Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12055

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-11-2020
Datum publicatie
06-01-2021
Zaaknummer
09/842343-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Den Haag heeft op 27 november 2020 een man vrijgesproken van het plegen van moord op zijn levensgezel, nu de rechtbank niet vast heeft kunnen stellen dat er sprake is geweest van een vooropgezet plan tot levensberoving en dat, om die reden, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de man heeft gehandeld met voorbedachte raad. De rechtbank acht doodslag wel wettig en overtuigend bewezen en veroordeelt de man voor dat feit tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842343-19

Datum uitspraak: 27 november 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Krimpen aan den IJssel.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 13 januari 2020, 23 maart 2020, 15 juni 2020, 28 augustus 2020 (alle pro forma) en 13 november 2020 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.P. Tuinenburg, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden, mr. J.A.W. Knoester en mr. C.J.J. Kwint (hierna: de verdediging), naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 13 november 2020 - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 september 2019 te ‘s-Gravenhage [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door

- die [slachtoffer] bij de keel en/of hals vast en/of beet te pakken en/of

- ( vervolgens) de keel en/of hals van die [slachtoffer] dicht te knijpen en/of (samen) te duwen en/of

- dicht geknepen en/of (samen)geduwd te houden,

althans samendrukkend en/of stomp botsend geweld op de hals van die [slachtoffer] toe te passen.

3. Inleiding: aard van de zaak

Het gaat in deze zaak om de levensberoving van [slachtoffer] op 28/29 september 2019 en de omstandigheden waaronder die levensberoving heeft plaatsgevonden. De verdachte en het slachtoffer zijn in 1998 in Turkije met elkaar getrouwd en zij hebben zich in datzelfde jaar in Den Haag gevestigd, waar op [geboortedatum 1] hun oudste zoon is geboren. Op [datum 2] 2004 is het huwelijk van partijen door echtscheiding ontbonden, maar zij zijn wel als man en vrouw blijven samenleven. Het slachtoffer heeft zich op 1 december 2006 ingeschreven op het [adres] .

In de zomer van 2012 is de verdachte in Turkije aangehouden wegens een drugsdelict. Hij is daarvoor in Turkije veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar en zes maanden. Het slachtoffer was ten tijde van de aanhouding van de verdachte zwanger, en de jongste zoon van partijen is op [geboortedatum 2] geboren. Nadat de verdachte zijn straf gedeeltelijk in Turkije en gedeeltelijk in Nederland had uitgezeten, is aan hem in de zomer van 2019 voorwaardelijke invrijheidstelling verleend. De verdachte heeft dan zeven jaar gedetineerd gezeten. In deze tijd heeft het slachtoffer alleen met hun twee zonen in Den Haag gewoond.

De verdachte is in het kader van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling (waaraan onder meer elektronisch toezicht door middel van een enkelband was verbonden) bij het slachtoffer en hun zonen gaan wonen. Hij stond vanaf 13 juli 2019 (voor het eerst) ingeschreven op het [adres] te Den Haag.

In de weken voorafgaand aan het overlijden van het slachtoffer zijn tussen haar en de verdachte spanningen ontstaan, die zich uitten in ruzies. In de vroege middag van zondag 29 september 2019 is het slachtoffer door haar oudste zoon levenloos in haar bed aangetroffen. De verdachte heeft bekend dat hij het slachtoffer de avond daarvoor door wurging om het leven heeft gebracht.

De rechtbank dient in de eerste plaats de vraag te beantwoorden of bij de levensberoving van het slachtoffer door de verdachte wel of niet sprake is geweest van een vooropgezet plan, oftewel voorbedachte raad. Na beantwoording van die vraag komt aan de orde welke straf aan de verdachte dient te worden opgelegd. Tenslotte dient een zevental door de nabestaanden van het slachtoffer ingediende vorderingen tot schadevergoeding te worden beoordeeld.

4. Overwegingen omtrent het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het impliciet primair ten laste gelegde feit (moord) wettig en overtuigend bewezen zal verklaren.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de impliciet primair tenlastegelegde moord. De impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag kan volgens de verdediging wel worden bewezen.

4.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

Bevindingen 2

Op zondag 29 september 2019 rond 13.50 uur is een politie-eenheid naar het [adres] te Den Haag gegaan, naar aanleiding van een melding dat er sprake zou zijn van een reanimatie. Voor de voordeur van het desbetreffende perceel stond een geëmotioneerde jongen, die de oudste zoon van het slachtoffer bleek te zijn. In de slaapkamer zagen de agenten dat het slachtoffer levenloos op haar rug op het bed lag. De agenten kregen de indruk dat het slachtoffer was overleden. Omdat het lichaam nog warmte afgaf, is besloten reanimatie te starten. Tijdens die reanimatie zagen de agenten dat het rechteroog van het slachtoffer opgezwollen en blauw was en dat het slachtoffer striemen in haar nek had. Na de komst van ambulancebroeders is de reanimatie gestaakt.

Verklaringen van de oudste zoon 3

De oudste zoon van het slachtoffer heeft (samengevat en onder meer) het volgende verklaard. In de avond van zaterdag 28 september 2019 heeft hij gewerkt. Hij is die nacht rond 01.00 uur thuisgekomen en is meteen gaan slapen. De volgende ochtend hoorde hij rond 09.00 uur een deur dichtslaan. Hij dacht dat dit zijn vader was die het huis verliet. Om 11.00 uur is hij opgestaan en hij heeft rond 12.00 uur het huis verlaten. Voordat hij wegging zag hij door een kier van de slaapkamerdeur zijn moeder op haar gebruikelijke plaats in bed liggen, met een slaapdeken over haar heen. Hij dacht dat zij nog sliep. Aan het begin van de middag is hij gebeld door zijn tante die zei dat zijn vader en zijn moeder de telefoon niet opnamen. Daarom is hij terug naar huis gegaan. Hij trof zijn moeder nog steeds in bed aan. Ze reageerde niet toen hij haar aansprak. Hij heeft toen de deken van haar afgehaald maar ze bewoog niet. Hij zag allemaal blauwe plekken in haar hals en op haar gezicht en bloedvlekken op het bed. Daarna is de politie gebeld.

Onderzoek van het lichaam van het slachtoffer

Op het lichaam van het slachtoffer is sectie verricht. In het daarvan opgemaakte rapport4 is (samengevat en onder meer) het volgende vermeld:

Er waren uitwendige huidbeschadigingen aan de kin en de hals en twee deels evenwijdig verlopende lijnvormige impressies (indrukkingen). Inwendig was er een breuk van de rechter grote hoorn van het tongbeen.

Verondersteld mag worden dat zowel de huidbeschadigingen als de breuk van het tongbeen bij leven zijn ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend en/of samendrukkend geweld op de hals. Daarmee wordt bedoeld manuele verwurging, strangulatie of een combinatie daarvan. Dat kan aanleiding hebben gegeven tot zuurstofgebrek in de hersenen of prikkeling van zenuwknopen met hartritmestoornissen wat de dood tot gevolg kan hebben.

De conclusie is dat het overlijden kan worden verklaard door samendrukkend en/of stomp botsend geweld op de hals. Een andere doodsoorzaak is niet gebleken.

Verder vermeldt het sectierapport dat sprake was van een aantal andere huidbeschadigingen, waaronder aan het boven- en onderooglid van het rechteroog met paarsgroene huidverkleuring en zwelling. Dit letsel is bij leven ontstaan door ingewerkt uitwendig mechanisch stomp botsend geweld zoals vallen, slaan, zich stoten en tegen structuren aandrukken.

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de hals van het slachtoffer heeft dichtgeknepen en dat zij als gevolg daarvan op een gegeven moment geen tekenen van leven meer vertoonde.

Tussenconclusie omtrent het bewijs

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd. Dat betekent dat de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag in elk geval wettig en overtuigend is bewezen.

In het vervolg van dit vonnis wordt ingegaan op de vraag of (ook) is bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, en zich daarmee heeft schuldig gemaakt aan moord op het slachtoffer, zoals impliciet primair is tenlastegelegd.

Uitgangspunten omtrent voorbedachte raad

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar hoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

De verklaringen van de verdachte en het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft tegenover de politie een verklaring afgelegd over het gebeurde en wat daaraan vooraf is gegaan. Nadien is van de zijde van de verdediging een handgeschreven verklaring van de verdachte aan het dossier toegevoegd. Tenslotte heeft de verdachte ook op de terechtzitting een verklaring afgelegd. De verklaringen komen (samengevat en onder meer) neer op het volgende.

Nadat de verdachte in juli 2019 terugkeerde naar huis, ontstond er al snel ruzie tussen hem en het slachtoffer. Dat vond hij vreemd, want tijdens de detentie was zij er altijd voor hem geweest. De ruzie ging in eerste instantie over een huis in Turkije. Het slachtoffer schreeuwde tegen hem en gooide met kopjes. De situatie verbeterde enige tijd, maar nadat het slachtoffer in Turkije met vakantie was geweest, deed zij vreemd. Zij praatte niet met hem, deed heel afstandelijk en de verdachte kon niets goed doen. Zij schreeuwde waar de kinderen bij waren. Op vrijdag 27 september 2019, toen het slachtoffer van haar werk thuis kwam, reageerde zij negatief op normale vragen van de verdachte. Zij schreeuwde en het jongste kind werd wakker. Daarna schreeuwde ze dat het beter was dat ze zouden gaan scheiden. Zij zei dat de verdachte eerst maar eens werk moest gaan vinden. De verdachte zei toen tegen haar dat als zij echt weg wilde daar de deur was. Toen hij vroeg wat daarop haar antwoord was, zei het slachtoffer dat de verdachte morgen antwoord zou krijgen. Zij spraken af de volgende dag te praten waar de kinderen niet bij waren. De bedoeling was dat dat gesprek bij de zuster van de verdachte zou plaatsvinden als het slachtoffer van haar werk terugkwam. Bij dat gesprek zouden ook zijn zuster en haar man aanwezig zijn.

De volgende dag, zaterdag 28 september 2019, is de verdachte met zijn jongste zoon op pad geweest. Hij heeft de jongste zoon rond 18.00 uur bij zijn schoonzuster [naam] gebracht, zodat er gelegenheid was voor het gesprek met het slachtoffer. Hij is terug naar huis gegaan in afwachting van de thuiskomst van het slachtoffer. Zij kwam laat thuis. Toen de verdachte vroeg of ze nog kwam praten zei zij dat ze niet meer wilde praten. Ze zei ook: je gaat zelf maar weg, het huis krijg je niet en de kinderen zijn op papier ook van mij. De verdachte vroeg wat er aan de hand was en toen zei het slachtoffer: je moest ook maar geen ezel zijn, je bent een sukkel, ik heb al een tijdje een andere man dus ga nu weg. Zij duwde hem weg, waarop hij haar terugduwde. Het slachtoffer greep zijn rechterhand en beet in zijn vinger. Hij gaf haar daarom een vuistslag in haar gezicht. Het slachtoffer kwam met haar handen naar zijn keel toe, en toen greep hij haar ook bij de keel. Toen viel bij hem de controle weg en werd alles zwart voor zijn ogen. Het slachtoffer viel op de grond. De verdachte dacht eerst dat zij was flauwgevallen. Hij probeerde haar wakker te maken en weer lucht te geven maar dat lukte niet. Toen besefte hij dat ze dood was. Hij raakte in shock en nam het besluit om ook dood te gaan, waarna hij alle medicijnen nam die hij maar kon vinden. Hij tilde het slachtoffer op en legde haar in bed. Hij raakte bewusteloos en werd de volgende ochtend pas wakker. Toen stelde hij opnieuw vast dat het slachtoffer niet meer leefde. Hij deed de lakens over haar heen en is het huis uitgegaan. Hij heeft veel medicijnen geslikt en heeft in zijn polsen gesneden. Uiteindelijk is hij in het ziekenhuis terechtgekomen.

De verdachte heeft ontkend dat bij hem ooit het plan of voornemen heeft bestaan om het slachtoffer van het leven te beroven. De verdediging heeft betoogd dat uit wat de verdachte heeft verklaard, volgt dat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat geen sprake kan zijn van voorbedachte raad.

Onderbouwing door de officier van justitie van zijn standpunt omtrent voorbedachte raad

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat de verdachte bij het doden van het slachtoffer heeft gehandeld ter uitvoering van een tevoren na kalm beraad opgevat plan onder meer verwezen naar diverse getuigenverklaringen. Zo hebben twee familieleden van de verdachte verklaard dat hij op een bruiloftsfeest, twee weken voor het gebeurde, aan één van hen heeft gevraagd of hij zou komen te overlijden als hij een bepaalde hoeveelheid oxycodon zou innemen. Bij die gelegenheid zou de verdachte ook hebben gezegd dat hij eerst het slachtoffer zou doodmaken en daarna zichzelf. Een andere getuige, de schoonzuster van de verdachte, heeft verklaard dat de verdachte zou hebben gezegd dat als het slachtoffer zou willen scheiden, zij dood zou gaan en hij, de verdachte, ook.

Vervolgens heeft de officier van justitie gewezen op getuigenverklaringen, waaruit kan volgen dat het slachtoffer in de weken voorafgaande aan het gebeurde vreesde door de verdachte van het leven te zullen worden beroofd. Een bij de rechter-commissaris gehoorde getuige verklaart dat zij het slachtoffer zes dagen voor haar dood nog heeft gesproken. Het slachtoffer heeft haar toen gezegd dat de problemen tussen haar en de verdachte steeds groter werden. De verdachte zou toen gezegd hebben: “Eerst maak ik jou dood en dan maak ik mezelf dood”. De zuster van deze getuige heeft verklaard dat zij het slachtoffer op 18 september 2019 telefonisch heeft gesproken. Het slachtoffer vertelde dat zij haar oudste zoon had gevraagd om op die dag, waarop het slachtoffer niet werkte, niet naar school te gaan omdat zij bang was dat de verdachte haar dood zou maken. Het slachtoffer vertelde dat zij ook haar jongste zoon op die dag heeft thuis gehouden. Dit had ze gedaan omdat ze dacht dat de verdachte haar niets zou aandoen als de kinderen thuis waren. De officier van justitie heeft er op gewezen dat uit onderzoek is gebleken dat de jongste zoon van het slachtoffer op 18 en 19 september 2019 niet op school aanwezig was en dat hij voor die dagen ziek is gemeld.

Ook heeft de officier van justitie gewezen op een verklaring van de oudste zoon waarin hij heeft verklaard dat de verdachte de vrijdag voor het incident tegen hem heeft gezegd dat hij de bouwschoenen waar ze eerder over hadden gesproken, niet nodig zou hebben omdat hij die maandag (de rechtbank begrijpt de maandag na het incident) toch niet naar zijn nieuwe werk zou gaan.

Tenslotte heeft, wat de getuigenverklaringen betreft, de officier van justitie gewezen op de verklaring van een werknemer van het restaurant waar de verdachte werkte. Deze getuige heeft verklaard dat het slachtoffer al drie weken ongelukkig en heel verdrietig was. Ze vertelde dat zij van de verdachte wilde scheiden, weg van hem, maar dat zij bang was. Op 28 september 2019 zag zij er heel slecht uit. De verdachte zou tegen het slachtoffer gezegd hebben dat zij moest stoppen met werken en dat hij haar anders dood zou maken. Het slachtoffer zei dat ze die zaterdag de familie bij elkaar zou halen en dan tegen iedereen zou zeggen dat ze gingen scheiden. Die dag had ze het besluit genomen. De getuige had het slachtoffer vast gehouden en het enige wat het slachtoffer deed was huilen. Ze zei dat ze niet naar huis wilde gaan.

De officier van justitie hecht verder belang aan het vaststaande feit dat de verdachte de jongste zoon op de dag van het gebeurde om 18.00 uur bij zijn schoonzuster heeft gebracht en niet meer heeft opgehaald, zodat die zoon die nacht niet in de woning aanwezig was.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de door de officier van justitie ingeroepen verklaringen en omstandigheden, noch afzonderlijk noch in combinatie met elkaar, voldoende om te concluderen dat bij de verdachte voorbedachte raad op de levensberoving van het slachtoffer aanwezig is geweest. Tot dat oordeel is het volgende redengevend.

Er is geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van de getuigen, inhoudende dat de verdachte zou hebben gezegd dat hij eerst het slachtoffer zou doden en daarna zichzelf en evenmin aan het waarheidsgehalte van de verklaringen van getuigen die inhouden dat het slachtoffer hen heeft verteld dat de verdachte zich tegenover het slachtoffer in gelijke zin heeft uitgelaten. Dat de verdachte die uitingen heeft gedaan brengt echter nog niet met zich dat er bij de verdachte op dat moment ook sprake was van een plan of bedoeling om het slachtoffer metterdaad van het leven te beroven en evenmin dat hij ter uitvoering van dat plan in de nacht van 28 op 29 september 2019 het slachtoffer heeft gedood.

Hetzelfde geldt voor de door de officier van justitie aangehaalde verklaringen waaruit valt af de leiden dat het slachtoffer voor haar leven vreesde. Dat zij bang was door verdachte te worden gedood is alleszins aannemelijk, niet alleen op grond van de door de officier van justitie aangehaalde getuigenverklaringen en gedragingen van het slachtoffer (zoals het thuishouden van haar jongste kind) maar ook op grond van de overige inhoud van het dossier. Zo is treffend de verklaring van de nicht van de verdachte, die boven het restaurant woont waar het slachtoffer werkte. Op haar laatste werkdag, 28 september 2019, kwam het slachtoffer bij deze getuige in haar woning, kort voordat zij ging werken. Ze had geen trek en toen de getuige vroeg wat er was, begon het slachtoffer te huilen. Zij vertelde dat zij en de verdachte ruzie hadden gehad en dat ze had gezegd dat hij hulp moest gaan zoeken. Ze zei dat ze bang was, omdat hij haar een paar dagen geleden bij de keel had gepakt. De getuige zei dat ze hem er uit moest gooien. Het slachtoffer vertelde dat zij tegen de verdachte had gezegd dat hij zijn spullen moest pakken en moest oprotten. Het slachtoffer zei: “ik ga vandaag niet naar huis”. De getuige zei dat het slachtoffer bij haar op de bank mocht slapen. Het slachtoffer zei dat zij wel in de auto ging slapen.

De omstandigheid dat het slachtoffer, ook zeer kort voor haar overlijden, kennelijk in doodsangst verkeerde is, hoe schrijnend ook, niet voldoende om tot het bestaan van een vooropgezet plan tot levensberoving aan de zijde van de verdachte te concluderen.

Tenslotte legt de omstandigheid dat de verdachte zijn jongste zoon op 28 september 2019 bij zijn schoonzuster heeft ondergebracht onvoldoende gewicht in de schaal. Uit verschillende getuigenverklaringen volgt dat er, zoals de verdachte ook heeft verklaard, plannen waren voor een gesprek die avond tussen de verdachte en het slachtoffer, al dan niet in het bijzijn van anderen. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte het kind elders heeft ondergebracht met een andere bedoeling dan om het voorgenomen gesprek buiten aanwezigheid van dat kind te laten plaatsvinden.

De slotsom is dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte bij de levensberoving van het slachtoffer heeft gehandeld met voorbedachte raad. Dat betekent dat de verdachte van de impliciet primair tenlastegelegde moord zal worden vrijgesproken. Zoals reeds overwogen is de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag wel wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

hij op omstreeks 29 september 2019 te ‘s-Gravenhage [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door

- die [slachtoffer] bij de keel beet te pakken en

- vervolgens de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en

- dicht geknepen te houden.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de strafbaarheid van de verdachte

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht voor wat betreft de op te leggen straf aansluiting te zoeken bij een arrest van het gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2017:4393) en een vonnis van de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2020:997), waarin de verdachte ter zake van doodslag werd veroordeeld tot respectievelijk 8 en 7 jaren gevangenisstraf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Uit het dossier komt naar voren dat het slachtoffer in de periode voor haar overlijden in grote angst heeft geleefd voor de verdachte. Zo heeft het slachtoffer hun jongste zoon anderhalve week voor het incident twee dagen van school thuis gehouden en aan de oudste zoon gevraagd niet te laat thuis te komen, omdat ze bang was dat de verdachte haar iets aan zou doen als ze alleen met hem zou zijn. Ook op de dag van haar overlijden, waarop ze tot laat in de avond had gewerkt, wilde en durfde het slachtoffer uit angst voor de verdachte niet naar huis te gaan. Toen het slachtoffer, die naast zijn levenspartner tevens de moeder is van hun twee zonen, in de late avond van 28 op 29 september 2019 thuis kwam, heeft de verdachte haar in hun slaapkamer een vuistslag in haar gezicht gegeven en om het leven gebracht door verwurging. De laatste momenten van haar leven moeten voor het slachtoffer, gelet ook op de angst waarin zij in de periode voorafgaande aan haar overlijden al leefde, afschuwelijk zijn geweest. Nadat de verdachte het slachtoffer had gewurgd en besefte dat het slachtoffer misschien dood was, heeft hij geen hulp ingeroepen zodat het slachtoffer wellicht nog een kans had gehad om geholpen te worden, maar heeft hij het levenloze lichaam van het slachtoffer in hun bed gelegd, zelf een hoeveelheid medicijnen ingenomen en is in een andere slaapkamer in slaap gevallen. De verdachte wist dat hun oudste zoon in de nacht thuis zou komen. De volgende ochtend toen de verdachte wakker werd, heeft hij de woning verlaten en het levenloze lichaam van zijn levenspartner in de woning bij hun zoon achter gelaten, waarna hun zoon het levenloze lichaam van zijn moeder heeft aangetroffen. Te verwachten valt dat de destijds nog minderjarige zoon nog lange tijd zal lijden onder de psychische gevolgen hiervan.

Door zijn handelen heeft de verdachte zijn levensgezel– een jonge vrouw van 39 jaar oud – gedood en haar daarmee het meest fundamentele recht ontnomen waarover een mens beschikt, te weten het recht op leven. Voorts heeft hij haar daardoor de mogelijkheid ontnomen haar kinderen (verder) te zien opgroeien en hen bij hun volwassenwording tot hulp en steun te zijn. Ook heeft hij haar kinderen de zorg en liefde van hun moeder ontnomen. Door een einde te maken aan het leven van [slachtoffer] heeft de verdachte daarnaast ook andere nabestaanden onherstelbaar en groot leed aangedaan. Namens de broers en zussen van het slachtoffer is dit ter terechtzitting in hun gezamenlijke slachtofferverklaring treffend verwoord.

Ook de samenleving als geheel is door het handelen van de verdachte ernstig geschokt. Het incident heeft plaatsgevonden in de eigen woning van slachtoffer en de verdachte. Er is uitgebreid onderzoek in en om de woning gedaan en veel buurtbewoners zijn geconfronteerd met het feit dat in hun directe woonomgeving een jonge vrouw op gewelddadige wijze door haar levenspartner om het leven is gebracht. Het handelen van de verdachte heeft bij hen, maar ook bij anderen die daarvan op de hoogte zijn geraakt, gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Ook in algemene zin brengt een incident waarbij een moeder door de vader van hun gezamenlijke kinderen om het leven wordt gebracht, voor het grote publiek gevoelens van afschuw met zich mee.

Uit de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, zoals hiervoor omschreven, volgt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. Omtrent de daarvoor te hanteren uitgangspunten overweegt de rechtbank het volgende.

Doodslag behoort tot de ernstigste strafbare feiten die de wet kent. Voor doodslag heeft de wetgever een gevangenisstraf van 15 jaren als maximum gesteld. Binnen de rechtspraak bestaan voor deze delicten geen landelijke oriëntatiepunten. Hoewel de rechtbank zich realiseert dat iedere zaak uniek is en het in die zin lastig is om te vergelijken met andere zaken, heeft de rechtbank als uitgangspunt voor het bepalen van de hoogte van de straf, de straffen die recentelijk en in het verleden zijn opgelegd voor een enkelvoudige doodslag in aanmerking genomen. Uit een analyse van recente rechterlijke uitspraken lijkt het erop dat voor een enkelvoudige doodslag doorgaans een gevangenisstraf wordt opgelegd tussen de 8 en 12 jaren. Dat neemt niet weg dat het gedrag dat tot toepassing van deze strafbepalingen leidt vele verschillende vormen kan aannemen, zodat in ieder concreet geval dient te worden nagegaan welke mate van ernst daaraan uit een oogpunt van straftoemeting moet worden toegekend.

Ten aanzien van de in dit geval bewezenverklaarde doodslag is de rechtbank van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de omstandigheden waaronder deze is gepleegd, een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren in aanmerking komt.

Vervolgens moet worden nagegaan of de persoon van de verdachte of zijn persoonlijke omstandigheden invloed hebben op de strafoplegging en zo ja, in welke mate.

Omtrent de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie, gedateerd 12 oktober 2020. Hieruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven.

De verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek en heeft niet willen praten met de psychiater, de psycholoog en de forensisch milieuonderzoeker. Hierdoor konden de rapporteurs geen volledig onderzoek verrichten en geen uitspraken doen over de psychische situatie van de verdachte en verdere persoonlijke omstandigheden die mogelijk relevant zouden kunnen zijn. De rechtbank heeft daardoor geen inzicht gekregen in de persoonlijkheid van de verdachte en kan daarom geen rekening houden met (behandel)mogelijkheden die het recidivegevaar kunnen verminderen. Dat komt, uit een oogpunt van straftoemeting, voor rekening van de verdachte. Het bewezenverklaarde feit moet dan ook volledig worden toegerekend aan de verdachte. Redenen voor een ander oordeel ontbreken.

Slotsom

Nu de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding geven om de eerder als uitgangspunt genoemde vrijheidsbenemende straf ten voordele of ten nadele van de verdachte bij te stellen, komt de rechtbank tot de slotsom dat voor de bewezenverklaarde doodslag oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend en geboden is.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregelen

7.1.

De ingediende vorderingen

[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 17.500,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 17.500,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

[benadeelde 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.200,-. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

[benadeelde 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.170,-. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

[benadeelde 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.050,-. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

[benadeelde 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 350,-. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

[benadeelde 7] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 240,-. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Ten aanzien van alle vorderingen geldt dat is gevorderd deze te vermeerderen met de wettelijke rente en dat is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De benadeelde partijen zijn ter terechtzitting bijgestaan door mr. S.M. Diekstra.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, steeds vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van ieder van de benadeelde partijen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de reiskosten ten behoeve van het bijwonen van de uitvaart van het slachtoffer in Turkije niet kunnen worden aangemerkt als kosten voor lijkbezorging ex 6:108 lid 2 BW en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen. Voorts zijn de gevorderde uitvaartkosten onvoldoende onderbouwd. De verdediging heeft dan ook verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen, voor zover deze zien op de materiële schade.

De verdediging heeft zich voor wat betreft de door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schade, bestaande uit affectieschade, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de immateriële schade

Affectieschade is de immateriële schade die bestaat uit het verdriet en de pijn die is veroorzaakt doordat een persoon waarmee men een affectieve band heeft, overlijdt. Nabestaanden van een overleden slachtoffer kunnen zich op grond van artikel 51f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) als benadeelde partij voegen in het strafproces met een vordering tot vergoeding van affectieschade, zoals bedoeld in artikel 6:108 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). In artikel 6:108 leden 3 en 4 BW is bepaald dat als iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, overlijdt, die ander verplicht is tot vergoeding van de immateriële schade die onder meer de ouder van de overledene ondervindt als gevolg van het overlijden.

Bij algemene maatregel van bestuur (het Besluit vergoeding affectieschade) zijn forfaitaire bedragen vastgesteld aan de hand waarvan een vordering tot vergoeding van affectieschade kan worden toegewezen.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat de dochter van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] als gevolg van een strafbaar feit gepleegd door de verdachte, is komen te overlijden. Ook is komen vast te staan dat het plotselinge overlijden en het gemis van het slachtoffer veel pijn en verdriet hebben veroorzaakt bij de benadeelde partijen en dat zij aldus affectieschade hebben geleden. De rechtbank zal dan ook de door [benadeelde 1] en [benadeelde 2] gevorderde bedragen van ieder € 17.500,- toewijzen.

Ten aanzien van de materiële schade

Nabestaanden van een overleden slachtoffer kunnen zich op grond van artikel 51f lid 2 Sv als benadeelde partij voegen in het strafproces met een vordering tot vergoeding van schade, zoals bedoeld in artikel 6:108 lid 2 BW. In artikel 6:108 lid 2 BW is bepaald dat als iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, die ander verplicht is tot vergoeding van de kosten van lijkbezorging. Degene die de kosten voor lijkbezorging heeft gedragen, kan deze kosten van de aansprakelijke vorderen.

De vordering van [benadeelde 3] is, voor zover deze betrekking heeft op de kosten van de uitvaart ter hoogte van € 3.500,-, namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd en door de verdediging onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daarbij merkt de rechtbank op dat de door de verdediging opgeworpen vraag of deze kosten door een verzekering zijn gedekt niet wordt aangemerkt als een gemotiveerde betwisting van de vordering. Nu de raadsman van de benadeelde partij(en) bovendien te kennen heeft gegeven dat de uitvaartkosten niet door een verzekering zijn gedekt, gaat de rechtbank hier dan ook aan voorbij en zal de vordering van [benadeelde 3] , voor zover deze ziet op de gevorderde uitvaartkosten, toewijzen.

Ten aanzien van de door de benadeelden partijen [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] en [benadeelde 7] gevorderde reiskosten, eveneens in het kader van de kosten van lijkbezorging, overweegt de rechtbank het volgende. De gevorderde schadevergoeding voor al deze vliegtickets naar en van Turkije om aldaar de uitvaart van het slachtoffer bij te kunnen wonen, valt buiten het bepaalde in de genoemde wettelijke regeling. Deze kosten betreffen naar het oordeel van de rechtbank immers geen kosten van lijkbezorging, maar kosten van hen die deze lijkbezorging bijwonen. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van hun vorderingen.

Conclusies

[benadeelde 1]

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de vordering van [benadeelde 1] , zijnde de vader van het slachtoffer, zal toewijzen tot een bedrag van € 17.500,- aan immateriële schade, te weten affectieschade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 29 september 2019, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 17.500,-, vermeerderd met de wettelijke daarover vanaf 29 september 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [benadeelde 1] .

[benadeelde 2]

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de vordering van [benadeelde 2] , zijnde de moeder van het slachtoffer, zal toewijzen tot een bedrag van € 17.500,- aan immateriële schade, te weten affectieschade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 29 september 2019, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 17.500,-, vermeerderd met de wettelijke daarover vanaf 29 september 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [benadeelde 2] .

[benadeelde 3]

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de vordering van [benadeelde 3] zal toewijzen tot een bedrag van € 3.500,- aan materiële schade, te weten de uitvaartkosten. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 31 december 2019, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.500,-, vermeerderd met de wettelijke daarover vanaf 31 december 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [benadeelde 3] .

[benadeelde 4]

Het voorgaande leidt ertoe dat de benadeelde partij in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade, bestaande uit reiskosten, niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

[benadeelde 5]

Het voorgaande leidt ertoe dat de benadeelde partij in haar vordering tot vergoeding van materiële schade, bestaande uit reiskosten, niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

[benadeelde 6]

Het voorgaande leidt ertoe dat de benadeelde partij in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade, bestaande uit reiskosten, niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

[benadeelde 7]

Het voorgaande leidt ertoe dat de benadeelde partij in haar vordering tot vergoeding van materiële schade, bestaande uit reiskosten, niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 4.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

doodslag;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

neemt de volgende beslissingen omtrent de ingediende vorderingen:

[benadeelde 1]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 1] een bedrag van € 17.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 september 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 17.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 september 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [benadeelde 1] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 122 dagen, waarbij het toepassen van gijzeling de verdachte niet ontslaat van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

[benadeelde 2]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 2] een bedrag van € 17.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 september 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 17.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 september 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [benadeelde 2] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 122 dagen, waarbij het toepassen van gijzeling de verdachte niet ontslaat van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

[benadeelde 3]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 2] een bedrag van € 3.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [benadeelde 3] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 45 dagen, waarbij het toepassen van gijzeling de verdachte niet ontslaat van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

[benadeelde 4]

bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

[benadeelde 5]

bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

[benadeelde 6]

bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

[benadeelde 7]

bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. du Pon, voorzitter,

mr. N.I.S. Wallet, rechter,

mr. J.J.M. Uitermark, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Lockhorst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 november 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2019272395, onderzoek “Golf 19”, van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 573).

2 Blz. 1 e.v.

3 Blz, 21 e.v., 58 e.v., 175 e.v., 180 e.v.

4 Forensisch dossier, Blz. 35 e.v.