Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11995

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-01-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 6579
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering omgevingsvergunning houtstookinstallatie, niet passend binnen bestemmingsplan, inrichting begrip Wet milieubeheer (technische, organisatorische en functionele verbindingen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Groep RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/6579

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2020 in de zaak tussen

BW Stook B .V., te Bergschenhoek , eiseres

(gemachtigde: mr. J. Hiemstra),

en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp, verweerder

(gemachtigde: mr. S.W. Boot).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

[A] , [B] en [C], allen te [woonplaats] (gemachtigde: mr. J. Geelhoed),

Cambria Florescencia, gevestigd te [huisnummer 2] (gemachtigde: mr. J.E. Hamann) en [firma] te [vestigingsplaats] (gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een bedrijfsgebouw en uitwegen ten behoeve van een houtstookinstallatie aan de [laan] [huisnummer 2] te [huisnummer 2] .

Bij besluit van 14 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van derde-partijen gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en de door eiseres aangevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2019. Namens eiseres zijn verschenen [D] en [E] , bijgestaan door hun gemachtigde en mr. M. van der Hoek. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn namens verweerder verschenen mr. J.J. Siereveld en J. van Eeden. Derde-partijen [A] , Cambria Florescencia en [firma] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Namens de STAB zijn - op verzoek van de rechtbank - verschenen ir. J.N. Schinkel, ing. R. de Vogel en mr. J.K. van de Poel.

Overwegingen

1.1

Eiseres heeft op 24 november 2017 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een bedrijfsgebouw ten behoeve van een houtstookoven (het bouwplan) op het perceel [laan] [huisnummer 2] te [huisnummer 2] , kadastraal bekend sectie [X] , nummer [kadastraal nummer] (het perceel), alsmede het aanleggen van een uitrit op dit perceel.

1.2

De gevraagde vergunning betreft de activiteiten “het bouwen van een bouwwerk” en het “maken van een uitweg”, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, respectievelijk artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

1.3

Verweerder heeft bij de behandeling van de aanvraag de reguliere voorbereidingsprocedure uit paragraaf 3.2 van de Wabo gevolgd. Hierbij is de aanvraag getoetst aan het bestemmingsplan en het Bouwbesluit. Daarbij heeft de Omgevingsdienst Haaglanden (de regionale milieudienst) de melding op grond van het Activiteitenbesluit gecontroleerd op landelijke milieu-eisen. Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde vergunning met toepassing van artikelen 2.1, 2.2 en 2.10 van de Wabo verleend. Tegen dit besluit zijn meer dan 500 bewaarschriften ingediend.

1.4

Verweerder heeft de bezwaren voorgelegd aan de Commissie behandeling bezwaarschriften (de commissie). Op 11 en 21 juni 2018 heeft de commissie vier hoorzittingen georganiseerd en hiervan verslagen opgemaakt. In haar advies van 17 juli 2018 heeft de commissie (onder meer) geadviseerd de bezwaren gegrond te verklaren voor zover deze betrekking hebben op de strijdigheid met het bestemmingsplan en de verplichting om een quickscan natuurbescherming uit te laten voeren. De commissie adviseert tot herroeping van het primaire besluit en om in heroverweging de aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit herroepen conform het advies van de commissie. Tevens is de gevraagde omgevingsvergunning na heroverweging geweigerd. In het bestreden besluit is, voor zover voor de beoordeling thans relevant, het volgende overwogen. Het gebouw met houtstookinstallatie moet worden aangemerkt als een zelfstandige bedrijfseenheid of als een zelfstandig bedrijf en niet als glastuinbouwbedrijf. Het gebouw is ook niet aan te merken als een bij het glastuinbouwbedrijf behorende voorziening noch als een ‘ander bedrijfsgebouw’ als bedoeld in de planregels. Daarmee past het niet binnen de ter plaatse geldende bestemming “Agrarisch Glastuinbouw”. Verweerder heeft voorts overwogen dat hij geen gebruik kan maken van de hem toekomende binnenplanse, respectievelijk buitenplanse afwijkingsbevoegdheid, zoals genoemd in artikel 2.12, eerste lid, onder 1° en 3°, van de Wabo.

3.1

Ambtshalve overweegt de rechtbank dat op het bestreden besluit de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing is. De rechtbank stelt vast dat Afdeling 2 van de Chw van toepassing is op het bestreden besluit, omdat dit betrekking heeft op de ontwikkeling en verwezenlijking van een ruimtelijk en infrastructureel project ten behoeve van het transport of het leveren van duurzame energie, zoals genoemd in Bijlage I bij de Chw, onder 1.6.

3.2

Eén van de consequenties van het van toepassing zijn van de Chw is dat de behandeling van onderhavige zaak versneld had dienen plaats te vinden. De rechtbank stelt vast dat de uitspraaktermijn van artikel 1.6, vierde lid, van de Chw door haar is overschreden. Voor zover deze overschrijding gevolgen heeft, liggen deze in deze procedure niet aan de rechtbank voor.

4.1

Eiseres heeft vooreerst aangevoerd dat sprake is van schending van de hoorplicht, zoals neergelegd in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu zij niet is uitgenodigd voor de hoorzittingen bij de commissie, noch op andere wijze is betrokken bij de totstandkoming van het bestreden besluit.

4.2

Ten aanzien van deze beroepsgrond overweegt de rechtbank dat eiseres zowel in het beroepschrift als ter zitting heeft verklaard een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit door de rechtbank te wensen, zodat de rechtbank deze grond bij de beoordeling van het beroep buiten beschouwing laat.

4.3

Eiseres heeft inhoudelijk - samengevat - aangevoerd dat zij in het kader van de milieuwetgeving niet als zelfstandig bedrijf dient te worden aangemerkt, maar dat zij is te scharen onder glastuinbouwbedrijf “De Blokweg Combinatie B.V. h.o.d.n. Solanahof” (Solanahof). In tegenstelling tot verweerder acht eiseres voldoende technische, organisatorische en functionele bindingen aanwezig om tot de conclusie te komen, dat sprake is van één inrichting, zoals deze wordt gekwalificeerd in de Wet milieubeheer (Wm). Verweerder heeft de aanvraag van eiseres niet kunnen weigeren, nu zich geen van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde weigeringsgronden voordoet.

5.1

Alvorens de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak dient zij (ambtshalve) te beoordelen of de derde-partijen die zich in deze procedure bij de rechtbank hebben gemeld, te weten [A] , [B] , [C] , Cambria Florescencia en [firma] , belanghebbenden zijn zoals bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Ingevolge dit artikel wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

5.2

Volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 augustus 2017 ECLI:NL:RVS:2017:2271, moet, wil er sprake zijn van belanghebbendheid als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, aannemelijk zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

5.3

De rechtbank stelt in dit licht vast dat tegen de aan eiseres met het primaire besluit verleende omgevingsvergunning een groot aantal (rechts)personen een bezwaarschrift bij verweerder heeft ingediend. Verweerder heeft in navolging van het advies van de commissie de bezwaarschriften die buiten de gestelde termijn zijn ingediend, alsmede de bezwaarschriften van bezwaarmakers die niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt, niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft de overige bezwaarschriften ontvankelijk verklaard en daarbij aan de hand van het begrip ‘gevolgen van enige betekenis’ gemotiveerd welke partijen als belanghebbend kunnen worden aangemerkt. In het advies van de commissie is daarover opgemerkt dat de kring van belanghebbenden kan worden bepaald aan de hand van het gebied dat wordt begrensd en omsloten door de doorgaande 80-kilometerwegen rond het aanvankelijk vergunde bedrijfsgebouw voor de houtstookinstallatie. In beroep is een lijst met daarop de namen van 148 personen aan de rechtbank ter beschikking gesteld, waarvan door verweerder is aangenomen dat zij belanghebbend zijn.

5.4

De rechtbank overweegt dat van deze groep ontvankelijke bezwaarmakers, [A] , [B] , [C] , Cambria Florescencia en [firma] zich als derde-partij bij de rechtbank hebben gemeld. Zij zijn allen wonende of gevestigd aan de [weg] te [huisnummer 2] . De rechtbank is van oordeel dat zij als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt, nu zij allen direct omwonenden zijn. Dit is door eiseres onweersproken gebleven.

5.5

Ten aanzien van de overige door verweerder in hun bezwaar ontvangen mogelijke belanghebbenden, heeft de rechtbank uit het oogpunt van proceseconomie aanleiding gezien om in dit geval af te zien van haar bevoegdheid, zoals bedoeld in artikel 8:26 van de Awb, hen ambtshalve uit te nodigen aan dit geding deel te nemen. Daarbij is van belang dat het uitnodigen van een dergelijk omvangrijke groep belanghebbenden (met in het verlengde daarvan de beoordeling van de ontvankelijkheid) een arbeidsintensief en vergaand onderzoek zou vergen, waarbij naar het oordeel van de rechtbank geen belang bestaat. Er is immers reeds sprake van deelname van andere derde-partijen aan dit geding met een parallel belang, zodat is geborgd dat de belangen van de overige mogelijke belanghebbenden in beroep zullen worden meegewogen. In het verlengde hiervan zal de rechtbank het afstandscriterium, dat een rol speelt bij de beantwoording van de vraag of de betreffende derden belanghebbend zouden kunnen zijn, buiten bespreking laten.

6. De rechtbank komt ten aanzien van de inhoudelijke aspecten van het geschil tot de volgende beoordeling.

6.1

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

6.2

In artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is, voor zover hier van belang, bepaald dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van de daar gegeven weigeringsgronden, waaronder strijd met het bestemmingsplan.

6.3

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Oostland-Pijnacker”, vastgesteld op 27 juni 2013. Ingevolge dit bestemmingsplan rust op het perceel de enkelbestemming “Agrarisch Glastuinbouw”.

6.4.1

Ingevolge artikel 4.1. van de planregels zijn de voor “Agrarisch Glastuinbouw” aangewezen gronden bestemd voor:

a. glastuinbouwbedrijven;

b. een lasbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf- lasbedrijf’;

c. erftoegangs- en overige wegen, niet zijnde gebiedsontsluitingswegen;

d. watergangen en waterpartijen;

e. groenvoorzieningen;

f. bijbehorende voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen.

6.4.2

Ingevolge artikel 4.2.1. van de planregels mogen op en in deze gronden als bedoeld in artikel 4.1 van de planregels uitsluitend worden gebouwd:

a. kassen en andere bedrijfsgebouwen, waaronder begrepen transformatoren en bestaande warmtekrachtkoppelingsinstallaties;

b. ten hoogste één bedrijfswoning met daarbij behorende aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’, en

c. andere bouwwerken, waaronder begrepen warmteopslagtanks, watersilo’s, waterbassins, bruggen, duikers, erf- of perceelafscheidingen, bij wegen behorende lichtmasten, verkeerstekens en andere bij wegen behorende voorzieningen.

7.1

De kern van het geschil, zoals dat aan de rechtbank is voorgelegd, is of het aangevraagde bouwplan al dan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat het gebouw met houtstookinstallatie niet past binnen de ter plaatse geldende bestemming “Agrarisch Glastuinbouw”, omdat het moet worden aangemerkt als een zelfstandig bedrijf en niet als glastuinbouwbedrijf. Het gebouw met houtstookinstallatie is ook niet aan te merken als een bij het glastuinbouwbedrijf behorende voorziening noch als een ‘ander bedrijfsgebouw’ als bedoeld in de planregels. Zoals overwogen meent eiseres daarentegen dat zij in het kader van de milieuwetgeving niet als zelfstandig bedrijf dient te worden aangemerkt, maar dat zij is te scharen onder het glastuinbouwbedrijf Solanahof. In tegenstelling tot verweerder acht eiseres voldoende technische, organisatorische en functionele bindingen aanwezig om tot de conclusie te komen dat sprake is van één inrichting, zoals deze wordt gekwalificeerd in de Wet milieubeheer (Wm). Daaruit volgt, aldus eiseres, dat verweerder de aanvraag niet kon weigeren, nu zich geen van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde weigeringsgronden voordoet.

7.2

De rechtbank overweegt dat het geschil blijkens de stukken, de standpunten van de derde-partijen en de behandeling ter zitting niet gaat om het aangevraagde gebouw zelf, maar om het gebruik van dat gebouw, namelijk ten behoeve van een houtstookinstallatie. In dat kader overweegt de rechtbank, in navolging van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2016:760) dat bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts moet worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Er is sprake van strijd met de bestemming, indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Het concrete, beoogde gebruik van het bouwwerk vormt op voorhand een reden om de vergunning te weigeren, indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat dit gebruik uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. In dit verband is het in de eerste plaats aan de aanvrager om de noodzakelijke gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat het beoogde gebruik in overeenstemming is met de bestemming.

7.3

In deze zaak is het dus in de eerste plaats aan eiseres als aanvraagster om de noodzakelijke gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat het beoogde gebruik in overeenstemming is met de bestemming. Aan het aanvraagformulier ontleent de rechtbank daaromtrent het volgende. De projectomschrijving luidt: “aanvraag realisatie bedrijfsgebouw ten behoeve van houtstookoven”. Over de locatie staat vermeld dat deze braakliggend is. Op vraag 7 (Gebruik) heeft eiseres bij de vraag ‘Geef aan waar u het bouwwerk voor gaat gebruiken’ aangegeven produceren van energie’”. Bij de aanvraag bevinden zich verder bouwtekeningen, waarop staat te lezen “Factuuradres BW Stook bv [adres] [huisnummer 1] [postcode] [plaats 1] ”. Ingetekend is, blijkens de aanduiding ter plaatse van het geplande gebouw een “stookcentrale 4,3 MWatt”.’.

7.4

De rechtbank concludeert dat uit de aanvraag niet valt af te leiden dat eiseres een glastuinbouwbedrijf is, ook niet dat eiseres de geplande houtstookinstallatie (op de aanvraag aangeduid als houtstookoven) aanvraagt namens of ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf, en al evenmin dat de te produceren energie uitsluitend is bestemd voor een glastuinbouwbedrijf. Ook legt de aanvraag geen verband tussen eiseres als zelfstandig bedrijf en het glastuinbouwbedrijf Solanahof. De enige link tussen eiseres en Solanahof is de vermelding van het factuuradres [adres] [huisnummer 1] [postcode] [plaats 1] op de bouwtekeningen, nu dat adres blijkens de stukken het postadres is van [E] Beheer B.V. Deze vennootschap houdt op haar beurt (ten tijde van de in geding zijnde besluitvorming) een 25% aandeelin De Blokweg Vastgoed B.V., die met twee andere aandeelhouders weer de exploitant is van De Blokweg Combinatie B.V. h.o.d.n. Solanahof. Het enkele vermelden op een bouwtekening van een factuuradres van een persoonlijke holding van een minderheidsaandeelhouder, acht de rechtbank echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat daarmee het beoogde gebruik ten behoeve van Solanahof zou zijn. Op grond van de aanvraag is eiseres derhalve, zo concludeert de rechtbank, te kwalificeren als zelfstandig bedrijf met als ondernemingsdoel het produceren van energie. Uit de aanvraag blijkt dus niet dat het beoogde gebruik in overeenstemming is met de ter plaatse geldende bestemming “Agrarisch Glastuinbouw”.

7.5

In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij in het kader van de milieuwetgeving niet als zelfstandig bedrijf dient te worden aangemerkt, maar dat sprake is van één inrichting in de zin van de Wm. Eiseres heeft gesteld dat de houtstookinstallatie feitelijk een initiatief is van Solanahof. In de tuinbouwsector is het volgens eiseres niet ongebruikelijk dat de eigen energieproductie wordt ondergebracht in een aparte rechtspersoon. Met dit doel is eiseres dan ook opgericht. Ten aanzien van de organisatorische binding stelt eiseres zich op het standpunt dat het aandeelhouderschap, alsmede de tussen eiseres en Solanahof vastgelegde afspraken, een belangrijke binding vormt. Eiseres heeft toegelicht dat de persoonlijke holding van [D] ( [D] ) voor 50% aandeelhouder is van eiseres en dat de andere 50% van de aandelen in eigendom zijn van [E] Beheer B.V., de persoonlijke holding van [E] ( [E] ). [E] is via De [weg] Vastgoed B.V. (middellijk) bestuurder en mede aandeelhouder van Solanahof. Doordat [D] en [E] een gelijk aandeel (beiden 50%) in eiseres hebben, moeten alle cruciale beslissingen betreffende eiseres met unanimiteit worden genomen, zodat deze beslissingen Solanahof nimmer zullen benadelen. Dit geldt ook vice versa, zodat op deze wijze wederzijdse zeggenschap is gewaarborgd. Daarnaast voert eiseres aan dat de houtstookinstallatie zal worden gerealiseerd op het terrein dat eigendom is van Solanahof en voorts dat eiseres en De Blokweg Vastgoed B.V. hetzelfde postadres bij de Kamer van Koophandel (KvK) hebben. Verweerder betwist dat er sprake is van één inrichting en voert aan dat samenwerking in de vorm van mede-eigendom van aandelen, een opstalrecht en mogelijke energieafname, niet maakt dat er sprake is van zeggenschap zoals de rechtspraak vereist bij toepassing van artikel 1.1, vierde lid, van de Wm.

7.6.1

De rechtbank zal, gelet op de over en weer ingenomen stellingen, beoordelen of sprake is van één inrichting in de zin van de Wm.

7.6.2

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wm, voor zover van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

7.6.3

Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wm wordt elders in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting verstaan een inrichting, behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. Daarbij worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting wordt verstaan.

7.6.4

De rechtbank overweegt dat het begrip inrichting in de Wabo niet wordt gedefinieerd. Echter uit de verwijzing in artikel 1.1 van de Wabo naar de Wm volgt dat voor de invulling en de reikwijdte van het begrip inrichting bij de toepassing van de Wabo moet worden teruggevallen op het begrip inrichting zoals dat is vastgelegd in artikel 1.1 van de Wm. Of in een concreet geval sprake is van één inrichting, wordt bepaald aan de hand van de criteria, zoals vermeld in het vierde lid van artikel 1.1. van de Wm, te weten: als één inrichting worden beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

7.7.1

Het begrip één inrichting werd voor de inwerkingtreding van de Wabo al in de Wm gebruikt. Jurisprudentie die voor de inwerkingtreding van de Wabo over dat begrip is verschenen, is nu nog steeds relevant. Voorwaarde is in de eerste plaats dat sprake moet zijn van ‘tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties’. Of daarvan sprake is wordt bepaald aan de hand van het zeggenschapscriterium, te weten of de zeggenschap over de bedrijfsvoering in de inrichtingen in handen is van dezelfde (rechts)persoon. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij het ontbreken van zeggenschap geen sprake kan zijn van één inrichting, ook al doen zich één of meer van de in artikel 1.1., vierde lid, van de Wm genoemde bindingen voor. Zeggenschap is daarbij een doorslaggevend aspect van organisatorische binding. Dit komt omdat zeggenschap is vereist om te verzekeren dat de voorschriften van de vergunning kunnen worden nageleefd. Het voorgaande is onder meer kenbaar uit de uitspraken van de Afdeling van 19 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:937 en

14 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7874.

7.7.2

Voor de vraag of eiseres en Solanahof moeten worden gezien als één inrichting, dient dan ook eerst de zeggenschap over de bedrijfsvoering in deze inrichtingen te worden vastgesteld.

7.8

De rechtbank overweegt dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting volgt dat [D] zelfstandig bevoegd is met betrekking tot de bedrijfsvoering van eiseres. [E] is niet als bestuurder bij eiseres betrokken. De zeggenschap over de bedrijfsvoering in Solanahof rustte – in ieder geval ten tijde van het nemen van het bestreden besluit – bij [E] als (middellijk) bestuurder. [D] speelt op zijn beurt geen rol in de zeggenschapsstructuur van Solanahof. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de zeggenschap over de bedrijfsvoering van eiseres en Solanahof niet in handen is van dezelfde (rechts)persoon of (rechts)personen. Het enkele feit dat [E] bij beide inrichtingen als aandeelhouder betrokken is, dan wel was betrokken, betekent niet dat deze als één inrichting kunnen worden aangemerkt. Evenmin bieden de statutaire doelstellingen van eiseres hiervoor een aanknopingspunt, nu hieruit niet valt af te leiden dat zij is opgericht ten behoeve van het produceren van energie en (rest)warmte bestemd voor het -naar haar zeggen- aan haar gelieerde tuinbouwbedrijf Solanahof. Immers in de statuten van eiseres wordt in artikel 3 middels een ruime omschrijving het doel van de inrichting geformuleerd als: “(…) het leveren van bio-energie aan (tuin)bouw gerelateerde bedrijven en/of overige energievragers en/of behoeftige (…)”.

7.9

Daargelaten dat de zeggenschap over de twee inrichtingen niet in één hand ligt, zijn ook voor het overige onvoldoende aanknopingspunten voorhanden om organisatorische binding aan te nemen. Het gegeven dat de houtstookinstallatie van eiseres en Solanahof blijkens de gedingstukken in elkaars nabijheid zijn gelegen en de houtstookinstallatie zal worden gerealiseerd op een terrein dat eigendom is van Solanahof, is daartoe in elk geval onvoldoende. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat de vergunning voor de realisatie van een bedrijfsgebouw ten behoeve van een houtstookinstallatie is aangevraagd door eiseres en niet door Solanahof, en dat uit deze aanvraag en bijbehorende bijlagen, niet blijkt dat de houtstookinstallatie ten doel heeft Solanahof van warmte en elektriciteit te voorzien, zoals hiervoor onder 7.4 overwogen. Onder deze omstandigheden bestaat naar het oordeel van de rechtbank tussen eiseres en Solanahof geen zodanige verwevenheid dat ze deel uitmaken van dezelfde onderneming als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wm; er is geen sprake van één inrichting.

7.10

Uit het voorgaande volgt tevens dat de door eiseres aangevraagde houtstookinstallatie ook op basis van de in de Wm neergelegde criteria niet is aan te merken als een bij Solanahof behorende voorziening noch als een ‘ander bedrijfsgebouw’ van Solanahof als bedoeld in de planregels.

8.1

De conclusie is dat verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat het door eiseres aangevraagde gebruik van het gebouw niet past binnen de ter plaatse geldende bestemming “Agrarisch Glastuinbouw” en dat de door haar aangevraagde omgevingsvergunning daarom op goede gronden is geweigerd. Aan de bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank gelet hierop niet toe.

8.2.

De eindconclusie van de rechtbank betekent ook dat zij geen aanleiding ziet om het onderzoek te heropenen teneinde de meer technische- en milieukundige aspecten van de voorgenomen houtstook, die bij de derde-partijen voor zoveel emoties hebben gezorgd, door de STAB te laten onderzoeken.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzitter, en mr. O.M. Harms en

mr. D.W.M. Wenders, leden, in aanwezigheid van mr. N. Breda, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.