Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1210

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-02-2020
Datum publicatie
14-02-2020
Zaaknummer
AWB 19/5470
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv nareis, minderjarige referent vraagt een mvv nareis aan voor zijn moeder. Verweerder heeft tegengeworpen dat de feitelijke gezinsband is verbroken, nu referent een relatie zou zijn aangegaan. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft reeds eerder in zijn uitspraak geoordeeld dat geen sprake is van een relatie die door referent zou zijn aangegaan en heeft verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming daarvan. De rechtbank is in de onderhavige uitspraak van oordeel dat verweerder geen uitvoering heeft gegeven aan deze uitspraak omdat wederom aan eiseres en referent wordt tegengeworpen dat referent een relatie zou hebben. Daarnaast heeft verweerder in het nieuwe besluit een nieuwe contra-indicatie aangemerkt, namelijk dat referent inmiddels (nu hij meerderjarig is) in zijn eigen levensonderhoud voorziet en zelfstandig woont. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit niet aan eiseres en referent had mogen tegenwerpen, nu referent genoodzaakt was om zelfstandig te wonen en in zijn eigen levenshoud te voorzien, dit is immers inherent aan het feit dat referent meerderjarig is geworden en geen familieleden in Nederland heeft. Omdat het bestreden besluit in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel tot stand is gekomen, vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en voorziet de rechtbank in dit specifieke geval zelf in de zaak. Volgens de rechtbank is er rechtens nog maar één uitkomst mogelijk en het geven van nog een gelegenheid om het bezwaar te beoordelen zou geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze inhouden. Het beroep is gegrond en de rechtbank draagt verweerder op om aan eiseres binnen een termijn van twee weken na deze uitspraak een mvv te verlenen voor het doel waarvoor dat ten behoeve van eiseres is aangevraagd.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/5470

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 4 februari 2020 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum 1] , van Syrische nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. M.L. van Leer, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. F. Coenen, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “nareizigers asiel” afgewezen.

Bij besluit van 19 september 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 15 januari 2019 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2019. Op 8 maart 2019 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen (AWB 18/7715). Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder een gehoor afgenomen met referent op 5 juni 2019.

Bij besluit van 19 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 16 december 2019 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voorts is de referent verschenen.


Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 72, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum, waaronder begrepen een mvv, voor de toepassing van hoofdstuk 7 “Rechtsmiddelen” van de Vw 2000 gelijkgesteld met een beschikking omtrent een verblijfsvergunning regulier gegeven krachtens deze wet.

  2. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiseres is de moeder van referent, [naam 1] . Referent is geboren op [geboortedatum 2] en is zonder eiseres naar Nederland gevlucht. Op 20 augustus 2016 heeft verweerder aan referent een verblijfsvergunning asiel verleend met als ingangsdatum 12 juli 2016. Referent was minderjarig ten tijde van het indienen van de onderhavige aanvraag.

  3. In het besluit van 19 september 2018 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen omdat was gebleken dat referent in Nederland een relatie is aangegaan met [naam 2] met wie hij in een moskee in Nederland traditioneel is gehuwd. Vanwege het bestaan van deze relatie heeft verweerder de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent als verbroken beschouwd. Eiseres is tegen dit besluit in beroep gegaan. Inzake dit beroep heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 8 maart 2019 in rechtsoverweging 12 het volgende geoordeeld:

“....
12. Gezien het voorgaande heeft verweerder zijn conclusie dat de gezinsband tussen eiseres en referent als verbroken moet worden beschouwd, niet deugdelijk gemotiveerd en heeft hij ten onrechte van horen in bezwaar afgezien. Daarom is het beroep gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 4:84, 7:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb en artikel 29 Vw, alsmede het beleid in paragraaf C2/4.1 Vc. Hoewel na het voorgaande duidelijk is dat verweerders standpunt dat de gezinsband zou zijn verbroken, geen stand kan houden, zal de rechtbank bepalen dat verweerder opnieuw op het bezwaar dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak, omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in situaties als de onderhavige geen ruimte voor de rechtbank ziet om zelf in de zaak te voorzien.”

Hierop heeft verweerder referent op 5 juni 2019 op het bezwaar gehoord en vervolgens het bestreden besluit genomen.

4. Eiseres voert – kort samengevat – het volgende aan.
Het oordeel van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 maart 2019 is in rechte is komen vast te staan nu verweerder geen hoger beroep heeft ingesteld tegen deze uitspraak. In het bestreden besluit geeft verweerder onder het kopje ‘reden van besluit’ aan dat het besluit enkel wordt genomen om uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank en verweerder zich echter niet kan verenigen met de uitspraak. Deze opmerking heeft niet alleen de schijn van vooringenomenheid, maar duidt ook op een verkapt hoger beroep en niet op een omstandigheid dat verweerder opnieuw heeft beslist op bezwaar met inachtneming van de uitspraak. Eiseres acht dit in strijd met de goede procesorde en het rechtszekerheidsbeginsel, om welke reden zij zich primair op het standpunt stelt dat het bestreden besluit reeds daarom geen stand kan houden.
Subsidiair voert eiseres aan dat verweerder referent ten onrechte tegenwerpt dat hij een relatie heeft (gehad) met [naam 2] en dat ten onrechte als zwaarwegende omstandigheid meeweegt bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent. Aanvullend hierop merkt eiseres op dat verweerder dusdanig lang over de procedure heeft gedaan, dat het eiseres niet aan te rekenen is dat referent inmiddels in zijn eigen levensonderhoud voorziet en zelfstandig woont. Ten aanzien van de contra-indicatie dat referent innerlijk tegenstrijdig zou hebben verklaard over de relatie met [naam 2] , voert eiseres, kort samengevat, aan dat referent iedere keer heeft verklaard dat er een soort plechtigheid/ceremonie bij de vader van [naam 2] heeft plaatsgevonden, in het bijzijn van getuigen, om ervoor te zorgen dat zij met elkaar konden omgaan zodat [naam 2] zonder schande voor haar familie bij referent thuis zou mogen komen. In deze verklaringen is referent consistent en is geen sprake van innerlijke tegenstrijdigheden. Dat verweerder dit heeft bestempeld als religieus huwelijk, maakt nog niet dat er daadwerkelijk sprake was van een huwelijk, dan wel van tegenstrijdige verklaringen. Van een contra-indicatie, zoals door verweerder gesteld, is dan ook geen sprake.

4.1

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit, zoals dat nader is toegelicht in het verweerschrift, op de volgende twee standpunten.

4.1.1

Materieel is door verweerder uitvoering gegeven aan de uitspraak van 8 maart 2019 van deze rechtbank en zittingsplaats. Evenwel begrijpt verweerder dat de woordkeuze in het bestreden besluit een andere indruk kan wekken. Deze woordkeuze is veeleer het gevolg geweest van de wens om de reden waarom niet tot een inwilliging kan worden gekomen, zo goed mogelijk te willen verwoorden.

4.1.2

De contra-indicaties of verbrekingsgronden zoals bepaald in paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) zijn niet limitatief van aard. Dat heeft de rechtbank miskend. Dit betekent dat aangenomen kan worden dat de feitelijke gezinsband is verbroken op basis van omstandigheden die in de Vc niet als contra-indicatie zijn vermeld. Volgens dit toetsingskader is de aanvraag beoordeeld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in zijn uitspraak van 4 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:21) dit toetsingskader onderschreven en binnen dit toetsingskader kan verweerder ook ten aanzien van een minderjarige die een huwelijk of een relatie is aangegaan tot de conclusie komen dat de feitelijke gezinsband is verbroken, op voorwaarde dat ‘sprake is van bovengenoemde of een andere contra-indicatie’. Verweerder beschouwt de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent als verbroken, omdat sprake is van drie contra-indicaties: referent is in Nederland een relatie aangegaan, hij woont zelfstandig en voorziet zelfstandig in zijn eigen levensonderhoud, en referent heeft ten aanzien van de relatie afstand genomen van zijn eerdere verklaringen en nadien innerlijk tegenstrijdig heeft verklaard over de relatie. De feiten en omstandigheden die volgens verweerder duiden op het drietal contra-indicaties heeft verweerder in het bestreden besluit uiteengezet en in het verweerschrift nader toegelicht.

4.2

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. De rechtbank verwijst allereerst naar het toetsingskader dat van toepassing is op de onderhavige aanvraag, namelijk paragraaf C2/4.1 van de Vc:

“(…) Voor de beoordeling of het biologische minderjarige kind dat om overkomst vraagt feitelijk behoort tot het gezin, is het moment van binnenkomst van de referent in Nederland leidend. De IND beoordeelt of zich na binnenkomst van de referent in Nederland omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat de feitelijke gezinsband is verbroken. Indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden (contra-indicaties), kan in ieder geval worden aangenomen dat het kind niet langer feitelijk tot het gezin van de ouder(s) behoort:

- het kind woont zelfstandig en voorziet in eigen onderhoud;

- het kind is belast met de zorg voor een buitenechtelijk kind.

Indien het kind zelf de zorg heeft voor afhankelijke gezinsleden, onder wie (buitenechtelijke) kinderen, is dit alleen een reden om aan te nemen dat het niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), indien daarnaast sprake is van de eerst genoemde omstandigheid. Indien het minderjarige kind een huwelijk of relatie is aangegaan en er geen sprake is van een van de genoemde omstandigheden of andere contra-indicaties, acht de IND de gezinsband met de ouder(s) niet als verbroken.”

4.2.1

De rechtbank ziet zich in onderhavige zaak voor de vraag gesteld of verweerder op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 maart 2019 (hierna: de uitspraak), en of verweerder in het bestreden besluit de gestelde drie contra-indicaties heeft kunnen tegenwerpen op grond waarvan de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent verbroken zou zijn.

4.2.2

Voor de beantwoording van deze vraag verwijst de rechtbank allereerst naar rechtsoverweging 10 van de uitspraak, waarover ten aanzien van de contra-indicatie dat referent een relatie zou hebben met [naam 2] het volgende is geoordeeld:

“10. Dat sprake zou zijn van een relatie in de zin van die paragraaf in de Vreemdelingencirculaire 2000 heeft verweerder, op wie stelplicht en bewijslast ter zake rust, niet nader onderbouwd. Bovendien, als de verkering tussen referent en [naam 2] al zou kunnen worden aangemerkt als een “relatie” zoals genoemd in het beleid – welke conclusie bij gebreke van een nadere omschrijving in deze beleidsparagraaf in onderhavige situatie niet aanstonds evident is als het gaat om “datende” jongelingen zoals in het geval van referent volgt uit de feiten -, dan is niet voldaan aan de vereiste contra-indicaties vermeld in het beleid van verweerder ten aanzien van minderjarige kinderen om te kunnen concluderen dat de gezinsband zou zijn verbroken. Opgenomen is immers dat, indien het minderjarige kind een relatie is aangegaan en er geen sprake is van een van de genoemde omstandigheden of andere contra-indicaties, verweerder de gezinsband met de ouder(s) niet als verbroken acht. De contra-indicaties betreffen, 1) het kind woont zelfstandig én voorziet in eigen onderhoud en/of 2) het kind is belast met de zorg voor een buitenechtelijk kind. Nog daargelaten of sprake is van zelfstandig wonen van referent – hij is thans, zoals hij ter zitting onbestreden heeft gesteld, woonachtig in een huis van Nidos met enkele andere jongen – heeft verweerder niet weersproken dat eiser niet in zijn eigen onderhoud voorziet. Eiser is schoolgaand en zit momenteel in het examenjaar van de HAVO. Nu sprake dient te zijn van beide omstandigheden, te weten, zelfstandig wonen en in eigen onderhoud voorzien, doet hetgeen onder het eerste gedachtestreepje is opgenomen als contra-indicatie zich niet voor. De omstandigheid dat referent belast zou zijn met de zorg voor een buitenechtelijk kind doet zich hier ook niet voor. Ook van de contra-indicatie uit het tweede gedachtestreepje is dus geen sprake. Andere omstandigheden om in het licht van dat beleid tot verbreking van de gezinsband te concluderen, heeft verweerder, op wie stelplicht en bewijslast van de verbreking rust, niet aangevoerd. Voor zover verweerder zich beroept op het bestaan van een relatie van referent met [naam 2] als onderbouwing van een verbreking van de gezinsband, is het bestreden besluit derhalve ook niet deugdelijk gemotiveerd.”

4.2.3

De rechtbank concludeert hieruit dat in de uitspraak reeds is geoordeeld dat verweerder de gestelde relatie tussen referent en [naam 2] - die inmiddels is verbroken - niet kan tegenwerpen als contra-indicatie voor het verbreken van de feitelijke gezinsband. Dit oordeel ligt niet alleen besloten in de hiervoor onder 4.2.2 genoemde overweging, maar ook in het oordeel dat in rechtsoverweging 12 van de uitspraak is vermeld, namelijk dat verweerders standpunt dat de gezinsband zou zijn verbroken geen stand kan houden. Verweerder had, gelet op de uitspraak, uit moeten gaan van het oordeel van deze rechtbank en zittingsplaats dat geen sprake is of is geweest van een relatie die als contra-indicatie kan worden aangemerkt en evenmin van een andere omstandigheid op grond waarvan de gezinsband tussen eiseres en referent verbroken kan worden geacht. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de naar aanleiding van de hoorzitting in bezwaar door verweerder gestelde contra-indicatie dat sprake is van innerlijk tegenstrijdige verklaringen ten aanzien van de relatie, eveneens op de relatie ziet waarover de rechtbank nu juist al heeft geoordeeld dat die de gezinsband met eiseres niet heeft verbroken. De conclusie is dat verweerder geen juiste toepassing heeft gegeven aan de uitspraak. De beroepsgrond slaagt.

4.3

Het beroep is reeds hierom gegrond. De rechtbank zal hierna bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

4.4

Verweerder heeft in het bestreden besluit als nieuwe contra-indicatie tegengeworpen dat referent inmiddels zelfstandig woont en in zijn eigen levensonderhoud voorziet.

4.4.1

Eiseres heeft hierover naar voren gebracht dat referent, nadat hij in Nederland meerderjarig is geworden, genoodzaakt was om een eigen woonruimte te vinden en zelf geld te verdienen, omdat hij geen hulp meer kreeg van de Nederlandse staat. Eiseres heeft daartoe ter zitting gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2863), in welke zaak verweerder heeft gesteld dat in gevallen waarin een meerderjarig kind noodgedwongen zelfstandig woont, deze contra-indicatie op zichzelf niet zal leiden tot de conclusie dat het kind niet langer tot het gezin behoort.
De Afdeling heeft in deze uitspraak ook geoordeeld dat verweerder niet kan worden gevolgd in het standpunt dat het zelfstandig wonen en werken berust op een eigen keuze van de vreemdelingen en dat dit blijk geeft van volwassen gedrag, nu verweerder daarmee een onjuiste maatstaf hanteert. Verweerder heeft in die zaak bij de Afdeling zelf toegelicht dat hij onderzoekt of het meerderjarige kind zich zelfstandig en moeiteloos heeft kunnen handhaven. Dat de referent in die zaak zich staande heeft weten te houden nadat hij gedwongen het gezin heeft verlaten, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat hij zich ook zelfstandig en moeiteloos heeft kunnen handhaven.

4.4.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op de voormelde uitspraak van de Afdeling, de in rechtsoverweging 4.4 vermelde contra-indicatie niet aan eiseres kunnen tegenwerpen. Dat referent zelfstandig is gaan wonen en in zijn eigen onderhoud is gaan voorzien, is immers inherent aan het feit dat hij meerderjarig is geworden en geen familieleden heeft in Nederland. Daar komt nog bij dat het grote tijdsverloop sinds de aanvraag van 26 september 2016 bezwaarlijk aan eiseres kan worden tegengeworpen, nu dit tijdsverloop voor een aanzienlijk deel te wijten is aan de lange tijd die verweerder heeft genomen om op aanvraag en het bezwaar te beslissen. Dat eiseres dat tijdsverloop zelf had kunnen bekorten door een rechtsmiddel aan te wenden doet hier niet aan af. De conclusie is dan ook deze contra-indicatie door verweerder ten onrechte is tegengeworpen ter staving van zijn standpunt dat de gezinsband tussen eiseres en referent is verbroken. Er is derhalve geen grond de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel tot stand gekomen en wordt daarom vernietigd. De rechtbank ziet thans, in dit specifieke geval, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Enerzijds, omdat verweerder in het bestreden besluit de uitspraak niet in acht heeft genomen en ten onrechte een nieuwe contra-indicatie aan referent heeft tegengeworpen. Anderzijds omdat er volgens de rechtbank nu rechtens nog maar één uitkomst mogelijk is en bovendien het geven van nog een gelegenheid om het bezwaar te beoordelen geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden en bestuurlijk onbehoorlijk zou zijn gelet op het grote tijdsverloop sinds de aanvraag van 28 september 2016 en de schending door verweerder van het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank draagt verweerder daarom, in dit specifieke geval, nu op aan eiseres binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak een mvv te verlenen voor het doel waarvoor dat ten behoeve van eiseres is aangevraagd.

6. Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

7. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrechten € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om aan eiseres binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak een mvv te verlenen voor het doel waarvoor dat ten behoeve van eiseres is aangevraagd;

- draagt verweerder op € 174,- te betalen aan eiseres als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.050,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Gall, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2020.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.