Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11991

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
NL20.19801
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring – ambtshalve vaststelling dat overdrachtstermijn is verlopen zodat de onmiddellijke opheffing van de maatregel wordt bevolen - rechtbank wacht de komst van de advocaat niet af omdat aanstonds uit het dossier blijkt dat de detentie onrechtmatig is en de onmiddellijke opheffing zo spoedig mogelijk moet worden bevolen om de feitelijke invrijheidsstelling daadwerkelijk op de dag van de mondelinge uitspraak te kunnen realiseren – beroep gegrond.

De rechtbank heeft bij aanvang van de behandeling ter zitting eiser op de hoogte gesteld van de reden dat zijn gemachtigde niet ter zitting is verschenen en van zijn verzoeken om te wachten met de (verdere) behandeling. De rechtbank heeft eiser uitgelegd dat het recht op professionele rechtsbijstand, ook tijdens de behandeling ter zitting, zeer belangrijk is in verband met de rechtsbescherming en dat slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden de rechtbank niet wacht op de aanwezigheid van de gemachtigde. De rechtbank heeft toegelicht dat in dit geval sprake is van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden omdat er sterke indicaties zijn dat de detentie onrechtmatig is en tot onmiddellijke opheffing van de maatregel moet worden overgegaan. De rechtbank heeft eiser uitgelegd dat slechts één vraag behoeft te worden gesteld aan verweerder om deze voorlopige indruk te verifiëren en dat als de beantwoording een ander licht op de zaak zou werpen alsnog zal worden gewacht op de komst van de gemachtigde om beroepsgronden aan te voeren.

Nu aanstonds uit het dossier zoals verweerder dit aan de rechtbank ter beschikking heeft gesteld blijkt dat de overdrachtstermijn is verlopen, stelt de rechtbank –ambtshalve- vast dat de detentie op grond van de bewaringsmaatregel van aanvang af onrechtmatig is. De rechtbank heeft eiser uitgelegd dat dit de reden is dat de rechtbank niet wacht op de komst van zijn gemachtigde want ongeacht wat zijn gemachtigde als beroepsgronden naar voren brengt zal de rechtbank tot opheffing van de maatregel overgaan. De rechtbank heeft daarbij toegelicht dat het van belang is om deze opheffing zo spoedig mogelijk uit te spreken om te kunnen bewerkstelligen dat de feitelijke invrijheidsstelling ook daadwerkelijk dezelfde dag zal worden gerealiseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.19801


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 23 november 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

[V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Faddach).

Zitting hebben:

Mr. S .van Lokven rechter

Mr. M.W. Venderbos, griffier

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2020. Eiser is verschenen. Als tolk is verschenen de heer Al Hajiju. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aansluitend aan sluiting van het onderzoek na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- bepaalt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 665-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.050,-.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1994. Bij besluit van 17 december 2019 heeft verweerder bepaald dat de asielaanvraag van eiser niet in behandeling is genomen omdat Italië op grond van de Dublinverordening hiervoor verantwoordelijk is. Op 2 oktober 2019 is een claimakkoord tot stand gekomen. Eiser heeft – zonder succes – tot in laatste instantie rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 17 december 2019. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 6 januari 2020, de Afdeling heeft deze uitspraak op 20 januari 2020 bevestigd.

2. Eiser heeft tevens op 11 december 2019 een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning gedaan. Deze aanvraag is afgewezen op 17 december 2019. Op 7 juli 2020 is het bezwaar dat eiser op 14 januari 2020 hiertegen heeft gemaakt ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen deze afwijzing beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep aanhangig gemaakt. Op 5 augustus 2020 heeft eiser vervolgens dit beroep en dit verzoek ingetrokken.

3. Op 16 november 2020 is aan eiser schriftelijk medegedeeld dat de feitelijke overdracht aan Italië plaats zal vinden op 1 december 2020 om 09:40 uur. Eiser heeft op 19 november 2020 bezwaar gemaakt tegen deze voorgenomen feitelijke overdracht.

4. Ten tijde van het onderzoek ter zitting op 23 november 2020, waar uitsluitend de maatregel van bewaring ter toetsing voorligt, is nog geen uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de feitelijke overdracht.

5. Op 16 november 2020 is de maatregel van bewaring opgelegd en beroep hiertegen ingesteld. Aansluitend aan de ontvangst van het beroep is 23 november 2020 als datum van de bewaringszitting aangekondigd. Hierbij is vermeld dat de zitting zal plaatsvinden in ’s-Hertogenbosch en dat het tijdstip van de zitting op een later moment zal worden medegedeeld. Bij bericht van 17 november 2020 is aan beide partijen medegedeeld dat het onderzoek ter zitting zal plaatsvinden op 23 november 2020 om 11:00 uur. In dit bericht is “vet gedrukt” weergegeven dat de zitting zal plaatsvinden in ’s-Hertogenbosch, op het adres Leeghwaterlaan 8. Tevens is vermeld dat de rechtbank zal zorgdragen voor de aanwezigheid van een tolk ter zitting en voor het transport van de vreemdeling. Op 19 november 2020 is eiser opgeroepen om ter zitting te verschijnen. Ook in dit bericht is vermeld dat de zitting zal plaatsvinden in ’s-Hertogenbosch en dat eiser wordt opgeroepen om in de rechtbank te verschijnen.

6. Op 23 november 2020 om 09:10 uur heeft de gemachtigde van eiser een bericht aan het digitale dossier toegevoegd waarin hij mededeelt dat hij eiser vanuit het DTC te Rotterdam bij zal staan. Bij berichten van 23 november 2020 om 11:05 uur en 11:22 uur heeft de gemachtigde de rechtbank verzocht om contact op te nemen om de behandeling ter zitting alsnog te kunnen bijwonen. De gemachtigde heeft tevens de griffie en de bodebalie van de rechtbank gebeld om aan te geven dat hij de behandeling wenst bij te wonen. Deze berichten en de inhoud van de telefonische verzoeken hebben de rechtbank voorafgaand aan en tijdens de behandeling van het beroep bereikt.

7. De rechtbank heeft desondanks de verzoeken van de gemachtigde om de behandeling aan te houden tot een later tijdstip niet gehonoreerd. De rechtbank heeft bij aanvang van de behandeling ter zitting eiser op de hoogte gesteld van de reden dat zijn gemachtigde niet ter zitting is verschenen en van zijn verzoeken om te wachten met de (verdere) behandeling. De rechtbank heeft eiser uitgelegd dat het recht op professionele rechtsbijstand, ook tijdens de behandeling ter zitting, zeer belangrijk is in verband met de rechtsbescherming en dat slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden de rechtbank niet wacht op de aanwezigheid van de gemachtigde. De rechtbank heeft toegelicht dat in dit geval sprake is van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden omdat er sterke indicaties zijn dat de detentie onrechtmatig is en tot onmiddellijke opheffing van de maatregel moet worden overgegaan. De rechtbank heeft eiser uitgelegd dat slechts één vraag behoeft te worden gesteld aan verweerder om deze voorlopige indruk te verifiëren en dat als de beantwoording een ander licht op de zaak zou werpen alsnog zal worden gewacht op de komst van de gemachtigde om beroepsgronden aan te voeren.

8. De rechtbank heeft verweerder vervolgens gevraagd of de overdrachtstermijn is verlengd doordat eiser op enig moment na de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2020 als “mob” is geregistreerd en dit aan de Italiaanse autoriteiten is medegedeeld. Verweerder heeft aangegeven dat hiervan geen sprake is. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de overdrachtstermijn is gestuit doordat eiser een aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning heeft ingediend en de termijn opnieuw is aangevangen op het moment dat is beslist op bezwaar tegen de afwijzing van deze aanvraag.

9. De rechtbank volgt dit niet. De overdrachtstermijn is in eerste instantie gestart op de datum dat het claimakkoord tot stand is gekomen, te weten: op 2 oktober 2020, wat maakt dat de overdrachtstermijn in beginsel eindigt op de dag na 2 april 2020 (artikel 29, eerste lid juncto artikel 42 van de Dublinverordening). Voor de vraag of een overdrachtstermijn wordt opgeschort is de Dublinverordening bepalend, meer in het bijzonder artikel 29 juncto artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. Daarnaast kan de overdrachtstermijn worden verlengd tot maximaal 18 maanden indien sprake is van onderduiken (artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening). Allereerst is in dit geval niet gebleken van een rechterlijke toewijzing van een rechtsmiddel (verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening / ordemaatregel) dat is ingesteld om de werking van het overdrachtsbesluit op te schorten. Ook is eiser niet als “mob” geregistreerd en is dus ook niet binnen zes maanden na de acceptatie van het claimverzoek aan de Italiaanse autoriteiten medegedeeld dat de overdracht van eiser niet binnen de voorgeschreven termijn kan plaatsvinden, zodat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening (Vo. 1560/2003) en de overdrachtstermijn niet is verlengd tot 18 maanden na de claimaanvaarding als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Voor de stelling van verweerder dat de overdrachtstermijn opnieuw is aangevangen op het moment dat is beslist op bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om een reguliere verblijfsvergunning is geen enkele steun te vinden in de Dublinverordening. Dit betekent dat de overdrachtstermijn is verstreken omdat er zich vanaf het moment van de totstandkoming van het claimakkoord geen enkele omstandigheid heeft voortgedaan die de overdrachtstermijn heeft verlengd, gestuit of opnieuw heeft laten aanvangen.

10. Dit leidt tot de conclusie dat de maatregel van bewaring van aanvang af onrechtmatig is en de overige feiten en omstandigheden geen bespreking behoeven. Verweerder verkeerde ten onrechte in de veronderstelling dat de overdrachtstermijn zou aflopen op 7 januari 2021 en heeft op grond van deze onjuiste informatie een machtiging tot binnentreden gevraagd en verkregen. Omdat eiser niet meer kan worden overgedragen zijn het binnentreden, het staandehouden, het overbrengen, het ophouden en het opleggen van de maatregel niet rechtmatig. Deze bevoegdheden en dwangmiddelen zijn immers allemaal aangewend met het doel om uitvoering te geven aan het claimakkoord en eiser te kunnen overdragen aan Italië, terwijl de termijn om hieraan feitelijk uitvoering te geven reeds was verlopen ten tijde van het aanvragen van de machtiging tot binnentreden.

11. Nu aanstonds uit het dossier zoals verweerder dit aan de rechtbank ter beschikking heeft gesteld blijkt dat de overdrachtstermijn is verlopen, stelt de rechtbank –ambtshalve- vast dat de detentie op grond van de bewaringsmaatregel van aanvang af onrechtmatig is. De rechtbank heeft eiser uitgelegd dat dit de reden is dat de rechtbank niet wacht op de komst van zijn gemachtigde want ongeacht wat zijn gemachtigde als beroepsgronden naar voren brengt zal de rechtbank tot opheffing van de maatregel overgaan. De rechtbank heeft daarbij toegelicht dat het van belang is om deze opheffing zo spoedig mogelijk uit te spreken om te kunnen bewerkstelligen dat de feitelijke invrijheidsstelling ook daadwerkelijk dezelfde dag zal worden gerealiseerd. De rechtbank heeft eiser en verweerder medegedeeld dat kort na sluiting van het onderzoek een akte van opheffing aan het dossier zal worden toegevoegd en het ondertekende proces-verbaal van de mondelinge uitspraak een dag later bekend zal worden gemaakt door middel van plaatsing in het digitale dossier. De rechtbank heeft hierbij aan eiser toegezegd onmiddellijk na sluiting van het onderzoek zijn gemachtigde telefonisch te informeren dat de behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden en de maatregel is opgeheven.

12. Omdat het beroep gegrond is wordt het verzoek om schadevergoeding toegewezen. De rechtbank kent de standaardbedragen toe en gaat voor de berekening van de hoogte van het bedrag uit van één dag detentie op het politiebureau en zeven dagen detentie in het Detentiecentrum Rotterdam.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ook aanleiding en ook hiervoor gaat de rechtbank uit van de standaard toegekende bedragen en punten voor de door de gemachtigde verrichte proceshandelingen. De gemachtigde heeft weliswaar de zitting niet bijgewoond maar was dat wel voornemens, heeft daartoe ook meermalen verzocht en inspanningen daartoe verricht en heeft stukken waar hij tijdens de zitting een beroep op wilde doen kort voor de zitting toegevoegd aan het dossier.

14. De rechtbank heeft partijen medegedeeld dat gedurende een week hoger beroep kan worden ingesteld tegen deze uitspraak die mondeling is gedaan op 23 november 2020 en dat de termijn van een week die hiervoor geldt pas aanvangt de dag nadat het proces-verbaal van deze uitspraak is toegevoegd aan het digitale dossier

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.W. Venderbos, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 24 november 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal van de mondelinge uitspraak.