Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12130

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6972
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

intrekking Nederlanderschap en ongewenstverklaring. Artikel 14l lid 4 van de RWN. Ambtsbericht AIVD. Gevaar voor de nationale veiligheid. Besluit niet onevenredig.

Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 19/6972 en SGR 19/8438

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 november 2020 in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller)

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 30 oktober 2019 heeft verweerder het Nederlanderschap van [eiseres] ingetrokken op grond van artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) en haar tot ongewenst vreemdeling verklaard.

Aan de besluiten ligt een individueel ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) van 27 september 2019 (hierna: het ambtsbericht) ten grondslag.

De gemachtigde heeft tegen deze besluiten op 31 oktober 2019 beroep ingesteld bij rechtbank Zeeland-West-Brabant. In samenhang met deze beroepen heeft de gemachtigde de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de beroepen en het verzoek om een voorlopige voorziening ter behandeling aan deze rechtbank gezonden. De rechtbank heeft deze op 4 november 2019 ontvangen. De beroepen zijn geregistreerd onder zaaknummers SGR 19/6972 en 19/8438.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft het verzoek om een voorlopige voorziening bij uitspraak van 19 november 2019 (zaaknummer SGR 19/6971) afgewezen.

De beroepen zijn versneld behandeld.

De rechtbank heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) bij brief van 20 november 2019 verzocht inzage te geven in de stukken die ten grondslag liggen aan het ambtsbericht.

Bij brief van 29 november 2019 heeft de minister de rechtbank onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van de onderliggende stukken van het ambtsbericht

Bij beslissing van 9 december 2019 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisname van de stukken die aan het ambtsbericht ten

grondslag liggen gerechtvaardigd is. Bij brief van diezelfde datum heeft de rechtbank de gemachtigde van eiseres gevraagd om toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, om mede op grondslag van de onderliggende stukken van het ambtsbericht uitspraak te doen.

De gemachtigde van eiseres heeft de gevraagde toestemming niet verleend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en diens kantoorgenoot mr. T.M.D. Buruma. Tevens was aanwezig mr. C.F. Wassenaar. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder is tevens mr. [A] verschenen.

Ter zitting is toestemming aan de rechtbank verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, om mede op grondslag van de onderliggende stukken van het ambtsbericht uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting is geschorst en het vooronderzoek is hervat.

Op 28 januari 2020 heeft de rechtbank de onderliggende stukken van het ambtsbericht ingezien ten kantore van de AIVD.

Bij brief van 29 januari 2020 heeft eiseres nadere stukken ingediend. Bij brief van 10 februari 2020 heeft eiseres nadere gronden ingediend. Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief van 26 februari 2020. Bij brief van 2 maart 2020 heeft eiseres gereageerd op het ambtsbericht. Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief van 23 maart 2020.

Op 9 september 2020 heeft de rechtbank ten tweede male de onderliggende stukken van het ambtsbericht bij de AIVD ingezien.

Bij brief van 10 september 2020 heeft eiseres nadere gronden en stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 21 september 2020.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en mr. T.M.D. Buruma. Tevens zijn verschenen de moeder, de zus en zwager van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder is tevens drs. [B] verschenen. Tevens was aanwezig [C] .

Overwegingen

1. Eiseres is op [geboortedag] 1995 in [geboortestad] geboren uit Marokkaanse ouders. Haar ouders verkregen op hun verzoek op 1 september 1998 de Nederlandse nationaliteit. Eiseres heeft als minderjarig kind gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van haar ouders. De ouders van eiseres, evenals eiseres zelf, behielden daarbij de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres is op 9 januari 2014 wegens vertrek uit Nederland uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen van de gemeente [plaats] .

2 Op 30 oktober 2019 heeft eiseres zich met haar kinderen gemeld bij de Nederlandse ambassade te Ankara (Turkije) met het verzoek tot consulaire bijstand om naar Nederland terug te keren. Eiseres is vervolgens in Turkse detentie geplaatst in afwachting van vervolging en/of uitzetting door de Turkse autoriteiten. Op 19 november 2019 is eiseres met haar kinderen ingereisd in Nederland. Zij is sindsdien strafrechtelijk gedetineerd.

3.1

Bij afzonderlijke besluiten van 30 oktober 2019 heeft verweerder het Nederlanderschap van eiseres krachtens artikel 14, vierde lid, van de RWN ingetrokken en haar tot ongewenst vreemdeling verklaard in de zin van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 wegens gevaar voor de nationale veiligheid en in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland. Aanleiding daartoe is dat eiseres zich heeft aangesloten bij een organisatie die deelneemt aan een internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormt voor de Nederlandse nationale veiligheid. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op een ambtsbericht van de AIVD van 27 september 2019. Daarin is het volgende vermeld:

“Betrokkene is medio juli 2013 uitgereisd naar Syrië. Zij is daar eind juli 2013 (Islamitisch) getrouwd met een ISIS-strijder. In die tijd verheerlijkte zij openlijk de werkwijze van ISIS, daarnaast poseerde betrokkene met een automatisch vuurwapen.

Betrokkene bleef ook na 11 maart 2017 aangesloten bij ISIS. Betrokkene deed pro-ISIS uitlatingen via sociale media en faciliteerde bij de verspreiding van pro-ISIS uitlatingen in het (semi-)openbaar. Zo spreekt verzoekster publiekelijk positief over haar leven in een gebied waarin de religieuze politie van ISIS actief is. Verder maakt verzoekster het in 2018 mede mogelijk dat het martelaarschap via sociale media wordt verheerlijkt en een afbeelding van een aanslagmiddel wordt gedeeld.

Betrokkene was tot begin 2019 in het door ISIS gecontroleerd gebied en bevond zich in het voorjaar van 2019 in een Koerdisch kamp. Betrokkene heeft in Syrië twee kinderen gekregen; [kind 1] , geboren omstreeks april 2015 en [kind 2] , geboren omstreeks september 2016.”

3.2

Volgens verweerder laat de inhoud van het ambtsbericht ten aanzien van eiseres geen twijfel bestaan over de vraag of eiseres is afgereisd naar Syrië, zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie en voor of ten behoeve daarvan feitelijke handelingen heeft verricht. Bovendien blijkt volgens verweerder uit het ambtsbericht dat de handelingen en gedragingen waarmee eiseres in verband wordt gebracht zich tevens voordeden ná 11 maart 2017. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hiermee is voldaan aan de vereisten voor intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN.

4 Alvorens op de inhoud in te gaan stelt de rechtbank het volgende vast. Zoals weergegeven in het procesverloop heeft eiseres tijdens de zitting van 21 januari 2020 de rechtbank alsnog op grond van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb toestemming verstrekt om de aan het ambtsbericht onderliggende stukken in te zien. Tijdens de zitting van 21 januari 2020 heeft eiseres voorts gesteld dat zij het ambtsbericht dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt wil betwisten, maar dat niet mondeling ter zitting kan doen. In verband met het vorenstaande is het onderzoek geschorst en het vooronderzoek hervat. De rechtbank heeft op 28 januari 2020 bij de AIVD kennis genomen van de onderliggende stukken van het ambtsbericht. Daarnaast heeft de rechtbank eiseres in de gelegenheid gesteld om alsnog - schriftelijk - op het ambtsbericht te reageren, op uiterlijk 1 maart 2020. Eiseres heeft bij brief van 2 maart 2020 inhoudelijk gereageerd op het ambtsbericht. Op 9 september 2020 heeft de rechtbank de onderliggende stukken van het ambtsbericht opnieuw ingezien.

Verzoeken om aanhouding

5.1

De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiseres tijdens de zitting van 21 september 2020 twee aanhoudingsverzoeken heeft gedaan. Eiseres heeft een eerder verzoek om haar minderjarige kinderen als derde belanghebbenden in de procedure te betrekken herhaald en gesteld dat de eerdere afwijzing van dit verzoek op een onjuiste uitleg van de Awb is gestoeld. Behoudens misbruik moeten belanghebbenden worden toegelaten als daarom gevraagd wordt. Het tweede aanhoudingsverzoek houdt in dat verweerder volgens eiseres in de gelegenheid moet worden gesteld van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik te maken om de zaak te heroverwegen en daarbij alsnog alle relevante en op de persoon van eiseres toegespitste omstandigheden mee te wegen. Eiseres verwijst hiervoor naar het standpunt van minister Grapperhaus naar aanleiding van kritiek op de toepassing van artikel 14, vierde lid, van de RWN alsmede naar de recente uitleg van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak Ghoumid (ECLI:CE:ECHR:2020:0625JUD005227316).

5.2

De rechtbank is van oordeel dat de Awb niet voorziet in een automatische inwilliging van een verzoek om toegelaten te worden als partij. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of er aanleiding bestaat een dergelijk verzoek in te willigen. Aangezien de minderjarige kinderen van eiseres niet als belanghebbenden bij deze procedure kunnen worden aangemerkt omdat het Nederlanderschap van deze kinderen niet aan de orde is en ook niet van invloed is op het Nederlanderschap van eiseres, wijst de rechtbank het verzoek af. Voor inwilliging van het tweede verzoek op voorhand bestaat evenmin aanleiding. De rechtbank verwijst naar hetgeen onder r.o. 7.3 is overwogen.

Het ambtsbericht (totstandkoming)

6.1

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het ambtsbericht niet als een deskundigenbericht kan worden beschouwd omdat de AIVD in het bericht geen conclusie heeft opgenomen over het gevaar van eiseres voor de nationale veiligheid. Eiseres ziet dit als een kennelijke weigering van de AIVD om haar als een gevaar te bestempelen. In dit verband verwijst eiseres naar het op 16 juni 2020 gepubliceerde rapport van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (hierna: CTIVD) over de intrekking van het Nederlanderschap, waaruit volgens haar blijkt dat de AIVD moeite c.q. weerzin heeft zich in zaken van de IND te mengen. Eiseres heeft voorts betoogd dat verweerder de onderliggende stukken zelf had moeten inzien. Voorts kan, aldus eiseres, het ambtsbericht niet als deskundigenbericht worden beschouwd omdat verweerder verzuimd heeft te onderzoeken of het ambtsbericht qua inhoud en procedure zorgvuldig tot stand gekomen is. Eiseres verwijst in dit verband naar de zogenoemde REK-check alsmede naar de annotatie van A. Kuijer in het boek ‘De REK in nootverband’.

6.2

De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat, indien uit een ambtsbericht van de AIVD op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusie vervat in dat ambtsbericht ten grondslag zijn gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting, voor de staatssecretaris geen aanleiding bestaat om de aan dat ambtsbericht ten grondslag liggende stukken in te zien, tenzij de desbetreffende vreemdeling concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat ambtsbericht naar voren heeft gebracht (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 22 april 2015 en 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2015:1278 en ECLI:NL:RVS:2019:1582). Het betoog van eiseres dat het ambtsbericht geen conclusies over de nationale veiligheid bevat slaagt niet, nu in het ambtsbericht onder meer vermeld staat dat eiseres aangesloten was bij ISIS en de werkwijze van ISIS verheerlijkte. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of het gestelde in het ambtsbericht tot de conclusie leidt dat eiseres een gevaar vormt voor de staatsveiligheid. Zoals verweerder ter zitting terecht heeft gesteld is de gebruiker van het deskundigenbericht verantwoordelijk voor diens eigen conclusies en besluiten. Het rapport van de CTIVD biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op grond daarvan geen betekenis aan de uitgebrachte ambtsberichten kan worden gehecht. Gelet op voormelde jurisprudentie zal de rechtbank dan ook de vraag moeten beantwoorden of eiseres concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor twijfel aan de juistheid van het ambtsbericht. Het verrichten van een REK-check is in deze procedure niet van toepassing aangezien de REK-check alleen wordt toegepast bij ambtsberichten die van het ministerie van Buitenlandse Zaken afkomstig zijn.

Het ambtsbericht (inhoud)

6.3

Eiseres heeft betwist dat zij met een ISIS-strijder getrouwd is geweest. Zij heeft gesteld dat haar man [D] , voor zover zij weet, nooit ISIS-strijder is geweest. Hij was dat in ieder geval niet eind juli 2013 toen zij met hem trouwde; zij is ISIS pas voor het eerst tegengekomen toen zij in 2014 met haar man naar Raqqa verhuisde. Eiseres heeft betwist dat zij in die tijd openlijk de werkwijze van ISIS verheerlijkte. Zij wist van het bestaan van ISIS in die periode niet af en had bovendien niet vrijelijk de beschikking over haar telefoon. Voor zover met de stelling ‘daarnaast poseerde betrokkene met een automatisch vuurwapen’ gedoeld wordt op de foto die aan [E] is gestuurd, heeft eiseres gesteld dat niet zij op de foto staat maar [F] . De foto is onderdeel van een stel chatberichten die niet door eiseres zelf zijn verstuurd. Eiseres heeft voorts betwist dat zij aangesloten is geweest bij ISIS. Hoewel zij in ISIS-gebied leefde, was zij zelf geen lid en heeft zij geen activiteiten voor of namens ISIS verricht. Het enkele leven in ISIS-gebied is onvoldoende voor het oordeel dat zij zich bij ISIS heeft aangesloten. Eiseres deelde het gedachtegoed niet. Voor zover eiseres uitlatingen in het openbaar heeft gedaan die als pro-ISIS zouden kunnen worden bestempeld, was dit weinig en generiek. Zij deed dit om geen gevaar te lopen of gestraft te worden. De plaatsing van een bericht over een bombardement waarbij een burger omkwam nadat hij anderen probeerde te helpen, was geen pro ISIS-bericht en geeft evenmin blijk van jihadistische intenties. Daarnaast is aangevoerd dat uit het ambtsbericht onvoldoende blijkt dat de aansluiting bij de terroristische organisatie heeft voortgeduurd na 11 maart 2017.

Tijdens de zitting van de rechtbank op 21 september 2020 heeft eiseres in aanvulling op het vorenstaande gesteld dat in het kader van de strafprocedure onderzoek wordt gedaan naar de foto’s op sociale media en naar de vraag of eiseres degene is geweest die de bewuste uitlatingen tegenover [E] heeft gedaan. Dit betekent volgens eiseres dat, nu haar gedrag in Syrië nog wordt onderzocht, de gedragingen ten tijde van het bestreden besluit niet vaststonden. In verband daarmee heeft eiseres het aanbod aan de rechtbank gedaan om zowel [G] als [F] als getuige te horen over onder meer de periode waarin eiseres (niet) in het bezit was van haar telefoon.

6.4

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de betwisting van het ambtsbericht goeddeels uit blote ontkenningen bestaat. Op een enkel punt wordt te kennen gegeven dat eiseres iets ‘geliked’ kan hebben om geen gevaar te lopen. Deze betwistingen, in de verklaringen van eiseres zelf, vormen naar het oordeel van verweerder geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van de inhoud van het ambtsbericht.

6.5.1

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 14, vierde lid, van de RWN blijkt dat het bij aansluiting bij een terroristische organisatie om een combinatie van feitelijke handelingen gaat en de intentie zoals deze uit gedragingen van betrokkene kenbaar wordt. Het is geen voorwaarde dat betrokkene zelf geweld heeft gebruikt. Aansluiting is een sterk feitelijk begrip, dat afhangt van de individuele omstandigheden van het geval. Aansluiting zal in alle gevallen moeten blijken uit de gedragingen van betrokkene waarvoor doorgaans een ambtsbericht van de AIVD voorhanden is. Dit ambtsbericht kan gebaseerd zijn op een veelheid van bronnen en van geval tot geval zal moeten worden bepaald wanneer er sprake is van voldoende zekerheid over de feiten (Kamerstukken II 2015-2016, 34 356 (R2064), nr. 3, onderdeel 5 en Kamerstukken I 2015-2016, 34 356 (R2064), nr. C, onderdeel 4).

Gelet op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 17 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:990 en ECLI:NL:RVS:2019:1246) dient verweerder aan te tonen dat de aansluiting van betrokkenen bij de organisaties die op de lijst van organisaties, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de RWN vermeld staan, ten minste heeft voortgeduurd tot en met 11 maart 2017, zijnde de datum waarop het besluit tot vaststelling van de lijst in werking is getreden.

6.5.2

De rechtbank overweegt dat het ambtsbericht voldoende feitelijke en concrete informatie bevat over de gedragingen van eiseres, ook na 11 maart 2017, die niet is weerlegd. Hetgeen door en namens eiseres naar voren is gebracht, biedt de rechtbank geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het ambtsbericht. De plaatsing van de foto van een gesluierde vrouw met aanslagmiddel op Facebook en het versturen van die foto in chats aan [E] speelde zich eind 2013 af. Eiseres heeft haar stellingen dat zij de bewuste foto niet heeft geplaatst en/of verstuurd omdat zij in die periode niet vrijelijk over haar telefoon kon beschikken, onvoldoende concreet onderbouwd en overigens niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het verzoek om getuigen te horen in te willigen. De rechtbank betrekt hierbij het feit dat eiseres, gelet op de processen-verbaal van de politie waaruit blijkt dat eiseres vanaf begin 2014 (maart/april) in ieder geval wel beschikte over de telefoon en haar Facebookpagina, de foto in die periode niet heeft verwijderd. De reden die eiseres daarvoor opgaf, namelijk dat het internet te zwak was, acht de rechtbank niet geloofwaardig. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat, ook al zou eiseres niet degene zijn die op die foto staat, het wel gaat om een foto van een vrouw met een aanslagmiddel. Nu eiseres vanaf maart/april 2014 weer de beschikking had over de telefoon en ook erkent dat het kan zijn dat ze berichten op sociale media heeft geplaatst, acht de rechtbank het -mede gelet op de geheime stukken die door de rechtbank zijn ingezien- voldoende aannemelijk dat de berichten van eiseres afkomstig waren . Bovendien betreft dit ook berichten van na maart 2017, welke de bevindingen uit het ambtsbericht in voldoende mate onderbouwen. Dat eiseres deze berichten heeft verstuurd uit angst om anders gestraft te worden is niet aannemelijk geworden.

Aangezien hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen reden geeft om te twijfelen aan de juistheid van het ambtsbericht was verweerder niet gehouden de onderliggende stukken zelf in te zien.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat uit het ambtsbericht volgt dat eiseres een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.

Détournement de pouvoir

7.1

Eiseres heeft betoogd dat verweerder oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid van artikel 14, vierde lid, van de RWN. Volgens eiseres vindt intrekking van het Nederlanderschap op grond van deze bepaling niet plaats als de betrokken persoon zich in Nederland bevindt. De bepaling is geschreven voor de (in het buitenland verblijvende) ‘onvindbaren’ en diegenen die, anders dan eiseres, geen contact willen en niet de wens hebben terug te keren naar Nederland. Eiseres verwijst hiervoor naar de Handleiding en naar de annotatie bij het arrest Ghoumid. Eiseres bevond zich op 30 oktober 2019 binnen de jurisdictie van Nederland zodat zij op dat moment gehoord had kunnen en moeten worden. Door dit na te laten zijn de waarborgen van de artikelen 8 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en artikel 3 van het Vierde Protocol geschonden. Verweerder had voorrang moeten geven aan de mogelijkheid het Nederlanderschap in te trekken, na een eventuele strafrechtelijke veroordeling, op grond van artikel 14, tweede lid, van de RWN met bijbehorende bezwaarprocedure en volledige heroverweging. Meer subsidiair heeft eiseres betoogd dat verweerder een aanvullend besluit had moeten nemen met weging van alle actuele en individuele belangen van eiseres. Het bestreden besluit geeft geen blijk van een op haar persoon toegespitste belangenafweging.

7.2

Verweerder heeft er op gewezen dat uit de tijdlijn blijkt dat de normale procedure is gevolgd en dat van een ‘haastklus’ geen sprake is geweest. Het ambtsbericht dateert van 27 september 2019, op 1 oktober 2019 is bij het College van procureurs-generaal (het Openbaar Ministerie) informatie ingewonnen over het belang van opsporing, vervolging, berechting en de mogelijkheid van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, op 15 oktober 2019 heeft het Openbaar Ministerie dit verzoek beantwoord, op 29 oktober zijn, zo blijkt uit de gezamenlijke brief aan de Tweede Kamer van 31 oktober 2019 van de ministers van Buitenlandse Zaken en Justitie en Veiligheid en verweerder, zowel de minister als de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid akkoord gegaan met het te nemen besluit (Tweede Kamer 29 754 nr. 534) en op 30 oktober 2019 heeft verweerder het besluit daadwerkelijk genomen. Verder heeft verweerder er op gewezen dat eiseres op 30 oktober 2019 weliswaar op de ambassade aanwezig was maar daarmee nog niet in Nederland.

7.3

De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan eiseres heeft betoogd biedt de wetgeschiedenis geen aanleiding voor de veronderstelling dat artikel 14, vierde lid, van de RWN is bedoeld voor zogenoemde ’onvindbaren’ en niet voor diegenen die, zoals eiseres, de kennelijke wil hebben om terug te keren naar Nederland. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat beoogd is terugkeer te voorkomen van diegenen die zich in het buitenland bevinden en zich hebben aangesloten bij een terroristische organisatie, dit omwille van de nationale veiligheid. De intrekking heeft tot doel iemand die een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid uit te sluiten van het Nederlanderschap met alle rechten en verplichtingen, waaronder het recht op toegang tot Nederlands grondgebied. Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts dat het wetsvoorstel zich hierbij uitsluitend richt op diegenen die zich in het buitenland bevinden en die zich blijkens informatie van bijvoorbeeld de inlichtingen- en veiligheidsdiensten hebben aangesloten bij een organisatie die door de Minister van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is of wordt geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en die een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Wat de procedure betreft overweegt de rechtbank dat de wetgever er bewust voor gekozen heeft niet eerst een voornemen te versturen om de kans dat betrokkenen naar Nederland komen zoveel mogelijk te beperken (Kamerstukken II, 2015-2016, 34 356 (R2064) C, blz 13 alinea 2 en blz 12 alinea 3). De bescherming van de nationale veiligheid is immers het doel van de maatregel. Intrekking verhindert legale terugkeer naar het Koninkrijk en bemoeilijkt de feitelijke terugkeer en kan daardoor bijdragen aan de bescherming van de nationale veiligheid.

Aan de voorwaarde dat betrokkene zich ten tijde van het besluit niet in het Koninkrijk bevond is voldaan. Weliswaar bevond eiseres zich op 30 oktober 2019 op de Nederlandse ambassade in Turkije, maar verblijf op de ambassade betekent niet dat wordt verbleven op het grondgebied van het land van de ambassade. Eiseres verbleef ten tijde van het bestreden besluit niet op Nederlands maar op Turks grondgebied. Aan de formele eisen van intrekking is dan ook voldaan. Niet gebleken is dat verweerder van zijn bevoegdheid tot intrekking om andere redenen dan die van de bescherming van het zwaarwegende belang van de staatsveiligheid gebruik heeft gemaakt. Het betoog slaagt niet.

De rechtbank dient te beoordelen of het voorliggende besluit de toets kan doorstaan. Daarbij is van belang dat de rechtbank het besluit, gelet op artikel 22a, vijfde lid, van de RWN, in volle omvang kan toetsen en alle relevante feiten en omstandigheden mee kan wegen. Dit betekent niet dat de rechtbank, of verweerder, tot taak heeft alle feiten en omstandigheden van na het bestreden besluit, anders dan -relevante- informatie die kan bijdragen aan een betere beoordeling van het besluit, alsnog in de beoordeling dient te betrekken. De wet biedt daarvoor geen grondslag. De rechtbank volgt evenmin het betoog dat verweerder een verdergaande toetsing had moeten verrichten dan op grond van artikel 68c van het Besluit verkrijging en verlies van het Nederlanderschap (hierna: BvvN) is voorgeschreven. Zoals verweerder heeft gesteld is in de toelichting op artikel 68c van het BvvN tot uitdrukking gebracht dat zich slechts in zeer uitzonderlijke gevallen individuele omstandigheden kunnen voordoen waarbij de belangenafweging anders uitvalt. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat daarvan in het geval van eiseres niet is gebleken.

De rechtbank overweegt dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de waarborgen die gelden voor eiseres als gevolg van de (wijze van) besluitvorming van verweerder zijn geschaad. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraken van 17 april 2019 heeft geoordeeld dat de kennisgevingsprocedure van artikel 22, derde lid, van de RWN, hoewel daarin een beperking is gelegen, op zichzelf geen inbreuk vormt op de kernwaarden van een eerlijk proces met recht op hoor en wederhoor waarbij is voorzien in een rechterlijke toetsing in twee instanties. De Afdeling heeft geoordeeld dat de kennisgevingsprocedure als een aanvulling op de reguliere rechtsbescherming moet worden beschouwd. In dit geval geldt daarnaast dat eiseres, die van meet af aan in contact met en bijgestaan is door advocaten, ruimschoots in de gelegenheid is geweest zich in de onderhavige procedure te verweren tegen het intrekkingsbesluit en argumenten tegen het ambtsbericht in te brengen, zowel schriftelijk als mondeling. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat sprake is van een schending van artikel 6 van het EVRM.

samenloop met de strafzaak

8.1

Eiseres heeft betoogd dat er voor verweerder geen noodzaak bestond om tot intrekking van het Nederlanderschap van eiseres over te gaan omdat het strafrechtelijk onderzoek naar eiseres op 30 oktober 2019, toen zij zich meldde op de ambassade, in een vergevorderd stadium was. Het had voor de hand gelegen als verweerder eerst de strafprocedure had afgewacht en vervolgens, indien een veroordeling zou volgen, gebruik zou maken van de minder vergaande bevoegdheid van artikel 14, tweede lid, van de RWN. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het belang van een strafrechtelijke vervolging zou moeten prevaleren boven intrekking indien bij het Openbaar Ministerie reeds een omvangrijk strafdossier is voorbereid. Eiseres heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het belang van strafvervolging wordt doorkruist en procedurele waarborgen ontbreken. Voortduring van deze zaak interfereert in negatieve zin met het strafproces. Bovendien vindt in de strafprocedure nog steeds verder onderzoek plaats naar de feiten die ook voor deze zaak van belang zijn. De onschuldpresumptie verzet zich ertegen dat feiten die nog aan het oordeel van de strafrechter zijn onderworpen worden gebruikt voor een ander besluit, te weten het onderhavige intrekkingsbesluit.

8.2

Verweerder heeft er in het bestreden besluit op gewezen dat de bezwaren die het Openbaar Ministerie in de brief van 15 oktober 2019 in het belang van de mogelijke strafvervolging van eiseres naar voren heeft gebracht, zijn te ondervangen door een tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring voor zover dat ingevolge de strafrechtelijke procedure nodig is en niet langer dan dat gelet op strafrechtelijke verplichtingen noodzakelijk is. Verweerder heeft daaraan toegevoegd dat van een negatieve invloed op de strafzaak in het geheel geen sprake (meer) is nu eiseres Nederland is ingereisd en haar strafprocedure kan bijwonen.

8.3

De rechtbank overweegt dat verweerder ingevolge artikel 68c, eerste lid, aanhef en onder c, van het BvvN bij zijn besluit tot intrekking op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN onder meer rekening houdt met het eventuele belang van opsporing, vervolging en berechting van een betrokkene en de mogelijkheid van tenuitvoerlegging van een straf. Uit het bestreden besluit blijkt dat met deze belangen in voldoende mate rekening is gehouden. Zoals verweerder heeft gesteld bestaat er geen (mogelijk) conflict (meer) tussen intrekking en vervolging nu eiseres naar Nederland is gekomen en bij de behandeling van de strafzaak aanwezig kan zijn. De rechtbank volgt verweerder in diens standpunt dat dit echter niet betekent dat om die reden de behandeling van de strafzaak tot in hoogste instantie zou moeten worden afgewacht. De intrekking betreft immers een andere, geheel eigen procedure, met een ander beoordelingskader. Van schending van de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, van het EVRM is geen sprake nu verweerder in het bestreden besluit geen oordeel heeft gegeven over de schuld of onschuld van eiseres aan een strafbaar feit (zie de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:331).

De rechtbank volgt eiseres tenslotte niet in haar stelling dat verweerder voorrang had behoren te geven aan de mogelijkheid het Nederlanderschap in te trekken op grond artikel 14, tweede lid, van de RWN na een eventuele strafrechtelijke veroordeling. Ten tijde van het bestreden besluit was er immers geen sprake van een strafrechtelijke vervolging en veroordeling voor een misdrijf als bedoeld in die bepaling.

Tussenconclusie

9 Zoals in het voorgaande is geconcludeerd, is de rechtbank van oordeel dat in het geval van eiseres, gelet op de inhoud van het uitgebrachte ambtsbericht, voldaan is aan de vereisten voor intrekking van het Nederlanderschap. Zoals de rechtbank in eerdere vergelijkbare zaken heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5784) acht zij de maatregel noodzakelijk en proportioneel. Verweerder heeft, onder verwijzing naar verschillende edities van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland, het rapport 'Terugkeerders in beeld' van de AIVD van februari 2017 en eerder gepleegde aanslagen door zogeheten terugkeerders, er op gewezen dat het risico bestaat dat terugkeerders aanslagen plegen en de binnenlandse jihadistische beweging versterken. Ook bestaat het gevaar dat zij anderen rekruteren voor de gewapende strijd. De rechtbank is van oordeel dat, zoals ook de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraken van 17 april 2019 heeft overwogen, daarmee de noodzaak van de maatregel in het belang van de bescherming van de nationale veiligheid is aangetoond. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de intrekking van de nationaliteit weliswaar een zwaar middel is maar dat aan deze -preventieve- maatregel gezien het doel ervan, te weten het belang van de bescherming van de nationale veiligheid, behoefte bestaat naast de bestaande maatregelen zodat de maatregel proportioneel moet worden geacht.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op grond van de informatie uit het ambtsbericht bevoegd was tot intrekking van het Nederlanderschap van eiseres over te gaan en op goede gronden van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Van onevenredigheid van de opgelegde maatregel ten opzichte van de individuele belangen van eiseres is de rechtbank niet gebleken.

overige beroepsgronden

10.1

Eiseres heeft betoogd dat de intrekking in strijd is met het verbod van directe en indirecte discriminatie zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging is aan te wijzen. Er zijn geen ‘very weigthy reasons’ aan de zijde van de Staat en de maatregel dient geen legitiem doel. Onder verwijzing naar het Rapport van de UN Special Rapporteur en het rapport van de Migration Law Clinic heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat het Staatloosheidsverdrag en het EVN niet als rechtvaardigingsgrond kunnen dienen omdat deze verdragen zelf discriminatie op grond van nationaliteit verbieden.

10.2

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

10.3

De rechtbank overweegt dat de door eiseres aangevoerde gronden dezelfde gronden zijn die zijn aangevoerd in een andere zaak waarin de rechtbank op 14 april 2020 uitspraak heeft gedaan. Voor het oordeel in die zaak en de weerlegging van de gronden verwijst de rechtbank dan ook naar deze uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2020:4397).

Ongewenstverklaring (SGR 19/8438)

11.1

Eiseres heeft betoogd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM nu verweerder in zijn besluitvorming het belang van de Nederlandse kinderen van eiseres buiten beschouwing heeft gelaten. Eiseres wijst in dit verband op het arrest van het EHRM inzake Ghoumid tegen Frankrijk van 25 juni 2020 waarin duidelijke richtlijnen zijn opgenomen met betrekking tot de beoordeling van het recht op privéleven in de zin van artikel 8 EVRM bij de intrekking van een nationaliteit. Volgens eiseres volgt uit dit arrest dat verweerder bij de beoordeling van de evenredigheid in ieder geval rekening had moeten houden met het feit dat eiseres sinds haar geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit, het feit dat eiseres met haar kinderen inmiddels bijna een jaar terug is in Nederland, de strafmaat en duur van de opgelegde straf als dat al uit de strafzaak zou volgen, de actualiteit van de bedreiging voor de openbare orde en de nationale veiligheid, het feit dat intrekking van de nationaliteit leidt tot uitzetting vanwege de gelijktijdige oplegging van de ongewenstverklaring en tot slot het hogere belang van de kinderen van eiseres. Eiseres heeft in dat verband gesteld dat de ongewenstverklaring leidt tot een complicatie omdat de Raad voor de Kinderbescherming zicht moet hebben op de situatie van de moeder en in het geval dat eiseres vanwege de ongewenstverklaring naar Marokko moet gaan, de kinderen waarschijnlijk niet met haar mee mogen.

11.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat alle relevante omstandigheden in de beoordeling zijn betrokken en dat er geen heel bijzondere omstandigheden naar voren zijn gekomen op grond waarvan van intrekking zou moeten worden afgezien. De intrekking is naar het oordeel van verweerder dan ook niet disproportioneel.

11.3.1

In de wetsgeschiedenis die betrekking heeft op de samenloop van de besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN en de ongewenstverklaring staat vermeld dat de intrekking van het Nederlanderschap tot doel heeft iemand die, vanwege het feit dat deze zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie die deelneemt aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid, uit te sluiten van het Nederlanderschap met alle rechten en verplichtingen, waaronder het recht op toegang tot Nederlands grondgebied. Voorwaarde voor toepassing is dat betrokkene zich niet in het Koninkrijk bevindt. Een hierop volgende ongewenstverklaring van betrokkene is noodzakelijk om legale terugkeer te voorkomen (Kamerstukken II, 2015-2015, 34 356 (R2064), nr. 3 onderdeel 5).

De intrekking van het Nederlanderschap van eiseres heeft tot gevolg dat eiseres vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) met de Marokkaanse nationaliteit. Het besluit waarbij eiseres tot ongewenst vreemdeling is verklaard is gebaseerd op artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.

11.3.2

Verweerder heeft voor de motivering van het besluit tot ongewenstverklaring aangesloten bij de overwegingen uit het besluit van gelijke datum houdende de intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat indien is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking in beginsel ook is voldaan aan de voorwaarden voor de ongewenstverklaring (Kamerstukken II, 2015-2016, 34 356 (2064), nr. 3 onderdeel 5). Zoals hiervoor ten aanzien van het beroep tegen de intrekking is vermeld, heeft verweerder uit de beschikbare informatie terecht afgeleid dat boven redelijke twijfel verheven is dat eiseres ten tijde van belang was aangesloten bij een terroristische organisatie en een gevaar vormde voor de nationale veiligheid. De rechtbank ziet geen aanleiding om ten aanzien van de ongewenstverklaring tot een ander oordeel te komen.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland. Verweerder heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt omdat vast is komen te staan dat eiseres activiteiten heeft ontplooid voor een terroristische strijdgroep die op de sanctielijst van de Verenigde Naties en de Europese Unie is geplaatst (ISIS). ISIS is op 30 mei 2013 op de sanctielijst van de VN geplaatst en op 1 juli 2013 op de sanctielijst van de EU als verboden terroristische organisatie. In dit verband heeft verweerder verwezen naar de door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 29 oktober 2001 aangenomen resolutie 1373 (2001) waarin Staten worden opgeroepen maatregelen te treffen tegen internationaal terrorisme en naar de bijzondere verplichting van Nederland met de invoering van het Akkoord van Schengen jegens de overige lidstaten om in het kader van buitengrensbewaking het gemeenschappelijk grondgebied te vrijwaren van personen die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat aan het criterium voor toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 is voldaan.

11.3.3

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij de ongewenstverklaring dient te worden getoetst aan artikel 8 van het EVRM, hetgeen met name relevant zal zijn wanneer er familie- en gezinsleven in Nederland is (Kamerstukken II, 2015-2016, 34 356 (R2064) nr. 3 blz 8 midden). In het besluit tot ongewenstverklaring is verweerder gemotiveerd ingegaan op de vraag of, voor zover er al van uit moet worden gegaan dat de ongewenstverklaring tot inmenging in het familie- of gezinsleven tussen eiseres en haar hier te lande verblijvende familieleden zou leiden, dit besluit een ongerechtvaardigde inmenging zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de ongewenstverklaring een gerechtvaardigde inmenging is. Door er zelf voor te kiezen om naar Syrië te vertrekken om aldaar een zelfstandig bestaan in door ISIS gecontroleerd gebied te gaan leiden en aldaar te huwen met een ISIS-strijder waarmee zij twee kinderen heeft gekregen, heeft eiseres zelf de afweging gemaakt om niet langer feitelijk in de nabijheid van haar familieleden in Nederland te verblijven. Ten aanzien van haar twee minderjarige kinderen die in Syrië geboren zijn op 22 april 2015 en 23 september 2016, is van belang dat zij het Nederlanderschap door geboorte aan de moeder ontlenen. Zij hebben tevens de Marokkaanse nationaliteit. Zoals onder r.o. 5.2 is overwogen, heeft de intrekking van het Nederlanderschap van eiseres geen invloed op het bezit van het Nederlanderschap van haar kinderen. De kinderen mogen in Nederland verblijven en dat is inmiddels ook het geval. Eiseres is thans gedetineerd en de kinderen zijn onder toezicht gesteld en verblijven bij zus V. Ter zitting heeft verweerder er terecht op gewezen dat niet betwist wordt dat het besluit effect heeft op de kinderen maar dat er weinig over hen bekend is, anders dan dat zij na aankomst in Nederland onder (verlengd) toezicht zijn gesteld. Zo ontbreekt bijvoorbeeld een rapportage van Jeugdzorg. De rechtbank overweegt dat, voor zover als gevolg van de ongewenstverklaring mogelijkerwijs een complicatie optreedt in de strafzaak in de door eiseres bedoelde zin, dit niet betekent dat sprake is van een schending van artikel 8 EVRM. De gestelde mogelijke complicatie dat de kinderen bij eventuele uitzetting van eiseres niet mee mogen naar Marokko is niet aan de orde.

Het betoog slaagt niet.

11.3.4

Ook overigens is niet gebleken dat verweerder geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met de individuele belangen van eiseres. Dat eiseres sinds haar geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit, is feitelijk onjuist. Zij heeft als minderjarige gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van haar ouders. De omstandigheid dat eiseres bijna een jaar terug is in Nederland en sinds haar terugkomst gedetineerd is, wil niet zeggen dat zij niet langer een (actuele) bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. Op de eventuele uitkomst van de strafrechtelijke procedure kan in deze procedure niet worden vooruitgelopen. Het onderhavige besluit is genomen op basis van het ambtsbericht van de AIVD en niet op hetgeen in de strafrechtelijke procedure aan de orde is of zal komen.

Verweerder heeft op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd eiseres tot ongewenst vreemdeling verklaard.

12 De rechtbank komt tot de slotsom dat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard.

13 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzitter, en mr. M.M. Meijers en mr. A.E. Dutrieux, leden, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Meide, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.