Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:12024

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
NL19.31091
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / Hazara / slachtoffer van ontvoering en verkrachting/ risicogroep / geen geringe indicaties/ Hazara uit Kabul geen kwetsbare minderheidsgroep / 15c Kwalificatierichtlijn / geen onjuist toetsingskader door niet de glijdende schaal toe te passen.

Niet aannemelijk is geworden dat de vreemdeling bij terugkeer het risico loopt op vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, omdat uit zijn relaas niet blijkt dat hij is ontvoerd vanwege zijn etniciteit of zijn religie. Ook als aangenomen zou moeten worden dat de ontvoering verband hield met de rijkdom van zijn familie, houdt dit geen verband met de vervolgingsgronden van het Vluchtelingenverdrag. Welgestelden zijn geen sociale groep. Er is ook (anderszins) geen sprake van de vereiste geringe indicaties.

Er zijn vraagtekens te plaatsen bij de opmerking van de staatssecretaris, dat een Hazara individueel aannemelijk kan maken dat hij tot een kwetsbare minderheidsgroep behoort ook al is deze etnische groep door hem in zijn algemeenheid of in een bepaald gebied niet als zodanig aangewezen. Immers, als dat niet wordt vastgelegd in beleid, zal voor individuele beslismedewerkers van de IND niet duidelijk zijn dat een Hazara die afkomstig is uit hetzelfde gebied als de Hazara die dat individueel aannemelijk heeft gemaakt, dan eveneens tot die kwetsbare minderheidsgroep behoort. Dit neemt niet weg dat de vreemdeling niet wordt gevolgd in zijn betoog dat Hazara ten onrechte niet (ook) als kwetsbare minderheidsgroep zijn aangewezen. De vreemdeling is een Hazara die afkomstig is uit Kabul. Uit de aangehaalde landeninformatie blijkt niet dat Hazara in Kabul een gemarginaliseerde minderheid zijn die als gevolg daarvan daar extra kwetsbaar zijn.

Voor wat betreft de stelling van de vreemdeling dat de staatssecretaris in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn de glijdende schaal moet toepassen, volgt de rechtbank de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 15 mei 2020 (AWB 19/7024). Het gaat hier niet om een onjuiste implementatie van de richtlijn of uitvoering van Unierecht. Voor de vraag of iemand bescherming dient te krijgen op grond van het Unierecht, is niet relevant of individuele kenmerken moeten worden betrokken bij de beoordeling van de algemene situatie van een gebied, of dat het andersom zou moeten gebeuren, namelijk dat de algemene situatie wordt betrokken bij de beoordeling van iemands individuele kenmerken. Belangrijk is wel dat bij een samenloop van individuele kenmerken en factoren die zien op de algemene veiligheidssituatie van een gebied wordt beoordeeld of die twee tezamen dienen te leiden tot vergunningverlening. De rechtbank ziet niet in op welke wijze aan de vreemdeling ten onrechte een vergunning is onthouden door de gestelde onjuiste toetsing. Alle relevante individuele factoren zijn meegenomen, gewogen en afgezet tegen de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan in het algemeen en Kabul in het bijzonder. Deze omstandigheden leiden niet tot het oordeel dat de vreemdeling bij terugkeer heeft te vrezen voor ernstige schade als bedoeld in de Kwalificatierichtlijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.31091


uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigden: mr. M. Dalloesingh en mr. drs. F.W. Verbaas),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).


Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarbij is tevens ambtshalve besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Aan eiser wordt evenmin uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen zijn uitgenodigd op 2 april 2020 te verschijnen ter zitting. In verband met de uitbraak van het coronavirus heeft deze zitting geen doorgang gevonden.

Bij brief van 13 mei 2020 heeft de rechtbank verweerder verzocht om een nadere toelichting. Verweerder heeft zijn reactie op 27 mei 2020 de rechtbank doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M. Dalloesingh. Als tolk is verschenen S. Hashimi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J.H.M. Post. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de door eiser overgelegde stukken van 18 augustus 2020.

De rechtbank heeft de zaak vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer. Bij brief van 24 augustus 2020 heeft de rechtbank partijen verzocht om een nadere toelichting, vooruitlopend op de zitting van de meervoudige kamer. Eiser heeft op 30 september 2020 gereageerd. Verweerder heeft bij brief van 5 oktober 2020 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Als tolk is verschenen M. Momand. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt [eiser] te zijn, geboren op [geboortedatum] 2002 te [plaats] (Afghanistan), behorende tot de Hazarabevolkingsgroep en de sjiitische geloofsstroming binnen de islam, en van Afghaanse nationaliteit. Hij heeft in Nederland op 18 september 2018 een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ter onderbouwing hiervan heeft hij het volgende aangevoerd.

Het asielrelaas

2. Eiser was woonachtig in [plaats] en ging daar naar het lyceum. Hij heeft de achtste klas afgerond en is toen van school gegaan. De reden daarvoor was dat de Taliban had gedreigd twee scholen, die in voornamelijk door Hazara bevolkt gebied liggen, op te blazen als die niet hun deuren zouden sluiten. Op een dag had een zelfmoordaanslagpleger zich toegang verschaft tot de school van eiser. Hij werd door de beveiliging van de school herkend en opgepakt. Sindsdien mocht eiser niet meer naar die school van zijn ouders. Vanaf dat moment heeft hij elders in [plaats] een privécursus Engels gevolgd.

3. De Hazarabevolkingsgroep had met grote problemen te kampen. Hazara hadden problemen bij het volgen van onderwijs, het bezoeken van een cursus of een sportclub. Als Hazara was men altijd bang voor een zelfmoordaanslag. Ook als men aan een demonstratie deelnam, was men daar bevreesd voor. Eiser heeft een keer willen deelnemen aan een protestmars, die te maken had met het aanleggen van elektriciteit die over Hazara-gebied moest gaan, maar uit angst durfde hij niet hieraan deel te nemen.

4. Omstreeks eind juli 2018 heeft eiser een avond met vrienden doorgebracht. Onderweg naar huis werd hij ontvoerd door gewapende mannen. Er werd een zak over zijn hoofd getrokken en hij werd in een auto naar een onbekende plaats gebracht. Bij aankomst werden zijn handen en voeten vastgebonden en werd hij in een kamer (kelder) gegooid. De volgende dag hebben zijn ontvoerders zijn vader gebeld. Eiser moest vervolgens tegen zijn vader zeggen dat hij losgeld moest betalen omdat ze eiser anders zouden vermoorden.

5. Tijdens de vijfde of zesde nacht dat hij daar verbleef, kwamen er twee mannen zijn kamer binnen. Door een van die mannen werd hij vastgehouden en door de andere man werd hij verkracht. De daarop volgende nacht overkwam hem hetzelfde. Eiser ervaart het als een schande om erover te praten. De negende dag werd hij vrijgelaten. Hij kreeg een zak over zijn hoofd en hij werd naar een woongebied in [plaats] West gereden. Daar werd hij achtergelaten. Na anderhalf uur kwam zijn vader. Zijn vader was kwaad op hem omdat hij zonder toestemming het huis had verlaten. Hij begreep verder dat zijn vader, die niet onbemiddeld is, 100.000 Dollar aan losgeld had betaald. Zijn vader gaf hem te verstaan dat hij, eiser, de volgende keer misschien vermoord zou worden als het losgeld niet kon worden betaald.

6. Eiser heeft geen aangifte kunnen doen vanwege de dreigementen die de ontvoerders richting zijn vader hebben geuit. Eiser weet ook niet tot welke specifieke groep zijn ontvoerders behoren. Bovendien zijn de Afghaanse autoriteiten over het algemeen slecht in staat om de bevolking bescherming te bieden.

7. Naar aanleiding van wat er was gebeurd en omdat hij wilde voorkomen dat hem zoiets nog eens zou overkomen, heeft eiser besloten om Afghanistan te verlaten. Op 30 of 31 augustus 2018 is hij vertrokken. Hij is met zijn paspoort en met een toeristenvisum per vliegtuig naar India gereisd. Daar heeft hij tien dagen verbleven en heeft hij de reisagent ontmoet. Die heeft een ander paspoort geregeld waarmee eiser naar Turkije is gereisd. Vanuit Istanbul is eiser naar Nederland gevlogen.

De relevante elementen

8. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen:

  • -

    Eiser is [eiser] , geboren op [geboortedatum] 2002, en in het bezit van de Afghaanse nationaliteit. Hij is Hazara en afkomstig uit [plaats] .

  • -

    Hij is ontvoerd en verkracht door onbekende mannen.

Het besluit van 13 december 2018

9. Verweerder vindt de verklaringen van eiser over diens identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De verklaringen van eiser over de ontvoering en verkrachting door onbekende mannen worden ook geloofwaardig geacht. Niettemin wijst verweerder de asielaanvraag van eiser af als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Kort gezegd is verweerder van mening dat eiser als Hazara niet tot een risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep behoort. Hazara’s in [plaats] behoren niet tot een minderheidsgroep. De verklaringen van eiser over Hazara’s die met problemen te kampen hebben, doen hier niet aan af. In [plaats] is immers niet gebleken dat Hazara’s negatief bejegend worden door een andere groepering.

10. Verder is verweerder van mening dat in Afghanistan geen sprake is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Bovendien is niet gebleken dat eiser tot een groep behoort die systematisch een reëel risico loopt op ernstige schade. Evenmin is gebleken dat eiser behoort tot een aangewezen kwetsbare minderheidsgroep in zijn land van herkomst.

11. In de visie van verweerder heeft eiser ook niet op basis van zijn individuele asielrelaas aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft weliswaar aangevoerd dat hij in het verleden geconfronteerd is met traumatische gebeurtenissen, maar hij voldoet niet aan de voorwaarden om op grond daarvan in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. In C2/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is neergelegd dat alleen een geslaagd beroep kan worden gedaan op dit beleid als de handelingen zijn veroorzaakt door de autoriteiten in het land van herkomst, door politieke of militaire groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan, of door groeperingen waartegen de overheid niet in staat is of niet bereid is bescherming te bieden. Nu de onbekende mannen die eiser ontvoerd hebben onder geen van deze categorieën vallen, is reeds hierom niet voldaan aan de voorwaarden van het beleid. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat een groepering verantwoordelijk is voor zijn ontvoering en verkrachting. Het is slechts een aanname van eiser dat het om een groepering gaat.

12. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de overheid niet bereid of in staat is om bescherming te bieden. Hij heeft een netwerk in [plaats] . Derhalve mag, ondanks zijn leeftijd, verwacht worden dat hij zich, eventueel met hulp van zijn vader, wendt tot de Afghaanse autoriteiten. Dat heeft eiser echter niet gedaan. De enkele verklaring van eiser in zijn zienswijze, dat hij dit niet heeft kunnen doen vanwege de dreigementen door de groep richting zijn vader, acht verweerder niet toereikend. Immers, niet eerder is naar voren gebracht dat de vader ook na de vrijlating van eiser nog problemen ondervond. Daarbij heeft eiser tijdens het nader gehoor aangegeven dat er in de drie weken voorafgaand aan zijn vertrek niets meer is gebeurd. Bovendien blijkt niet uit het algemeen ambtsbericht over Afghanistan van 15 november 2016 dat het voor Hazara op voorhand zinloos is om aangifte te doen.

De uitspraak van 14 februari 2019

13. Eiser heeft tegen het besluit van 13 december 2018 beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 14 februari 2019 (NL18.24551) is dit beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd.

14. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat is verweerder in het besluit van 13 december 2018 niet gemotiveerd is ingegaan op de vraag of de autoriteiten in Afghanistan in staat zijn om in het algemeen aan haar burgers bescherming te bieden. Aangezien verweerder het asielrelaas van eiser geloofwaardig heeft geacht, ligt het wel op zijn weg om dit te onderzoeken. Daarbij moet verweerder de door eiser in beroep overgelegde informatie over de algemene situatie in het land van herkomst betrekken. Pas als aannemelijk is gemaakt dat bescherming wordt geboden, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk, dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien hij dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2087).

15. De rechtbank overweegt verder in haar uitspraak van 14 februari 2019, dat uit het door eiser aangehaalde thematisch ambtsbericht over de veiligheidssituatie in Afghanistan van mei 2018 blijkt dat de Afghaanse autoriteiten over het algemeen slecht in staat zijn om de bevolking bescherming te bieden tegen geweld en dat een burger in de eerste plaats afhankelijk is van zijn eigen netwerk en relaties. Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt voor de woonplaats van eiser, [plaats] , terwijl dat in het algemeen ambtsbericht van

15 november 2016 nog wel het geval was. Ter zitting heeft verweerder verklaard, evenwel zonder nadere onderbouwing, dat het algemeen beeld dat uit het thematisch ambtsbericht naar voren komt niet zodanig is dat geen bescherming verkregen kan worden van de autoriteiten. Omdat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of, en ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat, de autoriteiten in het algemeen bescherming bieden, is de rechtbank in haar uitspraak van 14 februari 2019 van oordeel dat het bestreden besluit van 13 december 2018 geen stand kan houden.

16. Verweerder is niet in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak en heeft het in deze procedure bestreden besluit genomen.

Het thans bestreden besluit van 22 november 2019

17. Ten aanzien van vluchtelingschap en ernstige schade blijft verweerder zich op het standpunt stellen dat Hazara in [plaats] niet tot een minderheidsgroep behoren. Niet gebleken is dat zij daar negatief bejegend worden door een andere groepering. Verweerder verwijst naar het ambtsbericht van 6 maart 2019. Derhalve wordt eiser niet aangemerkt als behorende tot een risicogroep. In dit verband verwijst verweerder tevens naar WBV 2019/11 van 27 juli 2019. In C7/2.3.2 van de Vc 2000 worden de categorieën vreemdelingen opgesomd die de IND als risicogroep aanmerkt. In C7/2.3.4. van de Vc 2000 worden de categorieën vreemdelingen genoemd die de IND als kwetsbare minderheidsgroep aanmerkt. De Hazara worden hierin niet benoemd. De verklaringen van eiser dat Hazara anders worden behandeld zijn meegenomen en leiden niet tot een andere conclusie. Daarnaast wijst verweerder op de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2731), waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat Hazara als groep geen reëel risico lopen op vervolging of een onmenselijke behandeling. Dit wordt nogmaals bevestigd door de Afdeling bij uitspraak van 4 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3301).

18. Ten aanzien van de ontvoering en de verkrachting van eiser stelt verweerder zich op het standpunt dat deze gebeurtenissen, hoe triest ook, geen raakvlak hebben met het Vluchtelingenverdrag. Verder ziet verweerder niet in waarom eiser extra gevaar zou lopen omdat hij uit een rijk gezin komt. In het stuk van Vluchtelingenwerk van 13 december 2018 staat weliswaar dat rijke mensen sneller worden ontvoerd, maar niet is gebleken dat dit ook de daadwerkelijke reden is geweest van zijn ontvoering. Ook weet eiser met dit stuk niet te overtuigen dat er individuele omstandigheden zijn waardoor hij doelwit zou zijn en dat hij als gevolg daarvan ernstig gevaar loopt. Verder blijkt uit de ambtsberichten van 2018 en 2019 niet dat Afghanen uit rijke families sneller worden ontvoerd.

19. Verder blijft verweerder van mening dat zich in Afghanistan niet de uitzonderlijke situatie voordoet als bedoeld in artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder verwijst daarbij in de eerste plaats naar het ambtsbericht van 6 maart 2019 en WBV 2019/11. Daarnaast wijst verweerder op de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:915) en 1 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3176).

20. Daarnaast blijft verweerder van mening dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toelating op grond van het traumatabeleid (C2/3.3 Vc 2000), omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat een groepering verantwoordelijk is voor de ontvoering en verkrachting. Verweerder begrijpt niet wat eiser precies bedoelt met ‘gebruikelijke groep’ en onder welke van de in C2/3/3 van de Vc 2000 genoemde categorieën die dan zou vallen. Niet wordt gevolgd dat hier meer op doorgevraagd had moeten worden, omdat het aan eiser is om zijn relaas aannemelijk te maken. Eiser heeft enkel vermoedens over wie deze mensen waren. In de aanvullingen en correcties op het nader gehoor speculeert hij dat het niet gaat om gewone burgers maar ook niet om de Taliban omdat zij zich niet richten op individuen. Voorts is niet nader gemotiveerd waarom eiser niet heeft kunnen achterhalen tot welke specifieke groep de vier onbekende mannen zouden horen.

21. Verweerder is verder van mening dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Afghaanse overheid niet bereid of in staat is om bescherming te bieden. Van eiser had mogen verwacht dat hij zich, eventueel met hulp van zijn vader, tot de autoriteiten had gewend. Hiertoe wordt ten eerste verwezen naar het ambtsbericht van 2016. Hierin staat dat in het algemeen gezegd kan worden dat de Afghaanse autoriteiten slecht in staat zijn om de bevolking bescherming te bieden tegen geweld, met uitzondering – tot op zekere hoogte – van [plaats] , [naam] en [naam] . Dit duidt er in ieder geval op dat eiser bescherming had kunnen vragen. Weliswaar komt deze passage in de ambtsberichten van 2018 en 2019 niet meer terug, maar dat betekent niet dat bescherming de facto niet meer geboden kan worden. Daarnaast is er op 13 december 2016 uitspraak gedaan door de Afdeling, welke uitspraak de mogelijkheid tot bescherming van eiser bevestigt. Ook de Afdelingsuitspraak van 4 december 2017 over [plaats] als vestigingsalternatief voor Hazara bevestigt de mogelijkheid van bescherming in [plaats] .

22. Dit betekent dat eiser bij de Afghaanse autoriteiten in [plaats] de mogelijkheid had om bescherming te vragen of aangifte te doen. De enkele verklaring van eiser dat hij geen aangifte kon doen vanwege de dreigementen aan het adres van zijn vader is niet toereikend. Er is eerder niet naar voren gebracht dat zijn vader na zijn vrijlating nog problemen ondervond. Bovendien heeft eiser verklaard dat er in de drie weken voorafgaand aan zijn vertrek niets meer is gebeurd. Voor zover eiser aanvoert dat zijn ouders niet meer in Afghanistan verblijven omdat zij zijn uitgereisd naar Iran, geldt dat hij deze stelling niet nader heeft onderbouwd. Verder is gesteld noch gebleken dat aan hun (gestelde) vertrek een asielgerelateerd motief ten grondslag ligt en dat dit vertrek definitief is. Daarnaast wordt niet ingezien, mochten zij daadwerkelijk zijn vertrokken, waarom zij niet vanuit Iran zouden kunnen terugkeren naar Afghanistan. In het verlengde hiervan kan ervan worden uitgegaan dat eiser bij terugkeer zal kunnen worden opgevangen door zijn eigen familie, aldus verweerder.

23. Ambtshalve is getoetst aan het beleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen die buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten. Nu eiser reeds zestien jaar was ten tijde van het indienen van zijn aanvraag komt hij niet in aanmerking voor toelating op grond van dit beleid. Voorts heeft verweerder overwogen dat de belangen van het kind reeds een eerste overweging vormen bij de inrichting van dit beleid. Bekeken is of in het geval van eiser sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die tot een andere afweging zouden kunnen leiden. In de optiek van verweerder heeft eiser geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat de toepassing van de beleidsregels een zodanig onevenredig nadeel opleveren dat deze belangenafweging, in afwijking van het beleid, alsnog zou moeten leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

24. Voor zover eiser zich beroept op het feit dat hij minderjarig is en uit een cultuur afkomstig is waarin op verkrachting een taboe rust, dat niet besproken wordt, en zeker niet met de vader, wordt overwogen dat dit geen omstandigheid vormt voor verlening van een vergunning op humanitaire gronden. Eiser wordt evenmin gevolgd in zijn stelling dat hem uitstel van vertrek moet worden verleend, omdat hij minderjarig is en omdat zijn ouders niet meer in Afghanistan zouden verblijven, nu die redenen geen uitstel van vertrek bieden op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

Het standpunt van eiser

25. Eiser voert aan dat hij uit een welgestelde familie komt en daarmee een doelwit is voor ontvoeringen. Hij heeft al tijdens zijn gehoor verklaard dat daarin een reden gevonden kan worden voor zijn ontvoering, afgezien van het behoren tot / zijn van Hazara/sjiiet. Dit wordt versterkt door het gegeven dat hij na betaling van losgeld is vrijgelaten. Ook uit het algemeen ambtsbericht van mei 2018 blijkt dat gefortuneerde gezinnen eerder slachtoffer zijn. Eiser wijst ook op eerder ingebrachte informatie van verzamelde bronnen van Vluchtelingenwerk van 13 december 2018 over ontvoeringen van rijke mensen, zoals de Eligibility Guidelines van de UNHCR van 30 augustus 2018 inzake Afghaanse asielzoekers. Hieruit blijkt dat welgestelde personen als risicogroep worden aangeduid die internationale bescherming behoeven.

26. Omtrent het vertrek van zijn gezin uit Afghanistan herhaalt eiser dat hij dit eerder niet heeft genoemd omdat dat toen nog niet bekend was. Omdat Afghanistan niet meer veilig was voor zijn familie vanwege de continue dreiging van opnieuw een ontvoering en de vrees voor andere represailles hebben zij besloten om te vertrekken.

27. Eiser meent verder dat hij vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag vanwege de problemen die mede zijn ingegeven door het zijn van Hazara, sjiiet en gefortuneerd. Verweerder miskent dat de dreigementen aan de school, waardoor hij daar niet meer naartoe kon, en de ontvoering en verkrachting raakvlakken hebben met het Vluchtelingenverdrag. Uit gezaghebbende bronnen blijkt dat Hazara die sjiiet zijn onevenredig veel problemen ondervinden. Dat beeld wordt ook bevestigd door de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4202), waarin de actuele situatie in Afghanistan is betrokken. De Afdeling is onder meer van oordeel dat het behoren tot de Hazara asielrechtelijke betekenis heeft bij individuele indicaties die ook van toepassing zijn op hem, zoals het behoren tot een bepaalde religieuze groep en met een bepaalde sociaaleconomische positie. Naar het oordeel van de Afdeling zijn er redenen om aan te nemen dat de situatie in Afghanistan voor Hazara nu onveiliger is dan in het verleden. Volgens eiser sluit het feit dat Hazara in bepaalde gebieden, zoals de wijk Dasht-e-Barchi in [plaats] , niet in de minderheid zijn niet uit dat zij daar een risicogroep of een kwetsbare minderheidsgroep vormen. Naar de mening van eiser moet verweerder met nieuw beleid komen.

28. Daarnaast doet eiser een beroep op de glijdende schaal in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser wijst erop dat de rechtbank, zittingsplaats Haarlem, vragen gaat stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over de toepassing van zo’n glijdende schaal. Ter toelichting op die prejudiciële vragen heeft eiser een artikel toegevoegd van zijn gemachtigde mr. drs. F.W. Verbaas met als titel: “Waarom de Afdeling Elgafaji verkeerd interpreteert”. In dit artikel merkt gemachtigde Verbaas op dat andere (buitenlandse) rechters en het Europees Ondersteuningsbureau voor Asielzaken (EASO) wel een glijdende schaal toepassen. Zo hanteert het Bundesverwaltungsgericht als criterium voor de ernstige en individuele bedreiging zogeheten ‘gevaar verhogende’ persoonlijke omstandigheden. Dergelijke gevaar verhogende omstandigheden zijn in de eerste plaats persoonlijke omstandigheden die een groter risico op willekeurig geweld opleveren omdat die vaker worden aangetroffen bij algemeen, niet-gericht geweld. Volgens gemachtigde Verbaas valt hierbij te denken aan iemand die professional is, bijvoorbeeld een arts of journalist die wordt gedwongen in de buurt van de ‘gevarenbron’ te blijven. Verder houdt het Bundesverwaltungsgericht rekening met persoonlijke omstandigheden zoals religieuze of etnische afkomst, aldus gemachtigde Verbaas. In zijn optiek kunnen zich juist in Afghanistan situaties voordoen waarin de toepassing van de glijdende schaal tot een andere uitkomst kan leiden dan de inschatting van het risico op basis van artikel 3 van het EVRM. Gemachtigde Verbaas wijst op de werkwijze van EASO, die vier niveaus van willekeurig geweld onderscheidt en dat voor Afghanistan per provincie in kaart heeft gebracht. Volgens EASO moet over de risico’s bij terugkeer een diepgaand onderzoek plaatsvinden naar een breed scala aan elementen om een beeld te krijgen van de lokale situaties en omstandigheden. EASO noemt in het landspecifieke richtsnoer van Afghanistan de volgende risicoprofielen van willekeurig geweld: a) burgers die niet in staat zijn om hun situatie goed te beoordelen en daardoor blootstaan aan risico’s in verband met willekeurig geweld (bijvoorbeeld kinderen die afhankelijk zijn van hun omgeving, familie, ouders of verzorgers, en personen met een geestelijk handicap), b) personen die minder goed in staat zijn risico’s van willekeurig geweld te vermijden door beschutting te zoeken tegen gevechten of aanvallen (bijvoorbeeld personen met een handicap of ernstige zieken; of zij die zich in een uiterst slechte economische situatie bevinden), en c) burgers die door geweld aanzienlijk en materieel kunnen worden getroffen door hun geografische nabijheid tot een mogelijk doelwit (bijvoorbeeld overheidsgebouwen, politiebureaus, legerbases of gebedsplaatsen). Daarnaast wijst gemachtigde Verbaas op de (niet speciaal voor Afghanistan geschreven) Handleiding van EASO waar bij risicofactoren ook worden genoemd “psychologische of mentale schade”, bijvoorbeeld ten gevolge van “indirecte vormen van geweld zoals afpersing, in beslagname van eigendom, overvallen op huizen en ondernemingen, checkpoints en ontvoeringen.” Het landspecifieke richtsnoer noemt het gegeven dat iemand wordt gezien als vermogend (‘Afghans perceived as wealthy’) als een factor die ontvoering en afpersing tot gevolg kan hebben. Soms worden terugkerende vluchtelingen ook als vermogende mensen gezien. Verder is gemachtigde Verbaas van mening dat de etnische achtergrond, zoals het zijn van Hazara, een relevante omstandigheid vormt voor de beoordeling of iemand bescherming behoeft onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Volgens gemachtigde Verbaas zijn juist Hazara vaak het speciale doelwit van aanslagen van de Islamitische Staat. Ze zijn gemakkelijk herkenbaar en ook nog eens sjiieten, die zowel door de Taliban als de Islamitische Staat worden gezien als ongelovigen.

29. In het kader van artikel 3 van het EVRM dan wel ernstige schade wijst eiser erop dat zijn eerdere beroep bij uitspraak van 14 februari 2019 gegrond is verklaard, omdat verweerder onvoldoende had onderzocht en ondeugdelijk had gemotiveerd of de Afghaanse autoriteiten in staat zijn om in het algemeen aan haar burger bescherming te bieden. Eiser meent dat verweerder ook nu niet de door de rechtbank geconstateerde gebreken heeft hersteld en het recht verkeerd heeft toegepast.

30. Volgens eiser komt verweerder ook nu niet met een deugdelijke motivering. Uit het gegeven dat de Afghaanse autoriteiten slecht in staat zijn om de bevolking bescherming te bieden tegen geweld, met uitzondering – tot op zekere hoogte – van onder andere [plaats] , kan niet worden afgeleid dat de Afghaanse autoriteiten in het algemeen in staat zijn bescherming te bieden. Evenmin kan hieruit worden afgeleid dat in Afghanistan in het algemeen bescherming wordt geboden tegen geweld. Daarbij komt dat genoemde nuancering, dat in onder meer [plaats] nog wel tot op zekere hoogte bescherming wordt geboden, in de ambtsberichten van 2018 en 2019 niet terugkomt. Verweerder heeft niet onderzocht, en licht verder ook niet toe, dat de Afghaanse autoriteiten in staat zijn tot het bieden van bescherming. Dit klemt temeer nu uit het thematisch ambtsbericht over de veiligheidssituatie van mei 2018 onder het kopje “Burgerslachtoffers” blijkt dat geen bescherming wordt geboden.

31. Eiser wijst met betrekking tot de mogelijkheid van het doen van aangifte op eerder genoemde Guidelines van de UNHCR. Hierin staat dat straffeloosheid voor seksueel misbruik van kinderen een probleem blijft: de meeste misbruikers worden niet gearresteerd en er zijn meldingen van kinderen die ongestraft zijn verkracht door leden van veiligheidsdiensten en politieagenten. Sommige kinderen die worden vervolgd voor “morele misdrijven” zijn naar verluidt eerder slachtoffer van misbruik dan daders van misdrijven. De heersende gedachte is dat ze moeten worden gestraft voor het schaden van de familie-eer wanneer ze seksueel misbruik melden. In het rapport van Watchlist on Children and Armed Conflict van augustus 2010 wordt gesteld dat uit angst voor stigmatisering, buitensluiting of andere represailles slachtoffers van seksueel geweld vaak geen aangifte doen. Met name dit gegeven, ook bezien in het licht van zijn jonge leeftijd en dreigementen aan het adres van zijn vader, dienen als bijzondere omstandigheden mee te wegen.

32. Daarnaast is eiser van mening dat verweerder heeft nagelaten om zijn belangen af te wegen. Hij heeft als Hazara problemen ondervonden bij het volgen van onderwijs. Hij was altijd bang voor zelfmoordaanslagen en ging niet meer naar school. Juist omdat hij een kind was, is hem dit overkomen. Hij heeft als minderjarige recht op bescherming en veiligheid, gezondheid en toegang tot onderwijs. Bijzondere omstandigheden zijn dat hij extra kwetsbaar is als slachtoffer van seksueel geweld en vanwege zijn angst voor stigmatisering en andere represailles. Deze omstandigheden had verweerder dienen mee te wegen bij de afweging van alle belangen. Hij dreigt bij terugkeer slachtoffer te worden van eergerelateerd geweld. In Afghanistan zal hij de bescherming en de zorg die hij in Nederland krijgt, niet krijgen. Dit zou alsnog moeten leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

33. Eiser stelt zich bovendien op het standpunt dat het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Uit de besluitvorming blijkt bovendien niet dat rekening is gehouden met de opvangvoorzieningen voor hem in Afghanistan. Gelet op zijn leeftijd, gebrek aan netwerk en zijn traumatische ervaringen, kan hij zichzelf niet zelfstandig handhaven in Afghanistan.

34. Ten slotte verzoekt eiser, met verwijzing naar de arresten van het HvJEU in de zaak Alheto tegen Bulgarije van 25 juli 2018 (ECLI:EU:C:2018:584) en de zaak Torubarov tegen Hongarije van 29 juli 2019 (ECLI:EU:C:2019:626), om finale geschilbeslechting. Volgens eiser heeft verweerder na de uitspraak van de rechtbank van 14 februari 2019 tot 22 november 2019 nodig gehad om tot een vergelijkbare beschikking te komen en is dit tweede besluit wederom niet zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd.

De beoordeling

Motiveringsgebrek

35. Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat Hazara, die afkomstig zijn uit [plaats] , niet tot een risicogroep of een kwetsbare minderheidsgroep behoren. Eiser heeft evenwel terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4202). Hierin overweegt de Afdeling weliswaar dat de Hazara als groep in Afghanistan niet systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandeling, maar zij voegt daaraan toe dat dit niet betekent dat aan het behoren tot die groep asielrechtelijk geen betekenis moet worden gehecht. Uit het ambtsbericht van maart 2019, het rapport van het EASO van 12 juni 2019, het rapport van het EASO van juni 2019, het rapport van de UNHCR van 30 augustus 2018 en het rapport van USDOS van 21 juni 2019 volgt dat een groot deel van de burgerslachtoffers van gewapend geweld, zelfmoordaanslagen en complexe aanslagen in stedelijke gebieden en daarbuiten Hazara betreft. Zij kunnen namelijk zowel om redenen van sociaaleconomische of politieke aard, als om redenen van etnisch-religieuze aard het slachtoffer worden van intimidatie, ontvoeringen en moorden door de Taliban, ISKP – Islamitische Staat in Afghanistan – en andere ‘anti-government elements’. Naar het oordeel van de Afdeling is dit risico volgens die bronnen ook duidelijk toegenomen. Zij overweegt verder als volgt:

“5.4. Onder de huidige omstandigheden, die in negatieve zin afwijken van die ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2917:1413, kan de staatssecretaris zich dan ook niet zonder nadere motivering op het standpunt stellen dat het behoren tot de Hazara in Afghanistan geen relevante factor is die afzonderlijk en kenbaar moet worden meegewogen bij de beoordeling van individuele asielrelazen. Het feit dat individuele Hazara-asielzoekers volgens de staatssecretaris geregeld ook zijn in te delen in één van de wel in het beleid opgenomen risicogroepen en kwetsbare minderheidsgroepen en dit tot vergunningverlening leidt, draagt juist bij aan het beeld dat Hazara een groter risico lopen dan andere asielzoekers uit Afghanistan en rechtvaardigt een motivering ter zake. Dat de Hazara in bepaalde gebieden, zoals de wijk Dash-e-Barchi in [plaats] , niet in de minderheid zijn, sluit bovendien niet uit dat zij daar een risicogroep of een kwetsbare minderheidsgroep in de Vc 2000 vormen (zie de in 4 vermelde uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2016). Zij kunnen immers juist daarom het slachtoffer worden van specifiek op hen gericht geweld (…)”.

36. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op deze Afdelingsuitspraak in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom eiser, die behoort tot de Hazara die afkomstig zijn uit [plaats] , niet is aangemerkt als een persoon die behoort tot een risicogroep en/of een kwetsbare minderheidsgroep. Het bestreden besluit mist op dit punt een deugdelijke motivering en dient al om die reden te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

37. De rechtbank zal met het oog op finale geschilbeslechting onderzoeken of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.

Vluchtelingschap

38. Tussen partijen is de geloofwaardigheid van de relevante elementen niet in geschil. Verweerder heeft zowel eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht, als zijn ontvoering en verkrachting. Verweerder heeft evenwel de vermoedens bij terugkeer niet aannemelijk geacht, nu verweerder eiser niet volgt in zijn stelling dat hij bij terugkeer het doelwit zal zijn van ontvoeringen vanwege zijn etniciteit en het feit dat hij uit een welgestelde familie komt. Naar aanleiding van vragen die de rechtbank op 13 mei 2020 en 24 augustus 2020 aan verweerder heeft gesteld, heeft verweerder zijn standpunt nader toegelicht.

39. Verweerder is anders dan eiser van mening dat de omstandigheden dat eiser uit een rijke familie komt en dat zijn ouders zijn vertrokken uit Afghanistan, terecht niet zijn aangemerkt als relevante elementen. Verweerder verwijst naar het bestreden besluit waarin gemotiveerd is overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ontvoering te maken heeft gehad met het feit dat hij uit een rijk gezin komt. Daarnaast blijkt uit het algemeen ambtsbericht Afghanistan 2018 en 2019 niet dat specifiek mensen uit rijke gezinnen in Afghanistan sneller doelwit zijn van ontvoeringen. Verder is verweerder van mening dat het gestelde vertrek van de ouders uit Afghanistan niet als relevant element is aangemerkt, omdat zij ten tijde van eisers vertrek uit Afghanistan nog in Afghanistan verbleven en eiser tot op heden niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daar niet meer verblijven en hun hoofdverblijf buiten Afghanistan hebben verplaatst, laat staan dat zij Afghanistan hebben verlaten om asielgerelateerde redenen.

40. Daarnaast is verweerder, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4202) en het op 8 april 2020 middels WBV 2020/9 bekend gemaakte gewijzigde beleid, waarin is bepaald dat Hazara aangemerkt dienen te worden als risicogroep, van mening dat het standpunt in het bestreden besluit, dat eiser niet onder een risicogroep valt, niet langer houdbaar is. In de visie van verweerder is echter in het bestreden besluit terecht gemotiveerd dat eiser geen gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder stelt zich onder verwijzing naar paragraaf C2/3.2 van de Vc 2000 op het standpunt dat geen sprake is van geringe indicaties, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is ontvoerd en verkracht vanwege zijn Hazara-etniciteit. Verweerder wijst daarbij op de verklaring van eiser dat hij denkt dat hij ontvoerd is omdat zijn ontvoerders uit waren op losgeld.

41. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat eiser bij terugkeer het risico loopt op vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. In dat kader overweegt de rechtbank allereerst dat verweerder niet ten onrechte stelt dat uit eisers asielrelaas niet blijkt dat eiser is ontvoerd vanwege zijn etniciteit of zijn religie. Eiser heeft hierover slechts verklaard dat hij niet weet waarom hij is ontvoerd, maar dat hij vermoedt dat het te maken had met zijn welgestelde familie. Dat uit het EASO-rapport van juni 2019 kan worden opgemaakt dat Hazara’s een groter risico lopen om ontvoerd te worden door zogenoemde anti-gouvernementele elementen dan andere burgers, is evenmin voldoende om een verband aan te nemen met een van de vervolgingsgronden van het Vluchtelingenverdrag. Dit betekent immers nog niet dat iedere ontvoering van een Hazara in verband kan worden gebracht met zijn etniciteit, nu ook Hazara’s slachtoffer kunnen worden van reguliere criminaliteit.

42. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, zelfs indien aangenomen zou moeten worden dat de reden van de ontvoering was gelegen in de rijkdom van eisers familie, ook dit geen verband houdt met een van de vervolgingsgronden van het Vluchtelingenverdrag. In dat kader is van belang dat de rijkdom van eisers familie niet de conclusie rechtvaardigt dat eiser vanwege het behoren tot een sociale groep het doelwit was van de ontvoering. Van het behoren tot een sociale groep is immers eerst sprake indien de leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd. Welgestelden in Afghanistan voldoen niet aan deze definitie.

42. De rechtbank volgt verweerder eveneens in zijn betoog dat niet is gebleken van geringe indicaties in de zin van verweerders beleid met betrekking tot risicogroepen. Daarvoor is immers ook vereist dat deze geringe indicaties verband houden met een van de vervolgingsgronden van het Vluchtelingenverdrag. Zoals hiervoor overwogen is dat niet aannemelijk geworden. Datzelfde geldt voor eisers betoog dat hij niet langer naar school kon omdat er sprake was van een dreiging van een zelfmoordaanslag op zijn school. Niet ten onrechte heeft verweerder hierin geen geringe indicatie gezien. Verweerder heeft in dit kader aan eiser kunnen tegenwerpen dat niet is gebleken dat de Kateb Private Highschool, die eiser in [plaats] bezocht, voornamelijk door Hazara leerlingen wordt bezocht. Uit de verklaringen van eiser volgt ook niet zonder meer dat de dreiging van een zelfmoordaanslag verband hield met de aanwezigheid van Hazara op deze school. Daarnaast is evenmin gebleken dat de dreiging betrekking had op de persoon van eiser, zodat geen sprake is van een individualiseerbare geringe indicatie. Blijkens zijn verklaring hebben eisers ouders hem, na een verijdelde aanslag, uit voorzorg thuis gehouden.

44. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vw 2000. Daarmee heeft verweerder zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op die grond.

Subsidiaire bescherming

- Traumatabeleid

45. Verweerder handhaaft zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is ontvoerd door een groepering, aangezien dit betoog van eiser slechts berust op een aanname. De omstandigheid dat de ontvoering, een commuun delict, is uitgevoerd in vereniging door vier gewapende mannen, maakt niet dat zij te beschouwen zijn als een religieuze, politieke of terreurgroepering, daaronder begrepen een gestructureerde criminele organisatie die stelselmatig misdrijven en terreurdaden pleegt. Eiser kan derhalve niet op grond van het traumatabeleid aanspraak maken op een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Verweerder meent dat hij afdoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is ontvoerd en verkracht door een groepering. Indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat daarvan toch sprake is, dan stelt verweerder zich subsidiair op het standpunt dat eiser wel bescherming kan vragen bij de autoriteiten.

46. De rechtbank volgt verweerder in zijn primaire standpunt. Eisers verklaringen bieden onvoldoende grond voor de conclusie dat hij is ontvoerd door een groepering als bedoeld in het traumatabeleid. De enkele omstandigheid dat eiser is ontvoerd door vier gewapende mannen maakt nog niet dat zij zijn te beschouwen als een religieuze, politieke of terreurgroepering, daaronder begrepen een gestructureerde criminele organisatie. Daarmee voldoet eiser niet aan de voorwaarden voor verweerder traumatabeleid, zodat eiser niet op die grond in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

- Individuele omstandigheden

47. Met betrekking tot het risico dat eiser bij terugkeer loopt om opnieuw het slachtoffer te worden van ontvoering en verkrachting overweegt de rechtbank als volgt. Zoals verweerder niet ten onrechte stelt komen uit eisers asielrelaas geen indicaties naar voren op grond waarvan een risico op herhaling kan worden aangenomen. Niet ten onrechte stelt verweerder dat eiser van een dergelijk risico geen weet heeft en dat eiser zich in dit kader alleen baseert op vage, niet onderbouwde vermoedens. Zo kan eiser desgevraagd niet toelichten of hij in Afghanistan nog wordt gezocht en evenmin kan hij daarbij duiden door wie hij dan zou worden gezocht.

48. Bovendien heeft verweerder in dit kader niet ten onrechte gewezen op de basale veiligheidsstructuur die in Afghanistan aanwezig is, zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2019 en het artikel van Afghanistan Analyst Network (AAN) van 21 februari 2020. Zo overweegt de Afdeling in deze uitspraak dat uit landeninformatie blijkt dat de Afghaanse regering weliswaar geen volledige bescherming kan bieden, maar er wel in is geslaagd om het aantal aanslagen op sjiieten – welke bevolkingsgroep ook voor een belangrijk deel overlapt met die van de Hazara – te verminderen. In de andere uitspraak van de Afdeling van gelijke datum (ECLI:NL:RVS:2019:4200) heeft de Afdeling overwogen dat uit de bronnen blijkt dat er in alle provincies van Afghanistan, ondanks dat de macht van de regering niet overal hetzelfde en niet onomstreden is, een basale veiligheidsstructuur aanwezig is. Uit het artikel van AAN blijkt verder dat weliswaar criminaliteit in [plaats] is toegenomen, maar ook dat sinds januari 2019 de bestrijding van criminaliteit is geïntensiveerd. Er staat onder meer: “The government’s most recent steps to tackle the unprecedented increase in the criminal treat to the lives of [plaats] residents have been quite remarkable, as they include a more confrontational approach towards criminals. Even some of those perceived as politically connected were singled out. (…) Indeed, during the following months, many wanted criminals, notorious for kidnappings and murders, were caught by the police or killed in encounters.

49. Verweerder heeft hiermee in voldoende mate gemotiveerd dat de Afghaanse autoriteiten in ieder geval haar burgers in [plaats] over het algemeen bescherming bieden, nu er een algemene veiligheidsstructuur is en de autoriteiten in [plaats] inspanningen verrichten om de misdaad te bestrijden. Het feit dat de effectiviteit niet op voorhand vaststaat, doet hier niet aan af. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1330). Niet ten onrechte heeft verweerder in dat kader ook gesteld dat van eiser verwacht mag worden dat hij bescherming vraagt aan de Afghaanse autoriteiten in verband met zijn ontvoering en verkrachting, ook als de Afghaanse cultuur ten aanzien van verkrachting van jongens en mannen in aanmerking wordt genomen. Uit het algemeen ambtsbericht van Afghanistan van 6 maart 2019 blijkt dat in het nieuwe wetboek van strafrecht verkrachting van jongens strafbaar is gesteld. Daarnaast blijkt uit eerdergenoemd artikel van de AAN dat de autoriteiten in [plaats] de misdaadbestrijding hebben geïntensiveerd en dat er meer daders van kinderontvoering zijn opgepakt en dat ook overheidsfunctionarissen die daarbij betrokken zijn gearresteerd zijn. Daarnaast is ook niet gebleken dat eiser problemen met zijn familie heeft in verband met schending van de familie-eer. Voor zover aangenomen moet worden dat dit komt omdat hij hen nog niet heeft verteld wat hem tijdens zijn ontvoering is overkomen, heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit anders komt te liggen als hij hen hiervan wel op de hoogte stelt.

50. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in de individuele omstandigheden van eiser geen aanleiding hoeven zien voor het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
- Kwetsbare minderheidsgroep

50. Bij de beantwoording van de vragen van de rechtbank legt verweerder voorts uit waarom hij Hazara niet (ook) heeft aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep. Volgens verweerder wordt in de Afdelingsuitspraak van 18 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4202) ingegaan op de positie van Hazara en de problemen die zij ondervinden vanwege hun etniciteit. De Afdeling betrekt daarbij onder andere dat Hazara gediscrimineerd worden en te maken hebben met gerichte problemen, mede omdat zij aan hun uiterlijk herkenbaar zijn. Verweerder duidt de Afdelingsuitspraak dan ook zo dat de problemen waar de Hazara mee te maken krijgen gerichte problemen zijn die een direct verband houden met het behoren tot de Hazara. Verweerder meent dat met de aanwijzing van Hazara als risicogroep recht wordt gedaan aan het oordeel van de Afdeling, die ook de nadruk legt op met de etniciteit samenhangende problematiek. Verweerder ziet in genoemde Afdelingsuitspraak geen aanleiding om Hazara als een kwetsbare minderheidsgroep aan te wijzen. In tegenstelling tot het directe verband tussen het probleem en de vervolgingsgrond, zoals dat geldt bij geringe indicaties ten aanzien van risicogroepen, wordt bij de beperkte indicaties geldend bij kwetsbare minderheidsgroepen niet verlangd dat er een direct verband is tussen het behoren tot de Hazara en de ondervonden problemen. In dat laatste geval hoeft de vreemdeling dus niet aannemelijk te maken dat de mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de kwetsbare minderheidsgroep. Een beperkte indicatie wordt namelijk al aangenomen wanneer de vreemdeling (of de personen in de naaste omgeving van de vreemdeling die ook behoren tot de kwetsbare minderheidsgroep) mensenrechtenschendingen ondervindt. Verweerder meent daarom dat de Afdelingsuitspraak – die ingaat op de betekenis van het gerichte geweld dat Hazara ondervinden omdat zij Hazara zijn – bezwaarlijk kan leiden tot de aanwijzing van Hazara als kwetsbare minderheidsgroep in heel Afghanistan en het verlenen van internationale bescherming op grond van het beleid ten aanzien van kwetsbare minderheidsgroepen, nu een beperkte indicatie in dat geval kan zien op tal van problemen die niet raken aan gericht geweld en die niet zijn ingegeven door het feit dat de vreemdeling Hazara is.

52. Verder licht verweerder toe dat het feit dat verweerder Hazara niet voor geheel Afghanistan als kwetsbare minderheid heeft aangewezen, voortkomt uit het gegeven dat Hazara niet in geheel Afghanistan een gemarginaliseerde minderheid vormen en niet eender waar in Afghanistan ook dientengevolge in een kwetsbare positie verkeren. Uit de aard van de beleidsmatige aanwijzing vloeit voort dat het (plaatselijk) zijn van een minderheid en het in een gemarginaliseerde en daarmee kwetsbare positie verkeren een voorwaarde is om tot zodanige aanwijzing over te gaan. Daarvan is geen sprake, aldus verweerder.

53. Voor de volledigheid wijst verweerder erop dat reeds vóór de Afdelingsuitspraak een Hazara in een individueel geval kon worden aangemerkt als behorend tot een kwetsbare minderheidsgroep. Relevant is dan of de Hazara afkomstig is uit een leefgebied waar hij vanwege het Hazara-zijn tot een (gemarginaliseerde) etnische of religieuze minderheid behoort en aldaar ernstige problemen ondervindt. De Afdelingsuitspraak brengt hierin geen verandering. Afhankelijk van het individuele geval kon en kan een Hazara worden aangemerkt als behorend tot een kwetsbare minderheidsgroep, ook al is, zoals ter zitting namens de gemachtigde van verweerder nader is toegelicht, deze etnische groep in een bepaald gebied in verweerders beleid niet als zodanig aangewezen. Verweerder is evenwel van mening dat in deze zaak evenwel gesteld noch gebleken is dat eiser behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep.

54. De rechtbank plaatst vraagtekens bij de opmerking van verweerder dat een Hazara individueel aannemelijk kan maken dat hij tot een kwetsbare minderheidsgroep behoort ook al is deze etnische groep door hem in zijn algemeenheid of in een bepaald gebied niet als zodanig aangewezen. Immers, als dat niet wordt vastgelegd in beleid, zal voor individuele beslismedewerkers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst niet duidelijk zijn dat een Hazara die afkomstig is uit hetzelfde gebied als de Hazara die dat individueel aannemelijk heeft gemaakt, dan eveneens tot die kwetsbare minderheidsgroep behoort. Dit neemt niet weg dat de rechtbank eiser niet volgt in diens betoog dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten Hazara (ook) als kwetsbare minderheidsgroep aan te merken. Daartoe is relevant dat eiser een Hazara is die afkomstig is uit [plaats] . Uit de door partijen aangehaalde landeninformatie blijkt niet dat Hazara in [plaats] een gemarginaliseerd minderheid zijn die als gevolg daarvan daar extra kwetsbaar zijn. Zoals ook blijkt uit het “Country of Origin Information Report, Afghanistan Security Situation” van EASO van september 2020, is [plaats] een etnisch diverse stad en zijn er in [plaats] geen bevolkingsgroepen die duidelijk domineren. Verder blijkt uit landeninformatie niet dat Hazara’s in [plaats] , en in de wijk waar eiser woont, gemarginaliseerd zijn en in zijn algemeenheid worden onderdrukt door een andere bevolkingsgroep. Er bestaat derhalve onvoldoende grond voor het oordeel dat Hazara in [plaats] en het leefgebied van eiser gemarginaliseerd, en daarmee kwetsbaar zijn. Dit betoog slaagt derhalve niet.
- artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn

54. Tot slot kan ook eisers stelling dat verweerder onjuist toetst door niet de glijdende schaal toe te passen, hem niet baten. Zoals de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, in de uitspraak van 15 mei 2020 (*) heeft overwogen gaat het hier niet om een onjuiste implementatie van de richtlijn of van uitvoering van Unierecht. Voor de vraag of iemand bescherming dient te krijgen op grond van het Unierecht, is niet relevant of individuele kenmerken moeten worden betrokken bij de beoordeling van de algemene situatie van een gebied, of dat het andersom zou moeten gebeuren, namelijk dat de algemene situatie van een gebied wordt betrokken bij de beoordeling van iemands individuele kenmerken. Belangrijk is wel dat bij een samenloop van individuele kenmerken en factoren die zien op de algemene veiligheidssituatie van een gebied wordt beoordeeld of die twee tezamen dienen te leiden tot vergunningverlening. De rechtbank ziet niet in op welke wijze aan eiser ten onrechte een vergunning is onthouden door de gestelde onjuiste toetsing. De omstandigheid dat bepaalde individuele kenmerken volgens eiser niet worden betroken bij de beoordeling die daar wel bij betrokken zouden moeten worden maakt dit niet anders. Binnen het toetsingskader zoals de Afdeling dat voorstaat bestaat wel de ruimte om alle mogelijke relevante individuele factoren mee te wegen. Of verweerder dat daadwerkelijk heeft gedaan betreft de toepassing van het beoordelingskader.

56. Zoals hiervoor overwogen ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder niet alle relevante individuele factoren bij zijn beoordeling heeft betrokken.

Verweerder heeft deze factoren meegenomen, gewogen en afgezet tegen de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan in het algemeen en [plaats] in het bijzonder. Deze omstandigheden leiden niet tot het oordeel leiden dat eiser bij terugkeer heeft te vrezen voor ernstige schade als bedoeld in de Kwalificatierichtlijn. Eiser voldoet aan geen van de vereisten van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vw 2000 en komt derhalve niet in aanmerking voor subsidiaire bescherming.

Overige beroepsgronden

57. De rechtbank volgt eiser voorts ook niet in zijn navolgende beroepsgronden.

58. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit het oorspronkelijke asielrelaas van eiser niet blijkt dat hij of zijn vader geen aangifte durfde te doen vanwege dreigingen aan het adres van zijn vader. Nog daargelaten dat eiser dit niet meteen naar voren heeft gebracht en onduidelijk is waaruit die bedreigingen bestonden, blijkt uit zijn verklaringen tijdens het nader gehoor niet dat zijn vader na zijn vrijlating nog problemen ondervond. Tevens heeft eiser aangeven dat er in de drie weken voorafgaand aan zijn vertrek uit Afghanistan niets meer is gebeurd.

59. Daarnaast is verweerder niet ten onrechte van mening dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn ouders uit Afghanistan zijn vertrokken en naar Iran zijn gegaan. Eiser heeft daarvan geen bewijsstukken ingebracht. Als al aangenomen moet worden dat zij uit Afghanistan zijn vertrokken, is daarmee nog niet aannemelijk gemaakt dat aan hun vertrek een asielgerelateerd motief ten grondslag ligt en dat dit vertrek van definitieve aard is.

60. In het verlengde hiervan is verweerder terecht van mening dat eiser bij terugkeer zal kunnen worden opgevangen door zijn eigen familie. Hieruit volgt tevens, los van de toetsing die verweerder heeft verricht aan zijn beleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen die buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten, zich rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind. Verweerder heeft immers beoordeeld of eiser, die ten tijde van het bestreden besluit minderjarig was, in beginsel herenigd kan worden met zijn ouders. De door eiser aangevoerde omstandigheden dat hij ontvoerd en verkracht is en dat op verkrachting een taboe rust, zijn geen omstandigheden om een verblijfsvergunning regulier op humanitaire gronden of uitstel van vertrek te verlenen. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat in die omstandigheden geen grond is gelegen om in afwijking van het beleid alsnog een verblijfsvergunning regulier te verlenen.

Conclusie

61. Gelet op het voorgaande heeft verweerder met zijn nadere toelichting in beroep het bestreden besluit alsnog van een deugdelijke motivering voorzien. De rechtbank zal daarom de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand laten.

62. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.575,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de nadere zitting, 0,5 punt voor de schriftelijke inlichtingen en met een waarde van € 525,00.).

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.575,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong-Nibourg, voorzitter, en mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. C.T.C. Wijsman, leden, in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar geschied op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.