Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12175

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
AWB 20/3598
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

MVV nareis. Syrië. Zoon. Jongvolwassenenbeleid. Verbroken gezinsband. Gezinsherenigingsrichtlijn. Artikel 8 EVRM. Hoorplicht. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/3598

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Yousef),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: A.T.M. Vroom-van Berckel en mr. E. van Hoof).

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de weigering om hem een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis te verlenen kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die aan de zitting heeft deelgenomen via een beeldverbinding. Als tolk was beschikbaar I. Hussein. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Hoof.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Syrische nationaliteit. Aan zijn moeder, [Naam 2] (referente), is in Nederland een asielvergunning verleend. Zij heeft een mvv in het kader van nareis aangevraagd ten behoeve van eisers overkomst naar Nederland.

2. Bij besluit van 18 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gezinsband tussen eiser en referente is verbroken.

3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

4. Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Niet in geschil is dat eiser ten tijde van de aanvraag 21 jaar oud was en dat hij in zoverre valt onder verweerders jongvolwassenenbeleid. Evenmin is in geschil dat een voorwaarde daarvoor is dat eiser tot het moment van binnenkomst van referente in Nederland, altijd tot haar gezin moet hebben behoord.

6. Eiser is in 2014 vanuit Syrië gevlucht naar Denemarken. Daar heeft hij ten behoeve van referente een aanvraag voor gezinshereniging ingediend, die is ingewilligd. Referente heeft zich vervolgens in 2017 bij eiser gevoegd in Denemarken. Vervolgens heeft de echtgenoot van referente in Nederland een asielvergunning gekregen. Daarop heeft hij ten behoeve van referente een aanvraag voor gezinshereniging ingediend, die is ingewilligd. In 2018 heeft referente zich bij haar echtgenoot gevoegd in Nederland. Eiser verblijft nog in Denemarken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gezinsband tussen eiser en referente is verbroken omdat eiser in 2014 zelfstandig is gaan wonen en omdat het gezinsleven opnieuw is verbroken door het vertrek van referente uit Denemarken naar Nederland.

7. Daartegen voert eiser aan dat hij altijd tot het gezin van referente heeft behoord. Ten gevolge van de oorlog in Syrië was het niet mogelijk om tegelijk met referente naar Denemarken te vluchten. De Deense autoriteiten hebben het bestaan van gezinsleven met referente onderkend en gezinshereniging toegestaan, waarna er wederom sprake is geweest van samenwoning. De bedoeling van referente was dat zij samen met eiser naar Nederland zou reizen, maar dit is mislukt omdat haar echtgenoot zonder te overleggen een aanvraag tot gezinshereniging ten behoeve van eiser heeft ingetrokken.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de gezinsband tussen eiser en referente is verbroken. Daarbij heeft verweerder zich erop kunnen baseren dat eiser in de periode 2014 tot 2017 buiten het gezin van referente heeft geleefd. Ook heeft verweerder zich erop kunnen baseren dat referente vrijwillig naar Nederland is gegaan met achterlating van eiser in Denemarken. Dat er sprake is geweest van een aanvraag voor gezinshereniging in Nederland ten behoeve van eiser, die later zonder medeweten van referente is ingetrokken, is in het geheel niet onderbouwd.

9. Eiser heeft een beroep gedaan op de Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn). Eiser valt onder het toepassingsbereik van deze richtlijn omdat de Nederlandse wetgever ervoor heeft gekozen om ook meerderjarige kinderen onder voorwaarden in aanmerking te laten komen voor gezinshereniging. Omdat eiser echter niet voldoet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid, kan hij geen rechten ontlenen aan deze richtlijn.

10. Ook heeft eiser een beroep gedaan op het recht op gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het Verdrag betreffende de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Verweerder heeft daarvoor echter mogen verwijzen naar een andere procedure. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 november 2018 in de zaak K. en B. (ECLI:EU:C:2018:877). Om die reden komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de vraag of tussen eiser en referente sprake is van more than the normal emotional ties.

11. Uit deze uitspraak blijkt dat het meteen duidelijk was dat eisers bezwaar, gelezen in samenhang met het primaire besluit, geen kans van slagen had. Verweerder heeft daarom mogen afzien van horen op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2020.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.