Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1203

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-02-2020
Datum publicatie
14-02-2020
Zaaknummer
AWB 19/7020
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige kamer. Afgeleid verblijfsrecht artikel 20 VWEU; arrest Chavez-Vilchez. Eiseres geniet internationale bescherming in Duitsland en Bulgarije. De kinderen van eiseres hebben de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank is van oordeel dat de kinderen van eiseres niet gedwongen worden de Europese Unie als geheel te verlaten. De kinderen kunnen als Unieburgers immers vrij reizen en hebben drie maanden verblijfsrecht in de andere lidstaten op grond van artikel 6 van de Verblijfsrichtlijn, en langer wanneer aan de voorwaarden van artikel 7 van de Verblijfsrichtlijn wordt voldaan. Hoewel het Hof van Justitie in het arrest Chavez-Vilchez heeft geoordeeld dat bij de beoordeling van artikel 20 VWEU rekening moet worden gehouden met de afhankelijkheidsrelatie en de rechten van het kind, betekent dit niet dat onder alle omstandigheden de eenheid van het gezin doorslaggevend is. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/7020

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 februari 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer [nummer] , eiseres,

(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Çöplü).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Bij besluit van 21 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 16 september 2019 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is in het openbaar behandeld op de zitting van 16 januari 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiseres is geboren op [datum] 1988 en van Syrische nationaliteit. Eiseres heeft eerder in Nederland een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 15 april 2015 afgewezen, omdat eiseres al internationale bescherming genoot in Bulgarije. Dit besluit staat in rechte vast.1 Op 27 oktober 2016 is ook door de autoriteiten van Duitsland aan eiseres internationale bescherming verleend.

1.1.

De echtgenoot van eiseres verblijft in Nederland en heeft de Nederlandse nationaliteit verkregen. Eiseres en haar echtgenoot hebben drie kinderen, die alle drie de Nederlandse nationaliteit hebben. Het oudste kind is geboren in Syrië. De twee jongste kinderen zijn geboren in Duitsland en zijn per 26 september 2018 in Nederland ingeschreven in de Basisregistratie personen.

Hoe onderbouwt eiseres haar aanvraag?

2. Op 23 oktober 2018 heeft eiseres onderhavige aanvraag ingediend.

Ter onderbouwing van haar aanvraag heeft eiseres aangevoerd dat zij een verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Als verweerder haar het aangevraagde document weigert, zal dat er toe leiden dat haar kinderen, die Unieburger zijn, worden gedwongen het grondgebied van de Europese Unie te verlaten, aldus eiseres. Zij beroept zich in dit kader op rechtspraak van het Hof van Justitie, waaronder het arrest in de zaak Chavez-Vilchez e.a.2.

Waarom wijst verweerder de aanvraag af?

3. Verweerder legt aan de afwijzing van de aanvraag, kort samengevat, het volgende ten grondslag. Eiseres voldoet niet aan de voorwaarden om als gezinslid van terugkerende Unieburgers een afgeleid verblijfsrecht te ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn,3 omdat zij en haar kinderen tijdens hun verblijf in Duitsland niet aan de voorwaarden in artikel 7 van de Verblijfsrichtlijn hebben voldaan. Omdat eiseres verblijfsrecht heeft in Duitsland (en Bulgarije), worden de kinderen volgens verweerder niet gedwongen om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Hierdoor heeft eiseres ook geen aan artikel 20 van het VWEU afgeleid verblijfsrecht, aldus verweerder.

De vraag of de kinderen eiseres kunnen volgen naar Duitsland (of Bulgarije) is volgens verweerder niet van belang voor de beoordeling of zij gedwongen worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Omdat geen sprake is van een maatregel die noopt tot vertrek van een afhankelijke Unieburger van het grondgebied van de Europese Unie valt eiseres niet binnen de (materiële) werkingssfeer van artikel 20 van het VWEU, aldus verweerder. Hij verwijst in dit kader naar jurisprudentie van de Afdeling.4 Voor zover eiseres een beroep doet op artikel 8 van het EVRM stelt verweerder zich op het standpunt dat hieraan in het kader van de voorliggende aanvraag niet wordt getoetst, omdat dit niet kan leiden tot afgifte van het gevraagde verblijfsdocument.

Waarom is eiseres het hier niet mee eens?

4. Eiseres betoogt dat de vraag of de kinderen rechtmatig met haar in Duitsland (of Bulgarije) kunnen verblijven wel degelijk relevant is. Als de kinderen haar niet kunnen volgen naar een andere lidstaat, kan zij niet binnen de Europese Unie voor hen zorgen. De enige mogelijkheid die dan nog resteert om voor de kinderen te zorgen is door samen met hen de Europese Unie te verlaten en zich in haar land van herkomst te vestigen, aldus eiseres. Volgens eiseres volgt uit artikel 20 van het VWEU dat de derdelander ouder van een Nederlands kind dat in Nederland woont een verblijfsrecht in Nederland verkrijgt, tenzij het voor het kind mogelijk is om de uit artikel 20 van het VWEU voortvloeiende rechten te genieten op een andere wijze, die verenigbaar is met het Unierecht, waaronder de bepalingen van het Handvest van de Grondrechten van de EU. Dat de kinderen eventueel op grond van illegaal verblijf bij eiseres in Duitsland kunnen gaan wonen is daarmee in strijd, aldus eiseres. Eiseres verwijst ter onderbouwing naar een artikel van Eva Hilbrink5 en naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 29 augustus 20196.

Welke vraag moet de rechtbank hier beantwoorden?

5. Op grond van artikel 21 van het VWEU en de Verblijfsrichtlijn hebben Unieburgers een recht om in een andere lidstaat dan die van hun nationaliteit te verblijven, mits zij voldoen aan de voorwaarden van de Verblijfrichtlijn. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat op grond van artikel 21 van het VWEU en de Verblijfsrichtlijn eveneens een afgeleid verblijfsrecht bestaan voor familieleden van deze Unieburgers in een andere lidstaat. De kinderen van eiseres verblijven in de lidstaat van hun nationaliteit, zodat de richtlijn op hen – momenteel – niet van toepassing is.7 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt verder dat in bijzondere omstandigheden een beroep kan worden gedaan op artikel 20 van het VWEU. Het betreft dan de uitzonderlijke situatie dat Unieburgers (hier: de kinderen van eiseres) gedwongen worden het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten. Dat betekent dat hier beoordeeld moet worden of het bestreden besluit ertoe leidt dat de kinderen van eiseres het grondgebied van de Europese Unie als geheel moeten verlaten.

Worden de kinderen van eiseres gedwongen de Europese Unie als geheel te verlaten?

6. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de kinderen van eiseres niet gedwongen worden de Europese Unie als geheel te verlaten. De kinderen kunnen als Unieburgers immers vrij reizen en hebben drie maanden verblijfsrecht in de andere lidstaten op grond van artikel 6 van de Verblijfsrichtlijn, en langer wanneer aan de voorwaarden van artikel 7 van de Verblijfsrichtlijn wordt voldaan8. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit het dossier blijkt dat eiseres in ieder geval in Duitsland het recht heeft om te werken. Dit geldt gezien zijn Nederlandse nationaliteit ook voor de echtgenoot van eiseres.

6.1.

Hoewel het Hof van Justitie in het arrest Chavez-Vilchez heeft geoordeeld dat bij de beoordeling van artikel 20 VWEU rekening moet worden gehouden met de afhankelijkheidsrelatie en de rechten van het kind, betekent dit niet dat onder alle omstandigheden de eenheid van het gezin doorslaggevend is. Het Hof heeft immers ook nadrukkelijk benoemd dat het moet gaan om een situatie waarin een Unieburger feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van niet alleen de lidstaat waarvan hij staatsburger is, maar ook dat van de Unie als geheel te verlaten.9 Zoals hierboven besproken, is daarvan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, mr. W.P.C.G. Derksen en mr. J.J.W.P. van Gastel, rechters, in aanwezigheid van mr. R.P.H. Evers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2020.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).

1 Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, 6 mei 2015, AWB 15/7862 en ABRvS, 13 november 2014, kenmerk 201503961/1/V3 (beide niet gepubliceerd).

2 Hof van Justitie, 10 mei 2017, Chavez-Vilchez e.a., ECLI:EU:C:2017:354.

3 Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden.

4 ABRvS, 30 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BV3581, en 17 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY0833.

5 Asiel- en Migrantenrecht, jaargang 2018, nummer 9, pagina 450 e.v.

6 Zaaknummer AWB 19/2704 (niet gepubliceerd).

7 Vergelijk Hof van Justitie, 15 november 2011, Dereci e.a., ECLI:EU:C:2011:734, punt 53.

8 Vergelijk Hof van Justitie, 19 oktober 2004, Zhu en Chen, ECLI:EU:C:2004:639.

9 Chavez-Vilchez e.a., punten 63 en 69.