Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12153

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
21-12-2020
Zaaknummer
C/09/542823 / HA ZA 17-1175
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

en in vrijwaring inzake C/09/559010 / HA ZA 18-939.

Twee verschillende Russische bedrijven met dezelfde naam hebben deelgenomen aan veilingen van Ritchie. Ritchie betaalt het restant van het door bedrijf 1 gestorte depot van ca. 1,1 miljoen euro uit aan bedrijf 2. Bedrijf 1 vordert in de hoofdzaak betaling van dit depot. De rechtbank oordeelt dat Ritchie zich erop kan beroepen dat zij te goeder trouw aan bedrijf 2 heeft betaald (artikel 6:34 BW). In de hoofdzaak geen veroordeling van bedrijf 1 in de werkelijke proceskosten. Vordering in vrijwaring (verklaring voor recht) ten aanzien van een aantal gedaagden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 2 september 2020

in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer: C/09/542823 / HA ZA 17-1175 van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

LIMITED LIABILITY COMPANY "STROY ALLIANCE", te Moskou (Rusland),

eiseres,

advocaat mr. H. Weisfelt te Den Haag,

tegen

RITCHIE BROS. AUCTIONEERS B.V., te Den Haag,

gedaagde,

advocaten mr. P.J. de Jong Schouwenburg en mr. F.J.T.A. Werners te Amsterdam,

en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/09/559010 / HA ZA 18-939 van

RITCHIE BROS. AUCTIONEERS B.V., te Den Haag,

eiseres,

advocaten mr. P.J. de Jong Schouwenburg en mr. F.J.T.A. Werners te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde, sub 1] , te [plaats] ( [land] ),

2. [gedaagde, sub 2], te [woonplaats] ( [land] ),

gedaagden,

advocaat mr. H. Weisfelt te Den Haag,

en

3 [gedaagde, sub 3] , te [plaats] ( [land] ),

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna respectievelijk Stroy, Ritchie, [gedaagde, sub 1] , [gedaagde, sub 2] en [gedaagde, sub 3] worden genoemd. [gedaagde, sub 1] en [gedaagde, sub 2] zullen samen ‘ [gedaagde sub 1 c.s.] ’ worden genoemd.

1 De procedure in de hoofdzaak en in de vrijwaringzaak

1.1.

Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 augustus 2017, met producties 1 tot en met 20;

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring tevens conclusie van antwoord in de hoofdzaak, met producties 1 tot en met 27;

  • -

    het vonnis in het incident tot vrijwaring van 18 april 2018;

  • -

    het vonnis in het incident tot zekerheidstelling van 17 oktober 2018;

  • -

    het tussenvonnis van 6 november 2019, waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de rolbeschikking van 13 mei 2020, waarin is bepaald dat de comparitie in verband met de beperkingen als gevolg van COVID-19 via een videoverbinding zal worden gehouden;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie (via videoverbinding) van 8 juli 2020 en de daarin genoemde aanvullende producties 28 tot en met 48 van Ritchie en producties 21 tot en met 33 van Stroy.

1.2.

Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaak blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 mei 2018, met producties 1 tot en met 8,

  • -

    de akte verstrekkende ontbrekende gegevens als in artikel 120 lid 4 Rv,

  • -

    de akte houdende nadere oproeping inzake [gedaagde, sub 3] ,

  • -

    het op de rol van 12 september 2019 tegen [gedaagde, sub 3] verleende verstek,

  • -

    de conclusie van antwoord namens [gedaagde sub 1 c.s.] , met producties 1 en 2,

  • -

    het tussenvonnis van 6 november 2019, waarin een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    de rolbeschikking van 13 mei 2020, waarin is bepaald dat de comparitie in verband met de beperkingen als gevolg van COVID-19 via een videoverbinding zal worden gehouden,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 juli 2020 (via videoverbinding) en de daarin genoemde aanvullende producties 28 tot en met 48 van Ritchie en producties 21 tot en met 33 van [gedaagde sub 1 c.s.]

1.3.

De procedure tegen de vierde gedaagde in de vrijwaringszaak ( [X] , hierna: ‘ [X] ’) is op de rol van 4 september 2019 op grond van artikel 225 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’) geschorst in verband met het overlijden van [X] .

1.4.

Het proces-verbaal van de comparitie van 8 juli 2020 (in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak) is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen van feitelijke aard te maken over het proces-verbaal. Stroy en [gedaagde sub 1 c.s.] hebben hiervan gebruik gemaakt bij brief van 31 juli 2020. Het vonnis wordt gewezen met inachtneming van deze opmerkingen, voor zover het correcties van feitelijke aard betreft. Wel merkt de rechtbank het volgende op.

1.5.

Met de brief van 31 juli 2020 zijn namens [gedaagde, sub 1] een aanvullend stuk (productie 34) overgelegd. Op de comparitie van 8 juli 2020 is het debat in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak echter gesloten en is vonnis bepaald. Partijen hebben uitsluitend nog de gelegenheid gekregen om opmerkingen te maken over de verslaglegging in het proces-verbaal. Napleiten of het overleggen van aanvullende stukken nadat vonnis is bepaald, is in strijd met de goede procesorde. De rechtbank slaat daarom geen acht op het met de brief overgelegde aanvullende stuk en wat over dat stuk in de brief is opgemerkt.

1.6.

Ten slotte is gelijktijdig vonnis bepaald in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak.

2 De feiten (in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak)

2.1.

Ritchie maakt onderdeel uit van een groep van vennootschappen, gevestigd in meerdere landen, die zich bezighoudt met het inkopen en veilen van zwaar gereedschap, bouwmachines, graafmachines, motorvoertuigen en andere goederen. Voordat bieders kunnen deelnemen aan een veiling van Ritchie, moeten zij online een account aanmaken. Voorafgaand aan een specifieke veiling waaraan bieders willen deelnemen, moeten deze bieders voorts nog een aparte bieder-registratieovereenkomst tekenen met Ritchie.

2.2.

Naast het tekenen van de bieder-registratieovereenkomst, moeten bieders bij online-veilingen op grond van de door Ritchie gehanteerde voorwaarden ook vooraf een depotstorting doen van 25% van de te verwachten aankoopsom. Een bieder kan het depot weer laten terugbetalen, als hij geen aankopen doet. Ook voor bieders op fysieke veilingen bestaat een depotverplichting, tenzij afwijkende afspraken met Ritchie zijn gemaakt.

2.3.

Stroy is op 9 april 2014 ingeschreven in het Russisch handelsregister. In een (vertaald) uittreksel van het Russisch handelsregister zijn onder meer de volgende gegevens van Stroy opgenomen:

“Adress: City of Moscow, [adres 1]

Primary state registration number (OGRN): [nummer 1]

Taxpayer Identification number (INN): [belastingnummer 1]

Tax registration code (KPP): [belastingregistratie 1] ”

2.4.

[X] was vanaf april 2014 20% aandeelhouder van Stroy. Vanaf 23 juni 2014 was [X] enig aandeelhouder (en algemeen bestuurder) van Stroy. [X] is op [datum overlijden] 2019 overleden.

2.5.

In april 2014 was in het Russisch handelsregister ook al een andere rechtspersoon (vanaf 22 april 2011) ingeschreven met de naam ‘Limited Liability Company Stroy Alliance’ (deze rechtspersoon hierna te noemen: ‘Pseudo-Stroy’). In een (vertaald) uittreksel uit het Russisch handelsregister van 4 mei 2016 zijn de volgende gegevens van Pseudo-Stroy opgenomen:

“Adress: City of Moscow, [adres 2]

Primary state registration number (OGRN): [nummer 2]

Taxpayer Identification number (INN): [belastingnummer 2]

Tax registration code (KPP): [belastingregistratie 2] ”

2.6.

Van april 2011 tot april 2014 was [A] (hierna: ‘ [A] ’) enig aandeelhouder van Pseudo-Stroy. Van 24 april 2014 tot 27 januari 2016 was [B] (hierna: ‘ [B] ’) enig aandeelhouder en algemeen bestuurder van Pseudo-Stroy.

2.7.

Op 22 april 2014 heeft [gedaagde, sub 2] Stroy op verzoek van [X] online ingeschreven bij Ritchie, met haarzelf als contactpersoon. Bij de inschrijving is in eerste instantie als e-mailadres van Stroy opgegeven: [e-mailadres 1] . Op 23 april heeft [gedaagde, sub 2] dit e-mailadres gewijzigd naar ‘ [e-mailadres 2] ’, hetzij door wijziging van het eerdere account, hetzij door een nieuwe online inschrijving van Stroy met dit e-mailadres.

2.8.

Het eerste door [gedaagde, sub 2] opgegeven e-mailadres ‘ [e-mailadres 1] ’ was ten tijde van de inschrijving van Stroy bij Ritchie in gebruik bij het Russische transportbedrijf [het Transportbedrijf] LLC (hierna: [het Transportbedrijf] ). [gedaagde, sub 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van dit transportbedrijf. [gedaagde, sub 2] was sinds 2012 als Chief Accountant en CFO in dienst van [het Transportbedrijf] .

2.9.

[gedaagde, sub 1] heeft vanaf 2004 namens [het Transportbedrijf] regelmatig meegedaan aan veilingen van Ritchie, in verschillende landen.

2.10.

[gedaagde, sub 1] was in 2014 ook algemeen directeur en 25% aandeelhouder van het Russische bedrijf Stroy-Stolitsa LLC (hierna: ‘Stroy-Stolitsa’). [B] , [A] en [X] zijn in 2014 enige tijd (gelijktijdig) werkzaam geweest voor Stroy-Stolitsa.

2.11.

Op 6 mei 2014 heeft [X] vanaf zijn persoonlijke bankrekening een bedrag van € 500.000,- overgemaakt naar de bankrekening van Ritchie. De betaling is volgens de omschrijving bedoeld als een veilingdepot voor Stroy. In de omschrijving staat:

“Advance payment for earthmoving equipment purchase (payment for LLC Stroy-Alliance, company details are the following:INN [belastingnummer 1] (het taxpayer identification number van Stroy, rechtbank).”

2.12.

Op 8 mei 2014 heeft [gedaagde, sub 3] namens Pseudo-Stroy een bieder-registratieovereenkomst (met nummer [biednummer 1] ) gesloten voor een fysieke veiling bij de vestiging van Ritchie in Moerdijk. Op die veiling heeft [gedaagde, sub 3] namens Pseudo-Stroy aankopen ter waarde van € 322.422,50 gedaan. In de bieder-registratieovereenkomst zijn onder meer de volgende gegevens van de bieder opgenomen:

“Name: [gedaagde, sub 3]

Company: Llc Stroy Alliance

Address: [adres 2] (het adres van Pseudo-Stroy, rechtbank)

(…)

Email: [e-mailadres 3] ”

Bij de bieder-registratie-overeenkomst is een businesskaartje van [gedaagde, sub 3] gevoegd. Op het kaartje staan de gegevens (INN, KPP, OGRB en adres) van Pseudo-Stroy. Op het kaartje staat dat [gedaagde, sub 3] manager is van Pseudo-Stroy.

Verder is bij de overeenkomst een bankafschrift van de storting van [X] van € 500.000,- (zie hiervoor, 2.11) gevoegd. Ook is aan de overeenkomst een (door de baliemedewerker van Ritchie opgestelde) depotverklaring (‘receipt for depositit’) gehecht, waarin wordt verklaard dat de bieder met nummer [biednummer 1] (LLC Stroy Alliance) een bedrag van € 500.000,- in depot heeft gestort.

2.13.

Op 6 juni 2014 heeft [gedaagde, sub 3] namens Pseudo-Stroy deelgenomen aan een veiling bij de vestiging van Ritchie in Spanje (Ocana). Pseudo-Stroy heeft daarbij met biednummer [biednummer 3] goederen (een hijskraan en een Montenegro Dump Trailer) gekocht voor een bedrag van € 821.162,50. Ritchie (Spanje) heeft voor de aankoop een factuur opgesteld. In de factuur staat als koper genoemd: ‘LLC Stroy Alliance’. Onder de naam Stroy Alliance staan de gegevens van Pseudo-Stroy (adres, OGRN, INN, KPP) opgenomen en wordt [gedaagde, sub 3] als contactpersoon genoemd.

2.14.

In de ochtend van 3 juli 2014 heeft Stroy met biednummer [biednummer 4] deelgenomen aan een online-veiling bij Ritchie in Moerdijk. Stroy heeft bij die veiling een kleine graafmachine gekocht voor een bedrag van € 9.880,-. Ritchie heeft voor de aankoop een factuur opgesteld. In de factuur staat als naam van de koper ‘LLC Stroy Alliance’. Onder de naam staan de adresgegevens van Stroy.

2.15.

Ook Pseudo-Stroy heeft (vertegenwoordigd door [gedaagde, sub 3] ) op of rond 3 juli 2014 op een fysieke veiling in Moerdijk onder biednummer [biednummer 2] een aantal voertuigen (een Liebherr hijskraan, een Ferrari Testarossa en een Fiat Ducato) gekocht voor een bedrag van € 66.540,-. De factuur voor de aankopen is gericht aan ‘LLC Stroy Alliance, met als contactpersoon [gedaagde, sub 3] . Onder de naam ‘LLC Stroy Alliance’ staan alle gegevens (adres, OGRN, INN, KPP) van Pseudo-Stroy.

2.16.

In de middag van 3 juli 2014, (nadat Stroy de graafmachine op de veiling had gekocht), heeft [gedaagde, sub 2] per e-mail (vanaf het e-mailadres ‘ [e-mailadres 4] ’) met als onderwerp ‘Re: Copy of Wire Transfer’ een kopie van een betalingsopdracht aan Ritchie toegestuurd. In de mail heeft [gedaagde, sub 2] het volgende geschreven:

“(…)

In the attached file there is conformation of our money transfer (850.000=euro) as deposit payment to bid online.

Bidder: LLC Stroy-alliance

Online Bidder Number: [biednummer 4] .”

2.17.

Per e-mail van 10 juli 2014 (gericht aan [e-mailadres 4] ) heeft [C] , Senior Customer Service Manager bij Ritchie (vestiging Ocana, Spanje) (hierna: ‘ [C] ’) [gedaagde, sub 2] bericht dat Ritchie de depotbetaling nog niet heeft ontvangen. Op 14 juli 2014 heeft [C] nogmaals een herinnering gestuurd, ditmaal geadresseerd aan zowel [gedaagde, sub 2] als [gedaagde, sub 3] . [C] heeft geschreven:

“Dear mrs. [gedaagde, sub 2] ( [gedaagde, sub 2] , rechtbank) and Mr. [gedaagde, sub 3] ,

We have been trying unsuccessfully to back trace the wire transfer. It has been over 10 days since your deposit should have arrived in our account. (…)”

2.18.

Op 15 juli 2014 heeft [gedaagde, sub 3] , vanaf het e-mailadres [e-mailadres 3] , onder meer het volgende op de e-mail van [C] geantwoord:

“We are trying to do all our best to solve the problem as fast as possible. I will let you know if something changes.

Regards,

[gedaagde, sub 3] ”

2.19.

Op 22 juli en 25 juli 2014 heeft [C] (in dezelfde mailwisseling over de betalingsopdracht) opnieuw per e-mail contact opgenomen met [gedaagde, sub 3] (met het e-mailadres [e-mailadres 4] in cc). De e-mail van 25 juli 2014 is ook gericht aan het e-mailadres [e-mailadres 5] In de e-mail van 25 juli 2014 heeft [C] onder meer geschreven:

“Dear Mr. [gedaagde, sub 3] ,

Could you be so kind to forward us a telephone number where we can talk. The contact telephones that we have don’t work. And we have been unable to contact Ms. [gedaagde, sub 2] on the phone lately.

We need to conform your payment, for this the best document is a Swift Letter from your bank so that we can backtrack your money. If on your side you can also find out what is the status of your payment would be great help.

(…)”

2.20.

In de periode van 15 augustus 2014 tot en met 24 november 2014 heeft Stroy een bedrag van in totaal € 653.000,- aan Ritchie betaald, in zes betalingen, te weten:

  • -

    op 15 augustus 2014, een bedrag van € 91.000,-.

  • -

    op 15 september 2014, een bedrag van € 173.400,-,

  • -

    op 2 oktober 2014, een bedrag van € 20.000,-,

  • -

    op 30 oktober 2014, een bedrag van € 215.600,-,

  • -

    op 19 november 2014, een bedrag van € 39.400,-,

  • -

    op 24 november 2014, een bedrag van € 113.600,-.

De betalingen zijn afkomstig van ‘LLC Stroy Alliance INN [belastingnummer 1] [adres 1] ’. Als omschrijving bij de overboekingen staat:

‘The deposit for taking part in auction for proforma invoice dd 06.08.2014’

2.21.

[gedaagde, sub 3] heeft na verschillende van de hierboven genoemde depotbetalingen van Stroy per e-mail contact opgenomen met Ritchie (in de persoon van [C] ), hetzij dezelfde dag, hetzij kort daarna, en een kopie van het betreffende betaalbewijs van Stroy aan Ritchie toegestuurd.

Zo heeft [gedaagde, sub 3] in een e-mail van 16 september 2014 het betaalbewijs van de overschrijving van € 173.400,- van 15 september 2014 aan Ritchie toegestuurd. In de begeleidende e-mail heeft [gedaagde, sub 3] onder meer geschreven:

“Here is the first part of LLC payment. They told me that they will send you all som this week. I’ll resend you all swifts as far as I receive them. (…)’

Ook heeft [gedaagde, sub 3] , na de betaling van € 215.600,- door Stroy op 30 oktober 2014, nog dezelfde dag per e-mail het betaalbewijs aan [C] toegestuurd, met de mededeling:

“Dear Mr. [C] ,

I hope it is not too late . It’s the conformation of LLC StroyAlliance payment.”

[gedaagde, sub 3] heeft ook van de vijfde deelbetaling van € 39.400,- een dag later het betaalbewijs aan Ritchie toegestuurd, met in de begeleidende e-mail de volgende mededeling:

“Here is the confirmation of the last LLC StroyAlliance payment,They ask about the last chance for them. They sure that you’ll receive the rest of the payment befor the 26th of November. They also agreed to pay the penalties.”

Ten slotte heeft [gedaagde, sub 3] per e-mail van 24 november 2014 het betaalbewijs toegestuurd van de laatste betaling van Stroy van € 113.600,- (van diezelfde dag). In de begeleidende e-mail heeft [gedaagde, sub 3] onder meer geschreven:

“Here is the last payment which LLC StroyAlliance made, they hope you’ll receive it before auction, they also hope that you will give them the permission to take their items and won’t resell them. Of course the will pay all penalties. (…)”

2.22.

Op 27 november 2014 zijn op een veiling bij een vennootschap van de Ritchie groep in Spanje de eerder door Pseudo-Stroy gekochte hijskraan en de Montenegro weer verkocht voor (per saldo, na aftrek van kosten) een bedrag van € 557.600,-.

2.23.

Op 25 maart 2015 is [gedaagde, sub 1] bij de vestiging van Ritchie in Moerdijk geweest. [gedaagde, sub 1] heeft toen een op 31 januari 2015 ondertekende volmacht (‘Power of Attorney’) van Pseudo-Stroy overhandigd. In de volmacht staat, kort gezegd, dat [B] namens Psuedo-Stroy [gedaagde, sub 1] heeft gevolmachtigd om namens Pseudo-Stroy transportwerkzaamheden uit te voeren, onder meer voor het ophalen van de op de veiling van 3 juli 2014 gekochte goederen (lots # [1] , [2] en [3] ).

2.24.

Na de komst van [gedaagde, sub 1] heeft tussen verschillende medewerkers van Ritchie een interne e-mailwisseling plaatsgevonden over het opstellen van een te ondertekenen overeenkomst (‘assignment agreement’). De e-mailwisseling houdt, voor zover van belang, het volgende in.

Op 25 maart 2015, om 14:23 uur, heeft [D] , Senior Legal Liaison EMEA bij Ritchie (hierna: ‘ [D] ’) een concept ‘assignment agreement’ gestuurd naar zijn collega [E] , Customer Service Manager (hierna: ‘ [E] ’).

Om 14:41 uur heeft [E] aan zijn collega’s bericht:

“this is his e-mail address:

[e-mailadres 4]

(..) will you fill in the rest?”

Om 15:29 uur en 15:39 uur heeft [E] zijn collega’s bericht dat [gedaagde, sub 1] nog steeds aan het wachten is en gefrustreerd raakt.

Om 16:05 heeft [D] zijn collega’s (onder meer [E] en [C] ) bericht dat de volmacht is beperkt tot ‘the release of the lots’.

Om 16:20 uur heeft [C] geantwoord:

“Hi further to the last conversation I had with [gedaagde, sub 1] (de rechtbank begrijpt: [gedaagde, sub 1] ),

If the letter is ready, [gedaagde, sub 1] is saying he can get Mr. [F] to sing (sign, rechtbank) it per fax or scanned copy if this would be enough. (…)”

Om 16:48 uur heeft [G ] , Financial Controller EMEA (hierna: ‘ [G ] ’) een ondertekende overeenkomst doorgestuurd naar (onder meer) [E] en [H] , Regional Operations Manager-Benelux (hierna: ‘ [H] ’). Om 18:20 uur heeft [H] het document per e-mail doorgestuurd naar [e-mailadres 6] . In de begeleidende e-mail heeft [H] geschreven:

“Dear [gedaagde, sub 1] ,

Attached letter needs to be signed on each page by the owner/managing director of LLC Story Alliance (de rechtbank begrijpt: ‘Stroy Alliance’). (..) After that, please return the signed copies and attachements to me. I will forward it to my colleagues for further movement.”

2.25.

In een (interne) e-mail van 26 maart 2015 (om 11:05 uur) heeft [E] het volgende aan [G ] en [H] bericht:

‘Mr. [gedaagde, sub 1] is requesting to adjust the address with full details. (including all the numbers in the address field, see attached invoice)

Also at ‘WHEREAS’ could Stroy be replaced by the full company name ‘LLC STROY ALLIANCE’.

2.26.

Op 26 maart 2015 heeft Ritchie een door [B] ondertekende overeenkomst (hierna: ‘de VSO’) ontvangen. De VSO houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“AGREEMENT

(…)

BETWEEN:

RITCHIE BROS. AUCTIONEERS B.V. (…)

AND:

RITCHIE BROS. AUCTIONEERS (SPAIN) S.L. (…)

AND:

LLC STROY ALLIANCE, having an address at [adres 2] Inn. KPP [belastingnummer 2] / [nummer 3] , […] MC Moscow (..)

(…)

E-Mail Adress: [e-mailadres 4]

(…)

WHEREAS:

1. (…)

2. LLC STROY ALLIANCE has deposited the amount of (..) 1.153.000,00 € to participate as bidder in auctions (…)

3. LLC STROY ALLIANCE had purchased in the auction celebrated by RITCHIE BROS. AUCTIONEERS (SPAIN) S.L. in Ocana (Toledo) on June 4th. 2014 for the amount of € 867.045,62€, including late payment fees and storage as per the invoices attached tot this Agreement (the Outstanding Amount); and

4. Stroy had sold Equipment in the auction celebrated by RBA ES in Ocana (Toledo) on November 27, 2014 (..) with a result of a net payable to Stroy of € 557,385.00€) (..).

THEREFORE THE PARTIES HEREBY AGREE AS FOLLOWS:

1. Deduct – RBA ES shall deduct the Oustanding Amount from the Proceeds.

2. Allocation of Deposit – RBA NL shall allocate part of the Deposit to RBA ES in order to cover the deficiency between the Outstanding Amount and the Proceeds;

3. Refund – Once the Outstanding Amount is settled, RBA NL shall refund Stroy the remaining amount of the Deposit to an account specified in writing by Stroy (the Refund). Upon receipt of the Refund, Stroy hereby declare not to have anything to claim to RBA NL nor RBA ES for any concept.

(…)”

2.27.

Ritchie heeft op basis van de VSO op 27 maart 2015 een bedrag van € 50.280,- en een bedrag van € 429.126,88 overgemaakt naar de bankrekening van Pseudo-Stroy. De uitbetaling betreft het verschil (per saldo) tussen (i) het totaal aan depotstortingen van Stroy (€ 1.153.000,00) en (ii) het bedrag van alle aankopen die Stroy en Pseudo-Stroy bij Ritchie hebben gedaan (met verrekening van kosten).

2.28.

Bij brief van 22 april 2016 heeft [X] namens Stroy Ritchie verzocht om een bedrag van € 1.143.120,- aan Stroy terug te betalen (de depotstortingen van € 1.153.000,- met aftrek van de kosten voor de minigraafmachine van € 9.880,-). Ritchie heeft, onder verwijzing naar de VSO, geantwoord dat de resterende depotgelden al zijn terugbetaald.

2.29.

Stroy heeft in juli 2017 met voorafgaand verlof van de voorzieningenrechter in verband met de terugvordering van de depotgelden conservatoir (derden)beslag doen leggen op de bankrekening van Ritchie.

3 Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

Stroy vordert, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van Ritchie tot betaling van € 1.143.120,- te vermeerderen met rente en kosten, met veroordeling van Ritchie in de proceskosten.

3.2.

Ritchie voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in de vrijwaringszaak

4.1.

Ritchie vordert, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de hoofdelijke veroordeling van [gedaagde, sub 1] , [gedaagde, sub 2] en [gedaagde, sub 3] om aan Ritchie te betalen alles waartoe Ritchie in de hoofdzaak tegenover Stroy wordt veroordeeld;

II. de verklaring voor recht dat [gedaagde, sub 1] , [gedaagde, sub 2] en [gedaagde, sub 3] aansprakelijk zijn voor de schade die Ritchie lijdt en nog zal lijden;

III. de veroordeling van [gedaagde, sub 1] , [gedaagde, sub 2] en [gedaagde, sub 3] tot vergoeding van al deze schade, waaronder ook de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, nader op te maken bij staat;

met veroordeling van [gedaagde, sub 1] , [gedaagde, sub 2] en [gedaagde, sub 3] in de proceskosten in vrijwaring.

4.2.

[gedaagde, sub 1] en [gedaagde, sub 2] voeren verweer. Tegen [gedaagde, sub 3] is verstek verleend.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in de hoofdzaak

5.1.

Deze rechtbank is bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van (het in Rusland gevestigde bedrijf) Stroy, omdat de gedaagde (Ritchie) in Nederland is gevestigd (artikelen 4 en 63 van de verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351).

5.2.

Verder is niet in geschil dat de vordering van Stroy op grond van rechtskeuze naar Nederlands recht moet worden beoordeeld. De rechtskeuze volgt reeds uit het feit dat beide partijen een beroep op bepalingen van Nederlands recht hebben gedaan (vergelijk artikel 3 van de verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst PbEU 2008, L 177/6).

terugbetaling resterend depotbedrag aan Stroy?

5.3.

In de hoofdzaak ligt de vraag voor of Ritchie nog enig bedrag aan Stroy moet terugbetalen in verband met de depotbetalingen die Stroy bij Ritchie heeft gedaan.

5.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat Stroy op grond van de algemene voorwaarden van Ritchie recht heeft op terugbetaling van het resterende depotbedrag, als Stroy meer in depot heeft voldaan dan het bedrag dat Stroy op de veiling voor aankopen (en eventueel kosten) heeft moeten betalen. Partijen zijn het ook erover eens dat Stroy een bedrag van opgeteld € 1.153.000,- in depot heeft betaald en dat Stroy alleen een minigraafmachine heeft gekocht voor een bedrag van € 9.880,-. Dit betekent dat, als alleen naar deze bedragen wordt gekeken, Stroy nog een depotbedrag van € 1.143.120,- van Ritchie te vorderen heeft. Stroy vordert in dit geding nakoming van die terugbetalingsverplichting.

5.5.

Ritchie voert onder meer aan dat Stroy geen terugbetaling meer van Ritchie kan vorderen, omdat Ritchie het restant van het depot (na verrekening van de verkopen- en aankopen van Stroy en Pseudo-Stroy) al op 27 maart 2015 heeft uitgekeerd aan Pseudo-Stroy. Ritchie stelt zich op het standpunt dat Ritchie door deze uitkering aan Pseudo-Stroy van haar betalingsverplichtingen aan Stroy is ontslagen, omdat Ritchie onder de gegeven omstandigheden te goeder trouw heeft mogen aannemen dat Stroy en Pseudo-Stroy dezelfde entiteit waren en dat zij het restantdepot dus bevrijdend aan Pseudo-Stroy heeft mogen uitbetalen.

5.6.

Dit verweer van Ritchie slaagt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

5.7.

Voorop staat dat Stroy en Pseudo-Stroy, naar thans als onweersproken vaststaat, twee verschillende juridische entiteiten zijn. Pseudo-Stroy was geen gevolmachtigde van Stroy en Pseudo-Stroy was ook niet uit andere hoofde bevoegd om betalingen aan Stroy in ontvangst te nemen. Ritchie kon in beginsel dan ook niet haar vordering aan Ritchie voldoen door aan Pseudo-Stroy te betalen. Het Burgerlijk Wetboek (BW) kent immers als hoofdregel dat de schuldenaar moet betalen aan de daadwerkelijke schuldeiser of aan iemand die namens de schuldeiser bevoegd is de betaling te ontvangen. Daarvan was in het geval van Stroy en Pseudo-Stroy geen sprake.

5.8.

Artikel 6:34 BW bevat echter een uitzondering op de hoofdregel. Artikel 6:34 lid 1 BW bepaalt – kort gezegd en op dit geschil toegespitst – dat Ritchie, ondanks dat Pseudo-Stroy niet bevoegd was tot ontvangst van het resterende depotbedrag van Stroy, toch aan Stroy kan tegenwerpen dat Ritchie met de betaling aan Pseudo-Stroy van haar verplichting aan Stroy is bevrijd, indien Ritchie op redelijke gronden heeft aangenomen dat Pseudo-Stroy de schuldeiser was aan wie Ritchie het depot kon terugbetalen. De formulering dat Ritchie ‘op redelijke gronden’ Pseudo-Stroy voor de schuldeiser (Stroy) moet hebben gehouden, houdt in dat Ritchie (in objectieve zin) te goeder trouw moet zijn geweest, als bedoeld in artikel 3:11 BW. Van goede trouw in deze zin is in dit geval sprake, indien Ritchie ten tijde van het sluiten van de VSO en de betaling van het resterende depotbedrag aan Pseudo-Stroy niet wist en onder de gegeven omstandigheden ook niet behoorde te weten dat Stroy en Pseudo-Stroy verschillende entiteiten waren en dat Pseudo-Stroy dus niet bevoegd was betalingen voor Stroy te ontvangen. Artikel 6:34 BW vereist niet dat de schijn dat Pseudo-Stroy en Stroy dezelfde partij waren, is opgewekt door een toedoen van Stroy. Ritchie kan zich voor het ontstaan van goede trouw zowel beroepen op handelingen van Stroy als op handelingen van Pseudo-Stroy (of een derde).

5.9.

Stroy heeft betwist dat Ritchie een geslaagd beroep op artikel 6:34 BW kan doen. Volgens Stroy wist Ritchie, althans behoorde Ritchie te weten dat Stroy en Pseudo-Stroy twee verschillende entiteiten waren. Daartoe voert Stroy, kort gezegd, het volgende aan. Weliswaar hadden beide ondernemingen dezelfde naam (LLC Stroy Alliance), maar in Rusland is het mogelijk dat meerdere ondernemingen zich onder dezelfde naam in het handelsregister inschrijven. De naam ‘Stroy Alliance’ is ook geenszins uniek te noemen, aangezien dit, vertaald, zoveel betekent als ‘gezamenlijke bouwonderneming’ en de naam ‘Stroy Alliance’ veelvuldig voorkomt in het Russische handelsregister. Ritchie heeft dit alles ook allemaal moeten weten, aangezien Ritchie meerdere Russische klanten heeft en ook een tijdlang een kantoor in Rusland heeft gehad, aldus – nog steeds – Stroy.

Stroy wijst verder op de omstandigheid dat Stroy en Pseudo-Stroy onder verschillende klantnummers bij Ritchie stonden ingeschreven en dat uit de facturen voor de veilingaankopen, de VSO, de bieder-registratieovereenkomst en uit andere stukken duidelijk blijkt dat Pseudo-Stroy een ander adres, telefoonnummer, registratienummer en belastingnummer heeft dan Stroy.

Ten slotte heeft Stroy als producties 30 en 31 (gecertificeerde vertalingen van) schriftelijke verklaringen van [gedaagde, sub 3] en [B] overgelegd, afgelegd ten overstaan van een notaris in Rusland. Beiden hebben hierin verklaard dat het voor Ritchie duidelijk was dat Stroy en Pseudo-Stroy verschillende ondernemingen waren, die niets met elkaar te maken hadden, aldus Stroy.

5.10.

De rechtbank is met Ritchie van oordeel dat Ritchie aan de omstandigheid dat Stroy en Pseudo-Stroy andere adressen, telefoonnummers en e-mailadressen hadden, op zichzelf geen grote betekenis heeft hoeven toekennen, aangezien het in het handelsverkeer niet ongebruikelijk is dat een onderneming verschillende vestigingen met verschillende adressen heeft. Weliswaar kwam daar in dit geval bij dat ook het op de depotbetalingen van Stroy vermelde ‘Taxpayer Identification number (INN)’ verschilde van het INN dat [gedaagde, sub 3] bij de inschrijving van Pseudo-Stroy had vermeld, maar ook dat gegeven heeft Ritchie onder de gegeven omstandigheden niet hoeven doen twijfelen of zij mogelijk met verschillende entiteiten met dezelfde naam te maken had. Er waren immers verschillende andere feiten en omstandigheden op grond waarvan Ritchie te goeder trouw heeft mogen aannemen dat zij, ondanks de verschillende gegevens en vertegenwoordigers, telkens met dezelfde partij ‘LLC Stroy Alliance’ zaken deed.

5.11.

In de eerste plaats is van belang dat bij de bieder-registratieovereenkomst voor de aankopen van Pseudo-Stroy op de veiling van 8 mei 2014 het betalingsbewijs van de depotbetaling van € 500.000,- van [X] (namens Stroy) is gevoegd. De rechtbank gaat verder niet in op de vraag of dit betalingsbewijs destijds door [gedaagde, sub 3] is overhandigd aan de baliemedewerker van Ritchie, zoals Ritchie stelt en Stroy betwist. Immers, ook als dat niet het geval is en het betalingsbewijs uit eigen beweging door de baliemedewerker van Ritchie aan de bieder-registratieovereenkomst van Pseudo-Stroy is gekoppeld (vanwege dezelfde naam ‘LLC Stroy-Alliance’), blijft staan dat [gedaagde, sub 3] vervolgens geen actie heeft ondernomen. [gedaagde, sub 3] heeft het depot geaccepteerd als een depot van de onderneming ‘LLC Stroy Alliance’, namens wie hij aan de veiling wilde deelnemen. Ook als [gedaagde, sub 3] het betalingsbewijs zelf niet heeft overgelegd, had Ritchie op dat moment dus geen aanleiding om te vermoeden dat [gedaagde, sub 3] en [X] elk een andere partij ‘LLC Stroy Alliance’ vertegenwoordigden.

5.12.

De schijn dat Stroy en Pseudo-Stroy dezelfde onderneming waren, is verder gewekt doordat Ritchie in juli 2014 zowel [gedaagde, sub 3] als [gedaagde, sub 2] heeft benaderd over een betaling van € 850.000,- waarvan [gedaagde, sub 2] op 3 juli 2014 een betaalbewijs had toegestuurd (zie de e-mailwisseling onder 2.16-2.19). Noch [gedaagde, sub 3] , noch [gedaagde, sub 2] , noch [X] heeft destijds vragen gesteld of een opmerking geplaatst bij de omstandigheid dat Ritchie ook [gedaagde, sub 3]

benaderde voor een betaalbewijs dat [gedaagde, sub 2] had toegestuurd, terwijl [gedaagde, sub 3] geen betrokkenheid had bij Stroy en [gedaagde, sub 2] en [X] andersom geen betrokkenheid hadden bij Pseudo-Stroy. Integendeel, [gedaagde, sub 3] heeft op 15 juli 2014 op de vraag van Ritchie geantwoord met de mededeling ‘We (cursivering rechtbank) are trying to do all our best to solve the problem as fast as possible.. Daarmee heeft [gedaagde, sub 3] richting Ritchie duidelijk doen voorkomen en is bij Ritchie de indruk gewekt dat hij en [gedaagde, sub 2] namens dezelfde partij ‘Stroy Alliance’ handelden.

5.13.

Ritchie heeft te meer ervan mogen uitgaan dat zij met een en dezelfde partij ‘LLC Stroy Alliance’ zaken deed, omdat [gedaagde, sub 3] vervolgens na deze mailwisseling in de periode augustus 2014 – november 2014 betalingsbewijzen doorstuurde van betalingen die Stroy had gedaan. Op die betalingen stond het adres en het ‘Taxpayer Identification number’ (INN) van Stroy. De rechtbank volgt Stroy niet in haar stelling dat [gedaagde, sub 3] deze betaalbewijzen mogelijk al eerder op enige wijze van iemand binnen Ritchie had ontvangen, omdat [gedaagde, sub 3] de bewijzen zeer kort na de transactie, soms zelfs nog dezelfde dag, doorstuurde naar Ritchie (zie randnummer 2.21). De rechtbank concludeert verder dat [gedaagde, sub 3] deze betaalbewijzen opstuurde om de hijskraan vrij te krijgen die Pseudo-Stroy op de veiling van 6 juni 2014 in Spanje voor een bedrag van ongeveer € 800.000,- had gekocht. De koppeling met de aankoop van de hijskraan volgt onder meer uit de omvang van de door Stroy gestorte bedragen en uit de omstandigheid dat [gedaagde, sub 3] in zijn e-mails met de laatste twee betalingsbewijzen (van 19 november 2014 en 24 november 2014) heeft verzocht om de goederen niet te verkopen (‘resell’) en de bereidheid namens ‘LLC StroyAlliance’ heeft uitgesproken om alle verschuldigde boetes te betalen (zie eveneens de e-mails onder randnummer 2.21). Stroy heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat deze e-mails van [gedaagde, sub 3] op iets anders dan de (later alsnog, met aftrek van boetes, verkochte) hijskraan van Pseudo-Stroy kunnen zien.

5.14.

Tegen deze achtergrond heeft Ritchie geen vraagtekens hoeven plaatsen bij de omstandigheid dat het adres en INN op de ontvangen betaalbewijzen verschilden van het adres en INN die [gedaagde, sub 3] eerder namens Pseudo-Stroy had opgegeven (en ook op de facturen van aankopen van Pseudo-Stroy waren vermeld). Aangezien de naam van het bedrijf hetzelfde was en de betaalbewijzen door dezelfde vertegenwoordiger ( [gedaagde, sub 3] ) werden gepresenteerd voor aankopen van Pseudo-Stroy, mocht Ritchie ervan uitgaan dat het, ondanks de verschillen in (adres)gegevens, ging om hetzelfde bedrijf.

5.15.

Ritchie heeft deze veronderstelling, ten slotte, nogmaals bevestigd mogen zien in de gang van zaken rondom de VSO. De rechtbank gaat in de hoofdzaak niet verder in op de vraag of [gedaagde, sub 1] op 25 maart 2015 betaalbewijzen van alle depotstortingen van Stroy heeft overgelegd. Dit geschilpunt komt hierna in de vrijwaringszaak aan de orde. Voor de hoofdzaak is van belang dat vaststaat dat in de VSO duidelijk is overwogen dat ‘LLC Stroy Alliance’ een bedrag van € 1.153.000,- in depot heeft betaald en dat Ritchie dit depotbedrag (dat was betaald door Stroy) in de VSO heeft verrekend met aan- en verkopen van Pseudo-Stroy. Verder was in de aanhef van de VSO het adres en telefoonnummer van Pseudo-Stroy genoemd, terwijl als e-mailadres het (van [gedaagde, sub 2] ontvangen) e-mailadres van Stroy was opgenomen. Ritchie heeft vervolgens op de VSO geen enkel commentaar ontvangen van de bevoegde bestuurder van Pseudo-Stroy ( [B] ). [B] heeft de VSO volledig aanvaard en heeft geen enkel signaal gegeven dat de in de VSO genoemde depotbetalingen door een andere partij met de naam ‘LCC Stroy Alliance’ waren gedaan of dat sprake was van twee verschillende entiteiten met dezelfde naam.

5.16.

Aldus is Ritchie het slachtoffer geworden van fraude gepleegd door Pseudo-Stroy, aan wie immers het door Stroy gestorte depot grotendeels ten goede is gekomen. Alhoewel voor een geslaagd beroep op artikel 6:34 BW niet als voorwaarde geldt dat de schijn dat Pseudo-Stroy en Stroy dezelfde partij waren, is opgewekt door een toedoen van Stroy, wijst de rechtbank wel op de omstandigheid dat alle gegevens over de stortingen bij Ritchie door Stroy bij Pseudo-Stroy bekend waren en dat [gedaagde, sub 3] steeds direct, soms zelfs dezelfde dag, de beschikking had over de bewijzen van betaling door Stroy. De rechtbank heeft onder 5.13 al overwogen dat het niet waarschijnlijk is dat [gedaagde, sub 3] via Ritchie de beschikking over deze betaalbewijzen heeft gekregen. Door kennelijk niet zorgvuldig om te gaan met deze betaalbewijzen, heeft Stroy aan de fraude bijgedragen.

5.17.

Gelet op de onder 5.11 tot en met 5.15 genoemde feiten en omstandigheden, samen beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat Ritchie in gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen aannemen dat telkens sprake was van een en dezelfde partij ‘LLC Stroy Alliance’, dat het door Stroy betaalde depotbedrag van € 1.153.000,- kon worden verrekend met alle aankopen van Stroy en Pseudo-Stroy, en dat het restantbedrag op het door Pseudo-Stroy opgegeven bankrekeningnummer kon worden uitbetaald.

5.18.

De door Stroy gepresenteerde schriftelijke verklaringen van [B] en [gedaagde, sub 3] brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank licht dit toe.

5.19.

[gedaagde, sub 3] stelt in zijn schriftelijke verklaring dat medewerkers van Ritchie voorafgaand aan de veiling hebben vastgesteld dat het bedrijf Pseudo-Stroy een ander bedrijf was dan Stroy. De rechtbank ziet echter niet in waarom – als dit zo is – diezelfde medewerkers van Ritchie [gedaagde, sub 3] vervolgens dan wel tot de veiling hebben toegelaten op basis van de depotbetaling van dit andere bedrijf (Stroy) (zie hiervoor, rechtsoverweging 5.11). Bovendien valt de stelling van [gedaagde, sub 3] dat bij beide partijen – zowel bij hem als bij Ritchie – bekend was dat Stroy een ander bedrijf was, niet te rijmen met zijn eigen handelswijze, aangezien hiervoor is vastgesteld dat [gedaagde, sub 3] voortdurend

betaalbewijzen van ‘het andere LLC Stroy Alliance’ (Stroy) aan Ritchie heeft toegestuurd voor aankopen van Pseudo-Stroy en ook op e-mails van Ritchie aan Stroy heeft gereageerd (zie rechtsoverweging 5.12 en 5.13). De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [gedaagde, sub 3] over de gestelde wetenschap van Ritchie in het licht van dit een en ander als onvoldoende toegelicht moet worden verworpen.

5.20.

Datzelfde geldt voor de schriftelijke verklaring van [B] . [B] heeft hierin gesteld dat hij na de veilingen van 8 mei 2014 en 3 juli 2014 veelvuldig met [G ] (financial controller bij Ritchie, zie ook de e-mailwisseling onder 2.24) heeft gesproken en dat hij daarbij ook op enig moment met [G ] heeft besproken dat het bedrijf Stroy (waarvan [X] directeur was) een andere entiteit was dan Pseudo-Stroy (waarvan [B] directeur was). Ritchie heeft de verklaring van [B] betwist. Volgens Ritchie zit [G ] op de financiële afdeling van het kantoor in Breda en heeft hij geen fysiek contact met klanten. De enige connectie tussen [G ] en [B] betreft de VSO, die door hen beiden is ondertekend, aldus Ritchie. De rechtbank concludeert dat tegenover deze gemotiveerde betwisting van Ritchie de door [B] gestelde contacten tussen hem en [G ] niet zijn toegelicht. [B] heeft in zijn verklaring immers niet concreet toegelicht wanneer en hoe de door hem gestelde gesprekken en contacten precies hebben plaatsgevonden. Bovendien valt de verklaring van [B] niet te rijmen met de vaststaande omstandigheid dat [B] in maart 2015 zonder enige opmerking de (door diezelfde Vermaat ondertekende) VSO heeft ondertekend en heeft goedgekeurd dat het restant van het door Stroy gedeponeerde bedrag van € 1.153.000,-, na verrekening, werd uitbetaald aan Pseudo-Stroy. Als bestuurder van Pseudo-Stroy moet [B] onmiddellijk hebben gezien dat dit bedrag niet door zijn bedrijf, maar door Stroy aan Ritchie was betaald. De rechtbank ziet dan ook niet in hoe het aanvaarden van de VSO valt te verenigen met de stelling van [B] dat hij en [G ] intensief contact hadden en dat bij hen beiden bekend was dat bij Ritchie nog een tweede – ander – bedrijf met de naam Stroy-Alliance stond ingeschreven. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook de verklaring van [B] moet worden verworpen.

5.21.

De slotsom is dat het beroep van Ritchie op artikel 6:34 BW slaagt. Ritchie is vanwege de goede trouw aan haar kant dat zij het depot aan de juiste partij betaalde, van haar betalingsverplichtingen aan Stroy ontslagen. De vordering van Stroy wordt afgewezen. Stroy dient zich voor het verhaal van het restantdepot tot (de curator van) Pseudo-Stroy te wenden.

volledige proceskostenveroordeling?

5.22.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Stroy veroordeeld in de proceskosten. Ritchie heeft gevorderd dat Stroy wordt veroordeeld tot vergoeding van de volledige proceskosten van Ritchie. Ritchie voert daartoe aan dat Stroy onrechtmatig heeft gehandeld door deze procedure te starten, omdat de betrokkenen achter Stroy en Pseudo-Stroy bewust in onderlinge samenwerking een valstrik hebben gecreëerd, waarmee zij hebben doen voorkomen dat sprake was van één en dezelfde entiteit met de naam ‘Stroy Alliance’ en Ritchie ertoe hebben bewogen het depot van Stroy uit te betalen aan Pseudo-Stroy.

5.23.

Stroy heeft betwist dat sprake is van onrechtmatig procederen. Stroy heeft verzocht bij afwijzing van de vordering een proceskostenveroordeling uit te spreken met toepassing van het gebruikelijke liquidatietarief.

5.24.

De rechtbank stelt het volgende voorop. Het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevat met de artikelen 237-240 een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Deze regeling wijkt af van het wettelijk uitgangspunt dat dat hij die tegenover een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander daardoor lijdt, volledig te vergoeden. Alleen in buitengewone omstandigheden kan een partij, in afwijking van de proceskostenregeling van de artikelen 237-240 Rv, worden veroordeeld om de volledige proceskosten van de wederpartij te vergoeden. Daarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (als grond voor een vergoedingsplicht voor alle in verband met een procedure gemaakte kosten) is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past bovendien terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (zie onder meer Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360).

5.25.

Ritchie heeft betoogd dat sprake is geweest van een vooropgezet plan (fraude), als gevolg waarvan Ritchie ertoe is bewogen het depotbedrag over te maken aan een verkeerde entiteit met dezelfde naam (Pseudo-Stroy). Ritchie baseert de betrokkenheid van Stroy bij dit vooropgezette plan op de volgende feiten en omstandigheden:

  • -

    de toenmalige bestuurder van Stroy ( [X] ) heeft eerder samengewerkt met de betrokkenen bij Pseudo-Stroy ( [gedaagde, sub 3] , [gedaagde, sub 1] en [B] ), onder meer bij het bedrijf [het Transportbedrijf] , en kent hen dus;

  • -

    Stroy en Pseudo-Stroy hebben geen werknemers, wat erop kan wijzen dat de beide entiteiten alleen zijn opgericht om de fraude te faciliteren;

  • -

    Stroy heeft een ongebruikelijk hoog borgbedrag van € 1.153.000,- gestort, terwijl Stroy uiteindelijk alleen op de veiling van 3 juli 2014 een minigraafmachine heeft gekocht voor € 9.880,-);

  • -

    het heeft er alle schijn van dat de depotbetalingen zijn gedaan om de veilingaankopen van Pseudo-Stroy te faciliteren;

  • -

    Pseudo-Stroy had toegang tot de bankrekening en het e-mailadres van Stroy, aangezien (i) [gedaagde, sub 3] kon beschikken over betaalbewijzen van Stroy en (ii) [gedaagde, sub 3] ook op 15 juli 2014 (vanaf het e-mailadres [e-mailadres 3] ) heeft geantwoord op de herinnering aan het e-mailadres van Stroy ( [e-mailadres 4] );

  • -

    de e-mails van [gedaagde, sub 3] van 30 juli 2014 en van [gedaagde, sub 2] van 3 juli 2014 zijn verstuurd vanaf hetzelfde IP-adres, wat erop duidt dat zij op hetzelfde kantoor zaten.

5.26.

Hiertegenover staat evenwel dat er geen concrete feiten en omstandigheden zijn waaruit volgt dat Stroy (in de persoon van [X] ) direct betrokken was bij de VSO en de uitbetaling aan Pseudo-Stroy. Bij de VSO zijn immers alleen [gedaagde, sub 1] en [B] aantoonbaar betrokken geweest. Ook als Ritchie wordt gevolgd in haar stelling dat [gedaagde, sub 1] op 25 maart 2015 betaalbewijzen van Stroy heeft overgelegd om uitbetaling van het depot aan Pseudo-Stroy te bewerkstelligen, kan nog niet met zekerheid worden geconcludeerd dat Stroy/ [X] daarvan op dat moment op de hoogte was, ook omdat vaststaat dat er naast [X] in elk geval een ander ( [gedaagde, sub 3] ) was, die over de betaalbewijzen beschikte. Het is alleen al daarom niet boven alle twijfel verheven dat Stroy bekend was met de uitbetaling aan Pseudo-Stroy en dat de vordering van Stroy dus het sluitstuk was van een bewuste samenspanning tussen Stroy en Pseudo-Stroy. Dat de door Ritchie aangedragen omstandigheden wel op een bewuste samenwerking en vooropgezet plan kunnen wijzen, is gezien de hiervoor omschreven hoge drempel voor een volledige proceskostenveroordeling niet voldoende. Vereist is dat Stroy een vordering instelde die, naar zij wist, evident ongegrond was. Gelet op de hiervoor benoemde onzekerheden over de wetenschap van Stroy van de uitbetaling aan Pseudo-Stroy, kan die conclusie niet met voldoende mate van zekerheid worden getrokken. Hierbij is ook van belang dat het recht van Stroy om terugbetaling van haar resterende depotstortingen te vorderen, gelet op de tussen Stroy en Ritchie geldende voorwaarden, in beginsel gegeven is. Gezien het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat dit recht evident was komen te vervallen en dat Stroy misbruik van procesrecht heeft gemaakt door in dit geding nakoming te vorderen.

5.27.

Daarmee is niet aan de (strenge) eis voor een volledige proceskostenveroordeling voldaan. De rechtbank veroordeelt Stroy in de proceskosten, met toepassing van het gebruikelijke liquidatietarief. De proceskosten aan de kant van Ritchie worden begroot op € 11.606,- (€ 3.894,- aan griffierecht en 2 punten x tarief € 3.856,- aan salaris advocaat).

5.28.

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116). De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief.

5.29.

De wettelijke rente over de proceskosten wordt vanaf de hierna in de beslissing vermelde ingangsdatum toegewezen.

proceskosten incident vrijwaring en incident zekerheidsstelling proceskosten

5.30.

Met betrekking tot de aangehouden beslissing over de proceskosten in de incidenten tot vrijwaring en zekerheidstelling, beslist de rechtbank als volgt.

5.31.

In het incident tot zekerheidstelling wordt Ritchie als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in het incident, aan de kant van Stroy begroot op € 543,- aan salaris advocaat.

5.32.

De rechtbank heeft in de vrijwaringszaak beslist dat de vorderingen in vrijwaring voor een deel slagen en voor een deel worden afgewezen. De rechtbank compenseert daarom de kosten in het voorafgaande incident tot vrijwaring, in die zin dat Stroy en Ritchie ieder de eigen kosten in het incident dragen.

6 De beoordeling in de vrijwaringszaak

rechtsmacht/toepasselijk recht

6.1.

Deze rechtbank is bevoegd om op de tegen de (in Rusland wonende) gedaagden in vrijwaring ingestelde vorderingen te beslissen. Op grond van artikel 7 lid 2 Rv heeft de Nederlandse rechter die in de hoofdzaak bevoegd is, ook rechtsmacht ten aanzien van de daarmee samenhangende vrijwaringsvordering. De rechtbank heeft eveneens rechtsmacht ten aanzien van de bijkomende vorderingen (op grond van onrechtmatige daad) die Ritchie in de vrijwaringszaak heeft ingesteld, omdat het door Ritchie gestelde schade brengende feit (het bewegen tot uitkering van depotgelden van Stroy aan Pseudo-Stroy) zich in Nederland heeft voorgedaan (artikel 6, aanhef sub e Rv).

6.2.

De vorderingen moeten naar Nederlands recht worden beoordeeld, nu de door Ritchie gestelde schade uit de onrechtmatige daad (de juridische kosten van Ritchie) in Nederland is geleden (artikel 4 lid 1 Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, PbEU 2007, L 199/40).

verklaring voor recht zelfstandige vordering/voldoende belang?

6.3.

Nu de vordering in de hoofdzaak is afgewezen en Ritchie niet tot betaling van enig bedrag aan Stroy is veroordeeld, wordt de vordering tot afwenteling van een veroordeling in de hoofdzaak afgewezen.

6.4.

Daarmee resteert in de vrijwaringszaak de gevorderde verklaring voor recht en de veroordeling tot vergoeding van schade, op te maken bij staat.

6.5.

De rechtbank stelt voorop dat naast de afwentelingsvordering voor een eventueel verlies in de hoofdzaak, in de vrijwaring ook nog andere zelfstandige vorderingen kunnen worden ingesteld. Dat kan anders zijn als de belangen van partijen in de hoofdzaak of de eisen van een doelmatige procesvoering zich tegen het combineren van de verschillende vorderingen verzetten (zie onder meer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 juli 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6468). Dat is hier niet aan de orde. Ritchie heeft aan de gevorderde verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaat dezelfde feiten ten grondslag gelegd als aan de afwentelingsvordering. Partijen hebben daarover een volledig debat gevoerd. Ritchie heeft bovendien voldoende onderbouwd dat zij een voldoende belang (als bedoeld in artikel 3:303 BW) heeft bij een oordeel over de aansprakelijkheid van de gedaagden in vrijwaring, ook al is in de hoofdzaak geoordeeld dat Ritchie met de betaling aan Pseudo-Stroy van haar verplichtingen aan Stroy is bevrijd (en Ritchie in zoverre geen schade heeft geleden). Ritchie heeft immers gesteld dat zij door het gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1 c.s.] ook nog andere schade heeft geleden in de vorm van proceskosten en (juridische) kosten voor vaststelling van schade en aansprakelijkheid (in Nederland en Rusland), die zij in een (nog aanhangig te maken) schadestaatprocedure op [gedaagde sub 1 c.s.] wil verhalen. Het is dan ook doelmatig dat thans op de resterende (zelfstandige) vorderingen van Ritchie wordt beslist.

aansprakelijkheid [gedaagde, sub 1]

6.6.

Ritchie heeft aan de vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagde, sub 1] , [gedaagde, sub 2] en [gedaagde, sub 3] elk onrechtmatig tegenover Ritchie hebben gehandeld, aangezien zij – kort gezegd – onder valse voorwendselen Ritchie ertoe hebben bewogen het door Stroy betaalde depotbedrag naar Pseudo-Stroy over te maken. Volgens Ritchie zijn de genoemde personen dan ook op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) aansprakelijk voor de schade die Ritchie hierdoor heeft geleden.

6.7.

De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de vorderingen tegen [gedaagde, sub 1] .

6.8.

Met betrekking tot [gedaagde, sub 1] staan de volgende feiten als onweersproken vast. Er bestaan aantoonbare relaties tussen [gedaagde, sub 1] en betrokkenen van Stroy en Pseudo-Stroy. [gedaagde, sub 1] kent [X] , [B] en [gedaagde, sub 2] namelijk via de ondernemingen Pseudo-Stroy, [het Transportbedrijf] en Stroy-Stolitsa. Daarnaast is [gedaagde, sub 1] bekend met de veilingregels en werkwijze van Ritchie. Hij heeft immers zelf vanaf 2004 regelmatig deelgenomen aan veilingen van Ritchie voor zijn bedrijf [het Transportbedrijf] . Verder wist [gedaagde, sub 1] dat Pseudo-Stroy en Stroy twee verschillende ondernemingen waren. Dat volgt alleen al uit zijn eigen brief aan Ritchie van 23 maart 2015, die hij als productie 1 bij de conclusie van antwoord in vrijwaring heeft overgelegd en waarin hij verklaart dat het bedrijf ‘LLC Stroy Alliance [adres 1] , te Moskou ’ een ander bedrijf is, met wie hij geen transportovereenkomst heeft.

6.9.

De rechtbank concludeert verder dat [gedaagde, sub 1] op 25 maart 2015 bij de balie van Ritchie in Breda is geweest. Dat volgt niet alleen uit de interne e-mailwisseling van Ritchie, maar ook uit de bevestiging hiervan door mr. Weisfelt in de pleitnota, waar hij schrijft dat [gedaagde, sub 1] op 25 maart 2015 aan de balie is verschenen, met een volmacht van [B] voor transportdoeleinden (pleitnota mr. Weisfelt 8 juli 2020, randnummer 20).

6.10.

Ritchie stelt dat [gedaagde, sub 1] op 25 maart 2015 namens Pseudo-Stroy om

terugbetaling van resterende depotgelden heeft gevraagd. Volgens Ritchie heeft [gedaagde, sub 1] daarbij naast de volmacht van [B] ook bankgegevens van Pseudo-Stroy, facturen van aan- en verkopen van Pseudo-Stroy en de betaalbewijzen van alle depotstortingen van Stroy overgelegd.

6.11.

[gedaagde, sub 1] bestrijdt deze stellingen van Ritchie. Volgens [gedaagde, sub 1] is hij uitsluitend voor transportdoeleinden bij Ritchie geweest en heeft hij nooit namens Pseudo-Stroy om geld gevraagd met overlegging van betaalbewijzen van depotstortingen van Stroy en het bankrekeningnummer van Pseudo-Stroy aan Ritchie.

6.12.

Naar het oordeel van de rechtbank valt echter niet in te zien waarom Ritchie – als juist is wat [gedaagde, sub 1] verklaart en hij niet namens Pseudo-Stroy om terugbetaling van het depotgeld heeft gevraagd – op 25 maart 2015 is overgegaan tot het opstellen van de VSO. Uit niets blijkt immers dat op 25 maart 2015 aankopen van Pseudo-Stroy bij Ritchie zijn opgehaald. Het enige doel voor het opstellen van de VSO moet dus de restitutie van depotgelden zijn geweest. Los daarvan geldt bovendien – ten overvloede dus – dat het opstellen van de VSO ook niet valt te verklaren als [gedaagde, sub 1] die dag alleen voor het ophalen van aangekochte voertuigen bij Ritchie was geweest, aangezien [gedaagde, sub 1] over een volmacht voor transport beschikte. In de interne e-mailwisseling van Ritchie valt juist te lezen dat [B] voor het ondertekenen van de VSO moest worden benaderd, omdat de volmacht van Pseudo-Stroy aan [gedaagde, sub 1] was beperkt tot transportdoeleinden. Dat bevestigt te meer dat er niet (alleen) om het ophalen van voertuigen is gevraagd.

6.13.

Nu ook enige andere aannemelijke verklaring ontbreekt waarom Ritchie op 25 maart 2015 is overgegaan tot het opstellen van de VSO, kan het niet anders dan dat juist is wat Ritchie stelt en dat [gedaagde, sub 1] op 25 maart 2015 namens Pseudo-Stroy heeft gevraagd om uitbetaling van het resterende depotbedrag. Aangezien de verklaring van [gedaagde, sub 1] dat hij niet om geld heeft gevraagd, gezien het voorgaande evident geen stand houdt en hij dus op dit punt een valse verklaring aflegt, is ook de betwisting van [gedaagde, sub 1] van het overhandigen van de betaalbewijzen van de depotbetalingen van Stroy en de bankgegevens van Pseudo-Stroy, onvoldoende toegelicht. Dat betekent dat tussen partijen vaststaat dat [gedaagde, sub 1] op 25 maart 2015 betaalbewijzen van Stroy en bankrekeninggegevens van Pseudo-Stroy bij zich had en aan Ritchie heeft overhandigd. Verder concludeert de rechtbank dat [gedaagde, sub 1] wist dat de depotbetalingen niet van het bedrijf van [B] (Pseudo-Story) waren met wie de VSO werd gesloten, aangezien uit zijn eigen brief van 23 maart 2015 volgt dat hij er goed van was doordrongen dat het bedrijf ‘LLC Stroy Alliance [adres 1] ’ (Stroy) een ander bedrijf was dan Pseudo-Stroy.

6.14.

Samenvattend komt het bovenstaande erop neer dat [gedaagde, sub 1] heeft helpen bewerkstelligen dat de depotgelden van Stroy (na verrekening met aan- en verkopen van Stroy en Pseudo-Stroy) werden overgemaakt naar Pseudo-Stroy, terwijl hij wist dat Stroy en Pseudo-Stroy – ondanks de gelijkenis in naam – twee verschillende entiteiten waren en Pseudo-Stroy dus gelden ontving waarop zij geen recht had. Daarmee heeft [gedaagde, sub 1] willens en wetens helpen bewerkstelligen dat Pseudo-Stroy onrechtmatig profiteerde van de onjuiste veronderstelling bij Ritchie dat Stroy en Pseudo-Stroy hetzelfde bedrijf waren. Hiermee heeft [gedaagde, sub 1] onrechtmatig tegenover Ritchie gehandeld.

6.15.

De gevorderde verklaring voor recht zal dan ook ten opzichte van [gedaagde, sub 1] worden toegewezen. Op grond van artikel 6:162 BW is [gedaagde, sub 1] aansprakelijk voor de schade die Ritchie als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde, sub 1] heeft geleden. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft Ritchie de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk gemaakt, nu Ritchie heeft gesteld dat het onrechtmatig handelen van [gedaagde, sub 1] ertoe heeft geleid dat Ritchie veel (juridische) kosten heeft moeten maken om onderzoek te doen, de beslagen van Stroy op te heffen en verweer te voeren in de hoofdzaak.

aansprakelijkheid [gedaagde, sub 3]

6.16.

[gedaagde, sub 3] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend. De vorderingen tegen [gedaagde, sub 3] komen de rechtbank – gelet op de in dit vonnis weergegeven vaststaande feiten en de stellingen in de dagvaarding – niet onrechtmatig of ongegrond voor (met uitzondering van de hiervoor afgewezen ‘afwentelingsvordering’) en zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals hierna in de beslissing volgt.

aansprakelijkheid [gedaagde, sub 2]

6.17.

Met betrekking tot de vraag of ook [gedaagde, sub 2] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is tegenover Ritchie, overweegt de rechtbank als volgt.

6.18.

Er zijn geen concrete aanwijzingen dat [gedaagde, sub 2] betrokken is bij Pseudo-Stroy. [gedaagde, sub 2] heeft ook geen direct zichtbare betrokkenheid (als bestuurder of aandeelhouder) bij Stroy. Voor zover gesteld en gebleken, beperkt de betrokkenheid van [gedaagde, sub 2] bij Stroy zich ertoe dat [gedaagde, sub 2] Stroy bij Ritchie heeft ingeschreven met zichzelf als contactpersoon, eerst met het e-mailadres [e-mailadres 7] (dat aan [het Transportbedrijf] toebehoort), later met het e-mailadres [e-mailadres 8] . Verder heeft [gedaagde, sub 2] op 3 juli 2014 namens Stroy een bankafschrift aan Ritchie gestuurd van een depotstorting van € 850.000,-, ten aanzien waarvan Ritchie het vermoeden heeft uitgesproken dat dit bankafschrift vervalst was, omdat het bedrag nooit is ontvangen. Ook staat vast dat [gedaagde, sub 2] vervolgens niet meer heeft gereageerd op vragen van Ritchie over de (niet ontvangen) betaling en dat [gedaagde, sub 2] ook niet heeft gereageerd toen [gedaagde, sub 3] zich in de e-mailwisseling mengde, terwijl [gedaagde, sub 3] haar – naar [gedaagde, sub 2] zelf heeft verklaard – onbekend was.

6.19.

[gedaagde, sub 2] heeft in verband met de bovenstaande gebeurtenissen op de mondelinge behandeling van 8 juli 2020 verklaard dat zij destijds op verzoek van [X] Stroy heeft ingeschreven bij Ritchie, omdat zij de Engelse taal beter beheerste dan [X] . Om diezelfde reden heeft [gedaagde, sub 2] op 3 juli 2014 op verzoek van [X] het betaalbewijs van € 850.000,- aan Ritchie toegestuurd, met een begeleidende e-mail. Het e-mailadres [e-mailadres 4] behoorde volgens [gedaagde, sub 2] toe aan [X] ; zij had daar geen toegang toe. [gedaagde, sub 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat zij de latere e-mails van Ritchie aan het e-mailadres [e-mailadres 4] , die ook aan [gedaagde, sub 3] waren gericht, wel op enig moment heeft gezien en aan [X] heeft gevraagd of zij moest antwoorden. Volgens [gedaagde, sub 2] heeft [X] daarop geantwoord dat zij niet hoefde te reageren.

6.20.

Er zijn geen concrete feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken die deze lezing van [gedaagde, sub 2] weerleggen. De rechtbank ziet ook overigens onvoldoende aanleiding om aan de verklaring van [gedaagde, sub 2] te twijfelen.

6.21.

Ook als alle andere door Ritchie aangedragen feiten en omstandigheden worden overgenomen, kan dus hoogstens worden vastgesteld dat:

( i) [gedaagde, sub 2] op verzoek van [X] diens bedrijf (Stroy) heeft ingeschreven bij Ritchie en op zijn verzoek namens Stroy een betaalbewijs van Stroy naar Ritchie heeft gestuurd;

(ii) [gedaagde, sub 2] heeft gezien dat vervolgens nadere vragen over de depotbetaling werden gesteld, omdat deze niet door Ritchie was ontvangen;

(iii) [gedaagde, sub 2] heeft gezien dat in die e-mailwisseling een persoon genaamd [gedaagde, sub 3] werd betrokken, die [gedaagde, sub 2] onbekend was;

(iv) diezelfde [gedaagde, sub 3] op 30 juni 2014 een e-mail heeft gestuurd vanaf hetzelfde IP-adres als waarvandaan [gedaagde, sub 2] op een andere dag (3 juli 2014) op verzoek van [X] een e-mail heeft gestuurd;

( v) [gedaagde, sub 2] niet alleen [X] kende, maar ook in dienst was van het bedrijf van [gedaagde, sub 1] en dus ook [gedaagde, sub 1] kende.

6.22.

Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien hoe op basis van louter deze feiten en omstandigheden de conclusie kan worden getrokken dat [gedaagde, sub 2] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor het feit dat Ritchie maanden later – in maart 2015 – ertoe is bewogen om depotgelden van Stroy aan Pseudo-Stroy uit te keren. Uit niets blijkt immers dat [gedaagde, sub 2] bij de VSO en de uitkering van het depot aan Pseudo-Stroy betrokken is geweest of daarvan op de hoogte was. In essentie heeft Ritchie aan concrete stellingen niet meer aangevoerd dan dat [gedaagde, sub 2] destijds in de e-mailwisseling (van juli 2014) heeft gezien – of had moeten zien – dat kennelijk twee verschillende bedrijven met de naam Stroy Alliance bij Ritchie stonden ingeschreven en dat betalingsbewijzen van de één werden opgestuurd voor aankopen van de ander. Enkel die wetenschap rechtvaardigt niet de conclusie dat [gedaagde, sub 2] (van wie niet is gebleken dat zij verder inzicht had in de onderlinge verhouding tussen Stroy, Pseudo-Stroy en Ritchie, anders dan hiervoor genoemd) wist of had moeten vermoeden dat op enig moment de gelijkenis tussen Stroy en Pseudo-Stroy zou worden misbruikt om op onrechtmatige wijze depotgelden van Stroy aan Pseudo-Stroy uit te betalen. Ritchie heeft verder ook niet toegelicht op grond van welke concrete omstandigheid [gedaagde, sub 2] voor die (latere) onterechte uitbetaling aansprakelijk kan worden gehouden.

6.23.

De rechtbank volgt Ritchie dan ook niet in haar betoog dat [gedaagde, sub 2] op grond van onrechtmatige daad (mede) aansprakelijk is voor de schade die Ritchie heeft geleden doordat Ritchie in maart 2015 onder een onjuiste voorstelling van zaken is bewogen tot restitutie van depotgelden van Stroy aan Pseudo-Stroy. De vorderingen tegen [gedaagde, sub 2] worden dus afgewezen.

proceskosten

6.24.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Ritchie veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde, sub 2] . [gedaagde, sub 2] heeft in de conclusie van antwoord vergoeding van volledige proceskosten gevorderd, maar die vordering is niet van enige onderbouwing voorzien, zodat daaraan wordt voorbijgegaan. De proceskosten aan de kant van [gedaagde, sub 2] worden, met toepassing van het liquidatietarief, begroot € 3.092,33 (€ 1.565,- aan griffierecht en 2 punten x tarief € 3.856,- aan salaris advocaat, voor 1/3e deel, nu [gedaagde, sub 2] , [gedaagde, sub 1] en [X] gezamenlijk met dezelfde advocaat hebben geprocedeerd).

6.25.

[gedaagde, sub 1] en [gedaagde, sub 3] zijn in vrijwaring als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij aan te merken, nu is geoordeeld dat zij op grond van onrechtmatige daad tegenover Ritchie aansprakelijk zijn.

6.26.

Mr. Werners heeft in de pleitnota op de mondelinge behandeling volledige proceskostenveroordeling in de vrijwaring gevorderd. Ritchie heeft dit in de dagvaarding in vrijwaring echter niet gevorderd, terwijl een duidelijke eiswijziging als bedoeld in artikel 130 Rv niet is ingediend. Los daarvan heeft Ritchie bovendien niet onderbouwd waarom in de vrijwaring, naast de vorderingen tot vergoeding van alle door Ritchie geleden schade, een volledige proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken. De rechtbank spreekt dan ook een kostenveroordeling uit op basis van liquidatietarief II (onbepaalde waarde), nu de vordering tot overname van veroordeling in de hoofdzaak is afgewezen. De proceskosten aan de kant van Ritchie worden voor [gedaagde, sub 3] en [gedaagde, sub 1] samen begroot op € 624,- (€ 81,- aan kosten dagvaarding en € 543,- aan salaris advocaat dagvaarding) ; daarnaast wordt [gedaagde, sub 1] veroordeeld tot betaling van € 543,- aan salaris advocaat (mondelinge behandeling).

6.27.

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116). De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten conform het gevorderde liquidatietarief.

6.28.

De wettelijke rente over de proceskosten wordt vanaf de hierna in de beslissing vermelde ingangsdatum toegewezen.

7 De beslissing in de hoofdzaak

7.1.

wijst de vordering van Stroy af;

7.2.

veroordeelt Stroy in de proceskosten, aan de kant van Ritchie begroot op € 11.606,- aan tot heden gemaakte kosten en € 157,- aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 82- in geval van betekening;

7.3.

bepaalt dat de bovenstaande proceskosten worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, indien de kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan;

7.4.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

7.5.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in het incident tot vrijwaring

7.6.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in het incident tot zekerheidstelling

7.7.

veroordeelt Ritchie in de proceskosten, aan de kant van Stroy begroot op € 543,- en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

8 De beslissing in de vrijwaringszaak

8.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde, sub 1] en [gedaagde, sub 3] op grond van de onrechtmatige daad, zoals omschreven in rechtsoverwegingen 6.8 tot en met 6.16 van dit vonnis, aansprakelijk zijn voor alle schade die Ritchie als gevolg van de onrechtmatige daad heeft geleden en nog zal lijden;

8.2.

veroordeelt [gedaagde, sub 1] en [gedaagde, sub 3] tot vergoeding van alle schade die Ritchie heeft geleden en nog zal lijden, waaronder de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, de schade nader op te maken bij staat;

8.3.

veroordeelt [gedaagde, sub 1] en [gedaagde, sub 3] in de proceskosten, aan de kant van Ritchie begroot op € 624,- aan tot heden gemaakte kosten en € 131,- aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 68,- in geval van betekening;

8.4.

veroordeelt [gedaagde, sub 1] daarnaast tot betaling aan Ritchie van een bedrag van € 543,- aan tot op heden gemaakte proceskosten;

8.5.

bepaalt dat de proceskosten onder 8.3. en 8.4. worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, indien de kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan;

8.6.

wijst de vordering tegen [gedaagde, sub 2] af;

8.7.

veroordeelt Ritchie in de proceskosten, aan de kant van [gedaagde, sub 2] begroot op € 3.092,33 aan tot heden gemaakte kosten en € 157,- aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 82- in geval van betekening;

8.8.

bepaalt dat de proceskosten onder 8.7. worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, indien de kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan;

8.9.

verklaart alle kostenveroordelingen (onder 8.3-8.5 en onder 8.7-8.8) uitvoerbaar bij voorraad;

8.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2020.1

1 type: 2431