getuige 2] als getuige te horen en het ter terechtzitting gedane verzoek om [getuige 2] en een medewerker van [bedrijf 1] als deskundige te benoemen zal de rechtbank hierna ingaan.

Uit de onderbouwing van de overige aangehouden verzoeken die zien op het horen van getuigen over de vraag of al dan niet gevechtsvliegtuigen zijn gezien in de buurt van vlucht MH17, het horen van getuigen met betrekking tot radargegevens en over vluchtplannen leidt de rechtbank af dat deze verzoeken zijn gedaan met het oog op een mogelijk te voeren verweer dat het warplane scenario niet is uit te sluiten, althans onvoldoende is onderzocht c.q. te gemakkelijk is afgewezen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank deze verzoeken – voor zover niet ingetrokken bij brief van 11 november 2020 – thans afwijzen wegens een gebrek aan voldoende, overwegende relevantie, dus mede vanwege de omstandigheid dat zich al veel materiaal over dit mogelijke scenario in het dossier bevindt. Het betreft alle aangehouden verzoeken die zijn opgenomen in de pleitaantekeningen deel 2 van 9 van 22 en 23 juni 2020.

Ten aanzien van het verzoek tot het horen van [getuig 2]4 merkt de rechtbank het volgende op. Tijdens de zitting van 13 november 2020 heeft de verdediging, door de rechtbank gewezen op de mogelijkheid om zich door [getuige 2] als kundig persoon te laten bijstaan bij de beoordeling van de reconstructie van de MH17 in Gilze-Rijen, verzocht om [getuige 2] en een medewerker van het Russische [bedrijf 1] te benoemen als deskundige om te rapporteren over het schadebeeld. Wat [getuige 2] betreft zijn geen gegevens voorhanden over zijn deskundigheid. De rechtbank kan hem om die reden dan ook niet als deskundige laten benoemen. De rechtbank heeft de verdediging er op gewezen, nu de verdediging er nog niet in is geslaagd een kundig persoon te vinden die met haar het schadebeeld van de reconstructie kan beoordelen, dat – gelet op de door de verdediging gestelde deskundigheid van [getuige 2] – het voor de hand ligt dat zij hem verzoekt haar in dit kader te ondersteunen. Indien de verdediging dat wil en [getuige 2] daartoe bereid is dan kan de verdediging met hem de reconstructie bekijken en zijn bevindingen inbrengen bij de rechter-commissaris, die vervolgens in opdracht van de rechtbank hem en de benoemde deskundigen zal (kunnen) horen, zoals reeds is beslist op 3 juli 2020.5 In de tussenuitspraak van 3 juli 2020 heeft de rechtbank de rechter-commissaris reeds opgedragen in dit kader een deskundige van [bedrijf 1] te benoemen die onder andere zal kunnen worden bevraagd over de vraag in hoeverre het op de wrakdelen van MH17 waargenomen schadebeeld duidt op het gebruik van een BUK-raket. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het aangehouden verzoek om [getuige 2] als getuige te horen af, alsmede het ter terechtzitting gedane verzoek om [getuige 2] en een medewerker van [bedrijf 1] als deskundige te benoemen. Beide wegens gebrek aan belang. Zoals in de beslissing van 3 juli 2020 opgenomen is het verder aan de rechter-commissaris om dit deel van het onderzoek in te richten en termijnen te stellen aan partijen. De rechtbank gaat ervan uit dat de verdediging nu op korte termijn dit deel van het onderzoek, te weten het met een kundig persoon beoordelen van het schadebeeld van de reconstructie van MH17, zal uitvoeren.

Het warplane scenario – onderzoekslijnen6

De verzoeken die in dit deel zijn opgenomen hebben op 3 juli 2020 geleid tot het toewijzen van verzoeken en de verwijzing van de zaak naar de rechter-commissaris voor nader onderzoek over de werking van de BUK-raket, de berekening van het afvuurgebied en het schadebeeld.

Inzake het onderzoek naar gebruikte raketten door het NFI heeft de verdediging verzocht de NFI-deskundige ([NFI-deskundige 1]) te mogen bevragen. De rechtbank zal, mede gezien het zojuist aangehaalde uitgangspunt dat met name verdedigingsbelang bestaat bij het onderzoeken van de geldigheid van het hoofdscenario de herhaalde verzoeken in die zin toewijzen dat zij zal gelasten dat deskundige [NFI-deskundige 1] kan worden bevraagd. Verderop in dit vonnis zal de wijze waarop en waarover deze deskundige kan worden bevraagd nader worden toegelicht.

De aangehouden verzoeken betreffen verder getuige [getuige 3]7 (hoofd luchtwapens Oekraïne) die een verklaring heeft afgelegd over BUK-raketten die bij het Oekraïense leger in gebruik waren in 2014 met een uitleg over op welke wijze deze BUK-raketten te identificeren zijn. Verder verbalisant Primo-17-2308 over de werking van een BUK-TELAR zoals hij die ervaren heeft tijdens zijn onderzoek. Daarnaast getuige [getuige 4]9 (Federal Agent, AFP) die een analyse heeft opgesteld van het identificatiesysteem van de BUK-TELAR, inclusief de identificatie van doelwitten en de (onbekende) auteur10 van het handboek met de technische beschrijving van de 9M38M1-serie raketten. Betreffende de beschikbare luchtraketten en gevechtsvliegtuigen van de Oekraïense luchtmacht heeft de verdediging verzocht verbalisant Primo-17-311 en [getuige 5] te bevragen.11

De rechtbank zal de verzoeken die zien op de werking van een BUK-raket afwijzen wegens een gebrek aan voldoende motivering. De nadere motivering van de verdediging in haar brief van 11 november 2020 maakt dit thans niet anders, nu zij naar de werking van een BUK-raket verder onderzoek kan doen door reeds toegewezen en in deze beslissing nog toe te wijzen getuigen en/of deskundigen daarover bij de rechter-commissaris te bevragen. De overige verzoeken die zien op mogelijke alternatieve scenario’s worden op grond van het hiervoor overwogene – het gebrek aan voldoende relevantie daarbij - afgewezen.

Satellietbeelden12

Het verzoek [getuige 6] te horen met betrekking tot de satellietbeelden uit de Verenigde Staten zal de rechtbank wederom aanhouden in afwachting van de resultaten van het rechtshulpverzoek dat de rechter-commissaris heeft verzonden aan de Verenigde Staten met het verzoek de satellietbeelden te verkrijgen van een lancering op 17 juli 2014 van een (BUK-)raket.

Berging van wrakstukken13

Over de berging van enkele specifieke wrakstukken zijn inmiddels vier getuigen gehoord. De verdediging heeft dit onderwerp in haar brief van 11 november 2020 nader toegelicht en daarbij aangegeven dat zij nog steeds getuigen wenst te horen over de situatie op de crashsite en de wijze waarop materiaal is verzameld dat uiteindelijk naar Nederland is gebracht. In dat kader had de verdediging verzocht om een OVSE-medewerker ([getuige 7]) daarover te horen. In genoemde brief geeft de verdediging aan dat zij thans niet in staat is de naam van een getuige te noemen die hierover zou kunnen verklaren en zij vraagt om in afwachting van haar nader onderzoek om een getuige te vinden het verzoek om de OVSE-medewerker te horen aan te houden. Dat verzoek zal de rechtbank thans afwijzen bij gebrek aan een voldoende motivering ervan.

Beoordeling van de verzoeken gedaan in november 2020

Bij de beoordeling van de verzoeken die tijdens de zitting van november 2020 zijn gedaan heeft de rechtbank de door de verdediging gehanteerde indeling volgens de drie hoofdvragen uit de tenlastelegging aangehouden.

Was het een BUK-raket?

Ten aanzien van de verzoeken die samenhangen met de vraag of vlucht MH17 door een BUK-raket is neergehaald, heeft de verdediging gesteld dat zij het allereerst van belang vindt om te kunnen begrijpen wat deskundigen daarover feitelijk hebben vastgesteld en – zo begrijpt de rechtbank – welke betekenis in dat kader moet worden gegeven aan het oordeel van de deskundigen over hun bevindingen in relatie tot de vraagstelling.

In dat kader acht de verdediging het uitermate relevant om vast te stellen over welke informatie de deskundige precies beschikte tijdens zijn onderzoek, welk materiaal wel en welk materiaal niet aan de deskundige ter beschikking is gesteld, wat de precieze vraagstelling was en hoe deze tot stand is gekomen, of de deskundige al dan niet in zijn oordeelsvorming is beïnvloed door informatie uit andere bronnen of rapporten die hij zelf of collega’s eerder hebben geschreven (door de verdediging aangeduid als contaminatie), of wetenschappelijk gezien erkende methodes van onderzoek zijn gebruikt en of de onderzoeker al dan niet deskundig is. Teneinde dat te onderzoeken heeft de verdediging van een aantal rapporten aangegeven dat zij de rapporteurs onder andere wenst te bevragen over de gehanteerde methodologie. Verder benoemt de verdediging per besproken rapport enkele concrete vragen ter verduidelijking van onderzoeksresultaten, dan wel over de toegepaste waarschijnlijkheidstheorie en de totstandkoming van gekozen hypotheses.

Meer toegespitst heeft de verdediging ten aanzien van de vraag of vlucht MH17 is neergeschoten door een BUK-raket op een aantal onderdelen om nader onderzoek gevraagd. Dat onderzoek betreft:

1. Het horen van 4 rapporteurs van het NFI ([NFI-deskundige 2], [NFI-deskundige 3], [NFI-deskundige 4] en [NFI-deskundige 1]) over door hen opgestelde rapporten en toevoeging van de onderliggende stukken van NFI rapport 111.14

2) Het horen van een Australische Crime Scene Investigator ([getuige 8]) over het door hem opgestelde rapport Primo-7626.15

3) Het horen van 2 Nederlandse verbalisanten ([getuige 9] en [getuige 10]) over een door hen opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek en het veiligstellen van het cockpitframe, waarin een zogenoemde prop is aangetroffen (Primo-6937).16

4) Het horen van deskundigen van het NLR ([NLR-deskundige 1]) en van de RMA ([RMA-deskundige 1 / RMA-deskundige 2 / RMA-deskundige 3]), waarbij de verdediging om een verduidelijking verzoekt van de reikwijdte van de onderwerpen en rapporten waarover vragen aan de deskundigen kunnen worden voorgelegd in het kader van de op 3 juli 2020 reeds toegewezen verzoeken deze deskundigen te mogen horen.17

5) Het horen van de opstellers van beide rapporten van het TNO van augustus 2015 (Primo-05604, bijlage 7 en 8).18

6) Het ontvangen van een afschrift van eventuele notulen van een bespreking tussen experts van de RMA en het NLR op 8 december 2016.19

7) Het verstrekken van Primo-07628.20

8) Het verstrekken van een overzicht van welke wrakstukken door de verschillende instanties zijn onderzocht.21

Horen van NFI-rapporteurs

Ad 1): Ter onderbouwing van het verzoek de vier rapporteurs te horen is een aantal motieven genoemd. Sommige daarvan zijn algemeen van aard en andere hebben betrekking op concrete rapporten.

Ten aanzien van het algemene punt dat de verdediging de rapporteurs wil kunnen bevragen op hun opleiding, ervaring en specifieke deskundigheid overweegt de rechtbank dat de verdediging niet heeft onderbouwd op grond waarvan moet worden getwijfeld aan het oordeel van de rechter-commissaris omtrent de deskundigheid van de door de rechter-commissaris tot deskundige benoemde rapporteurs. Op dit punt zijn de verzoeken dan ook onvoldoende gemotiveerd en zal de rechtbank ze afwijzen.

De verdediging wil de deskundigen daarnaast kunnen bevragen over de reikwijdte van hun onderzoek, door wie en op welke wijze de reikwijdte werd vastgesteld, waarom slechts is gezocht naar een overeenkomst met een BUK-raket en niet tevens met andere wapensoorten, over welke informatie de deskundigen bij aanvang van hun onderzoek beschikten, en in hoeverre zij zijn belemmerd door een mogelijke vooringenomenheid als gevolg van het gegeven dat zij betrokken zijn geweest bij meerdere opvolgende onderzoeken. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de rapporten voldoende inzicht geven in de wijze waarop ze tot stand zijn gekomen. Dat geldt voor de feitelijke informatie die vooraf is verstrekt, eventuele (FIT) gesprekken die hebben plaatsgevonden, de beperkingen die de voorgelegde vragen impliceren en de betrokkenheid van rapporteurs bij de totstandkoming van opvolgende rapporten. De vraag naar een eventuele belemmering door mogelijke vooringenomenheid is niet een vraag die zinvol aan de betreffende deskundigen kan worden voorgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd in het verkrijgen van welke informatie de relevantie is gelegen om de deskundigen op voornoemde punten te horen. Indien de verdediging van mening is dat zich in de wijze van totstandkoming van de rapporten omstandigheden hebben voorgedaan die afdoen aan de betrouwbaarheid of geloofwaardigheid van de rapporteurs of hun conclusies dan kan de verdediging hier bij pleidooi op in gaan.

Daarnaast heeft de verdediging aangegeven de rapporteurs te willen bevragen over de gebruikte methodologie. De rechtbank constateert dat in de rapporten is beschreven welke methodologie is gebruikt. In deze motivering ziet de rechtbank dan ook evenmin grond het verzoek tot het horen van de deskundigen toe te wijzen.

Tenslotte heeft de verdediging bij een aantal rapporten een aantal concrete vragen geformuleerd die samengevat samenhangen met een – in de visie van de verdediging – onduidelijke weergave in de rapporten van welke bevindingen om welke reden tot een bepaalde conclusie hebben geleid en wat deze conclusie precies is. Los van de vraag of de gestelde onduidelijkheden geheel of gedeeltelijk zouden kunnen worden weggenomen door een grondige(re) lezing van de rapporten, acht de rechtbank een volledig begrip van de forensische bevindingen en conclusies in deze forensische rapporten die zien op een wezenlijk onderdeel van de bewijsvraag, voor alle partijen van bijzonder belang. Om deze reden ziet de rechtbank grond te gelasten dat deskundige [NFI-deskundige 1] zal worden bevraagd door of via de rechter-commissaris. Die bevraging dient te worden beperkt tot hetgeen [NFI-deskundige 1] vanuit zijn expertise en kennis kan verklaren over hetgeen hij heeft beschreven in het door hem opgestelde overkoepelende IDFO-rapport, en dan alleen over hetgeen hij daarin op hoofdlijnen beschrijft over de rapporten Primo-8686, Primo-9330, Primo-8688, Primo-2913, Primo-3956, Primo-4162, Primo-8882, Primo-9427, Primo-9126, Primo-6556, Primo-8139 en (het nog te voegen) NFI-rapport met nummer 111. Dat betreft de rapporten waarvan de verdediging in juni en in november 2020 concreet gemotiveerd heeft aangegeven dat en waarom daarover vragen bij haar bestaan. Naast het op deze wijze bevragen van [NFI-deskundige 1] ziet de rechtbank geen noodzaak tevens de overige drie NFI-deskundigen te horen. Dat verzoek zal worden afgewezen. De rechtbank zal het aan de rechter-commissaris laten op welke wijze deskundige [NFI-deskundige 1] zal worden bevraagd. Nadrukkelijk geeft de rechtbank daarbij mee dat dit kan aanvangen met het voorleggen van schriftelijke vragen aan de deskundige, zo nodig gevolgd door nog één of meerdere schriftelijke rondes, alvorens de rechter-commissaris zal beslissen of een bevraging in de vorm van een verhoor van de deskundige dan nog toegevoegde waarde heeft.

Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen over het ontbreken van noodzaak tot het verrichten van nader onderzoek naar de wijze van totstandkoming van de rapporten, zal eveneens worden afgewezen het verzoek de rechter-commissaris op te dragen de aanvraagformulieren van alle door de verdediging besproken NFI-rapporten bij het NFI op te vragen en te (doen) voegen in het dossier. Wel zal de rechtbank het Openbaar Ministerie gelasten het NFI-rapport met nummer 111 (thans Primo-15185) te voegen in het dossier.

Rapport Primo-7626

Ad 2): Ten aanzien van het horen van de Australische Crime Scene Investigator ([getuige 8]).

De door de verdediging in haar motivering van het verzoek genoemde vragen die zij deze getuige zou willen stellen vinden alle reeds beantwoording in het door deze Australische beambte opgemaakte rapport. De rechtbank wijst dit verzoek dan ook af, nu het onvoldoende is gemotiveerd.

Veiligstellen materiaal cockpitframe

Ad 3): Ten aanzien van het horen van de twee Nederlandse verbalisanten die over het veiligstellen van het cockpitframe hebben gerelateerd ([getuige 9] en [getuige 10]) overweegt de rechtbank dat de vragen die de verdediging wil stellen aan de verbalisanten reeds beantwoording vinden in het proces-verbaal, in samenhang met de bijbehorende foto’s in het mediadossier, danwel – waar het de vraag betreft naar de onderschrijving van hun conclusies door anderen – dat deze vraag niet zinvol aan deze verbalisanten gesteld dient te worden. Het staat de verdediging vrij deze vraag te betrekken bij het reeds bij tussenbeslissing van 3 juli 2020 toegewezen verhoor van de deskundigen die worden gehoord over het schadebeeld en de berekening van de afvuurlocatie. Nu uit de motivering van het verzoek geen belang blijkt zal het verzoek worden afgewezen.

Omvang bevraging deskundigen NLR/RMA

Ad 4) Met betrekking tot het horen van deskundigen van het NLR ([NLR-deskundige 1]) en van de RMA ([RMA-deskundige 1 / RMA-deskundige 2 / RMA-deskundige 3]), indien dit niet reeds valt binnen de reikwijdte van hun toegewezen verhoor overweegt de rechtbank dat zij in haar beslissing van 3 juli 2020 heeft bepaald dat zowel [NLR-deskundige 1] als [RMA-deskundige 1] en/of [RMA-deskundige 2] en/of [RMA-deskundige 3], alsook een door de RC te benoemen deskundige van [bedrijf 1] kunnen worden bevraagd over de vraag in hoeverre het op de wrakdelen van de MH17 waargenomen schadebeeld duidt op het gebruik van een BUK-raket. De rechtbank heeft dit onderwerp destijds ruim geformuleerd. De vragen die de verdediging op 3 november 2020 heeft geformuleerd die zij aan de deskundigen zou willen voorleggen, vallen onder de reikwijdte van het op 3 juli 2020 toegewezen verzoek, zodat dit verzoek niet noopt tot uitbreiding van de onderzoeksopdracht aan de rechter-commissaris. Het herhaalde verzoek zal dan ook – bij gebrek aan aanvullend belang – worden afgewezen.

Opsteller(s) TNO-rapporten

Ad 5) De rechtbank constateert dat dit verzoek in voorwaardelijke vorm is geformuleerd. Een beslissing van de rechtbank wordt alleen gevraagd als de rechtbank deze rapporten als bewijs zou willen gebruiken of in elk geval niet van het bewijs wil uitsluiten. Zoals de rechtbank reeds eerder op een soortgelijk verzoek besliste is het hoogst ongebruikelijk om al op voorhand – en al helemaal in de regiefase - iets over het gebruik van stukken voor het bewijs of de bewijswaarde van stukken te zeggen. Dat is wat de rechtbank betreft ook voor wat deze rapporten betreft niet anders. Daarmee zou, zoals al eerder is uiteengezet, een beslissing van de rechtbank over deze onderzoekswens worden verwezen naar het moment waarop de rechtbank zich beraadt over haar eindoordeel in deze strafzaak. Echter, omdat de rechtbank de relevantie van het horen van de opsteller(s) van de rapporten, die als bijlage 7 en 8 bij het rapport van de OvV (Primo-5604) zijn opgenomen, over de inhoud van de rapporten in dezelfde mate aanwezig acht als het horen van de hiervoor genoemde op 3 juli 2020 reeds toegewezen deskundigen van het NLR, de RMA en [bedrijf 1], zal de rechtbank ambtshalve bepalen dat de opsteller(s) van deze TNO-rapporten zullen worden gehoord door de rechter-commissaris. De rechtbank is zich bewust van mogelijke (wettelijke) beperkingen die zich zouden kunnen voordoen bij de uitvoering van deze opdracht. Naar het oordeel van de rechtbank staat op dit moment echter nog geenszins vast dat artikel 69 van de Rijkswet OvV zich ertegen zou verzetten dat de opsteller(s) van deze rapporten – als extern deskundige(n) ten opzichte van de OvV – als deskundige(n) wordt/worden benoemd en gehoord. Indien de overeenkomst tussen TNO en de OvV de opsteller onder de reikwijdte van dit artikel plaatst, dan kan de opsteller dit ter sprake brengen bij de rechter-commissaris die naar aanleiding daarvan de beslissingen kan nemen die haar dan gerade voorkomt. Naar aanleiding van het concrete verzoek dienaangaande van de verdediging aan het Openbaar Ministerie merkt de rechtbank nog op dat zij het aan de rechter-commissaris zal laten op welke wijze deze navraag doet naar de namen van de opsteller(s) van deze rapporten.

Verzoek tot het opvragen en voegen van notulen van overleg tussen RMA en NLR

Ad 6) De rechtbank acht onvoldoende gemotiveerd waarom het relevant zou zijn de eventuele notulen van een overleg op 8 december 2016 op te vragen en in het dossier te voegen, terwijl de verdediging haar vragen omtrent de totstandkoming van de rapporten kan stellen tijdens het reeds toegewezen verhoor van de deskundigen van het RMA en de NLR. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Verstrekking Primo-07628

Ad 7) Nu het hier kennelijk om een verschrijving in het dossier gaat en het gevraagde stuk zich onder nummer Primo-07626 in het dossier bevindt zal het verzoek – voor zover gehandhaafd – wegens gebrek aan belang worden afgewezen.

Overzicht wrakstukken

Ad 8) De rechtbank constateert dat dit verzoek aan het Openbaar Ministerie is gericht en derhalve niet noopt tot een beslissing van de rechtbank.

Is een BUK-raket afgevuurd nabij Pervomaiskyi?

De verzoeken die de verdediging heeft gedaan betreffende de vraag of een BUK-raket is afgevuurd vanuit een landbouwveld nabij Pervomaiskyi zijn ingeleid met acht redenen waaruit volgens de verdediging blijkt dat nader onderzoek naar de aan- en afvoerroute en de afvuurlocatie noodzakelijk is. Die redenen houden achtereenvolgens in dat in juli 2014 binnen de DPR veelvuldig militair materieel werd vervoerd; dat de betekenis van bepaalde feiten en omstandigheden moet worden uitgelegd binnen de context van een oorlog; dat vermoedelijk bij veel van de getuigen specialistische kennis ontbreekt; dat veel informatie door het JIT en andere media publiekelijk bekend is gemaakt; dat gehoorde getuigen een direct of indirect belang kunnen hebben bij de inhoud van hun verklaring wat gevolgen heeft voor de bewijswaarde; dat de anonimiteit van de meeste getuigen die hebben verklaard een BUK te hebben gezien de mogelijkheid om die verklaring op betrouwbaarheid te toetsen zeer beperkt; en ten slotte dat niet alle beschikbare informatie bij conclusies wordt betrokken.

De verdediging heeft een zeer groot aantal onderzoekswensen geformuleerd in relatie tot de vraag of de beweerdelijke BUK-raket is afgevuurd nabij Pervomaiskyi. Geen nader betoog behoeft dat het antwoord op deze vraag van bijzonder belang is in deze strafzaak. De wensen zien kort gezegd op getuigen, beeldmateriaal en bevindingen betreffende de beweerdelijke afvuurlocatie en de beweerdelijke aan- en afvoerroute van de beweerdelijke BUK-TELAR. Hiervoor is reeds benadrukt dat de verdediging, mede gezien het bepaalde in artikel 6 van het EVRM, recht heeft op relevant nader onderzoek. Dit recht betreft echter - evenals in iedere andere Nederlandse strafzaak - geen ongeclausuleerd recht. Het betreft dus geen onbeperkt recht om in een omvangrijk onderzoek vrijwel alle mogelijk voor het bewijs relevante getuigenverklaringen en bevindingen aan een onderzoek te (laten) onderwerpen. De rechtbank dient immers ingevolge datzelfde artikel 6 van het EVRM ook toe te zien op berechting binnen een redelijke termijn. De toewijzing van al het gevraagde onderzoek dat met betrekking tot deze vraag is verzocht zou neerkomen op het opnieuw uitvoeren van een groot deel van het zeer omvangrijke opsporingsonderzoek. De rechtbank moet dan ook keuzen maken en accenten leggen en laat zich bij het maken van deze keuzen - naast de door de verdediging in de motivering van het verzoek betoogde relevantie - leiden door de volgende uitgangspunten.

Zoals al eerder gezegd ziet de rechtbank in zijn algemeenheid een grotere relevantie van forensische bewijs en bevindingen dan van getuigenverklaringen. Daarnaast zullen onderzoekswensen die zien op getuigen en bevindingen die de beweerdelijke afvuurlocatie betreffen eerder voor toewijzing in aanmerking komen dan wensen die zien op de beweerdelijke aan- en afvoer van de BUK-TELAR. Ten aanzien van de vraag of een BUK-raket is afgevuurd vanaf een landbouwveld nabij Pervomaiskyi zou eerstgenoemde categorie bevindingen namelijk directer bewijs kunnen vormen dan de (mogelijk slechts ondersteunende) twee laatstgenoemde categorieën bevindingen. Ten aanzien van de vraag naar de eventuele persoonlijke betrokkenheid van de verdachte ligt het accent overigens anders; de rechtbank begrijpt dat het Openbaar Ministerie die persoonlijke betrokkenheid met name meent te kunnen afleiden uit tap- en telefoongegevens die voornamelijk zien op de periode van de beweerdelijke aanvoer van de BUK-TELAR. Het voorgaande laat onverlet dat de relevantie van iedere afzonderlijke onderzoekswens moet blijken, mede uit de daarvoor gegeven motivering.

Een en ander toegepast op de onderzoekswensen per categorie leidt tot de navolgende beoordeling door de rechtbank.

Verzoeken met betrekking tot de beweerdelijke afvuurlocatie

In lijn met het voorgaande en met de toewijzing van getuigen X48 en M58 in de beslissing van 3 juli 2020, zal de rechtbank het verzoek tot het horen van getuige S4022toewijzen, nu deze getuige onder meer heeft verklaard over waarnemingen nabij de beweerdelijke afvuurlocatie. Dat antwoorden op bepaalde vragen die de verdediging zou willen stellen mogelijk om veiligheidsreden buiten het dossier zullen moeten blijven of mogelijk reeds buiten het dossier zijn gehouden, zoals het Openbaar Ministerie tegenwerpt, is geen zelfstandige reden tot afwijzing van het verzoek. Er is verder geen, respectievelijk onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat getuige S39 en de (NN-)persoon waarover hij verklaart23 zouden kunnen verklaren over de afvuurlocatie. Het verzoek tot het horen van deze getuigen wordt dan ook bij gebrek aan relevantie afgewezen.

Ook zal de rechtbank het verzoek tot het horen van [getuige 11] toewijzen.24 De rechtbank overweegt daartoe dat de verdachte heeft aangegeven dat hij en zijn ondergeschikten geen BUK hadden en ook niet hebben gezien op of rond 17 juli 2014 in de omgeving van Pervomaiskyi. Het JIT relateert (Primo-02389, p. 38) dat op basis van telefoongegevens aannemelijk is dat, zoals ook getuige S21 heeft verklaard, [getuige 11] aanwezig was nabij het checkpoint bij Pervomaiskyi vanaf 15.14 uur in de middag van 17 juli 2014. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank de relevantie van het horen van [getuige 11] over de door de verdediging opgeworpen vragen onder randnummer 480. De rechtbank merkt op dat het verzoek tot het horen van deze getuige om andere redenen elders in deze beslissing wordt afgewezen. Het verhoor zal daarom in vraagstelling beperkt worden tot hetgeen [getuige 11] weet van en heeft waargenomen bij het bedoelde checkpoint.

Voorts heeft de verdediging verzocht de leden van de 53e AAM brigade uit de Russische Federatie25 te mogen verhoren, omdat het Openbaar Ministerie ervan uitgaat dat leden van deze brigade de BUK tot aan de beweerdelijke afvuurlocatie hebben begeleid en dat degenen die de beweerdelijke BUK hebben afgevuurd tot deze brigade behoren. De verdediging wenst te toetsen of leden van de 53e AAM brigade inderdaad een BUK-TELAR hebben vervoerd, hebben afgevuurd en, zo ja, vanaf waar en waarom. De verdediging noemt in dit verband de namen van [getuige 12], [getuige 13], [getuige 14], [getuige 15] en [getuige 16] die volgens het JIT in juli 2014 tot deze brigade behoorden.

Anders dan het Openbaar Ministerie is de rechtbank van oordeel dat dit verzoek deels dient te worden toegewezen. Het is van evident belang de vraag voor te leggen of het juist is dat leden van de 53e AAM brigade betrokken zijn geweest bij het vervoer en het afvuren van een BUK-raket die MH17 heeft geraakt en, zo ja, onder welke omstandigheden. Bij de huidige stand van het onderzoek is de meest voor de hand liggende persoon om deze vragen aan voor te leggen kolonel [getuige 12] die destijds de leiding zou hebben gehad over de 53e AAM brigade en overzicht zal hebben over de activiteiten van deze brigade in 2014. Dat de Russische Federatie in antwoord op een rechtshulpverzoek eerder heeft geweigerd informatie over deze brigade te verstrekken, zoals door het Openbaar Ministerie is benadrukt, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om nu al te concluderen dat deze getuige niet, of niet binnen aanvaarbare tijd zal kunnen worden verhoord. Deze reactie van de Russische Federatie is niet recent en thans betreft het niet een verzoek namens het Openbaar Ministerie, maar een verzoek namens de verdachte, een onderdaan van de Russische Federatie.

Bij het verhoor van de overige met name genoemde personen die in dit verband worden verzocht, bestaat naast het horen van [getuige 12] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende belang. Dat geldt ook voor het verzoek om alle leden van de 53e AAM brigade te horen, hetgeen ook overigens onvoldoende specifiek is, en voor de persoon die heeft verklaard met enkele van deze personen via sociale media contact te hebben gehad, te weten S2826. Deze verzoeken worden dan ook afgewezen.

De verdediging heeft verzocht tien personen (door de verdediging aangeduid met hun call-signs) die naar gesteld bij aanwezig waren op 17 juli 2014 rond 16.20 uur te horen, teneinde te bevestigen dat verdachte geen explosie, noch het afvuren van een BUK-raket heeft gezien of gehoord. Nog los van het feit dat de rechtbank de verdachte niet zelf heeft horen verklaren dat deze personen op het genoemde tijdstip bij de verdachte waren, overweegt de rechtbank dat haar uit de motivering van dit verzoek niet is gebleken op welke wijze relevant zou kunnen zijn dat verdachte op het moment van het neerstorten van de MH17 geen BUK-raket zou hebben waargenomen. Uit het dossier blijkt immers dat het onderzoeksteam er kennelijk ook vanuit gaat dat verdachte ten tijde van het beweerdelijke afvuren van een BUK-raket niet op de beweerdelijke afvuurlocatie aanwezig was. Het verzoek wordt afgewezen.

De getuige G247327 is kort na het neerstorten van MH17 op de door het Openbaar Ministerie veronderstelde afvuurlocatie geweest en heeft daar foto- en videomateriaal gemaakt. De getuige kan daarom uit eerste hand verklaren over de toestand van het veld en één en ander mogelijkerwijs onderbouwen met voornoemd foto- en videomateriaal. Met de verdediging ziet de rechtbank de relevantie van het horen van deze getuige over zijn waarnemingen. Het verzoek wordt toegewezen.

Ook de eigenaar, dan wel gebruiker van het landbouwveld bij Pervomaiskyi28, dat het Openbaar Ministerie de afvuurlocatie noemt, kan uit eerste hand verklaren over de toestand van het veld voorafgaand aan en na het neerstorten van vlucht MH17. De getuige kan met name verklaren of daar brand is geweest, of het veld is omgeploegd en, zo ja, wanneer en om welke reden dit is gebeurd. Met de verdediging ziet de rechtbank de relevantie van het horen van deze getuige over zijn waarnemingen en wetenschap. Het verzoek wordt toegewezen. Echter, het horen van de omwonenden van het landbouwveld bij Pervomaiskyi29 wordt afgewezen, nu dit verzoek reeds vanwege de (afgelegen) ligging van het veld en de verspreide aanwezigheid van woningen in die omgeving veel te generiek is gesteld.

Voorts heeft de verdediging verzocht om toevoeging van het proces-verbaal van verhoor van de journalist die in Oekraïne grondmonsters heeft genomen ([getuige 17], Primo-03456).30 De rechtbank begrijpt dat de verdediging dit verzoek doet met het doel de datum waarop deze journalist de grondmonsters heeft genomen te achterhalen. Uit het zich reeds in het dossier bevindende artikel uit het Algemeen Dagblad van 10 januari 2015 (verwijzing in Primo-02664) blijkt echter al de tijdspanne waarin die datum valt. Het verzoek is derhalve zinloos en wordt om die reden afgewezen. Het NFI heeft de elementsamenstelling van voornoemde grondmonsters onderzocht. De verdediging wenst de onderzoeker (NFI-deskundige 5]) te horen over de (mogelijke) aanwezigheid van verbrandingsproducten in de grondmonsters.31 De rechtbank constateert echter dat uit het rapport van deze deskundige (Primo-7308) blijkt dat door hem weliswaar onderzoek is gedaan naar de elementsamenstelling van de grondmonsters, maar niet naar mogelijk aanwezige chemische sporen in het grondmonster. Gelet hierop zal de gevraagde deskundige geen vragen kunnen beantwoorden over aanwezigheid van verbrandingsproducten in de grondmonsters, aangezien dit chemische sporen betreffen. Het verzoek wordt afgewezen.

De verdediging heeft ook verzocht de twee NFI deskundigen ([NFI-deskundige 1] en [NFI-deskundige 2]) te horen die de andere grondmonsters hebben onderzocht.32 De vragen die door de verdediging ter onderbouwing van dit verzoek worden opgeworpen, worden naar het oordeel van de rechtbank reeds afdoende beantwoord in de rapporten van deze deskundigen (Primo-9435 en Primo-8139). Nader verhoor is daarom niet relevant. Het verzoek wordt afgewezen.

De rechtbank zal het Openbaar Ministerie opdragen het NFI-rapport getiteld ‘Explosievenonderzoek naar aanleiding van het neerstorten van vlucht MH17 bij Hrabove, Oekraïne op 17 juli 2014’ met aanvraagnummers 140, 131 en 153, gedateerd 5 december 2016 toe te voegen aan het dossier.33 Dit is een rapport waarnaar in andere rapporten van het NFI wordt verwezen. De rechtbank acht het relevant dat de verdediging de inhoud van dit rapport kan toetsen. Het verzoek wordt toegewezen.

Voor zover het verzoek van de verdediging tot het opvragen van data van de radar tracking devices34 ziet op zogenaamde AWACS-vliegtuigen in gebruik bij de NAVO heeft de rechtbank dit reeds in haar tussenbeslissing van 3 juli 2020 afgewezen. Voor zover dit verzoek ziet op de systemen die door getuige S26 zijn genoemd, merkt de rechtbank op dat uit diens verklaring is af te leiden dat hij daarmee doelt op gevechtsvliegtuigen, waarvan Oekraïne bij herhaling heeft aangegeven dat die op 17 juli 2014 niet vlogen. In zoverre is dan ook geen nadere informatie van Oekraïne te verwachten. Voor zover dit verzoek ziet op andere radarsystemen (militair en civiel) heeft Oekraïne eveneens bij herhaling aangegeven niet over meer informatie te beschikken dan reeds ter beschikking is gesteld aan het JIT. Het verzoek wordt derhalve als zinloos afgewezen. Overigens constateert de rechtbank dat naar aanleiding van een algemeen geformuleerd rechtshulpverzoek ook de Russische Federatie dergelijke informatie niet heeft aangeleverd. In het licht van het voorgaande wordt ook het horen van S2635 als zinloos beschouwd en om die reden afgewezen. Te meer ook omdat het verzoek onvoldoende concreet is en daarom als fishing expedition kan worden aangemerkt.

Verzoeken die zien op beeldmateriaal van het rookspoor

De verdediging heeft verzocht de maker van de rookspoorfoto vanuit Torez ([getuige 18]) te horen.36 De rechtbank constateert dat uit het dossier afdoende blijkt op welke wijze de camera en de SD-kaart, en daarmee het originele fotomateriaal, in het bezit van het JIT is gekomen. Daarnaast is de authenticiteit van de foto reeds op andere wijzen geverifieerd. De authenticiteit van de foto wordt overigens ook niet door de verdediging betwist. Ook heeft de verdediging verzocht om getuige S13 en de maker van de rookspoorfoto’s vanuit Snizhne te horen.37 De rechtbank constateert dat het antwoord op de vragen die de verdediging de getuige S13 wenst te stellen, namelijk of hij informatie heeft over de identiteit van de maker van voornoemde foto’s en van welke nieuwssite de getuige de foto heeft gehaald, reeds afdoende uit het dossier blijkt. De getuige heeft eerder immers aangegeven geen informatie te hebben over de identiteit van de maker, en de website staat vermeld in de correspondentie die bij de verklaring van getuige S13 is gevoegd (bijlage 3 bij Primo-07871A). Overigens is uit het dossier af te leiden dat het onmogelijk is gebleken om de maker van de originele foto te achterhalen. De verzoeken worden om die redenen als onvoldoende gemotiveerd afgewezen.

Voorts heeft de verdediging verzocht een aantal getuigen te horen met het doel om de betrouwbaarheid van hun verklaringen te toetsen. De rechtbank overweegt als volgt.

- Verzoek tot het horen van getuige A2638. De juistheid van hetgeen uit de mond van deze getuige is opgetekend is door de verdediging niet concreet betwist. Voor zover de relevantie van het verhoor wordt gemotiveerd om de betrouwbaarheid van de rookspoorfoto te kunnen verifiëren geldt dat die betrouwbaarheid reeds op andere wijzen is getoetst en deze getuige veeleer iets verklaart over het weerbeeld dan over de aard van het rookspoor. Daarnaast bevat het proces-verbaal waarin dit verhoor is gerelateerd eveneens een verklaring van een andere persoon die verklaart over een geheel ander, tegengesteld, weerbeeld.

- Verzoek tot het horen van getuige S36.39 Blijkens de motivering van het verzoek leidt de verdediging uit weergaven van het verhoor in het dossier af dat sprake is geweest van sturing van de getuige en wil hem hierover bevragen. De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van het verhoor van S36 in zijn geheel beschouwd afdoende blijkt op welke wijze het verhoor heeft plaatsgevonden. Niet is gemotiveerd welke informatie de verdediging wil verkrijgen met een nieuw verhoor. Het staat de verdediging vrij zich bij pleidooi uit te laten over de bewijswaarde van de verklaring gelet op de gang van zaken tijdens het verhoor, maar de motivering overtuigt niet van een relevantie voor een nader verhoor.

- Verzoek tot het horen van getuige S19.40 Om de betrouwbaarheid van deze getuige te toetsen wenst de verdediging hem vragen te stellen die, zo constateert de rechtbank, reeds door de getuige zijn beantwoord in zijn verklaring. Een nader verhoor is dan ook zinloos. Daarnaast wordt de verklaring van deze getuige inhoudelijk niet betwist door de verdediging.

- Verzoek tot het horen van getuige S11.41 Zonder concrete betwisting van de inhoud van de verklaring van deze getuige ziet de rechtbank de relevantie van dit verhoor niet.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bovenstaande verzoeken onvoldoende zijn gemotiveerd en worden om die reden afgewezen.

Verzoeken betreffende de beweerdelijke aan- en afvoerroute

Een groot deel van de in dit kader gedane onderzoekswensen betreft verzoeken tot het horen van getuigen die verklaringen hebben afgelegd over de beweerdelijke aanvoerroute van de BUK-TELAR. Uit het voorgaande volgt dat deze wensen eerder in aanmerking komen voor toewijzing indien zij aan de beweerdelijke persoonlijke betrokkenheid van de verdachte raken, dan wanneer zij slechts gaan over het vaststellen van een precieze route. Als de rechtbank het goed ziet, zal het Openbaar Ministerie het bewijs voor de persoonlijke betrokkenheid van de verdachte niet alleen voornamelijk willen baseren op de inhoud van een aantal tapgesprekken, maar waarschijnlijk ook op een volgens het Openbaar Ministerie uit die gesprekken blijkende rit van de verdachte op 17 juli 2014 rond het middaguur naar de directe omgeving van de Furshet-supermarkt in Snizhne. Daar zou de verdachte volgens het Openbaar Ministerie [medeverdachte 2] hebben getroffen die daar zojuist met de BUK-TELAR zou zijn gearriveerd. Uit de verklaringen van de verdachte luidende dat in het betreffende gesprek met “toy” niet op een BUK-TELAR wordt gedoeld en dat hij op 17 juli 2014 (en de dagen rondom die datum) geen BUK-TELAR heeft gezien in het gebied waarin hij zich begaf, begrijpt de rechtbank dat de verdachte dat betwist. Dit alles maakt dus ten aanzien van de beweerdelijke persoonlijke betrokkenheid van verdachte levant de vraag of zich op 17 juli 2014 rond het middaguur een BUK-TELAR (met een begeleidend konvooi waarvan [medeverdachte 2] deel zou hebben uitgemaakt) heeft bevonden in de directe omgeving van de Furshet-supermarkt in Snizhne.

Nu de getuigen S20, V07 en V2242 verklaren over mogelijk relevante waarnemingen in de directe omgeving van de Furshet-supermarkt, zal de rechtbank de gemotiveerde verzoeken tot het horen van deze getuigen toewijzen. De eveneens verzochte getuige V54 heeft weliswaar ook over genoemde supermarkt verklaard, maar de rechter-commissaris heeft nu juist over dit deel van de verklaring van getuige V54 geoordeeld dat deze niet betrouwbaar kan worden geacht. Ten aanzien van getuige V49 geldt dat hij zijn aanvankelijke verklaring over wat getuige bij de Furshet zou hebben gezien, niet heeft gehandhaafd tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris en dat de rechter-commissaris heeft overwogen dat het oordeel betrouwbaar niet kan worden gegeven. De rechtbank acht het nader horen van deze getuige dan ook niet relevant. Dat laatste geldt ook voor getuige V45 die namelijk ter zake slechts van horen zeggen heeft verklaard.

In dit verband zou verder relevant kunnen zijn of op satellietbeelden van kort na 17 juli 2014 meer sporen van een rupsvoertuig te zien zijn nabij de Furshet dan op satellietbeelden van kort vóór 17 juli 2014 en of die zouden kunnen zijn veroorzaakt door een BUK-TELAR. De verdediging heeft in dit kader verzocht de beeldanalist (Primo 17-476)43 als getuige te horen. De rechtbank constateert dat het door de verbalisant gebruikte beeldmateriaal in het dossier is opgenomen. De door de verdediging opgeworpen vragen worden naar het oordeel van de rechtbank reeds afdoende beantwoord in het proces-verbaal van deze verbalisant (Primo-02733). Om die reden is onduidelijk wat de relevantie is van dit verhoor, gelet op de relatieve bewijswaarde van het proces-verbaal van Primo 17-476, nu het slechts een beschrijving betreft van beelden die zich in het dossier bevinden en dus voor een ieder inzichtelijk zijn. Nu het belang bij het horen van Primo 17-476 onvoldoende uit de motivering blijkt, wordt het verzoek afgewezen.

Naast de zojuist genoemde getuigen die over een BUK-TELAR in de directe omgeving van de Furshet supermarkt hebben verklaard, heeft de verdediging ook nog verzocht een groot aantal getuigen te horen die hebben verklaard, of mogelijk zouden kunnen verklaren over de vraag of op andere delen van de beweerdelijke aanvoerroute op 17 juli 2014 al dan niet een BUK-TELAR te zien is geweest. Het gaat om:

- Getuigen [getuige 19] en [getuige 20].44 Deze getuigenzijn volgens het Openbaar Ministerie betrokken geweest bij het vervoer van de beweerdelijke BUK-TELAR vanaf de grens met de Russische Federatie tot aan Donetsk.

- Getuige [getuige 21].45 Deze getuige behoorde tot het Vostok-bataljon, en maakte volgens het Openbaar Ministerie deel uit van een konvooi dat op 17 juli 2014 te Zuhres zou zijn ingehaald door een konvooi waarvan de beweerdelijke BUK-TELAR deel uitmaakte.

- Getuige S01.46 Deze getuige heeft verklaard over een militair transport.

- Getuige S02.47 Deze getuige heeft verklaard een BUK-TELAR in Donetsk te hebben gezien.

- Getuige S04.48 Deze getuige heeft onder meer verklaard over een andere persoon die (mogelijk) een BUK-TELAR in Snizhne heeft gezien.

- Getuige S37.49 Deze getuige heeft verklaard op 17 juli 2014 in Shakhtarsk een transport te hebben gezien waarvan werd gezegd dat een BUK-TELAR daarvan deel uitmaakte.

- Getuige [getuige 22]50. Deze getuige is teamleider bij een Oekraïense grensdienst en heeft verklaard in de middag van 17 juli 2014 meldingen te hebben gekregen over militair materieel dat zich over de beweerdelijke aanvoerroute bewoog en waarvan een BUK-TELAR deel zou uitmaken.

- Getuigen S15, S16, S18, S27, V09, V43, V51 en V5251. Deze getuigen hebben verklaard over een (mogelijke) BUK-TELAR op de beweerdelijke aanvoerroute (en niet over de Furshet).

De doorgaans vrij algemene motivering van het belang bij de verzoeken tot het horen van al deze getuigen komt er in de grote lijn op neer dat de verdediging de juistheid van de verklaring en de betrouwbaarheid van de getuigen wil kunnen toetsen. Deze motivering is te algemeen en schiet daarmee te kort, mede gezien het feit dat het getuigen betreft die enkel hebben verklaard over de beweerdelijke aanvoerroute en hun verklaringen niet raken aan de beweerdelijke persoonlijke betrokkenheid van verdachte. Deze verzoeken worden afgewezen.

De verdediging heeft verder verzocht om het horen van getuigen S0752 en S2153. Ter verificatie van de betrouwbaarheid van laatstgenoemde getuige wil de verdediging bovendien een aantal personen horen die in de verklaring van deze getuige worden genoemd. Het betreft [getuige 23]54, [getuige 24], [getuige 25] en [getuige 26]55, NN1, NN2 en [getuige 27]56, [getuige11]57 en [getuige 28], [getuige 29], [getuige 30], [getuige 31]58 en [medeverdachte 2]59.

De rechtbank zal toewijzen het verzoek tot het horen van getuige S21, nu deze getuige verklaart aan de zijde van de separatisten te hebben gestaan en betrokken te zijn geweest bij het vervoeren van vermoedelijk een BUK-TELAR vanuit Snizhne in de avond van 17 juli 2014. Ondanks dat deze getuige niet over de verdachte verklaart, en bedoelde verklaring zich met name richt op de beweerdelijke afvoerroute, zou deze getuige wellicht (indirect) belastend kunnen worden geacht voor de verdachte. De rechtbank ziet dan ook voldoende belang en relevantie aan de zijde van de verdediging om deze getuige te verhoren. Dat de rechtbank de door het Openbaar Ministerie gedane vordering om deze getuige te horen eerder heeft afgewezen, hield verband met de omstandigheid dat ten aanzien van de vordering van het Openbaar Ministerie een ander toetsingskader moest worden gehanteerd, namelijk de vraag of het horen van deze getuige noodzakelijk was.

Het hiervoor geschetste verdedigingsbelang om S21 te horen, gaat niet op voor het horen van getuige S07 en de overige in dit verband verzochte personen (waarvan zich geen verhoren in het dossier bevinden). Die verzoeken worden afgewezen.

De verdediging wenst medeverdachte [medeverdachte 2]60 ook als getuige te horen en onder meer te vragen of hij opdrachten heeft gegeven aan S21 om een BUK-raket te vervoeren en, zo ja, welke opdrachten dat waren. Het is ontegenzeglijk dat het horen van medeverdachte [medeverdachte 2] van belang is. Het Openbaar Ministerie heeft zich echter op het standpunt gesteld dat het verzoek tot het horen van [medeverdachte 2] dient te worden afgewezen, omdat het redelijkerwijs is uit te sluiten dat hij binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. De rechtbank stelt vast dat het tot maart 2020 niet is gelukt om contact met [medeverdachte 2] te verkrijgen teneinde hem op de hoogte te stellen van de strafzaak en te horen, en dat – voor zover de rechtbank weet – geen woon- of verblijfplaats van hem bekend is. Het is in dit geval aan de rechter-commissaris om te beoordelen of thans wellicht aanknopingspunten beschikbaar zijn voor de wijze waarop met [medeverdachte 2] in contact kan worden gekomen. Indien de rechter-commissaris mocht concluderen dat het niet aannemelijk is dat [medeverdachte 2] binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord, dan zal de rechter-commissaris hierover een proces-verbaal van bevindingen opmaken. Het verzoek wordt dus toegewezen. Hoewel het verzoek [medeverdachte 2] te horen op meerdere plaatsen en om meerdere redenen is gedaan, en het verzoek hem te horen hierboven is afgewezen bij gebrek aan motivering, zal de rechtbank het verhoor van deze getuige vanwege de relevantie daarvan niet clausuleren in onderwerp.

Verder heeft de verdediging verzocht om het verhoor van twee (N.N.) AP-journalisten en [getuige 32]61, uit wier verklaringen kan worden afgeleid dat zich op 17 juli 2014 in de nabijheid van Snizhne tanks zouden hebben bevonden. Ten aanzien van deze getuigen is de rechtbank met het Openbaar Ministerie van oordeel dat het horen van deze getuigen onvoldoende relevant is, nu niet ter discussie staat dat de verdachte op 17 juli 2014 in het kader van zijn taken bemoeienis met tanks heeft gehad. Deze verzoeken worden afgewezen.

Ten aanzien van het verzoek tot het horen van [getuige 33], [getuige 34] en [getuige 35]62, die volgens het Openbaar Ministerie betrokken zouden zijn geweest bij de aanvoer van de beweerdelijke BUK-TELAR, geldt dat tegenover de zeer sterke aanwijzingen in het dossier dat deze personen overleden zijn, geen omstandigheden door de verdediging zijn aangevoerd die zouden wijzen op het tegendeel.

De rechtbank gaat dan ook ervan uit dat deze personen overleden zijn en wijst de verzoeken daarom af.

Het verzoek tot het horen van getuige [getuige 36] en getuigen S30 en S3163 wordt eveneens afgewezen. Met het Openbaar Ministerie is de rechtbank van oordeel dat het verdedigingsbelang ontbreekt nu [getuige 36] uitgebreid ondervraagd is en in geen enkel opzicht een belastende verklaring heeft afgelegd voor de verdachte. Bij het horen van getuigen S30 en S31 (S30 zou hebben verteld dat S31 tegen hem zou hebben gezegd dat [getuige 36] tegen S31 zou hebben gezegd dat hij, [getuige 36], MH17 had neergeschoten), bestaat om die reden onvoldoende verdedigingsbelang. Dat laatste geldt ook voor de verzochte verhoren van [getuige 37] en [getuige 38]64. Ook die verzoeken worden afgewezen.

Daarnaast heeft de verdediging nog verzocht om het horen van een drietal getuigen die hebben verklaard over de beweerdelijke afvoerroute, althans de periode kort na het neerstorten van MH17. Het betreft:

- Getuige S0565. De verdediging wenst deze getuige te bevragen om de betrouwbaarheid, alsmede om de bewijswaarde van wat deze getuige zegt te kunnen onderzoeken en beoordelen.

- Getuige S06 en de persoon waar hij of zij over verklaart met zwartgemaakte naam66. De verdediging wenst S06 te bevragen naar wie de zwartgemaakte naam is om de zwartgemaakte naam te kunnen opgeven als getuige, om hem of haar te vragen wat hij of zij precies zag, alsmede wat hij of zij met dat afgebroken staartdeel heeft gedaan en of hij of zij dat nog ter beschikking heeft.

- Getuige S0867. Deze getuige heeft verklaard in Snizhne een BUK-TELAR te hebben gezien na de ontploffing. Het is de verdediging – door de zwart gemaakte delen – niet duidelijk waar de getuige zich (telkens) precies bevond, wat hij of zij hoorde (en dus vanaf daar kon horen) en of het wel een BUK-raket was, hetgeen voor de betrouwbaarheid van de getuige en de bewijswaarde van zijn verklaring volgens de verdediging van belang is.

De rechtbank is van oordeel dat, nu deze getuigen S05, S06 (en de zwartgemaakte naam) en S08 enkel over de periode kort na het neerstorten van MH17 verklaren en niet verklaren over enige persoonlijke betrokkenheid van de verdachte daarbij, uit de motivering van de verzoeken onvoldoende verdedigingsbelang en relevantie voor een verhoor valt af te leiden. De verzoeken tot het horen van deze getuigen worden dan ook afgewezen.

Verder is door de verdediging verzocht om burgerjournalist [getuige 39] te horen.68 De rechtbank begrijpt dat de verdediging deze getuige wil horen om daarmee de verklaringen van andere in het dossier aanwezige personen op (bewijs)waarde te beoordelen. De rechtbank overweegt dat al een uitgebreid verhoor van deze getuige in het dossier zit en dat onvoldoende is gemotiveerd welke informatie ontbreekt. Bij pleidooi kan de verdediging betogen in hoeverre de verklaring van deze getuige doet twijfelen aan de verklaring van anderen. De vragen over bewijswaardering zijn evenwel bij uitstek aan de rechtbank voorbehouden zodat reeds daarom het verzoek wordt afgewezen.

Tot slot zal de rechtbank het Openbaar Ministerie opdragen de processen-verbaal Primo-00861, Primo-03772, Primo-06315 en Primo-03803 toe te voegen aan het dossier.69 Dit zijn stukken die in het dossier worden aangehaald en waarnaar wordt verwezen. De rechtbank acht het relevant dat de verdediging de inhoud van die stukken kan toetsen. Het verzoek zal derhalve worden toegewezen.

Verzoeken in verband met beeldmateriaal van de beweerdelijke aan- en afvoerroute

De verdediging doet verder een groot aantal verzoeken dat in verband staat met in het dossier opgenomen beeldmateriaal dat volgens het Openbaar Ministerie op 17 respectievelijk 18 juli 2014 op de beweerdelijke aan- en afvoerroute van de BUK-TELAR is vervaardigd70. In dit verband memoreert de rechtbank dat reeds een verwijzing naar de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden voor kort gezegd manipulatie-onderzoek en onderzoek naar de juiste datering van een belangrijk deel van dit beeldmateriaal. Daarbij komt dat de rechtbank heden beslist tot nader manipulatie-onderzoek ten aanzien van de hierna te noemen foto met daarop een wellicht onverklaarbare schaduw. Voorts brengt de rechtbank in herinnering wat hiervoor is overwogen over het relatieve belang van de beweerdelijke aan- en afvoerroute. De rechtbank zal hetgeen is aangevoerd ter onderbouwing van het belang van het uitvoeren van het thans verzochte onderzoek in dit licht beoordelen en, zoals hieronder zal blijken, dit belang in vrijwel alle gevallen van onvoldoende gewicht achten.

Het gaat om de volgende verzoeken:

- Met betrekking tot de foto [adres] Makeevka71. De verdediging wenst degene die de foto aan het onderzoeksteam heeft verstrekt als getuige te horen teneinde vast te stellen waar en wanneer de foto is genomen. Daarnaast wenst de verdediging Primo 17-467 als getuige te horen teneinde vast te stellen hoe vaak en op welke wijze hij contact heeft gehad met degene die de foto heeft verstrekt en wat de inhoud van dit contact is geweest. Daarnaast heeft een lid van [bedrijf 3] de conclusie getrokken dat bepaalde beelden het ‘doorslaggevende bewijs’ zouden tonen dat de foto die in juli 2014 dan wel juli 2017 aan het JIT is toegezonden, in Donetsk is genomen. De verdediging verzoekt daarom om aan het Openbaar Ministerie de opdracht te geven deze informatie te achterhalen zodat deze persoon als getuige(n) kan of kunnen worden opgeroepen om te worden gehoord.

- Met betrekking tot de video Donetsk ([adres])72. De verdediging wil zowel [getuige 40] als de maker van deze video als getuige horen om de opnamedatum en de authenticiteit van het beeldmateriaal te onderzoeken.

- Met betrekking tot de video Makeevka ([adres])73. De verdediging verzoekt om aan het Openbaar Ministerie de opdracht te geven om Primo-07275 aan het dossier toe te voegen teneinde vast te stellen of in het proces-verbaal van veiligstellen van deze video is opgenomen wat de GPS-coördinaten van beweerdelijke opnamelocatie zouden zijn. Tevens verzoekt de verdediging om het Openbaar Ministerie opdracht te geven de afzonderlijke digitale foto’s die zijn afgebeeld op pagina 63 van Primo-02378 aan de verdediging te verstrekken nu het voor de verdediging niet mogelijk is om de stelling van het onderzoeksteam – dat op beide foto’s een aantal voertuigen zichtbaar zijn, waaronder een voertuig met een witte voorkant – te onderzoeken.

- Met betrekking tot de video Torez74. Het onderzoeksteam gebruikt deze video om de beweerdelijke aanvoerroute in kaart te brengen. De uiteenzetting van [de] hoofdinspecteur roept volgens de verdediging veel vragen op. De verdediging wenst daarom de ‘opsporingsambtenaar werkzaam bij de afdeling High Tech Crime’ die deze video heeft onderzocht en bewerkt, als getuige te horen en te vragen waarom deze persoon niet zelf een proces-verbaal van bevindingen heeft opgemaakt, welk tijdstip precies stond op de metadata, wat de aard is van de informatie die geblurred is, of dit personen betreffen. Ook wenst de verdediging de maker van de video als getuige te horen. Tenslotte wenst de verdediging het Openbaar Ministerie opdracht te geven de fotografische afbeeldingen (Primo-07632) aan het dossier toe te voegen nu er maar één referentiefoto onderdeel uitmaakt van het dossier.

- Met betrekking tot de foto Snizhne75. Volgens de verdediging moet onderzoek kunnen worden verricht naar de foto van de beweerdelijke BUK-TELAR in Snizhne. Dergelijk onderzoek kan plaatsvinden door het horen van Primo 17-270 en 17-477. De verdediging wenst 17-47776 te vragen naar kennis en ervaring en de vraag te stellen waarop bepaalde conclusies – met name dat het telkens ‘de buk is die op de beelden te zien zou zijn’ zijn gebaseerd. Omdat het onderzoeksteam volgens de verdediging bovendien sterk leunt op de bevindingen van de schrijver wenst zij ook de schrijver van de website [website] als getuige te horen. Ook wenst de verdediging de maker van de foto als getuige te horen. Verder wenst de verdediging de verbalisanten Primo 17-184 en 17-154 te horen ten aanzien van de door hen verrichte inspanningen om de identiteit van de maker van de foto waarop de BUK-TELAR zou zijn afgebeeld op een locatie in Snizhne te achterhalen. Bovendien wenst de verdediging de persoon die schuilgaat achter de gebruikersnaam [gebruikersnaam] als getuige te horen, om vast te stellen op welke wijze hij de beschikking over de foto heeft gekregen.

- Met betrekking tot de video’s T0522 dig00131xx2378 en dig07691xx237877. Het proces-verbaal van veiligstellen van de video, Primo-00131, is niet gevoegd in het procesdossier waardoor beweringen van het onderzoeksteam door de verdediging niet kunnen worden getoetst. De verdediging verzoekt daarom om het Openbaar Ministerie de opdracht te geven dit proces-verbaal alsnog toe te voegen aan het dossier, alsmede het proces-verbaal met Primo-07691 te verstekken. Dit betreft het veiligstellen van dezelfde video met een betere beeldkwaliteit vanaf YouTube. Ook wenst de verdediging de maker van de video waarop de BUK-TELAR te zien zou zijn als getuige te horen om het beweerdelijke tijdstip en de locatie van opname van de video te onderzoeken en om de authenticiteit van de beelden vast te stellen.

- Met betrekking tot de video Luhansk78. De verdediging wenst Primo 17-248 als getuige te horen om inzicht te krijgen in het door hem uitgevoerde onderzoek naar de camera waarmee de video waarop een BUK-TELAR op de beweerdelijke afvoerroute zou zijn gefilmd en de SD kaart waarop dit beeldmateriaal zou zijn opgeslagen. Ook wenst de verdediging [getuige 41] als getuige te horen om vast te stellen op welke wijze hij die beschikking heeft gekregen over het enige beeldmateriaal dat zou bestaan van de BUK-TELAR op de beweerdelijke afvoerroute. Bovendien wenst de verdediging [getuige 42] als getuige te horen om hem te bevragen, en na dit verhoor de leden van de geheime observatie-eenheden van de MVD, die het transport van de beweerdelijke BUK-TELAR in de vroege ochtend van 18 juli 2014 zouden hebben gezien. Ook wenst de verdediging degene die de video in Luhansk heeft gemaakt als getuige te horen om zekerheid te krijgen omtrent de datum, het tijdstip en de locatie waar het beeldmateriaal zou zijn opgenomen.

- Zwartgemaakte naam (over wie S17 verklaart) en getuige S1779. De verdediging wenst de zwartgemaakte naam te vragen naar waar en wanneer hij of zij precies deze beelden heeft gemaakt en of hij of zij bereid is deze beelden te delen. Aan S17 wil de verdediging vragen naar contactgegevens van de zwartgemaakt naam, alsmede naar het (precieze) moment waarop hij of zij deze beelden van de zwartgemaakte naam zou hebben gezien en wat hij of zij precies zag.

- Getuigen S32 en S3380. De verdediging wenst S32 voor te houden dat niet kan worden uitgesloten dat de video in 2012 of in ieder geval eerder dan op 16 en 17 juli 2014 is gemaakt en hem naar een reactie te vragen. Daarnaast wil de verdediging S33 vragen of S32 hem heeft verteld wanneer de video is gemaakt.

- De filmer uit Zuhres81. De verdediging wenst deze filmer te horen teneinde de authenticiteit van de video en de datum waarop deze is gemaakt, te kunnen onderzoeken.

- Getuigen [getuige 43], [getuige 44] en NN-fotograaf82. Het horen van deze getuigen is volgens de verdediging noodzakelijk om hen nader te kunnen bevragen over de datum, het tijdstip en de locatie waarop de foto in Torez zou zijn genomen en om in de gelegenheid te kunnen worden gesteld deze foto nader te onderzoeken. Voorts wenst de verdediging deze getuigen te bevragen over het op voorhand volgens haar niet al te betrouwbaar overkomende verhaal over videocamera’s die zouden hebben vastgelegd dat militair materiaal door de straten van Snizhne en Torez werd vervoerd om onderzoek te doen teneinde vast te stellen of hetgeen dat is verklaard klopt. Maar ook om inzicht te krijgen in het soort militair materieel dat op de beelden zou zijn vastgelegd, moeten deze getuigen volgens de verdediging worden gehoord.

Kort gezegd betreffen het verzoeken van de verdediging die gericht zijn op het horen van getuigen waaronder de makers van het materiaal, de verbalisanten die het materiaal ontvangen hebben en derden, waaronder derden die buiten het kader van het opsporingsonderzoek zelfstandig onderzoek naar de plaats van opname hebben verricht, teneinde beweerdelijke opnamedatum en authenticiteit te verifiëren. In het licht van de omstandigheid dat het videomateriaal niet de beweerdelijke afvuurlocatie toont, het onderzoek dat reeds door de rechtbank naar opnamedatum en authenticiteit is bevolen en het beeldonderzoek dat gedurende het opsporingsonderzoek (mede door het NFI) is verricht, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende relevantie is gebleken ten aanzien van het in dit kader gevraagde onderzoek. Deze verzoeken worden dan ook afgewezen.

Ten aanzien van het verzoek van de verdediging tot het horen van de rapporteur van Primo-13488 ([NFI-deskundige 6])83 over een afwijkende schaduw op een foto, overweegt de rechtbank dat zij met de verdediging de relevantie ziet van de vraag of ten aanzien van deze foto wellicht sprake is van beeldmanipulatie. Veeleer dan het horen van de opsteller van het genoemde NFI rapport ([NFI-deskundige 6]) ligt het naar het oordeel van de rechtbank voor de hand om onderzoek aan de bron zelf te verrichten, namelijk technisch (digitaal) onderzoek door een deskundige naar eventuele beeldmanipulatie van de betreffende foto. De rechtbank zal de zaak naar de rechter-commissaris verwijzen voor het verrichten van dit onderzoek. De rechtbank merkt daarbij op dat dit onderzoek mogelijkerwijze kan worden verricht door dezelfde deskundige die het reeds toegewezen onderzoek naar mogelijke manipulatie van videomateriaal van een BUK-TELAR in Snizhne gaat uitvoeren, waarnaar hierboven reeds is verwezen.

Voorts constateert de rechtbank dat de door verbalisant Primo 17-18184 genoemde bron van informatie reeds in het dossier is opgenomen (Primo-02733). Om die reden ontbeert het verzoek tot het horen van deze getuige op dit punt feitelijke grondslag. Daarnaast heeft deze verbalisant weliswaar het dossier samengesteld, maar heeft hij dat gedaan in opdracht en onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie. De door de verdediging opgeworpen vragen moeten daarom aan het Openbaar Ministerie worden gesteld en niet aan deze verbalisant. Diens verhoor is daarom zinloos en wordt afgewezen.

Voorts constateert de rechtbank dat de door de verdediging opgeworpen vragen aan de rapporteur van het KNMI (KNMI-deskundige 1)85 niet zijn gebaseerd op een betwisting van de inhoud van het rapport van deze rapporteur, maar gericht zijn op het verkrijgen van verduidelijking van dat rapport. Een dergelijke algemene motivering zonder een daaraan ten grondslag liggende concrete betwisting is niet toereikend voor toewijzing van het verzoek, zodat dit wordt afgewezen.

De rechtbank constateert verder dat de vragen van de verdediging die zien op de eventuele beschikbaarheid van beelden van een Chinese satelliet reeds afdoende worden beantwoord in een reeds in het dossier opgenomen rapport van het European Space Agency (ESA) (Primo-09908). Voor wat betreft de opgeworpen vragen omtrent het SEVERI-instrument/hittescanbeelden heeft het Openbaar Ministerie de vindplaats van de antwoorden daarop in het dossier aangegeven (Primo-09909). Om die redenen ontbeert het verzoek tot het horen van Primo 17-10586 feitelijke grondslag en wordt het afgewezen.

De verdediging heeft tevens verzocht tot het horen van vier onderzoekers van het European Space Agency (ESA) over een door hen opgesteld rapport.87 De rechtbank begrijpt dat de reden van de verdediging om deze getuigen te horen is gelegen in het (kunnen) toetsen van de betrouwbaarheid van het rapport (Primo-09910), om als bewijs te kunnen worden gebruikt. Van een concrete betwisting van de inhoud daarvan is evenwel geen sprake. Het verzoek wordt om die reden als onvoldoende gemotiveerd afgewezen.

Daarnaast heeft de verdediging verzocht ESA-onderzoekers ([ESA-onderzoeker 1], [ESA-onderzoeker 2] en [ESA-onderzoeker 3]) te horen over de gereconstrueerde aanvoerroute.88 Ten aanzien van het verzoek tot het verstrekken van originele (satelliet)foto’s heeft het Openbaar Ministerie aangegeven dat in het dossier fotomateriaal van betere kwaliteit aanwezig is dan het door de verdediging genoemde materiaal. Het Openbaar Ministerie heeft daarvan ook de vindplaats aangewezen. De rechtbank heeft via het doorklikken in het ESA rapport weliswaar van een aantal foto’s een bestand met een betere kwaliteit aangetroffen. Dat geldt evenwel niet voor door de verdediging getoonde foto. De rechtbank overweegt dat de ESA haar bevindingen kennelijk baseert op een satellietfoto, waarop kan worden ingezoomd. De ESA heeft vervolgens van verschillende stadia van inzoomen afdrukken in het rapport opgenomen. De ter zitting getoonde vage foto is een afdruk van een beeld dat is verkregen nadat ver is ingezoomd op de satellietfoto. Om de gerelateerde waarnemingen van de ESA te kunnen toetsen is het noodzakelijk dat deze satellietfoto in het dossier is opgenomen. De originele satellietfoto in waarschijnlijk een .TIF opmaak heeft de rechtbank echter niet kunnen vinden. De rechtbank heeft in zijn algemeenheid geconstateerd dat beeldmateriaal in .TIF format zeer lastig in (het Mediabestand van) het dossier is terug te vinden. Dat lijkt te komen omdat niet alle beeldmateriaal is ‘gelinkt’. Sommig beeldmateriaal is uiteindelijk vindbaar vanwege de aanduiding met een Primo-nummer, maar ander beeldmateriaal kent een dergelijke aanduiding niet. Daarom zal de rechtbank het Openbaar Ministerie gelasten (los van het bestaande Mediabestand, wellicht in de vorm van een A-4 in Word opmaak) een overzicht te maken van alle in het dossier als .TIF bestand opgenomen satellietbeelden, waarbij die beelden een logische naam krijgen (bijvoorbeeld Landbouwveld 16 juli 2014, Landbouwveld 21 juli 2014) en zijn gelinkt naar het betreffende bestand. Voor zover de satellietfoto die ten grondslag ligt aan het ESA rapport als .TIF bestand reeds in het dossier is opgenomen dient die in het voornoemde overzicht te worden opgenomen. Indien die foto zich niet reeds in het dossier bevindt draagt de rechtbank het Openbaar Ministerie op deze in het dossier te voegen en aan het overzicht toe te voegen. De rechtbank ziet – naast het voorgaande – geen relevantie bij het nader horen van de genoemde deskundigen van de ESA. Daartoe overweegt zij dat de deskundigen in het rapport duidelijk hebben aangegeven wat zij op de foto’s hebben waargenomen. De verdediging zal dit op basis van de satellietfoto’s zelf kunnen nagaan. De vraag of deze waarnemingen die in de ‘tussenconclusie’ worden besproken de eindconclusie in voldoende mate kunnen dragen is iets waar de deskundigen zelf in het rapport hun visie al op hebben gegeven. De verdediging zal bij pleidooi kunnen aangeven hoe zij hiertegen aankijkt. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Ook heeft de verdediging verzocht tot het horen van drie deskundigen van het NFI ([NFI-deskundige 7], [NFI-deskundige 8] en [NFI-deskundige 6]) en twee militair adviseurs ([getuige 45] en [getuige 46]).89 Voor wat betreft de ervaring van de gevraagde deskundigen en militair adviseurs met TELAR’s constateert de rechtbank dat in het NFI-rapport (Primo-06616) voor elk van hen wordt beschreven waarop hun ervaring is gebaseerd. Zonder verdere betwisting daarvan ontbeert het verzoek tot het horen van voornoemde personen daarover voldoende motivering. Voor wat betreft de (inhoudelijke) bevraging van de deskundigen van het NFI ziet de rechtbank niet in hoe en wat de deskundigen zouden kunnen concluderen indien zij de door hen beschreven beperkingen niet zouden hebben ondervonden. Een verhoor daarover is derhalve zinloos. Om voornoemde redenen wordt het verzoek tot het horen van deze deskundigen en deze militair adviseurs afgewezen.

Ten aanzien van het NFI-rapport van Primo-12574 wenst de verdediging de rapporteurs ([NFI-deskundige 6], [NFI-deskundige 9] en [NFI-deskundige 10]) te horen.90 Uit het rapport volgt echter dat de opsteller dit rapport slechts één persoon betreft, namelijk [NFI-deskundige 6]. De rechtbank constateert dat de door de verdediging opgeworpen vragen niet zijn gebaseerd op een betwisting van de inhoud van het rapport, maar gericht zijn op verduidelijking van dat rapport. Een dergelijke algemene motivering zonder concrete betwisting is niet toereikend voor toewijzing van het verzoek, zodat het wordt afgewezen. Nu het verzoek tot het horen van deze rapporteurs zal worden afgewezen dient het voegen van de gevraagde ‘startinformatie’ – teneinde het verhoor effectief te doen zijn – geen doel, zodat ook dat verzoek wordt afgewezen.

Nog daargelaten dat de chronologie de inhoud en de duiding van het gerelateerde in Primo-13488 niet raakt, ziet de rechtbank, met de door het Openbaar Ministerie gegeven uitleg over die chronologie, de relevantie van toevoeging van de NFI-rapporten d.d. 13 juni 2019, de herziening d.d. 23 september 2019 en de aanvulling d.d. 17 oktober 201991 niet. Dit verzoek wordt derhalve afgewezen.

Met betrekking tot het verzoek tot het toevoegen van de aanvragen met nummers 210, 211 en 212 en de daarbij verstrekte opdrachten bij de NFI-rapporten Primo-13488 en Primo-1257492 overweegt de rechtbank dat het verzoek tot het voegen van de NFI-rapporten waarop deze aanvraagnummers betrekking hebben wordt afgewezen bij gebrek aan concrete relevantie. Het verzoek tot het toevoegen van de daaraan gerelateerde aanvraagnummers en de verstrekte opdrachten dient daarom geen doel en wordt eveneens afgewezen.

Verzoeken in verband met de interpretatie van telefoonverkeer

De verdediging heeft verzocht om een aantal personen als getuige te horen die zouden kunnen verklaren over de wijze waarop bepaalde termen die in tapgesprekken voorkomen moeten worden begrepen. Deze verzoeken zijn ingegeven door het standpunt van de verdachte dat daar waar over “BUK” gesproken wordt, niet over een werkelijke BUK-TELAR wordt gesproken, maar dat die term wordt gebruikt om de vijand, waarvan de separatisten wisten dat zij meeluisterden, te misleiden. Daarnaast stelt de verdachte zich op het standpunt dat bepaalde andere termen door het Openbaar Ministerie ten onrechte als versluierende termen voor een BUK-TELAR worden beschouwd. De verdediging wenst dit aan de getuigen voor te leggen. Het gaat om verzoeken tot het horen van de volgende personen:

- Medeverdachte [medeverdachte 1]93. De verdediging wenst zowel [medeverdachte 1] als de hierna genoemde [getuige 47] te vragen wat bedoeld werd met, respectievelijk begrepen is van, de tekst dat ergens een “BUK” naartoe zou worden gestuurd en dat het “vuren van hen bepaald geen kinderspel was”.

- Getuige [getuige 47]94. De verdediging wenst deze getuige te vragen wat hij bedoelde met “units” in het gesprek met een telefoonnummer dat aan [medeverdachte 1] wordt toegeschreven.

- Getuigen [getuige 48] en [getuige 49[95. De verdediging wenst de deelnemers van het gesprek te horen waarin is te horen dat ze een ‘Carpathian Tree’ en twee BTR’s begeleiding nodig hebben. Het JIT vermoedt dat met deze term wordt gedoeld op de BUK-TELAR waarmee MH17 eerder die dag zou zijn neergehaald.

- Getuigen [getuige 48] en [getuige 50]96. De verdediging vindt dat duidelijkheid moet komen over de vraag of “de buks” waarover [getuige 48] en [getuige 50] zouden spreken inderdaad niet zijn aangekomen en waarom niet, alsmede over de vraag of het een deception call zou kunnen zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte voldoende belang heeft bij de verzoeken tot het horen van [medeverdachte 1]. Uit hetgeen [medeverdachte 1] in de ter zitting getoonde video van het interview dat hij heeft gegeven aan [bedrijf 2] heeft verklaard, leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] bereid is medewerking te verlenen aan een verhoor. Het verzoek tot het horen van [medeverdachte 1] wordt toegewezen. Vanwege de relevantie van diens verhoor zal de rechtbank het verhoor van deze getuige niet clausuleren in onderwerp.

Ten aanzien van [getuige 47] overweegt de rechtbank dat er onvoldoende belang is bij het horen van [getuige 47], nu [medeverdachte 1] kan worden bevraagd over de inhoud van de gesprekken. Dit verzoek wordt afgewezen.

Met het Openbaar Ministerie is de rechtbank van oordeel dat uit de motivering van de verzoeken tot het horen van [getuige 48], [getuige 49] en [getuige 50] onvoldoende belang valt af te leiden: het gesprek tussen [getuige 48] en [getuige 49] betreft hooguit wellicht de beweerdelijke afvoerroute en het gesprek tussen [getuige 48] en [getuige 50] staat ook in een te ver verwijderd verband tot de verdenking. Die verzoeken worden afgewezen.

De verdediging heeft in dit verband nog een voorwaardelijk verzoek gedaan tot de benoeming van een deskundige op het gebied van deception calls97. De verdediging stelt dat het een feit van algemene bekendheid is dat tijdens oorlogen veel telefoongesprekken worden afgeluisterd en heeft verzocht – mocht de rechtbank daarover twijfelen – daaromtrent een deskundige te benoemen. Evenals het Openbaar Ministerie is de rechtbank van oordeel dat de voorwaarde waaronder dit verzoek is gedaan niet opgaat, zodat over dit verzoek geen beslissing hoeft te worden genomen.

Overige verzoeken

De verdediging heeft verzocht om [getuige 51], [getuige 52], [getuige 53], S25, [getuige 54] en zwartgemaakte naam98 te horen als getuigen. De verdediging wenst deze getuigen vragen te stellen over de inbeslagname van de Volvo-truck met oplegger waarop de BUK-TELAR zou zijn vervoerd, of deze truck ooit eerder is verhuurd aan anderen onder wie het Oekraïense leger, of een tank of een BUK is vervoerd, wie de opdracht daartoe heeft gegeven, welke informatie die opdracht bevatte, wat er precies is gedaan, met wie en waar, wat en aan wie vervolgens is gerapporteerd.

De rechtbank overweegt ten aanzien van voornoemde getuigen dat dit geen getuigen betreffen die hebben verklaard op de beweerdelijke afvuurlocatie te zijn geweest, noch getuigen die iets hebben verklaard over de beweerdelijke persoonlijke betrokkenheid van de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat het horen van deze getuigen met deze motivering in redelijkheid van belang zou kunnen zijn voor enige in de strafzaak van de verdachte te nemen beslissing. Wat deze getuigen verklaren staat in een te ver verwijderd verband tot het tenlastegelegde. De verzoeken worden afgewezen.

Voorts wenst de verdediging de Oekraïense (ex-)militair99 te horen. De verdediging wenst de getuige te vragen naar een BUK met nummer 312, of het Oekraïense leger daarover beschikte en of deze meer dan eens werd vervoerd op een lowboy, alsmede wanneer de BUK 312 op een lowboy is vervoerd. Om de bewijswaarde te kunnen beoordelen van de video’s en foto’s van een BUK die zich in het procesdossier bevindt, is deze informatie volgens de verdediging noodzakelijk. De door de verdediging opgeworpen vragen worden naar het oordeel van de rechtbank echter reeds afdoende beantwoord in het dossier, te meer nu het Openbaar Ministerie ook niet betwist dat een dergelijke BUK in Oekraïne heeft rondgereden en foto’s van deze BUK ook als referentiemateriaal zijn gebruikt. Om die redenen is het verzoek zinloos en wordt afgewezen.

Het verzoek tot het horen van getuigen S24100 en [getuige 55]101wordt afgewezen. Met het Openbaar Ministerie is de rechtbank van oordeel dat het verzoek is gegrond op een verkeerde lezing van het proces-verbaal van verhoor van S24. Deze getuige verklaart namelijk weliswaar dat [getuige 55] medeverantwoordelijk zou zijn voor het neerhalen van MH17, maar uit het vervolg van die netto-verklaring volgt dat [getuige 55] in de Russische Federatie voormalige officieren heeft geworven en gemobiliseerd voor de strijd in Oost-Oekraïne en niet - zoals de verdediging stelt - dat die groep onder zijn leiding valt.

Dit verzoek ontbeert dan ook feitelijke grondslag en wordt afgewezen. De afgeschermde verklaring van S24 zal om die reden ook niet aan het dossier worden toegevoegd.

Ook wordt het verzoek tot het horen van getuige [getuige 56]102 afgewezen. Deze getuige heeft verklaard dat [medeverdachte 1] tegen hem heeft gezegd dat hij ([medeverdachte 1]) zorgde voor de doorgang van de BUK op het grondgebied van de provincie van Donetsk. Later zou [medeverdachte 1] dit hebben herhaald, maar eveneens tegen hem hebben gezegd dat het vliegtuig door een Oekraïense piloot is neergeschoten. Nu [medeverdachte 1] reeds als getuige zal worden gehoord en deze getuige niets verklaart over betrokkenheid van verdachte mist dit verzoek naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang.

De rechtbank constateert voorts dat de getuigen G9081 en G9462103 in hun verklaringen vragen over hun deskundigheid en over de ideale omgevingsomstandigheden voor plaatsing van Surface-to-Air Missile (SAM) systemen en meer specifiek een TELAR, omstandig hebben beantwoord. Van een concrete betwisting van de inhoud van hun verklaringen is bovendien geen sprake. Het verzoek tot het horen van deze getuigen wordt derhalve afgewezen. De rechtbank merkt terzijde op dat het verzoek tot het horen van getuige G9081 om andere redenen bij tussenbeslissing van 3 juli 2020 reeds is toegewezen. Het ligt voor de hand dat in dat verband ook vragen over de deskundigheid van die getuige door de verdediging zullen en kunnen worden gesteld.

Verder heeft de verdediging verzocht tot verstrekking van nadere informatie over de rechtmatigheid van Primo’s.104 Met het Openbaar Ministerie constateert de rechtbank dat in een overkoepelend proces-verbaal en op een eerdere zitting door het Openbaar Ministerie twee personen onder Primo-nummer ten onrechte als verbalisant zijn aangeduid. Het Openbaar Ministerie heeft hierover uitgelegd dat sprake is van een verschrijving in het overkoepelend proces-verbaal en dat het Openbaar Ministerie deze verschrijving heeft overgenomen in de reactie ter zitting. In de processen-verbaal die ten grondslag liggen aan het bedoelde overkoepelend proces-verbaal is de functie van deze Primo’s, zo constateert ook de rechtbank, steeds op juiste wijze vermeld. De rechtbank constateert daarmee dat uit de bron zelf de juiste informatie over deze Primo’s volgt. Van of over elke persoon met een Primo-nummer bestaan dergelijke brondocumenten, waaruit telkens hun functie en bevoegdheden blijken. Deze zijn dus in alle gevallen verifieerbaar. De rechtbank is van oordeel dat het gegeven dat sprake is van een verschrijving/verspreking ten aanzien van twee Primo’s niet betekent dat daarmee zonder verdere motivering gerechtvaardigd de (strafrechtelijk relevante) status van personen met een Primo-nummer in twijfel kan worden getrokken, te meer nu het betreffende bronmateriaal zich in het dossier bevindt. Het verzoek ontbeert daarom concrete motivering en de rechtbank zal het derhalve afwijzen.

Tot slot heeft de verdediging verzocht tot het horen van de vinder/aanwijzer van de beweerdelijke raketbuis.105 De verdediging wenst deze getuige te horen omdat die kan verklaren over het moment, de precieze locatie en omstandigheden waaronder hij voornoemde raketbuis heeft gevonden. De rechtbank leidt uit de aanvullende verhoren door de rechter-commissaris van de getuigen Primo 17-511 en Primo 17-512 af dat de vinder en de aanwijzer van de buis dezelfde persoon is, zodat de rechtbank om die reden niet hoeft te beslissen op het verzoek de aanwijzer te horen. De rechtbank constateert voor wat betreft de vragen die de verdediging aan de vinder zou willen stellen dat uit de reeds in het dossier opgenomen (aanvullende) verhoren door de rechter-commissaris van Primo 17-511, Primo 17-512, Primo 17-496 en Primo 17-495 blijkt dat die ook ter gelegenheid van die verhoren zijn opgeworpen. Uit de processen-verbaal van hun verhoor blijkt dat voor wat betreft het moment van vinden van de buis een antwoord is gegeven door de getuigen en dat de antwoorden op de overige vragen zijn ‘gezwart’. Zonder daarmee vooruit te lopen op de inhoud van de verklaring die de vinder als getuige zou kunnen afleggen volgt naar het oordeel van de rechtbank reeds daaruit genoegzaam dat ook de dan te geven antwoorden buiten het dossier zullen blijven. Het ligt dan ook niet in de lijn der verwachting dat een verhoor van de vinder van de buis meer antwoorden zal opleveren op de door de verdediging opgeworpen vragen dan hetgeen uit het reeds beschikbare materiaal over het moment en de locatie van aantreffen valt af te leiden. Om die reden is een verhoor van de vinder zinloos en zal dus worden afgewezen.

Resterende (meervoudig gedane) verzoeken

Ten slotte merkt de rechtbank op dat de verdediging meerdere verzoeken heeft gedaan in verschillende onderdelen van de pleitaantekeningen, met daarbij deels andere motiveringen. Het gaat om het horen van de volgende getuigen:

- Getuige S01106. Een andere reden voor de verdediging om deze getuige te horen is gelegen in het (kunnen) toetsen van de betrouwbaarheid van de door de getuige afgelegde verklaring om als bewijs te kunnen worden gebruikt. Van een concrete betwisting van de inhoud daarvan is evenwel geen sprake. Daarnaast is uit de context van het verhoor duidelijk dat het veld waarover getuige verklaart, is gerelateerd aan een door getuige gezien militair konvooi begin juli 2014 elders in Oost-Oekraïne, zodat een relatie daarvan met het verwijt aan de verdachte zonder nadere motivering niet direct valt in te zien. Het ook aldus gemotiveerde verzoek wordt om die redenen als onvoldoende gemotiveerd afgewezen.

- Getuige S04107. Ook om de betrouwbaarheid van deze getuige te toetsen wenst de verdediging hem vragen te stellen die echter, zo constateert de rechtbank, reeds door de getuige zijn beantwoord in zijn verklaring. Daarnaast wordt de verklaring van deze getuige inhoudelijk niet betwist door de verdediging. Om die redenen wordt het ook aldus gemotiveerde verzoek als onvoldoende gemotiveerd afgewezen.

- Getuige S37108. Zonder concrete betwisting van de inhoud van de verklaring van deze getuige ziet de rechtbank de relevantie van dit verhoor, om daarmee louter ook de betrouwbaarheid van deze getuige te toetsen, niet. De rechtbank wijst dit ook aldus gemotiveerde verzoek als onvoldoende gemotiveerd af.

- Getuigen V44, V45, V47, V51 en V54109. Deze (deels ook om andere redenen verzochte) getuigen zijn door de rechter-commissaris gehoord en de rechter-commissaris heeft zich in dat verband reeds uitgelaten over hun betrouwbaarheid. Een verhoor van hen om die reden is derhalve zinloos. Vragen over bewijswaardering, waarbij ook eventuele onderlinge tegenstrijdigheid van verklaringen wordt betrokken, zijn bij uitstek aan de rechtbank voorbehouden zodat ook een verhoor om die reden wordt afgewezen.

Het verzoek tot het verstrekken van telecomgegevens van getuigen

De verdediging verzoekt verstrekking van telecomgegevens van getuigen, ter verificatie of deze getuigen bijvoorbeeld volgens deze gegevens waren op de tijd en plaats die uit hun verklaring blijkt. Het verzoek betreft de gegevens van S02, S05, S08, S12, S15, S16, S18, S20, S27, S32, S37, V7, V9, V11, V22, V43, V49, V51, V52, V54, X48, maker foto ‘Buk [adres] Donetsk, maker video [adres] Donetsk, maker video’s Zuhres, maker foto Torez, maker foto Torez, maker foto Snizhne, maker video Snizhne, [getuige 57], [getuige 26], [getuige 58], [getuige 29], [getuige 30], [getuige 59], [getuige 23], [getuige 27] (de beweerdelijke chauffeur van de dieplader), NN1 en NN2 (de twee mannen die in de cabine van de dieplader zouden hebben gezeten tijdens het afvoeren van de BUK-TELAR), alsmede [getuige 18]; [getuige 60], S36, S13 en de maker van de foto’s, S04, S19, S11, V44, V45, V47 en V51.110

Dit verzoek komt slechts ten dele voor toewijzing in aanmerking. Van verstrekking aan de verdediging kan geen sprake zijn, nu het (voornamelijk) gegevens van getuigen betreffen waarvan de identiteit beschermd is en verstrekking van deze gegevens tot het onthullen van deze identiteit zou kunnen leiden. Er bestaat slechts aanleiding de rechter-commissaris deze verificatie te laten uitvoeren, zoals dat bij een groot aantal V-getuigen al gebeurd is. Bij een dergelijke verificatie bestaat verder geen belang ten aanzien van personen die niet verhoord zijn en ook niet zullen worden verhoord. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen voor zover het ziet op getuigen die nog door de rechter-commissaris zullen worden gehoord en ten aanzien van wie nog geen verificatie heeft plaatsgevonden. Het betreft dan ook de verificatie van de betrouwbaarheid aan de hand van telecomgegevens ten aanzien van S40, S20 en, voor zover dat nog niet is geschied, V07 en V22. De telecomgegevens dienen alleen aan de rechter-commissaris te worden verstrekt. Ten aanzien van de overige gevraagde getuigen wordt het verzoek afgewezen.

Verzoeken die de rechtbank als vervallen beschouwt

De rechtbank beschouwt de volgende verzoeken van de verdediging als vervallen, zodat daarop geen beslissing meer wordt genomen:

- Voegen originele satellietbeelden Primo-02733111. Het Openbaar Ministerie heeft de vindplaats van deze beelden in het dossier aangegeven.

- Voegen van ontbrekende stukken112. Voor zover dit verzoek betrekking heeft op de stukken Primo-00319 en Primo-00387 heeft de verdediging aangeven deze stukken reeds van het Openbaar Ministerie te hebben ontvangen. Ook voor wat betreft Primo-00361 heeft het Openbaar Ministerie de vindplaats in het dossier aangegeven.

Heeft verdachte een rol gehad bij de tenlastegelegde feiten?

Zoals reeds eerder overwogen begrijpt de rechtbank verdachte zo, dat hij zich op het standpunt stelt dat hij niet betrokken was bij het bestellen, bewaken, verbergen, vervoeren van een BUK-raket naar Pervomaiskyi, het instrueren van de bemanning daarvan, het (doen) afvuren van een BUK-raket en/of het neerhalen van vlucht MH17. Verdachte en zijn ondergeschikten hebben geen BUK gezien in het gebied waar hij met zijn ondergeschikten militair actief was. Verdachte heeft ook niets waargenomen van wat wel is gebeurd op 17 juli 2014 met vlucht MH17; hij heeft daarvan geen directe kennis. Ook hij zou daarnaar moeten gissen.

Beoordeling telecomverzoeken en tapgesprekken

De verdediging heeft in juni 2020 een aantal verzoeken ingediend ten aanzien van telecomgegevens en tapgesprekken. Het gaat daarbij om onderzoekswensen die verband houden met de locatiebepaling van de aan verdachte toegeschreven telefoonnummers, de selectie van tapgesprekken, de stemherkenning van, de vertaling van tapgesprekken en het ontbreken van tapgesprekken. Verzocht is om:

  • -

    een verhoor van een viertal verbalisanten (Primo 17-841, Primo 17-843, Primo17-844 en Primo 17-149) over de betrouwbaarheid van de op grond van historische telecomgegevens verrichte locatiebepaling van de telefoons die aan verdachte zouden toebehoren;

  • -

    een verhoor van het hoofd van het Incident Response Centre van de SBU in Kiev en een viertal verbalisanten (Primo 17-275, Primo 17-170, Primo 17-177 en Primo 17-078) over de wijze waarop de selectie van tapgesprekken heeft plaatsgevonden;

  • -

    een verhoor van een verbalisant (Primo 17-147) over de wijze waarop de tolken zijn omgegaan met de problemen die voortkomen uit het omzetten van een taal uit de ene taalfamilie – in dit geval het Russisch – naar een taal uit een andere taalfamilie, het Engels;

  • -

    een verhoor van een drietal verbalisanten (Primo 17-170, Primo 17-147 en Primo 17-399) over de vraag wie de stem van verdachte zou hebben herkend tijdens gesprekken over de aan verdachte toegeschreven telefoons en op grond waarvan die herkenning precies heeft plaatsgevonden;

  • -

    een verhoor van een drietal verbalisanten (Primo 17-181, Primo 17-407 en Primo 17-352) betreffende 53 gesprekken over afgetapte lijnen die op 17 juli 2014 tussen 15:00 uur en 15:30 uur hadden plaatsgevonden, maar waarvan geen audio beschikbaar is, volgens de provider vanwege enkele noodsituaties.

De verdediging heeft bij brief van 11 november 2020 te kennen gegeven voornoemde onderzoekswensen te handhaven. Ten aanzien van de onderzoekswensen die zien op de locatiebepaling door middel van zendmastgegevens heeft de verdediging onder meer gesteld dat het onderzoek in juni 2015 de nodige beperkingen kende. De verdediging wil de betrouwbaarheid van het onderzoek toetsen omdat met betrekking tot verdachte, maar ook ten aanzien van andere personen dan verdachte – bij het construeren van de beweerdelijke aanvoer- en afvoerroute en afvuurlocatie – veelvuldig gebruik wordt gemaakt van de gegevens van het locatieonderzoek. Ten aanzien van de selectie van tapgesprekken heeft de verdediging gesteld dat het van belang is een volledig beeld van de tapgesprekken te hebben met het oog op onderwerpen als de ‘chain of command’, de troepenbewegingen, de transporten van militaire voertuigen, de aanwezigheid van andere grondraketten dan BUK-raketten en de ontwikkelingen van de oorlog aan de frontlinie. Aanvullend is verzocht om – indien deze zijn veiliggesteld door het JIT – tapgesprekken van de Oekraïense strijdkrachten. De beslissing op het verzoek tot het horen van Primo 17-147 over de vertaling van tapgesprekken kan wat de verdediging betreft worden aangehouden tot na het horen van getuigen over ‘hetgeen wat zij in afgeluisterde telefoongesprekken hebben bedoeld te zeggen’. In aanvulling op de onderzoekswensen met betrekking tot de stemherkenning van verdachte is door de verdediging verzocht ten aanzien van een tapgesprek op 17 juli 2014 om 19.01.38 uur getuige ‘[getuige 61]’ te horen, alsmede een linguïstisch expert te benoemen teneinde vast te stellen of het gesprek mogelijk ten onrechte aan wordt toegeschreven, dan wel bewerkt of gemanipuleerd is.

Het Openbaar Ministerie heeft zich verzet tegen toewijzing van al deze verzoeken.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij tussenuitspraak van 3 juli 2020 heeft de rechtbank de beslissing op de ‘telecomverzoeken’ van de verdediging aangehouden omdat verdachte zich nog niet had uitgelaten over de vraag of de telefoonnummers die het Openbaar Ministerie aan hem toeschrijft inderdaad van hem waren, en of hij inderdaad heeft deelgenomen aan de gesprekken waarvan het Openbaar Ministerie meent dat dat zo is, dan wel - indien de telefoons inderdaad van hem waren – hij meent dat deze onjuist zijn gelokaliseerd op 16 en 17 juli 2014. Evenmin was duidelijk of verdachte, als hij inderdaad gespreksdeelnemer was, meent dat zijn uitlatingen verkeerd zijn vertaald of bijvoorbeeld in de context van andere, niet in het dossier gevoegde gesprekken een andere betekenis hebben dan die waarvan het Openbaar Ministerie uitgaat.

Over de tapgesprekken die zich in het dossier bevinden heeft verdachte in de meergenoemde videoverklaring gezegd dat hij in de periode rondom 17 juli 2014 meerdere mobiele telefoons gebruikte. Een aantal telefoons had een beveiligde verbinding en kon niet afgeluisterd worden. Minder belangrijke gesprekken werden niet met die telefoons gevoerd. Het nummer van een van de telefoons die verdachte gebruikte eindigde op -511. Op de telefoon met dat nummer was verdachte altijd te bereiken, zo heeft hij verklaard. In tapgesprekken werd ‘desinformatie’ verstrekt om de tegenstander te ‘misleiden’. Als in de afgeluisterde gesprekken iets wordt gezegd over een BUK, dan moet er van worden uitgegaan dat het gezegd is om de tegenstander te misleiden. In telefoongesprekken worden volgens verdachte ook ‘codewoorden’ gebruikt, zoals doosje (box), speelgoed (toy) en potloden. Met een doosje wordt militaire techniek bedoeld, met speelgoed worden portable devices bedoeld en met potloden mankracht. Het aangeven van gesneuvelden of gewonden wordt aangeduid met de codes 200 en 300. In de video-opname die ter terechtzitting is vertoond, zijn zes tapgesprekken afgespeeld waar verdachte op reageert. Verdachte legt uit dat in drie gesprekken codewoorden worden gebruikt en dat in twee gesprekken sprake is van misleidende informatie. Over het zesde gesprek verklaart verdachte dat hij geen deelnemer is aan dat gesprek. Verder verklaart verdachte dat het pas echt interessant wordt als je alles in zijn geheel gaat bekijken en om overal een duidelijk beeld van te krijgen je een aantal bestanden samen moet bekijken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de betrouwbaarheid van de op grond van historische telecomgegevens verrichte locatiebepaling van de telefoons die aan hem zouden toebehoren niet heeft betwist. Daarbij komt dat de locatiebepaling aan de hand van de zendmastgegevens van een tweetal telefoonnummers die worden toegeschreven aan verdachte (waaronder het telefoonnummer eindigend op -511) op 16 en 17 juli 2014 overeenkomt met de verklaring van over waar hij op beide dagen is geweest. Nu de verdediging evenmin heeft onderbouwd waarom aan de betrouwbaarheid van het locatieonderzoek ten aanzien van de telefoonnummers die aan andere personen dan aan verdachte worden toegeschreven zou moeten worden getwijfeld, ziet de rechtbank geen belang bij het verhoor van de gevraagde verbalisanten (Primo 17-841, Primo 17-843, Primo17-844 en Primo 17-149).

Verdachte heeft evenmin betwist dat het door het Openbaar Ministerie aan hem toegeschreven telefoonnummer eindigend op -511 bij hem in gebruik was. Integendeel: hij heeft verklaard dat hij dat telefoonnummer zowel in 2014, als in medio 2015, de hele tijd gebruikte en dat men hem altijd op dat nummer kon bereiken. Verdachte heeft medio september 2020 alle audiobestanden van de tapgesprekken in de periode van 1 juni 2014 tot en met 31 juli 2014 waarbij één van de aan hem toegeschreven telefoonnummers betrokken was van het Openbaar Ministerie ontvangen. Van slechts één tapgesprek daaruit, namelijk dat van 17 juli 2014 om 19.01.38 uur, stelt verdachte thans dat hij zichzelf niet herkent als deelnemer aan dat gesprek. De rechtbank overweegt dat het Openbaar Ministerie er op heeft gewezen dat dit tapgesprek – gelet op de inhoud van het gesprek – deel uitmaakt van een serie van meerdere samenhangende tapgesprekken over hetzelfde onderwerp. Daarnaast wordt in het persoonsdossier van verdachte in hoofdstuk 6 (pag. 53 ev.) verwezen naar een 15-tal tapgesprekken op 16, 17 en 18 juli 2014 waaruit zijn “rol bij het neerhalen van vlucht MH17” zou moeten blijken. Ondanks het ontbreken van enige betwisting door verdachte, met uitzondering van het hierboven genoemde tapgesprek, acht de rechtbank het, mede om redenen van efficiency, noodzakelijk, nu de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde door het Openbaar Ministerie kennelijk voor een belangrijk deel wordt afgeleid uit de inhoud van die 15 tapgesprekken en de koppeling van verdachte aan het door hem gebruikte telefoonnummer (eindigend op -511) dat nader onderzoek plaatsvindt naar de vraag of die 15 aan verdachte toegeschreven tapgesprekken ook daadwerkelijk door hem worden gevoerd. Het betreft de navolgende tapgesprekken, die als volgt in het persoonsdossier zijn vermeld:

  • -

    16 juli 2014 om 08:47:53 uur;

  • -

    16 juli 2014 om 15:28:24 uur;

  • -

    16 juli 2014 om 18:12:49 uur;

  • -

    16 juli 2014 om 20:11:57 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 09:31:30 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 09:55:20 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 12:42:57 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 12:51:09 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 18:44:37 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 19:01:38 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 19:25:39 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 19:28:00 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 19:52:23 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 21:40:49 uur;

  • -

    18 juli 2014 om 00:25:26 uur.

De rechtbank overweegt dat vergelijkend spraakonderzoek dan wel een automatische sprekersvergelijking tot op heden bij gebrek aan ‘referentiemateriaal’ niet heeft plaats kunnen vinden, doch thans videomateriaal van verdachte voor dergelijk vergelijkend onderzoek beschikbaar is.

Naast het uitvoeren van dit stemvergelijkend onderzoek acht de rechtbank het horen van [getuige 61] niet noodzakelijk, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

De overige verzoeken van de verdediging die zien op de selectie van tapgesprekken113, de vertaling van tapgesprekken114 en ontbrekende tapgesprekken115 worden bij gebrek aan motivering afgewezen.

Verzoek tot het horen van de medeverdachten

De rechtbank wijst het verzoek toe tot het horen van de medeverdachten [medeverdachte 1]116, [medeverdachte 2]117, en [medeverdachte 3]118. Verdachte wordt verweten dat hij de tenlastegelegde handelingen heeft verricht in samenwerking met zijn medeverdachten. De verdediging wenst de medeverdachten hierover te bevragen. Zo wil zij de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] vragen naar de (getapte) gesprekken die zij zouden hebben gevoerd met verdachte, onder meer over een BUK. Medeverdachte [medeverdachte 3] wil zij bevragen over het al dan niet geven van opdrachten aan verdachte met betrekking tot een BUK. Dit alles raakt het verwijt aan verdachte in de kern, zodat hij een ontegenzeggelijk belang heeft om zijn medeverdachten hierover te horen. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot het horen van medeverdachte [medeverdachte 1] kan worden toegewezen, maar dat de verzoeken tot het horen van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] dienen te worden afgewezen omdat het redelijkerwijs is uit te sluiten dat zij binnen aanvaardbare termijn als getuige kunnen worden gehoord. De rechtbank stelt met betrekking tot medeverdachte [medeverdachte 3] vast dat reeds meermalen is getracht om hem te (doen) horen als verdachte, en dat hij te kennen heeft gegeven niet te willen meewerken aan het strafproces. Dit is echter onvoldoende voor de rechtbank om reeds op voorhand te concluderen dat het (doen) horen als getuige op dezelfde problemen zal stuiten. Met betrekking tot medeverdachte [medeverdachte 2] is het tot maart 2020 niet gelukt om contact met hem te verkrijgen teneinde hem op de hoogte te stellen van de strafzaak en te horen en is - voor zover de rechtbank weet - geen woon- of verblijfplaats bekend. Het is, zoals ten aanzien van deze getuige al eerder is overwogen, in dit geval aan de rechter-commissaris om te beoordelen of thans wellicht aanknopingspunten beschikbaar zijn voor de wijze waarop met medeverdachte [medeverdachte 2] in contact kan worden gekomen. Indien de rechter-commissaris mocht concluderen dat het niet aannemelijk is dat één of meer medeverdachten binnen aanvaarbare termijn als getuigen kunnen worden gehoord, dan zal de rechter-commissaris hierover een proces-verbaal van bevindingen opmaken.

Verzoek tot het horen van getuigen

De rechtbank heeft het verzoek tot het horen van S40119 als getuige hiervoor in ander verband reeds toegewezen. Deze getuige is meerdere malen gehoord en zou op 17 juli 2014 namelijk in de nabijheid zijn geweest van de beweerdelijke afvuurlocatie. Hij heeft echter ook verklaard over een ‘[bijnaam]’ die in Snizhne zou zijn geweest. Grote delen van de verklaringen zijn zwart gemaakt. De verdediging wil de getuige vragen stellen over wat S40 kan verklaren over verdachte. Het Openbaar Ministerie heeft gesteld dat uit de verschillende passages in de verklaringen van S40 duidelijk wordt dat de afgeschermde informatie niet ontlastend is voor verdachte, aangezien de getuige ook heeft verklaard niet te weten wat de rol was van [bijnaam]. De rechtbank is evenwel van oordeel dat niet kan worden gespeculeerd of S40 ontlastend (dan wel belastend) kan verklaren, aangezien onbekend is of en, zo ja, wat eerder door hem is verklaard. De rechtbank sluit evenwel niet uit dat een nieuw verhoor van S40 er eveneens toe zal leiden dat een deel van de door hem af te leggen verklaring gezwart zal worden ter bescherming van diens identiteit.

In verband met de rol van verdachte is door de verdediging verzocht om het horen van de leden van de 53e brigade120, waarvan in het dossier wordt gesteld dat zij de BUK zouden hebben bemand. De rechtbank wijst dit verzoek in zoverre toe dat zij de commandant van de 53e AAMB (Anti Aircraft Missile Brigade), aangeduid met de naam [getuige 12], ook in dit verband als getuige toewijst. Verdachte wordt verweten dat hij onder meer instructies of middelen heeft gegeven aan de bemanning van de BUK en in verband met het vervoer van de BUK waarvan wordt gesteld dat deze vlucht MH17 heeft neergehaald. Hiertoe zou hij contact hebben opgenomen dan wel getracht hebben op te nemen met de bemanning van de (vermeende) BUK of een persoon die hiermee in relatie stond. De rechtbank acht het relevant om hier navraag naar te doen en acht de commandant van de 53e brigade daartoe de meest aangewezen persoon. Zoals eerder is overwogen, betekent de omstandigheid dat eerdere rechtshulpverzoeken aan de Russische Federatie die (indirect) zagen op de 53e brigade tot op heden geen concrete informatie hebben opgeleverd, niet dat op voorhand kan worden uitgesloten dat een verzoek tot het horen van de commandant van de 53e brigade tot eenzelfde resultaat zal leiden. Aangezien de rechtbank reeds tot toewijzing als getuige komt van de commandant van de 53e brigade, wijst zij het verzoek tot het horen van de overige – veelal niet nader aangeduide – leden van de brigade af. In het verlengde hiervan wijst de rechtbank eveneens het in dit kader gedane verzoek tot het horen van [getuige 33]121 af, omdat, zoals eerder is overwogen, de rechtbank ervan dient uit te gaan dat hij overleden is.

De rechtbank wijst eveneens het verzoek tot het horen van [getuige 62]122 toe. In het dossier is opgenomen dat verdachte op 17 juli 2014 contact zou hebben gehad met een telefoonnummer eindigend op -6335, dat mogelijk in gebruik zou zijn geweest bij een bemanningslid van de (vermeende) BUK-TELAR. Ook [getuige 62] zou contact hebben gehad met dit telefoonnummer. [Getuige 62] zou derhalve een verklaring kunnen afleggen over de gebruiker van het telefoonnummer. Gelet op het verwijt dat verdachte wordt gemaakt, is het relevant om inzicht te verkrijgen in mogelijk contact tussen verdachte en de bemanning van de (vermeende) BUK. Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat ook bij een recente navraag, de huidige verblijfplaats van [getuige 62] onbekend is en dat hij al jaren staat gesignaleerd door de Oekraïense autoriteiten. Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat indien de rechter-commissaris mocht concluderen dat het niet aannemelijk is dat [getuige 62] binnen aanvaarbare termijn als getuige kan worden gehoord omdat hij onvindbaar is, zij hierover een proces-verbaal van bevindingen zal opmaken. De rechtbank zal niet op de zaken vooruitlopen door reeds op voorhand dit verzoek af te wijzen.

De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van [getuige 38] af. Door de verdediging is onvoldoende gemotiveerd waarom deze getuige zou kunnen verklaren over de gebruiker van het eerdergenoemde telefoonnummer waarmee [getuige 62] en verdachte contact zouden hebben gehad. [Getuige 38] zou immers zelf nooit contact hebben gehad met dit nummer, doch enkel met gebruikers van vergelijkbare telefoonnummers.

De verzoeken tot het horen van [getuige 63] en [getuige 64]123 als getuige worden afgewezen. De verdediging wenst hen te bevragen over het gebruik van desinformatie in telefoongesprekken, en – nu zij in een tapgesprek spreken over het ‘simply intercepted’ zijn van informatie – het bewustzijn dat telefoongesprekken werden afgeluisterd. Met het Openbaar Ministerie is de rechtbank van oordeel dat niet ter discussie staat dat door strijdende partijen in een conflict desinformatie, alsmede versluierend taalgebruik (al dan niet incidenteel) kan worden gebezigd. De noodzaak tot het horen van getuigen die dit in zijn algemeenheid bevestigen is dan ook niet van belang. Dit zegt immers niets over het gebruik van dergelijke informatie en taalgebruik in telefoongesprekken die direct verband zouden houden met de aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Het verzoek tot het horen van [getuige 65]124 wordt afgewezen. De verdediging heeft verzocht om [getuige 65] te bevragen omtrent een gesprek dat hij op 17 juli 2014 om 00.17.09 uur zou hebben gevoerd met [medeverdachte 1] en waarin zou zijn gesproken over ‘een BUK’. Meer concreet wil de verdediging aan [getuige 65] vragen wat in dit gesprek is bedoeld met het gebruik van het woord BUK. In voormeld gesprek wordt deze bewoording echter gebruikt door [medeverdachte 1], zodat het niet in de rede ligt om [getuige 65] te vragen naar de betekenis van het woord BUK in deze context. Enkel [medeverdachte 1] zal immers in staat zijn om te verklaren wat hij hiermee bedoelde. Het verzoek wordt om die reden als onvoldoende gemotiveerd afgewezen.

Het verzoek tot het horen van [getuige 66], [getuige 38]125 en [getuige 67]126 wordt afgewezen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat zij zouden kunnen verklaren dat op een briefing waar verdachte op 17 juli 2014 om 10.00 uur bij aanwezig zou zijn geweest niet is gesproken over een BUK. Het horen van deze getuigen is niet noodzakelijk, nog van belang voor de verdediging, aangezien door het Openbaar Ministerie niet is gesteld dat op voormelde briefing wel zou zijn gesproken over een BUK. De verdediging wenst [getuige 67] eveneens te horen, omdat hij zou kunnen bevestigen dat verdachte zich op 17 juli 2014 bezighield met het vervoer van tanks. Ook hiervoor geldt echter dat dit niet van belang is of noodzakelijk. De omstandigheid dat verdachte zich – ook volgens zijn eigen verklaring – heeft beziggehouden met het vervoer van tanks is immers niet redengevend voor het al dan niet eveneens betrokken zijn bij het vervoer van de beweerdelijke BUK. Een reden voor het horen van [getuige 67] als getuige kan daarom evenmin hierin worden gevonden. De verzoeken worden om die reden als onvoldoende gemotiveerd afgewezen.

Het verzoek tot het horen van getuige S38 wordt afgewezen. Getuige S38 is meerdere malen gehoord. Met machtiging van de rechter-commissaris zijn deze verklaringen vanwege veiligheidsrisico’s buiten het dossier gebleven. Er valt niet te verwachten dat een hernieuwd verhoor van S38 tot andere resultaten zal leiden, nu niet – zoals bij andere getuigen – sprake is van een gedeeltelijk weggelakte verklaring, maar verklaringen die in hun geheel niet konden worden opgenomen in het dossier.

Verzoeken met betrekking tot audio en SMS-berichten127

De rechtbank wijst af het verzoek tot het verstrekken en voegen in het dossier van de audio van een gesprek en de tekst van een aantal sms-berichten die zouden zijn gevoerd met en ontvangen door het telefoonnummer dat mogelijk in gebruik zou zijn bij een bemanningslid van de vermeende BUK-TELAR. Het Openbaar Ministerie heeft in zijn reactie op de onderzoekswensen gesteld dat voormeld gesprek en de betreffende sms-berichten niet zijn onderschept en derhalve niet kunnen worden verstrekt en gevoegd. Het verzoek wordt daarom als zinloos afgewezen.

Ten aanzien van het aanbod van verdachte hem schriftelijk (nadere) vragen te stellen

De rechtbank heeft kennis genomen van het aanbod van verdachte om nadere vragen van de rechtbank naar aanleiding van zijn video-verklaringen te beantwoorden. Voor de wijze waarop die vragen aan verdachte kunnen worden gesteld heeft de verdediging aangegeven dat zij schriftelijke vragen in een gesprek aan haar cliënt zal voorleggen, zodat hij die kan beantwoorden. De rechtbank zal vervolgens van die antwoorden op de hoogte worden gesteld.

De rechtbank merkt hierover op dat het in een strafrechtelijk onderzoek gebruikelijk is dat een verdachte wordt verhoord door de politie en, indien voorlopige hechtenis aan de orde is, door de rechter-commissaris en de rechter in raadkamer. Al die verhoren maken, tezamen met een weergave van het verrichte overige onderzoek, deel uit van het procesdossier waarvan de zittingsrechter kennis neemt. Dat procesdossier, dus inclusief de verslagen van die reeds afgelegde verhoren, wordt met de verdachte doorgenomen en besproken tijdens de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak. Op de zitting gaat de zittingsrechter dus het gesprek aan met de verdachte en stelt hem ter terechtzitting alle vragen die uit het totale dossier naar voren komen, op basis van de stukken uit het dossier waarmee de zittingsrechter de verdachte wil confronteren, om zo uiteindelijk de vragen te beantwoorden die relevant zijn voor de beoordeling van hetgeen verdachte verweten wordt. Indien een antwoord vragen oproept gelet op andere zich in het dossier bevindende stukken kan de rechter doorvragen. Door deze wijze van bevraging is de verdachte op de hoogte van de inhoud van het voorliggende dossier en weet hij welke vragen de zittingsrechter die uiteindelijk ook een oordeel velt van belang vindt voor dat oordeel en krijgt hij de gelegenheid de vragen te beantwoorden en zijn kijk op het dossier te geven. Voor de zittingsrechter garandeert deze wijze van bevraging de meest complete informatievoorziening van de inbreng van verdachte.

De rechtbank heeft vele vragen aan verdachte. Die vragen vloeien voort uit het voorliggende dossier, maar zeker ook uit hetgeen verdachte tijdens zijn video-verklaringen heeft gezegd. De rechtbank vindt het van belang dat die vragen aan verdachte gesteld (kunnen) worden. Verdachte wordt dan ook (wederom) uitgenodigd om ter terechtzitting, in aanwezigheid van zijn raadslieden en het Openbaar Ministerie, aanwezig te zijn en in het openbaar alle vragen die niet alleen leven bij de rechtbank, maar ook bij de andere procespartijen, te beantwoorden ten overstaan van de rechtbank. Dit is de gebruikelijke gang van zaken en ook in dit geval is dat het uitgangspunt voor de rechtbank waarvan zij niet wenst af te wijken. De rechtbank zal dus geen schriftelijke vragen gaan stellen aan verdachte.

Verzoeken van het Rechtsbijstandsteam MH17

Het rechtsbijstandsteam heeft bij brief van 10 november 2020 verzocht om kennisneming van nadere stukken. Het verzoek betreft de videobeelden die op 3 november 2020 ter terechtzitting zijn vertoond van de verklaring van verdachte, alsmede het videobestand van een interview met hem van februari 2020 dat inmiddels in het dossier is gevoegd. Verder betreft het verzoek de getuigenverklaringen van M58 en X48, alsmede een overzicht en een kort relaas van de verklaringen van inmiddels bij de rechter-commissaris gehoorde getuigen. Daarnaast wil het rechtsbijstandsteam een overzicht ontvangen van de tapgesprekken waar de (vier) verdachten aan deelnemen.

De rechtbank overweegt over het verzoek tot het verstrekken van processtukken als volgt. Op 23 maart 2020 heeft de rechtbank bepaald dat in de inventariserende fase waarin het strafproces zich toen bevond slechts aanleiding was het rechtsbijstandsteam van alle zogenaamde relaas-processen-verbaal te voorzien en van een aantal overkoepelende processen-verbaal. Daarmee heeft de rechtbank een ruimhartige verstrekking beoogd van het dossier, op basis waarvan de verdediging een totaalbeeld heeft kunnen verkrijgen van het strafdossier. Daaronder waren ook de persoonsdossiers van de vier verdachten begrepen. In zoverre was de opmerking van de rechtbank ter terechtzitting van 12 november 2020 niet op zijn plaats, waar zij de suggestie deed het rechtsbijstandsteam de persoonsdossiers te verstrekken waarover het rechtsbijstandsteam al kon beschikken. Uit de brief en de nadere reactie van het rechtsbijstandsteam ter terechtzitting op 13 november 2020 heeft de rechtbank afgeleid dat het belang met name is gelegen in de mogelijkheid concrete informatie te verkrijgen over de individuele rol van de verdachten in het tijdsbestek voorafgaande aan het neerstorten van vlucht MH17. In dat kader merkt de rechtbank op dat de opmerking van het rechtsbijstandsteam, te weten dat zij slechts een fractie van het dossier heeft ontvangen, namelijk tussen de 2.000 en 2.500 pagina’s van de tienduizenden pagina’s die het totale strafdossier beslaat, juist is. Maar als het gaat om het beeld dat die verstrekte stukken geeft van het totale dossier en van de individuele rollen van de verdachten daarbij, dan is de indruk van het rechtsbijstandsteam onjuist, omdat de verstrekte stukken daarvan een vrijwel compleet beeld geven, ondanks dat de onderliggende stukken – waar telkens in die stukken naar verwezen wordt – niet voor het rechtsbijstandsteam beschikbaar zijn.

Teneinde tegemoet te komen aan de behoefte van het rechtsbijstandsteam om kennis te kunnen nemen van meer processtukken zal de rechtbank, mede gelet op het feit dat thans de regiefase in deze strafzaak is afgerond en sinds maart 2020 tijdens de terechtzitting heel veel gegevens uit het strafdossier veelal zeer gedetailleerd zijn besproken, thans bepalen dat het rechtsbijstandsteam de beschikking zal krijgen over één exemplaar van het digitale strafdossier. De rechtbank komt mede tot dat besluit omdat de leden van het rechtsbijstandsteam die daarmee inzage kunnen krijgen in het strafdossier allen advocaat zijn en in die hoedanigheid hun werkzaamheden uitvoeren. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank – en zo is ook tot op heden gebleken – sprake van voldoende waarborg dat het strafdossier niet verder wordt verspreid. Deze verstrekking zal dan ook plaatsvinden onder dezelfde voorwaarden als de eerdere verstrekkingen. Dat betekent dat het de leden van het rechtsbijstandsteam vrij staat de inhoud van deze stukken desgewenst met hun cliënten te bespreken, maar niet om hun op welke wijze dan ook afschriften daarvan te verstrekken. Ook is het de leden van het rechtsbijstandsteam niet toegestaan om de inhoud van deze stukken te delen met anderen dan hun cliënten. Het spreekt daarbij in de ogen van de rechtbank vanzelf dat de leden van het rechtsbijstandsteam daarbij ook behoedzaam en terughoudend zullen omgaan met (het delen van) identificerende gegevens van personen die in het dossier worden genoemd.

Het tweede verzoek in genoemde brief van 10 november 2020 betreft het geven van een bevel of opdracht inzake de vergoeding die nabestaanden hebben ontvangen van Malaysia Airlines. De rechtbank overweegt dat zij door het rechtsbijstandsteam is geïnformeerd over het bestaan van de vaststellingsovereenkomst die tussen een groot aantal nabestaanden en (de verzekeraars van) Malaysian Airlines is gesloten. De rechtbank is door het rechtsbijstandsteam ook geïnformeerd dat de vaststellingsovereenkomst een bepaling bevat die de nabestaanden verbiedt de voorwaarden van de vaststellingsovereenkomst bekend te maken aan derden, behalve “voor zover dat vereist is op grond van een bevel van een bevoegde rechtbank of het toepasselijk recht”.

Een aantal nabestaanden overweegt een vordering in te dienen, waarbij zij zich willen houden aan hetgeen de rechtbank heeft bepaald, namelijk dat de vordering tot schadevergoeding wordt opgesteld overeenkomstig het standaardformulier “Vordering benadeelde partij”, hetgeen betekent dat eventueel ontvangen schadevergoedingen van anderen daarin zijn opgenomen. De nabestaanden willen daarvoor bepaalde gedeelten uit evengenoemde vaststellingsovereenkomst met de rechtbank kunnen delen ter adstructie van hun eventuele vorderingen.

De rechtbank overweegt dat zij niet kan treden in de verplichtingen die in een vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen tussen de partijen die deze overeenkomst hebben afgesloten. De rechtbank wijst er wel op dat in het geval een nabestaande zich als benadeelde partij wil voegen in een strafproces zij inzicht moet geven in de inhoud van de vordering en de gronden waarop die rust, kort gezegd in de schade die zij vergoed wil krijgen, en daarbij dient op te geven of die schade geheel of gedeeltelijk, en in dat laatste geval, voor welk deel, door anderen is vergoed. Deze verplichting vloeit in zoverre voort uit het toepasselijk recht, te weten de artikelen 51f tot en met 51h van het Wetboek van Strafvordering en het daarop rustende Besluit vaststelling formulier voor schadevergoedingsverzoeken in het strafproces.

De rechtbank ziet naast het vaststellen van de wettelijke verplichting van een benadeelde partij om inzicht te geven in welke schade reeds is vergoed door derden geen ruimte om een bevel of opdracht te geven zoals door het rechtsbijstandsteam is verzocht.

Vorderingen en verzoeken van het Openbaar Ministerie

Samenstellen video van het verhoor van getuige M58

Het Openbaar Ministerie heeft (opnieuw) gevraagd om het door de rechter-commissaris doen samenstellen van een compilatie van het verhoor door de rechter-commissaris van getuige M58. Dit verzoek is eerder al door de rechtbank gemotiveerd afgewezen. Een belangrijke reden voor het hernieuwde verzoek ziet het Openbaar Ministerie in de impact die het vertonen daarvan kan hebben bij de inhoudelijke behandeling, vooral nu zich volgens het Openbaar Ministerie een inhoudelijke behandeling begint af te tekenen waar meerdere ontkenningen van verdachten op beeld zullen passeren. De verdediging heeft geconcludeerd tot afwijzing van dit verzoek.

Dit herhaalde verzoek van het Openbaar Ministerie heeft de rechtbank niet gebracht tot een andere afweging dan zij op 3 juli 2020 heeft gemaakt. Het (nieuwe) argument dat het tonen van een compilatie impact kan hebben tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak is er geen dat het vervolgingsbelang kan dienen, nog los van de vraag op wie die impact gericht zou moeten zijn. Ook de omstandigheid dat verdachte een zekere impact zal hebben doordat hij op video zijn kant van het verhaal vertelt, leidt niet tot een ander oordeel. Het is niet ongebruikelijk dat een verdachte ter zitting een verklaring aflegt. Om die reden zal de rechtbank dit verzoek wederom afwijzen.

(Voorwaardelijk) verzoek schriftelijke vragen aan verdachte te kunnen stellen

Nu de rechtbank geen (nadere) schriftelijke vragen zal stellen aan verdachte wijst zij het (voorwaardelijke) verzoek van het Openbaar Ministerie om, indien dat wel het geval zou zijn, eveneens schriftelijke vragen aan verdachte te mogen stellen, af.

De verdere planning van deze strafzaak

Met deze tussenuitspraak is in deze strafzaak de regiefase afgerond. Dat betekent onder andere dat nu duidelijk is welk nader onderzoek nog moet worden uitgevoerd door de rechter-commissaris. Dat betreft de onderzoekswensen die de rechtbank op 3 juli 2020 en bij beslissing van heden heeft toegewezen. Het afronden van de regiefase betekent overigens niet dat de verdediging geen onderzoekswensen meer kan indienen of dat het Openbaar Ministerie geen vorderingen meer kan doen. Maar als dat in een latere fase van de zitting gebeurt, dan gelden daarvoor zeer strikte vereisten, die strenger zijn dan tot op heden.

Na deze regiefase vormt de inhoudelijke bespreking van het dossier de volgende fase.

Ten behoeve van de verdere planning van de zitting zal de rechtbank overleggen met de rechter-commissaris over het tijdsbestek waarbinnen de uit te voeren onderzoekswensen naar verwachting kunnen worden afgerond. De rechtbank verzoekt de rechter-commissaris om de rechtbank periodiek (eens per maand) op de hoogte te houden van de vorderingen.

Naar het oordeel van de rechtbank behoeft met de aanvang van de inhoudelijke behandeling niet te worden gewacht tot de rechter-commissaris al het onderzoek heeft afgerond. Wel kan en zal daarvoor bepalend zijn welk onderzoek nog uitstaat en binnen welke termijn de resultaten daarvan te verwachten zijn.

Ten aanzien van de wijze van behandeling zal de rechtbank zich bij het bespreken van de dossierstukken concentreren op de drie hoofdvragen in deze zaak, namelijk: (1) is vlucht MH17 neergehaald met een BUK-raket; (2) is de BUK-raket afgeschoten vanaf een landbouwveld nabij Pervomaiskyi en (3) hebben de verdachten daaraan deelgenomen op strafrechtelijk verwijtbare wijze?

Over de verdere planning van de zaak en de wijze waarop de rechtbank te zijner tijd de inhoudelijke behandeling concreet zal vormgeven zal de rechtbank zich per brief en zo nodig op andere wijze tot (proces)partijen wenden. Bij die planning zal de rechtbank gelegenheid voorzien voor Openbaar Ministerie en verdediging om aanvullend op de bespreking van het dossier door de rechtbank zelf nog stukken aan de orde te stellen. Dat kan onder meer worden bereikt door tijdig aan te geven welke onderwerpen door de rechtbank zullen worden besproken en door uitloopdagen te plannen.

De beslissing

De rechtbank verwijst de zaak van verdachte naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, ter uitvoering van de hierna vermelde toegewezen onderzoekswensen van de verdediging, vorderingen van het Openbaar Ministerie en van de ambtshalve beslissingen van de rechtbank:

1. het benoemen van een deskundige die linguïstisch onderzoek – vergelijkend spraakonderzoek of automatische sprekersvergelijking – zal verrichten naar de stem van de persoon in de hierna genoemde tapgesprekken, waarvan het Openbaar Ministerie stelt dat deze van verdachte is:

  • -

    16 juli 2014 om 08:47:53 uur;

  • -

    16 juli 2014 om 15:28:24 uur;

  • -

    16 juli 2014 om 18:12:49 uur;

  • -

    16 juli 2014 om 20:11:57 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 09:31:30 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 09:55:20 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 12:42:57 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 12:51:09 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 18:44:37 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 19:01:38 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 19:25:39 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 19:28:00 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 19:52:23 uur;

  • -

    17 juli 2014 om 21:40:49 uur;

  • -

    18 juli 2014 om 00:25:26 uur;

waarbij het videomateriaal van februari en oktober 2020 van verdachte als referentiemateriaal kan worden gebruikt;

2) het horen van de navolgende getuigen en/of deskundigen (voor zover aangegeven met daarbij bepaalde beperkingen):

a. de opsteller(s) van de TNO-rapportages die als bijlage 7 en 8 zijn gevoegd bij het OvV rapport;

b. V07;

c. V22;

d. S20;

e. S21;

f. [medeverdachte 2];

g. S40;

h. [medeverdachte 1];

i. de leider (in juni/juli 2014) van de Russische 53e AAM Brigade, genaamd kolonel [getuige 12];

j. eigenaar/gebruiker van het landbouwveld bij Pervomaiskyi, in het dossier aangeduid als de vermoedelijke afvuurlocatie;

k. G2473;

l. [medeverdachte 3];

m. [getuige 62];

n. [getuige 11] (over diens waarnemingen vanuit het checkpoint bij Pervomaiskyi);

3. het benoemen van een tolk/vertaler voor het vertalen van de volledige gesproken teksten in de in het dossier gevoegde video’s van en [medeverdachte 1];

4. het bevragen en eventueel horen van NFI deskundige [NFI-deskundige 1], met inachtneming van de door de rechtbank in dit vonnis aangegeven beperkingen;

5. het benoemen van een deskundige teneinde technisch (digitaal) onderzoek te verrichten aan een mogelijk afwijkende schaduw op de foto benoemd in Primo-13488. De rechtbank geeft de rechter-commissaris daarbij in overweging om dit onderzoek te laten verrichten door dezelfde (door de rechter-commissaris te benoemen) deskundige die het reeds toegewezen onderzoek zal verrichten naar mogelijke manipulatie van videomateriaal van een BUK-TELAR in Snizhne.

De rechtbank stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris teneinde uitvoering te geven aan het voorgaande, en ter verrichting van datgene dat de rechter-commissaris ten behoeve van of naar aanleiding van voormelde opdrachten noodzakelijk acht. Nadrukkelijk bepaalt de rechtbank daarbij dat zij, behoudens voor zover dat concreet bij een toegewezen onderzoekswens is bepaald en beschreven ten aanzien van het onderwerp of rapport waarover een verhoor dient te gaan, geen beperkingen aanbrengt in de wijze waarop, het tempo en de volgorde waarin de rechter-commissaris uitvoering zal geven aan de realisatie van het toegewezen onderzoek.

Voorts stelt de rechtbank de stukken in handen van de rechter-commissaris teneinde (verdere) uitvoering te geven aan het reeds bij tussenuitspraak van 3 juli 2020 aan de rechter-commissaris opgedragen onderzoek en van hetgeen de rechter-commissaris te dien aanzien noodzakelijk acht.

De rechtbank draagt het Openbaar Ministerie op om:

  1. de verhoren van [getuige 1] in het dossier te voegen;

  2. de niet-gevoegde stukken met nummers Primo-00861, Primo-03772, Primo-06315 en Primo-03803 in het dossier te voegen;

  3. het NFI-rapport getiteld “Explosievenonderzoek naar aanleiding van het neerstorten van vlucht MH17 bij Hrabove, Oekraïne op 17 juli 2014” van 5 december 2016 in het dossier te voegen;

  4. het NFI-rapport met nummer 111 (thans Primo-15185) in het dossier te voegen;

  5. een overzicht te maken van alle in het dossier als .TIF bestand opgenomen satellietbeelden, waarbij die beelden een logische naam krijgen en zijn gelinkt naar het betreffende bestand. Indien de satellietfoto die ten grondslag ligt aan het ESA rapport Primo-09908 reeds als .TIF bestand in het dossier is opgenomen dient deze in het voornoemde overzicht te worden opgenomen. Indien deze zich niet reeds in het dossier bevindt draagt de rechtbank het Openbaar Ministerie op dit bestand in het dossier te voegen en aan het overzicht toe te voegen;

  6. de metadata/zendmastgegevens van 17 en 18 juli 2014 van alle telefoonnummers die worden toegeschreven aan de (beweerdelijke) ooggetuigen S40, S20, V07 en V22 voor zover dat nog niet is geschied, aan de rechter-commissaris te verstrekken, opdat de rechter-commissaris aan de hand van deze gegevens, eveneens voor zover dat nog niet is geschied, de betrouwbaarheid kan toetsen van de te horen getuigen S40 en S20, V07 en V22.

De rechtbank stelt de stukken in handen van het Openbaar Ministerie teneinde uitvoering te geven aan het voorgaande.

De rechtbank wijst toe de vordering van het Openbaar Ministerie tot voeging van de ter terechtzitting getoonde opname van een interview van [bedrijf 2] met (medeverdachte) [medeverdachte 1].

De rechtbank wijst toe het verzoek van het rechtsbijstandsteam MH17 om nadere processtukken te ontvangen, in die zin dat zij één exemplaar van het digitaal strafdossier zal ontvangen.

De rechtbank houdt aan haar beslissing omtrent:

  1. het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuige [getuige 6];

  2. de vordering van het Openbaar Ministerie tot het verplaatsen van de zitting naar de luchtmachtbasis in Gilze-Rijen voor een schouw van de reconstructie van het vliegtuig.

De rechtbank verstaat dat:

  • -

    de vragen die de verdediging op 3 november 2020 heeft geformuleerd die zij aan de deskundige van [bedrijf 1] zou willen voorleggen vallen onder de reikwijdte van het reeds op 3 juli 2020 toegewezen verhoor van een (door de rechter-commissaris te benoemen) deskundige van [bedrijf 1];

  • -

    de vragen die de verdediging op 3 november 2020 heeft geformuleerd die zij aan de deskundigen van het NLR en de RMA zou willen voorleggen vallen onder de reikwijdte van het reeds op 3 juli 2020 toegewezen verhoor van deze (door de rechter-commissaris te benoemen) deskundigen.

De rechtbank geeft de verdediging in overweging om zich door [getuige 2] als kundig persoon te laten bijstaan bij de beoordeling van de reconstructie van de MH17 in Gilze-Rijen en diens bevindingen desgewenst in te brengen bij de rechter-commissaris.

Al het meer of anders verzochte dan wel gevorderde door de verdediging, het Openbaar Ministerie en het rechtsbijstandsteam wordt afgewezen.

Dit tussenvonnis is gewezen door

mr. H. Steenhuis, voorzitter,

mrs. D.A.C. Koster en C.I.H. Kerstens-Fockens, rechters,

in tegenwoordigheid van

mrs. J.L.D. Timmermans, M. Sepmeijer-Kovacevic en R.A. Hopman, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 november 2020.

1 Pleitaantekeningen november 2020 (deel 1 van 5).

2 Pleitaantekeningen november 2020 (deel 2 van 5), randnummer 36.

3 Pleitaantekeningen 22 en 23 juni 2020, deel 2 van 9.

4 Pleitaantekeningen 22 en 23 juni 2020, deel 2 van 9, randnummer 11.

5 Tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 juli 2020 in de zaak van verdachte, p. 28.

6 Pleitaantekeningen 22 en 23 juni 2020, deel 3 van 9.

7 Pleitaantekeningen 22 en 23 juni 2020, deel 3 van 9, randnummer 42.

8 Pleitaantekeningen 22 en 23 juni 2020, deel 3 van 9, randnummer 43.

9 Pleitaantekeningen 22 en 23 juni 2020, deel 3 van 9, randnummer 44.

10 Pleitaantekeningen 22 en 23 juni 2020, deel 3 van 9, randnummer 46.

11 Pleitaantekeningen 22 en 23 juni 2020, deel 3 van 9, randnummer 72.

12 Pleitaantekeningen 22 en 23 juni 2020, deel 4a van 9.

13 Pleitaantekeningen 22 en 23 juni 2020, deel 4a van 9.

14 Pleitaantekeningen november 2020, deel 3 van 5, randnummers 1-108.

15 Pleitaantekeningen november 2020, deel 3 van 5, randnummers 109-118.

16 Pleitaantekeningen november 2020, deel 3 van 5, randnummers 119-124.

17 Pleitaantekeningen november 2020, deel 3 van 5, randnummers 125-167.

18 Pleitaantekeningen november 2020, deel 3 van 5, randnummers 168-186.

19 Pleitaantekeningen november 2020, deel 3 van 5, randnummers 187-191.

20 Pleitaantekeningen november 2020, deel 3 van 5, randnummers 192-197.

21 Pleitaantekeningen november 2020, deel 3 van 5, randnummers 198-209.

22 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 110 en 471.

23 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 108.

24 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 480.

25 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 216.

26 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 216 en 219.

27 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 524.

28 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 529.

29 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 529.

30 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 458.

31 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 460.

32 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 461.

33 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 469.

34 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 571.

35 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 569.

36 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 489-490.

37 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 496-497.

38 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 483.

39 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 494.

40 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 500.

41 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 501.

42 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 112 en 113.

43 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 270 en 321.

44 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 85.

45 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 87 en 88.

46 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 93.

47 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 97.

48 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 98.

49 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 107.

50 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 190.

51 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 112 en 113.

52 Pleitaantekeningen november 2020 deel 4 van 5, randnummers 63 en 64.

53 Pleitaantekeningen november 2020 deel 4 van 5, randnummers 47-51.

54 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 66.

55 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 68.

56 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 71.

57 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 74

58 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 77.

59 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 52.

60 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 55.

61 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 121 en 124.

62 Pleitaantekeningen november 2020 deel 4 van 5, randnummers 62.

63 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 209.

64 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 211.

65 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 103.

66 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 105.

67 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 111.

68 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 515.

69 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 338 en 343.

70 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummers 232 - 312.

71 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummers 236, 237 en 240.

72 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 243.

73 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 246.

74 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 259 en 262.

75 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 277- 281.

76 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 133.

77 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 286, 287 en 288.

78 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 308.

79 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 136 en 137.

80 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 138-140.

81 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 143.

82 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 148.

83 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 435.

84 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 346.

85 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 353.

86 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 385-384.

87 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 389.

88 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 400.

89 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 415.

90 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 420.

91 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 431.

92 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 432.

93 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 183.

94 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 175.

95 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 178.

96 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 181.

97 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 167.

98 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 195, 197, 198.

99 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 203.

100 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 79.

101 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 81.

102 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 205.

103 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 532.

104 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 548.

105 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 554.

106 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 475.

107 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 498.

108 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 502.

109 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 506.

110 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 149, 156 en 516.

111 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 330.

112 Pleitaantekeningen november 2020, deel 4 van 5, randnummer 338.

113 Onderzoekswensen 22/23 juni 2020, randnummers 21 t/m 27 (pleitaantekeningen deel 8 van 9) en randnummer 24 (pleitaantekeningen deel 5 van 9).

114 Onderzoekswensen 22/23 juni 2020, randnummers 30 t/m 34 (pleitaantekeningen deel 8 van 9).

115 Onderzoekswensen 22/23 juni 2020, randnummers 40 t/m 42 (pleitaantekeningen deel 8 van 9).

116 Pleitaantekeningen november deel 5/5, randnummer 18 t/m 23.

117 Pleitaantekeningen november deel 5/5, randnummers 39 t/m 45 en 52 t/m 58.

118 Pleitaantekeningen november deel 5/5, randnummers 31 t/m 34.

119 Pleitaantekeningen november deel 5/5, randnummer 50.

120 Pleitaantekeningen november deel 5/5/ randnummer 39 t/m 45.

121 Pleitaantekeningen november deel 5/5, randnummers 39 t/m 45.

122 Pleitaantekeningen november deel 5/5, randnummers 47-48.

123 Pleitaantekeningen november deel 5/5, randnummer 26 t/m 28.

124 Pleitaantekeningen november deel 5/5, randnummers 24 t/m 25.

125 Pleitaantekeningen november deel 5/5, randnummers 37 tot en met 38.

126 Pleitaantekeningen november deel 5/5, randnummers 35 tot en met 38.

127 Pleitaantekeningen november deel 5/5, randnummers 46.