Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12079

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2020
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
09/842179-17 en 13/193019-16 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

diefstal door twee of meer verenigde personen, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd;

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

medeplegen van opzetheling;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/842179-17 en 13/193019-16 (TUL)

Datum uitspraak: 20 november 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

Verblijfadres: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van:

- 14 september 2017, 12 december 2017, 23 mei 2018 (allen pro forma) en

- 4 en 6 november 2020 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.C.C. van Roessel en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. Groenhuijsen naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 06 juni 2017 tot en met 07 juni 2017 te Noordwijk

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

geldbedrag (4.990 euro en 10.000 Zweedse Kronen) en/of diverse sieraden en/of een rijbewijs op naam van [slachtoffers] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffers] en/of [slachtoffers] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld

tegen die [slachtoffers] voornoemd en/of (zijn zonen) [slachtoffers] en/of [slachtoffers] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

door

- gekleed in politiekleding en/of bivakmutsen en/of handschoenen naar de woning ( [adres 2] ) van die [slachtoffers] en/of [slachtoffers] en/of [slachtoffers] te gaan en/of te betreden en/of

- tegen die [slachtoffers] en/of [slachtoffers] en/of [slachtoffers] te zeggen en/of roepen dat zij van de politie zijn en/of

- een of meerdere vuurwapen(s) en/of op vuurwapen(s) gelijkende voorwerpen en/of een foedraal met zwaarden zichtbaar te dragen voor en/of te richten op en/of tonen aan die [slachtoffers] en/of [slachtoffers] en/of [slachtoffers] ;

2.

hij in of omstreeks de periode van 06 juni 2017 tot en met 07 juni 2017 te Noordwijk

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

hennep, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffers] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

- de woning ( [adres 2] ) en/of de stacaravan en/of de loods en/of kasruimten van die [slachtoffers] heeft/hebben betreden en/of doorzocht en/of

- een of meer sloten en/of een schuifdeur van een koelcel en/of panelen heeft/hebben geforceerd en/of

- een gat in een muur (van de ruimte waarin een hennepkwekerij was) heeft/hebben gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd voorafgaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen

[slachtoffers] en/of [slachtoffers] en/of [slachtoffers] ,

gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- gekleed in politiekleding en/of bivakmutsen en/of handschoenen de woning (Duinschoten 1) te betreden en/of

- tegen die [slachtoffers] en/of [slachtoffers] en/of [slachtoffers] te zeggen en/of roepen dat zij van de politie zijn en/of

- een of meerdere vuurwapen(s) en/of op vuurwapen(s) gelijkende voorwerpen en/of een foedraal met zwaarden zichtbaar te dragen voor en/of te tonen aan en/of te richten op die [slachtoffers] en/of [slachtoffers] en/of [slachtoffers] en/of

- meermalen, althans een keer, aan die [slachtoffers] en/of [slachtoffers] en/of [slachtoffers] al dan niet op een dwingende wijze, te vragen waar de wiet ligt en/of waar de wietplantage is en/of of die [slachtoffers] droge wiet heeft;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 06 juni 2017 tot en met 07 juni 2017 te Noordwijk

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffers] en/of [slachtoffers] en/of [slachtoffers] te dwingen tot de afgifte van hennep, in elk geval enig goed,

dat geheel of ten dele aan die [slachtoffers] toebehoorde, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

- gekleed in politiekleding en/of bivakmutsen en/of handschoenen naar de woning ( [adres 2] ) van die [slachtoffers] en/of [slachtoffers] en/of [slachtoffers] is/zijn gegaan en/of heeft/hebben betreden en/of

- heeft/hebben gezegd en/of geroepen dat zij van de politie zijn en/of

- een of meerdere vuurwapen(s) en/of op vuurwapen(s) gelijkende voorwerpen en/of een foedraal met zwaarden zichtbaar heeft/hebben gedragen voor en/of heeft/hebben getoond aan en/of gericht op die [slachtoffers] en/of [slachtoffers] en/of [slachtoffers] en/of

- meermalen, althans een keer, aan die [slachtoffers] en/of [slachtoffers] en/of [slachtoffers] al dan niet op een dwingende wijze heeft/hebben gevraagd waar de wiet lag en/of waar de wietplantage was en/of of die [slachtoffers] droge wiet had,

- de woning ( [adres 2] ) en/of de stacaravan en/of de loods en/of kasruimten van die [slachtoffers] heeft/hebben betreden en/of doorzocht en/of

- een of meer sloten en/of een schuifdeur van een koelcel en/of panelen heeft/hebben geforceerd en/of

- een gat in een muur (van de ruimte waarin een hennepkwekerij was) heeft/hebben gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de periode van 06 juni 2017 tot en met 07 juni 2017 te Noordwijk

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffers] en/of [slachtoffers] en/of [slachtoffers]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden,

door

- een of meerdere vuurwapen(s) en/of op vuurwapen(s) gelijkende voorwerpen en/of een foedraal met zwaarden zichtbaar te dragen voor en/of te richten op en/of te tonen aan die [slachtoffers] en/of [slachtoffers] en/of [slachtoffers] en/of

- tegen die [slachtoffers] te zeggen dat hij met zijn handen omhoog naar beneden moest komen en/of dat hij rustig aan moest doen en/op dat hij in de keuken moest gaan zitten en/of blijven zitten en/of

- tegen die [slachtoffers] te zeggen dat hij naar beneden moest komen en/of

- tegen die [slachtoffers] te zeggen dat hij op een stoel in de keuken moest gaan zitten;

4.

hij in of omstreeks de periode van 06 juni 2017 tot en met 07 juni 2017 te Noordwijk tezamen en in vereniging, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (merk Beretta) en/of een karabijn/geweer (merk Savage),

en/of 9 stuks munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad;

5.

hij in of omstreeks de periode van 06 juni 2017 tot en met 07 juni 2017 te Noordwijk,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten politiekleding, heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

In de nacht van 6 op 7 juni 2017 heeft er een woningoverval plaatsgevonden in een woning gelegen aan de [adres 2] te Noordwijk. Dit betrof een woning, met daaraan en daarbij diverse schuren en loodsen. De daders, die verkleed waren als politieagent en vrijwel allen gemaskerd waren, hebben zich de toegang verschaft tot een schuur die aan de woning grensde en later tot de woning toen zij bemerkten dat er iemand thuis was. In de woning waren aanwezig de twee zonen (van 18 en 15 jaar oud) van het gezin dat daar woonde. Zij zijn door de daders, die gewapend waren met pistolen en zwaarden, onder controle gehouden, terwijl de daders de woning, de overige gebouwen en een stacaravan doorzochten. De later thuis gekomen vader werd eveneens onder controle gehouden. Nadat de politie in kennis was gesteld door één van de zonen en door vrienden van één van de zonen die de binnenkomst van de daders hadden gezien via een webcam-verbinding) is de politie en een arrestatieteam ter plaatste gekomen. De daders werden op enig moment opgeschrikt door lichtsignalen van een passerend marechaussee-voertuig, waarna de vier verdachten – na een korte achtervolging waarbij de politie en het arrestatieteam onder meer hebben geschoten – werden aangehouden.

De verdachte wordt – kort en zakelijk weergegeven – verweten dat hij samen met zijn mededaders:

- middels (bedreiging van) geweld sieraden en geld heeft gestolen (feit 1),

- middels (bedreiging van) geweld gepoogd heeft hennep te stelen dan wel gepoogd heeft de aanwezigen tot afgifte te dwingen van de hennep (feit 2 primair en subsidiair),

- de aanwezige vader en zijn twee zonen van hun vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden (feit 3),

- twee vuurwapens en munitie aanwezig heeft gehad (feit 4) en

- politiekleding heeft geheeld (feit 5).

De verdachte heeft bekend dat hij betrokken is geweest bij de woningoverval.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot partiële vrijspraak van het onder 4 (ten aanzien van de karabijn) ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair, 3, 4 (ten aanzien van het pistool) en 5 ten laste gelegde.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken voor de feiten 1 tot en met 4. Ten aanzien van feit 1 is aangevoerd dat er vrijspraak dient te volgen voor de tenlastegelegde wederrechtelijke toe-eigening van de sieraden en het geld, omdat die goederen door een ander dan de verdachte zijn weggenomen en het opzet van de verdachte enkel gericht was op het wegnemen van hennep. Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3 is aangevoerd dat er vrijspraak dient te volgen voor het tenlastegelegde richten op en tonen aan [slachtoffers] van een vuurwapen, omdat uit het dossier volgt dat het enkele vuurwapen dat deze [slachtoffers] had gezien in een holster zat. Tot slot is ten aanzien van feit 4 aangevoerd dat er vrijspraak dient te volgen voor het tenlastegelegde voorhanden hebben van een karabijn, omdat uit het dossier volgt dat dit goed van voornoemde [slachtoffers] was en niet van de (mede)verdachte(n).

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.4.1

De bewijsmiddelen

De 112-meldingen

Op 6 juni 2017, omstreeks 23.27 uur, kwam er bij de meldkamer van politie een melding binnen dat er nep-politie binnen zou zijn gekomen op het adres [adres 2] te Noordwijk. De jongen die naar het noodnummer belde bleek later te zijn [slachtoffers] . Tijdens het gesprek was te horen dat er door iemand anders wordt geschreeuwd “Politie” en “handen omhoog”. [slachtoffers] zei dat “ze” wapens hadden. Vervolgens werd er door iemand anders tweemaal achter elkaar “handen omhoog” geschreeuwd en “jajajaja hee liggen”. Een man zei “We zijn van de politie oké, wie woont hier nog meer?...Waar is je moeder?”, “Wie was net beneden?” en “Sleutel sleutel van die…je ruikt hier ook heel erg die hennepgeur”. Even later werd door die man gezegd “Sorry jongen ik wil niet dat er minderjarige....alles is bekend, alles is bekend we zijn van de politie dus” en – nadat de jongen vroeg of hij naar beneden moest komen – “Kom maar naar beneden als je wilt...... gaat het?”.2

Enkele minuten later belde [getuige]3, een vriend van [slachtoffers] , naar de meldkamer. Hij meldde dat hij via de webcam-verbinding die hij open had staan met vrienden (waaronder met [slachtoffers] ) had gezien dat er neppolitie bij [slachtoffers] was te zien. Eentje had er een bivakmuts op en de ander een pet. Beiden hadden politie-uniformen aan en eentje had een zwart klein handpistool.4

De aanhoudingen

Verbalisanten die ter plaatse kwamen, zagen omstreeks 23:38 uur vanuit hun onopvallend politievoertuig dat twee personen in burgerkleding achterin een ruimte op de begane grond op een stoel zaten (de rechtbank begrijpt in de woning). Ook stonden daar meerdere personen bij die politiekleding droegen. Dit gaven zij om 23:41 uur door aan de meldkamer. Vervolgens hebben zij hun voertuig geparkeerd en zijn te voet een andere positie gaan innemen. Tussen 23:47 en 23:49 uur zagen zij in de woning – op een onbekend gebleven locatie – een verdachte in politiebovenkleding lopen. Kort daarop zagen zij een andere verdachte op de eerste etage van de woning, die ook gekleed was in politiekleding. Deze persoon had een zwarte bivakmuts op, was goederen van een kast aan het halen en leek iets te zoeken. Nagenoeg gelijktijdig zagen zij nog een verdachte vanuit de woonkamer de gang oplopen en een verdachte die op de begane grond liep. Die laatste verdachte had een zwarte bivakmuts op, politiebovenkleding aan, een licht grijze broek en in zijn linkerhand een pistool. De verbalisanten concludeerden dat zij gelet op voorgaande waarnemingen drie geüniformeerde verdachten binnen hadden zien lopen. Om 23:52 uur sloot een verdachte op de eerste etage een deel van een gordijn en om 23:59 uur waren de verdachten nog steeds aan het rondlopen en kennelijk aan het rondkijken in de woning en in kasten. Omstreeks 0:27 uur reed er een politievoertuig met ontstoken blauwe signaalverlichting voorbij de woning. Om 00:28 uur zagen de verbalisanten twee leden van het AOT (de rechtbank begrijpt van het aanhoudings-en ondersteuningsteam, een arrestatieteam, hierna ook: AOT-ers) voorbij de woning lopen in de richting van de oprit van de woning. Kort hierop hoorden de verbalisanten schoten vanaf de zijde van de woning komen en hoorden zij over de portofoon dat de verdachten zich verplaatsten richting de weg [adres 2] .5

Uit camerabeelden van de aanwezige politiehelikopter volgt dat twee personen aan de achterzijde van de woning de woning verlieten en langs het veld naar de voorzijde van de woning renden. Zij deden tijdens het rennen kleding uit. De twee personen renden naar een busje dat langs de kant van de weg stond geparkeerd en ze stapten vervolgens in het busje. Vervolgens kwamen er nog twee personen aanrennen vanaf de voorzijde van het busje.

Ook deze twee personen stapten in het busje. De achterste leek iets in zijn linkerhand vast te houden. Vervolgens reed het busje weg.6 Door het toepassen van aanhoudingsvuur werd het voertuig tot stoppen gedwongen. Toen het arrestatieteam bij het voertuig arriveerde, lag verdachte [betrokkene] links van het voertuig ter hoogte van de bestuurdersplaats in de berm. Verdachte [betrokkene] lag aan de voorzijde van het voertuig op de weg. Verdachte [verdachte] zat rechtsachter geknield naast het voertuig en verdachte [betrokkene] zat rechtsvoor geknield naast het voertuig. Daarop werden zij aangehouden.7

De aangetroffen goederen

Onder verdachte [betrokkene] werden onder meer de volgende goederen aangetroffen: een rijbewijs op naam van [slachtoffers] , een zwart leren politiemapje, een stapel euro biljetten ter waarde van € 4.990,-, een stapel vreemde valuta ter waarde van 10.000 kronen en een busje pepperspray.8 In een achter broekzak van [betrokkene] werd een visitekaartje op naam van [slachtoffers] aangetroffen, en in een voorste broekzak twee gouden kettingen en twee gouden ringen. Ook werden onder [betrokkene] handschoenen aangetroffen.9

[slachtoffers] heeft de onder [betrokkene] aangetroffen ringen, kettingen en het visitekaartje herkend als het eigendom van hem en zijn vrouw. Het betroffen hun trouwringen en de kettingen waren van zijn vrouw.10 Die sieraden waren uit de slaapkamer meegenomen.11

Bij het forensisch onderzoek werd op het erf, aan de achterzijde van de loods, een zwart foedraal met twee (kap)messen aangetroffen. Links van de loods, in het aangrenzende veld werden een geweer en een pistool aangetroffen. Het pistool was voorzien van een patroonhouder met patronen en was doorgeladen met één patroon in de kamer.12 Het betrof een semi automatisch pistool van het merk Beretta en het was een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3°, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie. Bij het vuurwapen zaten 9 stuks .22 LR munitie. Dat is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie.13

Naar aanleiding van de waarnemingen vanuit de politiehelikopter ter zake de looproutes van de verdachten is op de [adres 2] naast een voertuig op ongeveer 50 meter van de [adres 2] een zwart met geel kledingstuk aangetroffen, waarvan de verbalisanten het sterke vermoeden hadden dat dit kledingstuk een zogenoemde politie polo betrof.14

De webcam-videobeelden en foto’s

Door getuige [getuige] zijn foto’s/screenshots aan de politie ter beschikking gesteld die waren gemaakt tijdens de webcam-verbinding die zicht gaf in de kamer van [slachtoffers] . Op die foto’s waren volgens de verbalisanten de volgende drie personen te zien:

Persoon 1: een man, met een zwarte pet, met als bovenkleding een politie-uniform, met een op een handvuurwapen gelijkend voorwerp in een hand, met een licht getinte huidskleur, ongeveer 30 jaar, met een stoppelbaard, met vermoedelijk een zaklamp in zijn hand en met een lichte spijkerbroek.

Persoon 2: gelet op diens postuur vermoedelijke een man, met een zwarte bivakmuts, met als bovenkleding een politie-uniform (vermoedelijke een politiepolo), met een blanke huidskleur, met zwarte handschoenen en met een normaal postuur.

Persoon 3: gelet op diens postuur vermoedelijke een man, dragende een zwarte bivakmuts en met als bovenkleding een politie-uniform.15

Uit een webcamfoto/screenshot uit het dossier volgt dat bij een persoon op die foto/schermafdruk een donkere huidskleur zichtbaar is bij de ooguitsparingen van de zwarte bivakmuts die deze persoon draagt. Voorts is bij die persoon een zwarte diagonale band te zien, die over de politiekleding werd gedragen. Deze persoon heeft een donkere broek aan.16 Op een tweede foto/schermafdruk is een persoon te zien die een zwarte bivakmuts draagt en een smal langwerpig voorwerp op zijn rug draagt.17 Op een derde foto/schermafdruk is een persoon te zien die een zwarte bivakmuts draagt, een lichtkleurige blauwe spijkerbroek aan had en in zijn rechterhand een op een vuurwapen gelijkend voorwerp vasthoudt.18

De politie heeft van [betrokkene] en [betrokkene] onder meer de volgende signalementen gegeven:

- [betrokkene] : grijs/groene kleur ogen;

- [betrokkene] : bruin/zwarte kleur ogen.19

In een loods is een bovenruimte aangetroffen. Aldaar was een gat in een muur aanwezig en daardoor was er zicht op een hennepkwekerij.20

De verklaring(en) van [slachtoffers]

heeft meerdere verklaringen afgelegd, bij zowel de politie als bij de rechter-commissaris. Op hoofdlijnen heeft hij het volgende verklaard.

[slachtoffers] was rond 22:50 uur in de woning in zijn slaapkamer aan het Skypen (de rechtbank begrijpt communiceren via een webcam) en ging op een gegeven moment naar beneden om (een jointje) te roken. Hij deed de deur open bij de keuken die toegang bood aan de aangrenzende schuur. Op dat moment zag hij aan de achterkant van de hal (de rechtbank begrijpt van de schuur) dat de daar aanwezig grote schuifdeuren werden geopend. Hij zag vier mensen binnenkomen, drie hadden een bivakmuts op en één niet. Van die personen heeft [slachtoffers] onder meer de volgende signalementen gegeven:

- Man 1: had een petje op, had een politietrui aan, droeg een pistool in een holster aan zijn heup, droeg een kleine zaklamp die aan stond, was van Turkse of Marokkaanse afkomst, 185-190 centimeter lang, 40-45 jaar oud, met een stoppelbaard en een dikke buik,

- Man 2: met hele blauwe ogen, droeg een bivakmuts, was 185-190 centimeter lang, was fors van postuur, had een politietrui en een donkere broek aan en had een pistool in zijn hand.

- Man 3: een negroïde man, droeg een zwaard op zijn rug, droeg een bivakmuts, droeg een politieshirt en was 190-195 lang, was gespierder dan de anderen.

- Man 4: deze persoon kon [slachtoffers] zich niet goed meer herinneren.

[slachtoffers] hoorde de mannen “Politie, politie” roepen. Omdat hij door de bivakmutsen dacht dat het geen echte politie was, heeft hij de deur naar de keuken dichtgegooid, is in de woning naar boven gerend, en heeft in de slaapkamer van zijn moeder 112 gebeld en gemeld dat hij overvallen werd. De mannen bleven schreeuwen dat ze van de politie waren en ze riepen dat hij met zijn handen omhoog naar beneden moest komen. De mannen stapten kort daarop de slaapkamer binnen en toen is hij naar hen gaan luisteren omdat zij geweren hadden. Vooral man 1 praatte tegen hem en die zei tegen hem dat hij rustig moest doen en dat zij van de politie waren. Man 1 zei dat hij voor wiet kwam. Hij moest van man 1 naar beneden. Twee andere mannen gingen boven zoeken en een andere man was beneden aan het zoeken. Vervolgens is hij tegelijk met zijn broertje (de rechtbank begrijpt [slachtoffers] ) naar beneden gebracht. [slachtoffers] moest in de keuken gaan zitten. Man 1 vertelde dat er een anonieme tip was ontvangen en hij vertelde dat hij van het politiebureau van Lisse was. Omstreeks 23:15 uur kwam de vader van [slachtoffers] vanuit de schuur de woning binnen. Man 1 schrok daarvan, zei dat hij van de politie was en dat hij de wiet van zijn vader wilde. Man 1 probeerde zijn vader rustig te krijgen en wilde hem op een stoel bij zijn zonen laten gaan zitten. Zijn vader wilde dat niet en ze werden verbaal agressief naar elkaar. Toen ook enkele van de andere daders bij hen kwamen, ging zijn vader toch zitten en zijn die mannen weer verder gegaan met het doorzoeken van het huis. [slachtoffers] zag na enige tijd blauwe zwaailichten en zag dat man 1 schrok. Nadat hij schoten hoorde, zag hij man 1 wegsprinten in de richting van de schuur waar de daders vandaan waren gekomen. De andere mannen waren ook weggerend de hal in. De daders hadden gedurende het voorval de pistolen enkel op hen gericht toen de daders binnenkwamen en toen de daders een kamer in gingen.21

Voorts heeft [slachtoffers] verklaard dat hij niet zeker weet of alle vier de daders boven zijn geweest. Hij had in totaal zo’n 45 minuten met zijn broertje in de keuken gezeten, waarbij na een half uur zijn vader binnenkwam. Hij had zijn broertje gewaarschuwd toen de mannen binnen kwamen, maar hij geloofde hem niet. Geconfronteerd met de foto van op pagina 173 van het dossier (de rechtbank begrijpt een man met een petje, een op een vuurwapengelijkend voorwerp in zijn handen en een zaklamp) heeft hij verklaard dat dit de man was die bij hen in de keuken was gebleven. Geconfronteerd met de foto van verdachte [betrokkene] heeft hij verklaard dat er één man was met mooie azuurblauwe ogen als die van [betrokkene] . Diegene had een bivakmuts op. Geconfronteerd met de foto van [betrokkene] heeft hij verklaard dat dit de man was die een samoerai-zwaard op zijn rug had en hij dacht dat hij donkerder van huidskleur was dan op de foto. Geconfronteerd met de foto van [verdachte] heeft hij verklaard dat dit de man was zonder bivakmuts. Voorts heeft hij verklaard dat hij eigenlijk niet precies wist hoeveel vuurwapens er waren. Er was volgens hem in ieder geval één pistool en hij wist niet zeker of alle daders een pistool hadden. Het kan dat niet alle vier de daders in de woning waren geweest, maar van de daders had hij de man zonder bivakmuts, de man met de bruine huidskleur en de man met de blauwe ogen wel in het huis gezien.22

De verklaring(en) van [slachtoffers]

heeft meerdere verklaringen afgelegd, bij zowel de politie als bij de rechter-commissaris. Op hoofdlijnen heeft hij het volgende verklaard.

[slachtoffers] heeft verklaard dat hij op zijn kamer zat toen zijn broer (de rechtbank begrijpt [slachtoffers] ) zei dat er politie binnen was en dat zijn broer de deur van zijn kamer dicht deed. Ongeveer een minuut later hoorde hij meerdere stemmen “Politie, politie” roepen. Vervolgens werd de deur van zijn kamer opengedaan en toen zei de man die de deur had opengedaan dat hij naar beneden moest komen. Van die man heeft hij onder meer het volgende signalement gegeven:

- man 1: dragende een petje, dragende een zwart politie jack, een grijze spijkerbroek, dragende een holster met daarin een pistool, met blanke huidskleur, met een normaal postuur, tussen de 30-50 jaar oud en rond de 185 centimeter lang.

Toen man 1 binnenkwam, zag hij achter hem langs nog drie mannen lopen op de eerste verdieping van de woning. Die mannen hadden zwarte bivakmutsen op. Man 1 zei, op een strenge manier, dat hij naar beneden moest gaan. Hij liep achter man 1 mee naar beneden en hij zag dat de andere mannen boven bleven. Hij hoorde ze zeggen dat ze naar aanleiding van een anonieme melding op zoek waren naar een wietplantage. [slachtoffers] zat met zijn broer aan de keukentafel en na ongeveer 10 tot 15 minuten kwam zijn vader binnen. Waarschijnlijk man 1 was aardig tegen hem en zijn broertje, maar toen zijn vader binnen kwam deed hij onaardiger tegen hem. Tegen zijn vader werd gezegd “Zeg het nou maar gewoon, want anders zeggen je zonen het wel, want die zijn wel eerlijk”. De man vroeg ook aan zijn vader waar de wietplantage was. Hij had bij alle mannen een holster gezien met daarin hetzelfde wapen als die hij bij man 1 had gezien. Sommige van hen hielden het wapen in hun holster en anderen hadden het wapen in hun hand vast.23

Voorts heeft [slachtoffers] verklaard dat de man die bij hen in de keuken bleef geen bivakmuts droeg. De mannen (de getuige heeft later verklaard dat alle vier de mannen zijn kamer waren binnengekomen) hadden pistolen op hem gericht toen ze zijn kamer binnen kwamen, maar toen ze hem zagen, hebben ze de pistolen weggedaan. Van de mannen met de bivakmutsen had één persoon blauwe ogen en een ander had een getinte huidskleur. Volgens [slachtoffers] waren alle vier de mannen in het huis geweest, want hij had gezien dat de man zonder bivakmuts met de andere daders in de bijkeuken had gepraat. Later had hij de mannen met bivakmutsen op momenten in de bijkeuken zien praten. Geconfronteerd met de foto van verdachte [betrokkene] heeft hij verklaard dat dit de man was met de blauwe ogen. Diegene had een bivakmuts op. Geconfronteerd met de foto van [betrokkene] heeft hij verklaard dat dit de vierde man was, te weten niet de man zonder bivakmuts, niet de man met de blauwe ogen en niet de getinte man. Geconfronteerd met de foto van [betrokkene] heeft hij verklaard dat dit de getinte man was. Geconfronteerd met de foto van [verdachte] heeft hij verklaard dat dit de man was zonder bivakmuts.24

De verklaring(en) van [slachtoffers]

heeft meerdere verklaringen afgelegd, bij zowel de politie als bij de rechter-commissaris. Op hoofdlijnen heeft hij het volgende verklaard.

[slachtoffers] heeft verklaard dat zijn vrouw hem belde dat er politie voor de deur van de woning stond. Hij was zelf in de caravan (de rechtbank begrijpt die bij de woning stond geparkeerd). Hij was de caravan uitgegaan en via de kas de schuur ingelopen. Hij zag dat er rotzooi was gemaakt in de schuur. Hij zag een stuk ijzer liggen, hij zag de schuifdeur open staan naar een behandelcel en de koelcel openstaan. Toen hij vervolgens de woning binnen liep, zag hij iemand staan met een politie-uniform aan. Die man vroeg aan [slachtoffers] om zich te legitimeren, waarop hij zijn rijbewijs aan de man overhandigde. De man zei tegen hem dat hij op een stoel moest gaan zitten in de keuken. In de woonkamer zaten zijn zoons. De man vroeg of [slachtoffers] droge wiet had en de man zei “zeg nou maar gewoon waar het is want dan zijn we zo klaar. Als je het niet vertelt dan bel ik versterking en dan gaan we de hele nacht door”. Nadat [slachtoffers] de man goed in zijn ogen keek, zei de man “als je daar niet mee ophoudt dan leg ik je op de vloer en doe ik de handboeien om”. Die man bleef de hele tijd in de woonkamer bij hem en zijn zoons. Twee andere daders waren continu aan het zoeken in de woning. Zij kwamen elke keer terug naar [slachtoffers] om te vragen waar welke deur voor was en welke sleutel van welke deur was. De sleutels hadden zij waarschijnlijk uit het sleutelkastje in de bijkeuken. Hij had drie daders gezien, maar had het idee dat zij aan het praten waren met een vierde. Van de daders heeft hij onder meer het volgende signalement gegeven:

- man 1: dragende een politiepet, bruine ogen, donkergetint van huidskleur, rond de 35 jaar oud, ongeveer 1.83 meter lang, normaal van postuur, dragende een donkerblauwe polo met de tekst Politie op de borst, een holster aan de heup met een pistool er in;

- man 2: dragende een zwarte bivakmuts, fel blauwe ogen, een blanke huidskleur, 1.70 meter lang, rond de 30 jaar oud, slank van postuur, dragende een politie polo;

- man 3: dragende een zwarte bivakmuts, een negroïde neus, een negroïde huidskleur (donkerder dan man 1), donkere ogen, slank/tenger van postuur, ongeveer 1.80 meter lang, dragende een politie polo.25

Op het moment dat [slachtoffers] na het voorval met een verbalisant de caravan betrad en aldaar het matras van de bed optilde, zei hij dat de daders geld hadden weggenomen, te weten € 5.000,- die hij van een klant uit Zwitserland had gekregen.26 Verder heeft hij verklaard dat hij voor ongeveer € 1.000,- aan Zweedse kronen in huis had, die de daders ook hadden weggenomen.27

Voorts heeft [slachtoffers] verklaard dat de man in de keuken hem intimiderend vroeg naar droge wiet en geld. Twee andere mannen, met bivakmutsen op, zag hij rondlopen en overal aan het kijken. Eén van de mannen met een bivakmuts had een soort mes bij zich. De rechter-commissaris heeft geconstateerd dat [slachtoffers] met zijn handen daar een lengte van ongeveer één meter bij heeft laten zien. De daders hadden het hele huis doorzocht, in de caravan gekeken en daar de ramen van ingeslagen. Uit de slaapkamer waren trouwringen en sieraden weggenomen. Geconfronteerd met de foto van verdachte [betrokkene] heeft hij verklaard dat dit de man was met blauwe ogen. Diegene had een bivakmuts op. Geconfronteerd met de foto van [betrokkene] heeft hij verklaard dat dit de andere man met bivakmuts op was die hij had gezien. Geconfronteerd met de foto van [verdachte] heeft hij verklaard dat dit de man was zonder bivakmuts die bij hem en zijn zonen in de keuken zat. Dit was de man met het pistool in een holster.28

De verklaring(en) van verdachte [verdachte]

heeft verklaard dat het plan was om een wiethok/hennepkwekerij leeg te halen. Hij had daar met [betrokkene] en [betrokkene] overleg over gehad. Samen met [betrokkene] , [betrokkene] en [betrokkene] is hij naar de woning gegaan. De politiekleding was meegenomen om te dragen en was kort voordat ze bij de woning waren, uitgedeeld. Hij had een petje op en de andere drie daders hadden bivakmutsen op. Hij had twee pistolen meegenomen naar de woning, waarvan hij er eentje aan [betrokkene] had gegeven. [betrokkene] droeg zwaarden. De wapens waren meegenomen om zich te verdedigen als zij zich moesten verdedigen tegen de eigenaren van de hennep. Toen zij in de schuur waren, ging er plotseling een licht aan en klapte er een deur dicht. Daarop zijn ze de woning binnen gegaan en de trap opgelopen. Boven werden twee jongens aangetroffen. Hij had zijn pistool bij het zien van de eerste jongen in zijn holster gestopt. De twee jongens zijn naar beneden begeleid en [verdachte] heeft met hen in de keuken gezeten. Geconfronteerd met de foto van op pagina 173 van het dossier (de rechtbank begrijpt een man met een petje, een op een vuurwapengelijkend voorwerp in zijn handen en een zaklamp) heeft hij verklaard dat hij dat is.29

Geconfronteerd met een videofragment van een persoon in politiekleding, met politiepet en een getrokken op vuurwapen gelijkend voorwerp - van de webcam-verbinding gericht op de slaapkamer van [slachtoffers] - heeft Van Rijzen verklaard dat hij die persoon is.30

De verklaring(en) van verdachte [betrokkene]

heeft verklaard dat hij meeging om wiet te knippen. Hij was – nadat hij eerst met zijn eigen auto een stuk had gereden – samen met [verdachte] , [betrokkene] en [betrokkene] naar de woning gegaan. Bij de woning werden politieshirts uitgedeeld, die heeft hij aangedaan en hij had ook een bivakmuts opgedaan. Hij had bij [verdachte] een pistool gezien. Hij zag [betrokkene] in de schuur een gat in de muur maken. Hij was met [betrokkene] en [betrokkene] naar buiten gerend.31

De verklaring(en) van verdachte [betrokkene]

heeft verklaard dat hij samen met [betrokkene] naar wiet had gezocht. Als groep hadden ze twee pistolen bij zich. Ze hadden shirts van de politie aan. Het lange wapen (de rechtbank begrijpt het aangetroffen geweer) had hij in een kast van de caravan gevonden en had hij over de schutting gegooid zodat het niet tegen hen kon worden gebruikt. De vader had hij bij [verdachte] in de keuken gezien toen de vader aan tafel zat. Toen hij de politie zag, is hij samen met [betrokkene] weggerend naar de bus. Later kwamen [verdachte] en [betrokkene] naar de bus gerend.32

De verklaring(en) van verdachte [betrokkene]

heeft verklaard dat de andere daders met elkaar hadden gesproken dat ze daar waren voor wiet en dat hij zich niet met dat gesprek had bemoeid. Hij had een politiepolo aangedaan. Hij had bij één van de andere daders een wapen gezien bij zijn heup. De andere drie daders liepen vooruit en hij liep achter hen aan. Aan de achterkant van het huis was een deur en daar is hij over de drempel gegaan, en nadat hij om zich heen had gekeken ging hij weer naar buiten. Hij denkt dat de andere drie daders alleen in de woning zijn gegaan. Later hoorde hij dat de vader was gearriveerd en hij had ook gehoord dat iemand had gezegd “Er zijn twee jongens”.33

[betrokkene] heeft voorts verklaard dat hij een bivakmuts heeft gedragen. Hij was samen met de man op foto 3 (een foto van [verdachte] ) weggerend toen de politie arriveerde. De andere twee daders zaten al in de bus toen hij samen met [verdachte] bij de bus arriveerde.34

3.4.2

Het oordeel van de rechtbank

3.4.2.1 De rol en de wetenschap van de verdachte

De rechtbank zal als eerst de rol en/of wetenschap van de verdachte ten tijde van het incident bespreken, zodat dit als vertrekpunt kan dienen bij de beoordeling van de bewijsmiddelen ter zake het ten laste gelegde.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] naar de woning is gegaan om hennep/wiet weg te nemen, dat hij een petje op had en politiekleding aan had. Hij had twee pistolen meegenomen, daarvan één zelf ter hand genomen en de andere aan een mededader meegegeven. Hij is met mededaders met getrokken pistolen de woning in gegaan en naar boven gegaan, toen er signalen kwamen dat er iemand thuis was. Hij heeft met getrokken pistool een kamer betreden. Nadat de aangetroffen jongens naar beneden waren begeleid, is hij met zijn pistool in zijn holster in de keuken bij de jongens gebleven. Aldaar heeft hij gevraagd naar de aanwezigheid van hennep/wiet en dit ook herhaald toen de vader van de jongens verscheen.

3.4.2.2 De feiten 1 en 2

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vragen of er sprake was van:

- het wegnemen van sieraden en geld met het oogmerk om die goederen zich wederrechtelijk toe te eigenen, met (bedreiging van) van geweld (feit 1);en

- een poging tot het wegnemen van hennep met het oogmerk om dat goed zich wederrechtelijk toe te eigenen, met (bedreiging van) van geweld (feit 2 primair);

en of die feiten te samen en in vereniging met anderen zijn gepleegd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

Uit voorgaande bewijsmiddelen volgt dat de verdachte bij de woning een hennepkwekerij wilde ‘rippen’(leeghalen) dan wel aanwezige droge wiet wilde wegnemen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte het oogmerk had op wederrechtelijke toe-eigening bij feit 2. De vraag of de verdachte ook het oogmerk had op wederrechtelijke toe-eigening bij feit 1 zal de rechtbank bij het medeplegen bespreken.

(Bedreiging met) geweld

Ten aanzien van (bedreiging met) geweld volgt uit de bewijsmiddelen dat twee van de verdachten ieder een pistool hadden en een andere verdachte een zwaard. Zowel [verdachte] als [betrokkene] hebben over de aanwezigheid van twee pistolen verklaard en op foto’s en videobeelden van de webcam zijn in ieder geval bij twee van de daders pistolen te zien. Eén van hen was [verdachte] . Uit die foto’s en videobeelden volgt ook dat de degenen met die pistolen met getrokken pistolen naar boven zijn gegaan om de woning te doorzoeken, hetgeen steun vindt in de verklaring van [verdachte] . Voorts heeft [verdachte] een pistool - zichtbaar voor de vader en de zonen - in zijn holster gedragen toen hij bij hen in de keuken bleef. Het zichtbaar dragen maakt naar het oordeel van de rechtbank dat het wapen ook getoond wordt. Ook het zwaard dat blijkens de bewijsmiddelen door [betrokkene] op zijn rug werd gedragen is door diens aanwezigheid op zijn rug gedragen en getoond. Indien slachtoffers bekend zijn met de aanwezigheid van wapens gaat daar een dreiging van uit dat als zij niet meewerken de wapens tegen hen worden gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank is voornoemde dreiging met geweld dienstig geweest bij zowel feit 1 als 2, in beide gevallen werd immers daardoor het (pogen van het) wegnemen van de goederen gemakkelijk gemaakt.

De rechtbank acht onvoldoende bewezen dat de pistolen op de vader en zonen zijn gericht. Daartoe is redengevend dat [verdachte] heeft verklaard dat hij schrok van de aanwezigheid van de jongens en toen direct zijn wapen in zijn holster stopte. Dat hij schrok, vindt steun in de audio-opname van de 112-melding van de oudste zoon en de vader heeft ook verklaard dat toen hij arriveerde hij enkel een pistool in een holster had gezien. [verdachte] is weliswaar met een getrokken naar voren gericht pistool de kamer van de oudste zoon binnengekomen, maar dit richten was dermate kort van duur dat van een bewust richten op de zonen ten behoeve van de wederrechtelijke toe-eigening geen sprake is.

Medeplegen

Naar het oordeel van de rechtbank was er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking bij de poging tot wederrechtelijke toe-eigening van de hennep. Voor een bewezenverklaring van medeplegen van een strafbaar feit is niet vereist dat elke als medepleger aan te merken deelnemer alle bestanddelen van de delictsomschrijving vervult. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachten gezamenlijk naar de woning zijn gegaan om hennep/wiet weg te nemen. Gaandeweg is er een rolverdeling ontstaan waarin alle verdachten andere handelingen hebben verricht, maar al die handelingen waren van significant en wezenlijk belang voor de uitvoering van de poging tot wederrechtelijke toe-eigening.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat er ook sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de poging tot wederrechtelijke toe-eigening van het geld en de sieraden.

De rechtbank heeft reeds overwogen dat bij de verdachte sprake was van een oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening dat gericht was op het wegnemen van hennep. Blijkens vaste jurisprudentie ziet het oogmerk bij artikel 310 c.q. 312 van het Wetboek van Strafrecht op de wederrechtelijke toe-eigening en niet perse op het beoogde weg te nemen goed. Dat de verdachte volgens zijn verklaring enkel van plan was om hennep/wiet weg te nemen is dus niet van belang, omdat de aard van het door de verdachte voorgenomen misdrijf (diefstal van hennep) en het misdrijf dat zich heeft gerealiseerd (diefstal van geld en sieraden) bezien in het licht van de gezamenlijkheid van het handelen van de verdachte en zijn mededaders voorafgaand, tijdens en na het misdrijf, maakt dat voornoemd oogmerk zich ook uitstrekt op goederen die door zijn mededaders zijn weggenomen. Daarnaast heeft [slachtoffers] verklaard dat [verdachte] hem naar de vindplaats van (droge) wiet en geld vroeg. Daarmee is de rechtbank dus ook van oordeel dat er niet alleen sprake was van nauwe en bewuste samenwerking, maar ook van een oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening bij het wegnemen van het geld en de sieraden.

3.4.2.3 Feit 3

Uit de bewijsmiddelen volgt dat in ieder geval drie van de vier verdachten aanwezig waren bij de ontdekking van de twee jongens in de slaapkamers en het onder controle brengen van die jongens. De jongens moesten van de verdachten in de keuken gaan zitten en één van de verdachten is bij hen gebleven, terwijl diegene een pistool in zijn holster had. Ook de vader moest daar in de keuken gaan zitten toen hij arriveerde en hij werd door meerdere verdachten bevraagd over waar de hennep/wiet zich bevond.

De verdachte heeft verklaard dat hij degene was die bij de vader en jongens in de keuken bleef. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vader en de jongens door de verdachte te samen en in vereniging met anderen wederrechtelijk van hun vrijheid zijn beroofd en beroofd gehouden.

3.4.2.4 Feit 4

De rechtbank heeft bij de feiten 1 en 2 geoordeeld dat bewezen is dat er twee pistolen aanwezig waren en dat de verdachte die had meegenomen. [verdachte] heeft verklaard dat hij het op het terrein aangetroffen pistool aan [betrokkene] had gegeven ten behoeve van de feiten. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat de verdachte met zijn mededaders het aangetroffen pistool voorhanden heeft gehad. De enkele omstandigheid dat slechts één van de daders dit wapen onder zich had, doet daar niets aan af.

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het voorhanden hebben van de tenlastegelegde karabijn. De rechtbank begrijpt dat met ‘karabijn’ wordt bedoeld het aangetroffen geweer (in het proces-verbaal wordt dit goed nergens omschreven als karabijn, maar is wel het enige vuurwapen dat naast het pistool was aangetroffen). Uit de verklaring van de vader volgt dat dit goed van hem is. Voorts had [betrokkene] als enige dader dit goed wel op enig moment onder zich, maar uit zijn verklaring volgt dat dit niet lang is geweest. Die omstandigheden kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat [betrokkene] enkel daarom als heer en meester over dat goed heeft beschikt.

3.4.2.5 Feit 5

Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat alle verdachten politiekleding hebben aangetrokken en daarmee hebben zij die goederen voorhanden gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat politiekleding enkel en alleen in het bezit mag zijn van en worden gebruikt door de politie. De verdachte noch zijn medeverdachten zijn in dienst van de politie. Gelet op die feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen, wist dat het van misdrijf afkomstige kleding was.

3.4.2.6 Conclusie

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte te samen en in vereniging met anderen:

- met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening geld en sieraden heeft weggenomen en dat daarbij gedreigd is met geweld om die diefstal gemakkelijk te maken;

- met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening gepoogd heeft hennep te stelen en dat daarbij gedreigd is met geweld om die diefstal gemakkelijk te maken;

- drie personen wederrechtelijk van hun vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden;

- een pistool en munitie voorhanden heeft gehad en

- opzettelijk politiekleding voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat het van misdrijf afkomstig was.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1.

hij in de periode van 06 juni 2017 tot en met 07 juni 2017 te Noordwijk tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (4.990 euro en 10.000 Zweedse Kronen) en sieraden en een rijbewijs op naam van [slachtoffers] , geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffers] en/of [slachtoffers] , welke diefstal werd vergezeld van geweld bedreiging met geweld tegen die [slachtoffers] voornoemd en zijn zonen [slachtoffers] en [slachtoffers] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door

- gekleed in politiekleding en bivakmutsen naar de woning ( [adres 2] ) van die [slachtoffers] en [slachtoffers] en [slachtoffers] te gaan en te betreden en

- tegen die [slachtoffers] en [slachtoffers] en [slachtoffers] te zeggen en roepen dat zij van de politie zijn en

- vuurwapens en een foedraal met zwaarden zichtbaar te dragen voor en/of tonen aan die [slachtoffers] en [slachtoffers] en [slachtoffers] .

2 primair.

hij in de periode van 06 juni 2017 tot en met 07 juni 2017 te Noordwijk tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om hennep, dat toebehoorde aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

- de woning ( [adres 2] ) en de stacaravan en de loods en kasruimten van die [slachtoffers] heeft betreden en doorzocht en

- sloten en een schuifdeur van een koelcel en panelen heeft geforceerd en

- een gat in een muur (van de ruimte waarin een hennepkwekerij was) heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen

[slachtoffers] en [slachtoffers] en [slachtoffers] ,

gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, door

- gekleed in politiekleding en bivakmutsen de woning (Duinschoten 1) te betreden en

- tegen die [slachtoffers] en [slachtoffers] en [slachtoffers] te zeggen en roepen dat zij van de politie zijn en

- vuurwapens en een foedraal met zwaarden zichtbaar te dragen voor en/of te tonen aan die [slachtoffers] en [slachtoffers] en [slachtoffers] en

- meermalen aan die [slachtoffers] en [slachtoffers] en [slachtoffers] op een dwingende wijze te vragen waar de wiet ligt en/of waar de wietplantage is en/of of die [slachtoffers] droge wiet heeft;

3.

hij in de periode van 06 juni 2017 tot en met 07 juni 2017 te Noordwijk tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffers] en [slachtoffers] en [slachtoffers] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door

- vuurwapens en een foedraal met zwaarden zichtbaar te dragen voor en te tonen aan die [slachtoffers] en [slachtoffers] en [slachtoffers] en

- tegen die [slachtoffers] te zeggen dat hij met zijn handen omhoog naar beneden moest komen en dat hij rustig aan moest doen en dat hij in de keuken moest gaan zitten en blijven zitten en

- tegen die [slachtoffers] te zeggen dat hij naar beneden moest komen en

- tegen die [slachtoffers] te zeggen dat hij op een stoel in de keuken moest gaan zitten;

4.

hij in de periode van 06 juni 2017 tot en met 07 juni 2017 te Noordwijk tezamen en in vereniging een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Beretta) en 9 stuks munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad;

5.

hij in de periode van 06 juni 2017 tot en met 07 juni 2017 te Noordwijk, tezamen en in vereniging met anderen een goed, te weten politiekleding, heeft voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht. De officier van justitie heeft in haar eis meegewogen de ernst van de feiten, de straftoemetingsrichtlijnen van het openbaar ministerie, het strafblad, de persoon van de verdachte en de schending van de redelijke termijn.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de strafmaat rekening te houden met de proceshouding van de verdachte: hij is berouwvol en heeft volledige opening van zaken gegeven. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat het vuurwapengeweld van de politie vóór de aanhouding en het fysieke geweld tijdens de aanhouding in strijd is geweest met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het gaat dan om het schieten door agente [naam] en om de mishandeling van de verdachte nadat hij zich al had overgegeven en op de grond lag. Dit levert een vormverzuim op en dient ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering tot strafvermindering te leiden. De verdediging vraagt ook strafvermindering toe te passen omdat de redelijke termijn is overschreden. Die overschrijding is niet aan de verdediging te wijten die al in 2018 heeft verzocht de zaak af te splitsen zodat deze voortvarend zou kunnen worden afgedaan. Tot slot verzoekt de verdediging rekening te houden met de persoonlijke ontwikkeling die de verdachte heeft doorgemaakt en hem niet terug te sturen naar de gevangenis.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

Op 6 juni 2017 rond half twaalf ’s-avonds komen de verdachte en zijn drie medeverdachten aan in de buurt van het perceel waar zij van plan zijn om een hennepkwekerij te rippen. Zij vermommen zich met politieshirts en bivakmutsen althans een politiepet en zij bewapenen zich. Zij dringen de loods achter de woning binnen en vervolgens als in de woning licht aangaat ook de woning. Zij schreeuwen ‘politie, politie’ en roepen naar de jongens van 18 en 15 jaar die in de woning blijken te zijn dat zij met hun handen omhoog naar beneden moeten komen en tonen daarbij hun wapens. Gedurende een uur zijn verdachte en zijn medeverdachten in de woning, de loods en een caravan aan het zoeken geweest naar (droge) hennep, hebben zij alles overhoop gehaald en ook geld en sieraden weggenomen. Al die tijd moeten de jongens en later ook hun vader in de keuken blijven onder dwang van de verdachte die zichtbaar een vuurwapen in een holster droeg.

Wat zich hier heeft afgespeeld, is buitengewoon ernstig. Het is bekend dat de negatieve psychische gevolgen van dergelijke gewelddadige feiten voor een slachtoffer nog lang kunnen aanhouden, hetgeen ook het geval is bij de slachtoffers, zo is gebleken uit de onderbouwing van de vorderingen tot immateriële schadevergoeding van de slachtoffers. De 18-jarige jongen is nog lang schrikachtig geweest als hij alleen thuis was en heeft psychologische behandeling ondergaan voor spannings- en stemmingsklachten. Bij de 15-jarige jongen zijn eerdere psychische klachten door de overval weer verergerd. De situatie was voor de vader erg stressvol en zorgt nog steeds voor nachtmerries. Ook de moeder van de jongens die op enig moment bij de woning arriveerde en buiten door agenten werd opgevangen in de wetenschap dat haar zoons en man op dat moment in de woning waren met gewapende overvallers, heeft doodsangsten uitgestaan en heeft nog maanden last gehad van angstgevoelens. De skypevrienden die via de openstaande skypeverbinding getuige waren geweest van de overval waren zeer onder de indruk. Daarnaast zorgen dergelijke feiten voor maatschappelijke onrust en versterken zij de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

De verdachte heeft geen oog gehad voor de gevolgen van zijn handelen voor anderen, maar slechts gehandeld uit eigen financieel gewin. De rechtbank rekent de verdachte dit alles zwaar aan.

Het aanhoudingsvuur en aanhoudingsgeweld

De politie heeft vóór en tijdens de aanhouding schoten gelost en bij de aanhouding geweld toegepast. De rijksrecherche heeft hier onderzoek naar gedaan waarbij onder andere verdachte en zijn medeverdachten en de betrokken agenten zijn gehoord. Uit het onderzoek komt het volgende naar voren.

Na de 112-melding kwam de politie met een groot aantal agenten, waaronder leden van het arrestatieteam (AOT-ers) en een politiehelikopter ter plaatse en zij omsingelden het perceel. De meldkamer heeft aan de politieagenten doorgegeven dat de overvallers vuurwapens dragen, waaronder een AK47. Op enig moment hoorde de verdachte buiten schoten en vluchtte de woning uit samen met één van de mededaders. De verdachte is met zijn mededaders in de bus gestapt en zij hebben geprobeerd te vluchten. De verdachte zag politieauto’s staan en het was hem duidelijk dat de politie op hen schoot. Op dat moment is door een AOT-er ter aanhouding van de inzittenden van de bus twee keer gericht geschoten op het linker voorwiel van het wegrijdende busje en drie tot vier keer op de onderzijde van het portier van de bestuurder. De bestuurder is daarbij geraakt in beide voeten. Even verderop bij het transformatorhuisje hebben twee politieagenten schoten gelost op de zijkant en de achterkant van de bus teneinde de bus te doen stoppen en de inzittenden aan te houden. Toen de bus verderop stil stond, zijn de inzittenden uit de bus gekomen. De verdachte lag rechtsachter van de bus op de grond. Uit de helikopterbeelden volgt dat hij door een AOT-er tegen zijn hoofd is geschopt.

Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikkingen van 10 december 2018 de beklagschriften op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van twee van de mededaders tegen de beslissing van de officier van justitie om politieagenten niet te vervolgen voor o.a. poging doodslag afgewezen. Het hof overwoog daartoe onder meer als volgt:

“Toen klager en zijn mededaders eenmaal in de bus zaten is er gericht geschoten op de onderzijde en achterzijde van de bus met het doel om klager en de overige inzittenden aan te kunnen houden. Er bestond een dringende noodzaak om klager en de medeverdachten, die zich aan hun aanhouding trachtten te onttrekken en verdacht werden van een gewapende overval, aan te houden. Mede gelet op het feit dat de melding was dat de verdachten in het bezit waren van vuurwapens voldeed de manier waarop door de politieagenten geweld is toegepast door te schieten aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.”

Ook het toegepaste geweld bij de aanhouding dat bij de ene mededader bestond uit een trap tegen de arm en bij de andere uit een trap tussen de benen was volgens het gerechtshof onder de gegeven omstandigheden niet in strijd met de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit, ook niet zo overwoog het gerechtshof als er meer geweld - een of meer trappen - was gebruikt.

De rechtbank komt op dezelfde gronden als het gerechtshof tot het oordeel dat het door de politie toegepaste aanhoudingsvuur en aanhoudingsgeweld rechtmatig was. Alle op de bus afgevoerde schoten waren bedoeld om de bus te laten stoppen en de daders aan te houden, ook de schoten van agente [naam] . Anders dan door de verdediging betoogd heeft zij haar eerste schot gelost toen de bus, na kort stil te hebben gestaan bij het transformatorhuisje zonder dat de inzittenden zijn uitgestapt, weer ging rijden, weg van het transformatorhuisje. Agente [naam] mikte laag op de achterzijde van de bus. Dat een van haar schoten buiten deze schotsbaan via de ruit van het linker voorportier door de voorcabine via de ruit van het rechter voorportier is gegaan, doet niets af aan de intentie om laag te schieten. Het door [naam] toegepaste aanhoudingsvuur is naar het oordeel van de rechtbank dan ook rechtmatig geweest. Dat de AOT-ers behalve de trap tegen zijn hoofd ander substantieel aanhoudingsgeweld hebben toegepast tegen de verdachte, is niet gebleken. Maar ook als nog een klap of een schop meer aan verdachte is gegeven om hem onder controle te krijgen en te houden, maakt dat het gebruikte geweld gelet op de omstandigheden niet onrechtmatig. Dit betekent dat er geen sprake is van een vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering waarmee in straf verminderende zin rekening dient te worden gehouden in de strafmaat.

Strafblad

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie (het strafblad) van de verdachte van 29 oktober 2020 blijkt dat hij in 2017 is veroordeeld voor een mishandeling, hij liep hiervoor nog in een proeftijd op de pleegdatum van de onderhavige feiten. In 2016 is hij veroordeeld voor een Opiumwet feit. De onderhavige feiten zijn gepleegd om een hennepkwekerij te rippen en in zoverre ziet de rechtbank daar wel een verband met genoemd Opiumwet feit, maar van recidive is geen sprake. Het strafblad van de verdachte geeft dan ook geen aanleiding voor een strafverhoging maar evenmin voor een strafverlaging omdat een blanco strafblad de norm is.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van meerdere reclasseringsadviezen ten aanzien van de verdachte, de meest recente daarvan dateert van 30 september 2020. De reclassering constateert hierin dat de verdachte afstand lijkt te hebben genomen van zijn voormalige negatieve netwerk. Hij heeft een goed lopend eigen bedrijf en loste zijn schulden af. De verdachte heeft zich goed aan de schorsingsvoorwaarden gehouden en zich positief ingezet om een conventioneel leven op te bouwen. Daarnaast is hij gedurende het schorsingsreclasseringstoezicht succesvol behandeld voor een ongespecificeerde impulsbeheersingsstoornis, een depressieve stoornis en een post traumatische stoornis. Uit het reclasseringsadvies volgt dat geen sprake meer is van problematiek. De reclassering schat het recidiverisico in als laag. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Strafmodaliteit en strafmaat

Uit de aard en de ernst van het bewezenverklaarde volgt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.

In de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting staat voor een woningoverval als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaren als sprake is van licht geweld of bedreiging. Factoren die volgens de oriëntatiepunten tot een hogere straf leiden, zijn onder meer kwetsbare slachtoffers, een samenwerkingsverband, een professionele werkwijze en het gebruik van wapens. Het oriëntatiepunt voor het enkele voorhanden hebben van een pistool is op dit moment nog 3 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf maar hier wordt vanwege het toegenomen gebruik van vuurwapens tegenwoordig doorgaans het dubbele voor opgelegd.

De rechtbank weegt als strafverzwarende omstandigheden mee dat de verdachten zich bewust hebben vermomd als politieagenten om personen die zij zouden tegenkomen te laten denken dat zij van de politie zijn, dat zij wapens, waaronder een doorgeladen vuurwapen, bij zich hadden ter verdediging en dus de bereidheid hebben gehad de wapens te gebruiken en dat zij die wapens ook hebben getoond en zichtbaar gedragen en de 18 en 15 jarige jongens en hun vader daarmee onder dwang in de keuken hebben gehouden. Gelet hierop en in aanmerking nemende dat de verdachte samen met een mededader een leidende rol heeft gehad bij de woningoverval en daarbij zelf ook een vuurwapen heeft gedragen, is naar het oordeel van de rechtbank het uitgangspunt voor het geheel aan bewezenverklaarde feiten in het geval van de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5,5 jaren.

De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een strafzaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis in eerste aanleg binnen twee jaar nadat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM is aangevangen. In deze zaak is die termijn aangevangen op 7 juni 2017. De redelijke termijn is in aanzienlijke mate, te weten met bijna anderhalf jaar overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen gevangenisstraf tot gevolg moet hebben en zal deze straf met 6 maanden verminderen.

Alles afwegende, zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte zijn, afgewogen tegen het vorenstaande, niet dermate zwaarwegend of doorslaggevend dat de rechtbank tot een ander oordeel zou moeten komen. Een straf zoals door de raadsman bepleit doet onvoldoende recht aan de ernst van het bewezen verklaarde.

7 De voorlopige hechtenis

7.1

Het verzoek van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte opnieuw te schorsen bij de einduitspraak.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de beslissing de voorlopige hechtenis te schorsen is bepaald dat deze eindigt op het moment van de einduitspraak.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij beslissing van 13 december 2017 de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst tot aan de datum van de einduitspraak van de strafzaak.

De rechtbank is van oordeel dat het strafvorderlijk belang nu, gelet op de op te leggen gevangenisstraf, zwaarder weegt dan de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Derhalve zal de rechtbank geen nieuwe schorsing van de voorlopige hechtenis bevelen. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte komt met ingang van vandaag een einde. Het verzoek (opnieuw) de voorlopige hechtenis te schorsen zal worden afgewezen.

8 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffers] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.980,31, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 1.230,31 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade. Daarnaast wordt een bedrag gevorderd van € 2.179,24 aan proceskosten.

[slachtoffers] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.385,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 385,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.

[slachtoffers] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

[slachtoffers] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 250,- te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van alle vorderingen van de benadeelde partijen, met daarbij de gevorderde wettelijke rente. De vorderingen zijn onderbouwd en de schade vloeit rechtsreeks voort uit de te bewezen verklaren feiten. Daarnaast heeft zij gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vorderingen niet betwist en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffers]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks zowel materiële als immateriële schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten.

De vordering ten aanzien van de materiële schade is onderbouwd en bovendien niet betwist. Deze vordering van € 1.230,31 zal dan ook worden toegewezen.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt.
Ingevolge artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bestaat recht op vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In onderhavig geval gaat het om laatstgenoemde categorie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte met zijn mededaders de benadeelde partij ernstig in zijn persoon aangetast. Door een gewapende overval te plegen op de woning van de benadeelde partij, waar zijn zonen en later hij zelf aanwezig waren, is er sprake van een ernstige inbreuk op de persoonlijke veiligheid van de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft uiteengezet wat de gevolgen van de gewapende overval voor hem en zijn kinderen zijn geweest en de onderbouwing van de aantasting in de persoon is daarmee voldoende concreet. Daarnaast brengen de aard en ernst van de strafbare feiten mee dat nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat de bedoelde aantasting in de persoon ook om die reden kan worden aangenomen. De rechtbank zal dan ook zoals gevorderd een bedrag van € 750.- aan immateriële schade toewijzen.


Dit betekent dat de rechtbank de vordering zal toewijzen tot een totaalbedrag van

€ 1.980,31.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 6 juni 2017, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Weliswaar is er een bedrag gevorderd van € 2.179,24 aan proceskosten door de benadeelde partij, deze proceskosten zijn evenwel onvoldoende onderbouwd zodat niet vastgesteld kan worden dat deze zien op het indienen van de vordering dan wel het bijwonen van de onderhavige zitting.
Wel wordt de verdachte ook veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffers]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks zowel materiële als immateriële schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten.

De vordering ten aanzien van de materiële schade is onderbouwd en bovendien niet betwist. Deze vordering van € 385,- zal dan ook worden toegewezen.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bestaat recht op vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In onderhavig geval gaat het om laatstgenoemde categorie.
De benadeelde partij heeft het psychisch letsel beschreven en onderbouwd met een verklaring van een psycholoog. De strafbare feiten zijn voorts van dien aard dat duidelijk is dat het voor de benadeelde partij een heftige ervaring is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij deze gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten. De Deze vordering van € 2.000,-, aan immateriële schade waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen.

Dit betekent dat de rechtbank de vordering zal toewijzen tot een totaalbedrag van

€ 2.385,-.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 6 juni 2017, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffers]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten.

Ingevolge artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bestaat recht op vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In onderhavig geval gaat het om laatstgenoemde categorie.
De benadeelde partij heeft het psychisch letsel beschreven en onderbouwd met een verklaring van een psycholoog. De strafbare feiten zijn voorts van dien aard dat duidelijk is dat het voor de benadeelde partij een heftige ervaring is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij deze gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten.

Deze vordering van € 2.000,-, waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 6 juni 2017, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffers]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten.

Ingevolge artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bestaat recht op vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In onderhavig geval gaat het om laatstgenoemde categorie.

De benadeelde heeft uiteengezet welke impact deze overval op haar heeft gehad. De door haar beschreven schade is naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet en invoelbaar. Hoewel zij niet in de woning was ten tijde van de overval bevond zij zich buiten bij de politie en wist dat haar zonen en man onder dwang van vuurwapens gegijzeld werden. Bovendien is zij getuige geweest van de beschieting van de bus. Daarmee is er sprake van een ernstige inbreuk op de veilige levenssfeer van de benadeelde partij en is de geleden schade een rechtstreeks gevolg van de gedragingen van de verdachte en de medeverdachten.

De rechtbank zal de vordering van € 250,-, waarvan de hoogte niet is betwist, dan ook toewijzen.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 6 juni 2017, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Ten aanzien van alle vorderingen van de benadeelde partijen overweegt de rechtbank ten aanzien van de hoofdelijkheid als volgt.

Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover één van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij(en) heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij(en) hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hen zijn toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen:

  • -

    een bedrag van € 1.980,31,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 2017 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffers] ;

  • -

    een bedrag van € 2.385,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 2017 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffers] ;

  • -

    een bedrag van € 2.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 2017 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffers] ;

  • -

    een bedrag van € 250,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 2017 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffers] .

9 De vordering tenuitvoerlegging

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de taakstraf, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam d.d. 30 maart 2017, te weten een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft bepleit tot afwijzing van de vordering gelet op het tijdsverloop in deze zaak alsmede de positieve ontwikkeling van de verdachte sindsdien. Het betreft een veroordeling uit 2017 voor een feit uit 2016 en daarmee is er geen rechtsbelang meer gediend om deze taakstraf nu alsnog ten uitvoer te leggen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd doordat hij zich voor het einde van de proeftijd, die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de vordering af te wijzen. Enerzijds houdt de rechtbank daarbij rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en daarnaast acht de rechtbank het niet opportuun dat na ommekomst van een – bij dit vonnis opgelegde – langdurige gevangenisstraf, de verdachte nog een taakstraf uit 2017 zal dienen uit te voeren.

10 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36 f, 45, 47, 55, 57, 282, 312, 416 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26, 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

ten aanzien van feit 2 primair:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van feit 5:

medeplegen van opzetheling;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis;

wijst de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffers] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.980,31 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 2017 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffers] ;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.980,31, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 2017 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffers] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 29 dagen.

Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als één van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffers] toe tot een bedrag van € 2.385,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 2017 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffers] ;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.385,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 2017 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffers] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 33 dagen.

Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als één van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffers] toe tot een bedrag van € 2.000,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 2017 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffers] ;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 2017 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffers] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen.

Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als één van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffers] toe tot een bedrag van € 250,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 2017 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffers] ;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 250,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 2017 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffers] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen.

Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als één van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

wijst af de vordering tenuitvoerlegging van de straf voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter van de Rechtbank Amsterdam, gewezen onder parketnummer 13/193019-16.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.C. Bannink, voorzitter,

mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, rechter,

mr. M.P.M. Loos, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Zelst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 november 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van: - het proces-verbaal van onderzoek “Amer” met het nummer PL1500-201715670, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek, districtsrecherche Leiden-Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 521) en - het proces-verbaal van onderzoek “Stavia” met het nummer 20170044, van de Rijksrecherche (doorgenummerd blz. 1 t/m 543) (hierna: PV Stavia).

2 Proces-verbaal van bevindingen telefonische melding bij politie, p. 474 en 475.

3 Proces-verbaal van bevindingen telefonische melding bij politie, p. 475.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 508 en 509 (PV Stavia).

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 123 en 124.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 534 en 535 (PV Stavia).

7 Proces-verbaal van aanhouding, p. 48.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 30.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 32.

10 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffers] , p. 143 t/m 145.

11 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffers] bij de rechter-commissaris, d.d. 29 augustus 2019, punt 12.

12 Proces-verbaal van forensisch onderzoek, p. 191, 193 en 195.

13 Proces-verbaal, p. 196 en 198.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 127; Proces-verbaal van bevindingen, p. 131 t/m 133.

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 178.

16 Een geschrift, te weten een digitaal ter beschikking gestelde foto/schermafdruk met als bestandsnaam “ [naam code] .

17 Een geschrift, te weten een digitaal ter beschikking gestelde foto/schermafdruk met als bestandsnaam “ [naam code] ”.

18 Een geschrift, te weten een digitaal ter beschikking gestelde foto/schermafdruk met als bestandsnaam “ [naam code] ”.

19 Proces-verbaal bevindingen kleding/signalementen verdachten, p. 258 en 259.

20 Proces-verbaal van bevindingen, p. 127.

21 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffers] , p. 146 t/m 149.

22 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffers] bij de rechter-commissaris, d.d. 29 augustus 2019, punten 6, 8, 10, 12 en 23, 24, 26, 27 en 30; Geschrift, te weten informatie staat betreffende [betrokkene] , p. 26; Geschrift, te weten informatie staat betreffende [betrokkene] , p. 84; Geschrift, te weten informatie staat betreffende [verdachte] , p. 109; Proces-verbaal, p. 173.

23 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffers] , p. 156 t/m 159

24 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffers] bij de rechter-commissaris, d.d. 29 augustus 2019, punten 5, 6, 8, 12 en 20 t/m 24; Geschrift, te weten informatie staat betreffende [betrokkene] , p. 26; Geschrift, te weten informatie staat betreffende [betrokkene] , p. 55; Geschrift, te weten informatie staat betreffende [betrokkene] , p. 84; Geschrift, te weten informatie staat betreffende [verdachte] , p. 109.

25 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffers] , p. 135 t/m 138.

26 Proces-verbaal van bevindingen, p. 142.

27 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffers] , p. 143.

28 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffers] bij de rechter-commissaris, d.d. 29 augustus 2019, punten 5, 6, 7, 12, 15, 17 en 18; Geschrift, te weten informatie staat betreffende [betrokkene] , p. 26; Geschrift, te weten informatie staat betreffende [betrokkene] , p. 84; Geschrift, te weten informatie staat betreffende [verdachte] , p. 109.

29 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 4 november 2020.

30 Verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 4 november 2020; Een geschrift, te weten een digitaal ter beschikking gestelde video met als bestandsnaam “ [naam code] ”.

31 Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] , p. 366, 367, 368.

32 Proces-verbaal van verhoor aangever [betrokkene] , p. 381, 382 en 383 (PV Stavia).

33 Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] , p. 64 t/m 67.

34 Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] , p. 227, 230 en 235; Geschrift, te weten informatie staat betreffende [verdachte] , p. 109.