Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11950

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
21-12-2020
Zaaknummer
C/09/579540 / HA ZA 19-925
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Auteursrecht. Recht op naamsvermelding art. 25 lid 1 sub a Aw. Opzegging en ontbinding licentie overeenkomst. Uitleg duurovereenkomst. Matiging boetebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/579540 / HA ZA 19-925

Vonnis van 18 november 2020

in de zaak van

1 [gedaagde sub 1] ,

te [plaats] ,

2. [gedaagde sub 2]

te [plaats] ,

eisers,

advocaat mr. J.L. ten Hove te Maastricht,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID),

te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M. Dijkstra te Den Haag.

Partijen zullen hierna [gedaagde sub 1 c.s.] en de Staat genoemd worden. Eisers worden afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 15 augustus 2019 met producties 1 tot en met 38

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 35

  • -

    het tussenvonnis van 27 november 2019, waarbij een comparitie van partijen is gelast

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 15 januari 2020 en de daarin opgesomde aanvullende producties van partijen

  • -

    de op 15 januari 2020 genomen akte houdende overlegging overzicht van tekstovernames

  • -

    de brief van mr. Ten Hove namens [gedaagde sub 1 c.s.] met een aanvulling op het proces-verbaal, ingekomen op 29 januari 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1 c.s.] hebben in 2008 gezamenlijk een werk geschreven en gepubliceerd getiteld: ‘Stoppen met Criminaliteit, werkboek voor (ex-)gedetineerden’ met ISBN-nummer [nummer] (hierna: het Werkboek). In dit boek is – kort gezegd – een methode ontwikkeld om gedetineerden te helpen bij het opnieuw inrichten van hun leven en niet terug te vallen in de criminaliteit.

2.2.

Op bladzijde 185 van dit werk staat:

2.3.

[gedaagde sub 1 c.s.] hebben naast het Werkboek ook bijbehorend deelnemersmateriaal en een trainershandleiding ontwikkeld.

2.4.

[gedaagde sub 1 c.s.] hebben in juli 2011 een overeenkomst gesloten met de Staat, specifiek met de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Deze overeenkomst (hierna: de Overeenkomst) bevat de volgende bepalingen (waarin met Auteurs wordt gedoeld op [gedaagde sub 1 c.s.] ).

Artikel 2:

Artikel 9:

Artikel 11:

2.5.

Tijdens de onderhandelingen over de Overeenkomst is op 28 februari 2011 door [A] (hierna: [A] ) namens DJI het volgende e-mailbericht verstuurd aan [gedaagde sub 1] :

“Beste [gedaagde sub 1] ,

Hierbij mijn eerste reactie. Ik zou dan ook graag op zeer korte termijn een nieuw voorstel tegemoet zien dat voldoet aan de hieronder door DJI/GW [bedoeld wordt: het gevangeniswezen, Rechtbank] geuite wensen. Ook zal ik de nieuwe versie van de overeenkomst aan juridische zaken van DJI voorleggen. Dit evenals de afdeling Inkoop in kader van Europese aanbestedingsregels.

Gezien onze intentie:- grote hoeveelheid gedetineerden (15.000 a 20.000 gedetineerden op jaarbasis) die gebruik gaan maken van delen van het boek– hebben we de voorkeur voor een overeenkomst met de volgende componenten:

- eenmalig afkoop van gebruik - geen licentie systeem,

- onderhoudscontract met Bureau [gedaagde sub 1 c.s.] – 2-malig aanpassen materiaal (om het jaar of om twee jaar)

- geen verplichte trainingen [gedaagde sub 1 c.s.] ”

2.6.

In een e-mail van 23 juni 2011 schrijft [A] namens DJI aan [gedaagde sub 1 c.s.] :

“Heb het aan onze jurist voorgelegd. Zie haar aanpassingen en opmerkingen in het contract.

Zij adviseert:

- boeteclausule te laten staan, is gebruikelijk en is geen risico voor jullie omdat als het goed gaat er nooit gebruik van wordt gemaakt.”

2.7.

In een e-mail van [A] van 27 juni 2011 aan [gedaagde sub 1] is geschreven:

“Beste [gedaagde sub 1] ,

Het lijkt mij goed dat de juristen met elkaar contact hebben. Mijn jurist geeft aan dat er een principiële vraag zit achter het niet overnemen van de eerdere constructie opgeschreven door jullie jurist. Vanaf de start heb ik mijn wens duidelijk gemaakt. Deze later bevestigd en deze is geaccordeerd door jullie.

1. in Nederland is het gebruik van het boek voorbehouden aan DJI/GW. In geen enkele andere setting dan GW mag het boek worden gebruikt. We kopen voor Nederland echt het alleenrecht.

2. de wijze van gebruik staat DJI/GW helemaal vrij. Dit evenals het plegen van aanpassingen in het boek. Hiervoor hoeft DJI/GW geen toestemming te vragen.”

2.8.

In een e-mail van 1 juli 2011 schrijft [A] aan [gedaagde sub 1] :

“Het is gebruikelijk om in overeenkomsten een boetebepaling op te nemen en ik kom daar binnen DJI niet onderuit”.

2.9.

Ingevolge de Overeenkomst hebben [gedaagde sub 1 c.s.] deelnemersmateriaal voor een trainingsprogramma voor DJI, een trainershandleiding en een flyer over die training ontwikkeld (hierna samen met het Werkboek: de Werken).

2.10.

In 2011 hebben partijen gezamenlijk besloten als naam van de training niet de titel van het Werkboek te gebruiken, maar ‘Kies voor Verandering’.

2.11.

Tussen 2012 en 2015 heeft DJI verschillende materialen uitgegeven ten behoeve van de training ‘Kies voor Verandering’. Het gaat om de volgende uitgaven:

2.11.1.

In 2012 heeft DJI ‘Trainersmateriaal: Aanvullende instructies voor trainers’ uitgegeven.

2.11.2.

DJI heeft in 2012 Deelnemersmateriaal Kies voor Verandering Oefeningen uitgegeven. In deze uitgave is op bladzijde 21 opgenomen:

2.11.3.

Een uitgave Kies voor Verandering Bijlagen, waarop ‘december 2012’ is vermeld.

2.11.4.

In 2012 is een flyer Kies voor Verandering: wat, waarom en hoe? door DJI uitgegeven.

2.11.5.

In 2015 is een Trainershandleiding voor ‘Kies voor Verandering’ uitgegeven.

Op bladzijde 2 van deze handleiding is vermeld:

Op bladzijde 9 staat de volgende passage:

De deelnemers aan de training krijgen een werkboek, waarin opdrachten staan die ze voor de volgende bijeenkomsten moeten maken. Titel van dit werkboek: Kies voor verandering. Dit werkboek is een ander werkboek dan het werkboek geschreven door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] (Stoppen met criminaliteit). Hieruit krijgt de deelnemer gedeelten uitgereikt voor zover ze relevant zijn.

(...)

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben met het schrijven van het boek “Stoppen met Criminaliteit” een belangrijke impuls gegeven aan de totstandkoming van de huidige training. Waarvoor dank!

2.11.6.

In 2015 is Kies voor Verandering Werkboek deelnemers uitgegeven, waarin [gedaagde sub 1 c.s.] niet als auteurs zijn vermeld.

2.11.7.

DJI heeft de hoofdstukken 3 tot en met 9 uit het Werkboek in 2015 als zelfstandig te downloaden materiaal op haar intranet geplaatst.

2.12.

Tussen 1 januari 2013 en medio 2018 is [gedaagde sub 1] in dienst geweest van DJI als parttime medewerker educatie en vorming in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid. Ten gevolge van een zwaar verkeersongeval is [gedaagde sub 1] in de periode vanaf medio 2016 tot het einde van het dienstverband met ziekteverlof geweest.

2.13.

Het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) heeft op haar website in (ieder geval in) 2018 het volgende openbaar gemaakt (markering toegevoegd door [gedaagde sub 1 c.s.] ):

2.14.

In een publicatie van de rijksoverheid uit 2018 over een samenwerking tussen de DJI en het COA is vermeld (markering toegevoegd door [gedaagde sub 1 c.s.] ):

2.15.

DJI maakt gebruik van de diensten van bureau De Hoofdtrainer, waar zelfstandige trainers bij zijn aangesloten. In 2018 en 2019 was op de website van trainingsbureau De Hoofdtrainer vermeld:

KIES VOOR VERANDERING

De Hoofdtrainer biedt in opdracht van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) de training Kies voor Verandering aan. Kies voor Verandering (KVV) is een training van de DJI voor gedetineerden die hen helpt de eerste stap naar verandering te zetten. De training is opgezet voor alle gedetineerden die willen leren hoe zij hun leven weer op de rails krijgen en willen werken aan een bestaan zonder criminaliteit. De Hoofdtrainer levert deze training zowel individueel als in groepsverband.

2.16.

In een brief van 18 december 2018 heeft mr. Ten Hove namens [gedaagde sub 1 c.s.] de Staat gesommeerd € 100.000 te voldoen voor verbeurde contractuele boetes uiterlijk op 11 januari 2019.

2.17.

In een brief van 15 maart 2019 heeft mr. Ten Hove namens [gedaagde sub 1 c.s.] aan de Staat geschreven:

“De houding van uw cliënte stelt teleur. (...). De botte en afwijzende houding van uw cliënte, laat mijn cliënten geen andere keuze dan om hierbij tot opzegging van de licentie over te gaan.

Zij zullen daarbij redelijkheid betrachten en hoewel er genoeg redenen zijn om over te gaan tot onmiddellijke opzegging, zijn zij bereid om een opzeggingstermijn tot eind april 2019 te verlenen. Per 1 mei 2019 vervalt derhalve het recht van uw cliënte om nog langer gebruik te maken van de door mijn cliënten vervaardigde auteursrechtelijke werken.”

3 Het geschil

3.1.

[gedaagde sub 1 c.s.] vorderen samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

3.1.1.

voor recht verklaart dat de Staat inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten ex art. 25 lid 1 Auteurswet (Aw) en op de persoonlijkheidsrechten van [gedaagde sub 1 c.s.] ;

3.1.2.

de Staat veroordeelt te staken en gestaakt te houden elke auteursrechtinbreuk en inbreuk op de persoonlijkheidsrechten terzake de Werken, op straffe van een dwangsom;

3.1.3.

de Staat verbiedt om een gebruiksrecht op de Werken (inhoudende tevens de bewerkingen daarvan) te verlenen aan derden, waaronder De Hoofdtrainer, op straffe van een dwangsom;

3.1.4.

voor recht verklaart dat de Staat door aan COA een gebruiksrecht op de Werken te verschaffen heeft gehandeld in strijd met de overeenkomst tussen haar en [gedaagde sub 1 c.s.] ter zake, alsmede buiten het doel van de licentie is getreden en in strijd heeft gehandeld met de auteursrechten van [gedaagde sub 1 c.s.] ;

3.1.5.

voor recht verklaart dat de licentie-overeenkomst tussen partijen door opzegging is beëindigd met ingang van 1 mei 2019;

3.1.6.

indien en voorzover de licentie-overeenkomst niet door opzegging is beëindigd, de ontbinding daarvan uit te spreken op grond van de tekortkoming in de nakoming van de bepalingen van de overeenkomst alsmede de inbreuk op de auteursrechten en persoonlijkheidsrechten van [gedaagde sub 1 c.s.] ;

3.1.7.

de Staat veroordeelt tot betaling van de overeengekomen boete ad € 50.000,-- per schending, die [gedaagde sub 1 c.s.] limiteren tot 5 schendingen, te weten tot € 250.000,--, te vermeerderen met wettelijke handelsrente;

3.1.8.

de Staat veroordeelt om de voorraad trainings- en cursusmaterialen die inbreuk maken op de auteursrechten cq persoonlijkheidsrechten van [gedaagde sub 1 c.s.] , aan hen ter beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom;

3.1.9.

de Staat veroordeelt in de proceskosten te begroten op de voet van artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), te vermeerderen met de wettelijke rente;

Subsidiair, indien en voorzover de overeenkomst tussen partijen niet door opzegging is beëindigd:

3.1.10.

de hiervoor onder 3.1.1 tot en met 3.1.4 en 3.1.7 beschreven vorderingen toewijst; en

3.1.11.

de Staat veroordeelt om alle openbaarmakingen van de Werken cq. alle publicaties die de Werken bevatten danwel delen daarvan te voorzien van de namen van de Auteurs op hetzij het schutblad, het colofon danwel een andere daartoe geëigende goed zichtbare plaats, op straffe van een dwangsom.

3.2.

[gedaagde sub 1 c.s.] leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. Ten eerste heeft DJI nagelaten de namen van [gedaagde sub 1 c.s.] te vermelden in materiaal waarin (delen van) de Werken door DJI zijn opgenomen. Dit is in strijd met artikel 9.4 van de Overeenkomst en artikel 25 lid 1 sub a Aw. Dientengevolge worden [gedaagde sub 1 c.s.] ook niet meer genoemd in publicaties van derden die naar de latere versies van de Werken verwijzen, waardoor zij schade lijden. Ten tweede heeft DJI voor de Werken in strijd met de Overeenkomst een gebruiksrecht verleend aan het COA. Ten derde heeft DJI de Werken in strijd met de Overeenkomst in licentie gegeven aan trainingsbureau De Hoofdtrainer. [gedaagde sub 1 c.s.] ondervinden aanzienlijke schade van al deze tekortkomingen in de nakoming van de Overeenkomst door de Staat. De licentie in de Overeenkomst is een duurovereenkomst waarbij geen opzegtermijn is overeengekomen, zodat [gedaagde sub 1 c.s.] gerechtigd waren de Overeenkomst op te zeggen tegen 1 mei 2019. Op grond van artikel 9.8 van de Overeenkomst heeft de Staat voor iedere niet-nakoming € 50.000 boete verbeurd aan [gedaagde sub 1 c.s.] Nu er sprake is van meer dan vijf overtredingen, beperken [gedaagde sub 1 c.s.] de gevorderde boetes tot € 250.000.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Klachtplicht en verjaring

4.1.

De Staat beroept zich primair op de klachtplicht ex artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek (BW), omdat [gedaagde sub 1 c.s.] volgens hem al jaren op de hoogte waren van de feiten die zij aan hun vordering ten grondslag leggen. [gedaagde sub 1] was werkzaam bij DJI en hij en [gedaagde sub 2] (zijn echtgenote) wisten derhalve al jaren in detail wat er met de Werken gebeurde.

4.2.

Het beroep op de klachtplicht wordt niet gehonoreerd. De Staat heeft onvoldoende aangetoond dat [gedaagde sub 1 c.s.] al voor december 2018 op de hoogte waren van de wijzigingen die DJI had aangebracht in de Werken en/of de gestelde sub-licenties aan het COA en De Hoofdtrainer. Het dienstverband van [gedaagde sub 1] bij DJI is daartoe onvoldoende, omdat [gedaagde sub 1] onweersproken heeft verklaard dat zijn werkzaamheden zich op een geheel ander terrein afspeelden en werden uitgevoerd in een geheel andere sector, op een andere locatie, van DJI. Sinds medio 2016 was hij bovendien met ziekteverlof. Dat [gedaagde sub 1] als werknemer toegang had tot die informatie, is gezien deze gemotiveerde betwisting onvoldoende om aan te nemen dat hij en [gedaagde sub 2] al voor 2018 wetenschap van die informatie moeten hebben gehad. Dat bepaalde informatie voor eind 2018 al op internet openbaar was, is eveneens onvoldoende om kennis daarvan bij [gedaagde sub 1 c.s.] te veronderstellen. Desgevraagd heeft de Staat niet kunnen aanwijzen uit welke producties zou blijken dat [gedaagde sub 1 c.s.] al voor eind 2018 op de hoogte waren van de gestelde tekortkomingen.

4.3.

Het beroep van de Staat op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:248 BW faalt op dezelfde feitelijke gronden. Dat [gedaagde sub 1 c.s.] al jaren een dossier aan het opbouwen zijn met als enig doel het incasseren van contractuele boetes in plaats van nakoming van de verplichting tot naamsvermelding, zoals de Staat betoogt, blijkt nergens uit.

4.4.

Meer subsidiair heeft de Staat zich beroepen op misbruik van (proces-)recht door [gedaagde sub 1 c.s.] , doordat zij nimmer hebben geklaagd terwijl zij al lang op de hoogte waren van de gestelde schendingen en een meer dan adequate vergoeding hebben gekregen voor de licentie. Uit het hiervoor in 4.2 overwogene volgt dat het beroep van de Staat op misbruik van recht door [gedaagde sub 1 c.s.] ook niet kan slagen.

4.5.

Op dezelfde feitelijke gronden dient ook het beroep op verjaring van de vordering tot betaling van contractuele boetes van de hand te worden gewezen. Niet is gebleken dat [gedaagde sub 1 c.s.] op 15 augustus 2019, de datum van dagvaarding, al meer dan vijf jaar bekend waren met de gestelde schadeveroorzakende gebeurtenissen.

Opzegging

4.6.

Tussen partijen is in geschil of [gedaagde sub 1 c.s.] gerechtigd waren de Overeenkomst op te zeggen tegen 1 mei 2019 in de brief van hun advocaat van 15 maart 2019. De Overeenkomst voorziet niet in een beëindigingsregeling. [gedaagde sub 1 c.s.] stellen zich daarom op het standpunt dat de licentie, een duurovereenkomst, te allen tijde opzegbaar is.

4.7.

De rechtbank stelt voorop dat de Overeenkomst uitgelegd moet worden volgens de Haviltex-maatstaf, die luidt: de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

4.8.

Artikel 9.1 van de Overeenkomst bepaalt dat aan DJI een exclusieve en in tijd onbeperkte licentie is verstrekt. Op grond van artikel 11.1 van de Overeenkomst ontvingen [gedaagde sub 1 c.s.] daarvoor een eenmalige vergoeding van € 100.000. Een periodieke vergoeding, die – al dan niet in aanvulling op een eenmalige vergoeding – voor de hand ligt bij een opzegbare duurlicentie, is niet overeengekomen.

4.9.

Blijkens de e-mails weergegeven in 2.5 en 2.7, heeft [A] namens de Staat voorafgaand aan het sluiten van de Overeenkomst voldoende duidelijk gemaakt dat het de wens van de Staat was om ‘eenmalig afkoop van gebruik’ overeen te komen, waarbij exclusief gebruik in Nederland het doel was dat de Staat beoogde te bereiken: ‘We kopen voor Nederland echt het alleenrecht’. Omdat [gedaagde sub 1 c.s.] hun auteursrechten niet wilden overdragen in verband met exploitatie van de Werken buiten Nederland, zijn partijen uiteindelijk een exclusieve licentie overeengekomen. [gedaagde sub 1 c.s.] hebben ter zitting ook verklaard dat het de bedoeling was dat zij zelf niet meer met de Werken in Nederland aan de slag zouden gaan, maar van plan waren de Werken zelf buiten Nederland te gaan exploiteren.

4.10.

Blijkens de e-mails gedurende de onderhandelingen werden [gedaagde sub 1 c.s.] geadviseerd door een advocaat en zijn er verschillende versies van de Overeenkomst over een weer voorgesteld, zodat verwacht mag worden dat zij een beëindigingsregeling hadden voorgesteld als dat hun bedoeling was in 2011. In de Overeenkomst is wel een bepaling opgenomen over de duur van andere diensten door [gedaagde sub 1 c.s.] waarop de Overeenkomst ook zag.

4.11.

[gedaagde sub 1 c.s.] wijzen er op dat van een eeuwigdurende licentie geen sprake kan zijn, omdat de licentie dan langer zou duren dan het auteursrecht zelf. Dat de Overeenkomst de duur van het auteursrecht zou overleven ligt inderdaad niet voor de hand. Uit dat gegeven volgt echter nog niet dat de Overeenkomst zo uitgelegd moet worden dat de licentie opzegbaar is voor het einde van de duur van het auteursrecht op de Werken.

4.12.

In de hiervoor geschetste omstandigheden, waarbij niet is voorzien in een beëindigingsregeling en waarbij vooraf een eenmalige licentievergoeding van € 100.000 is voldaan voor een in tijd onbeperkte licentie, dient de Overeenkomst aldus te worden uitgelegd, dat de licentie die [gedaagde sub 1 c.s.] verleenden, niet tussentijds, gedurende de looptijd van het auteursrecht, opzegbaar is. De opzegging van de overeenkomst door [gedaagde sub 1 c.s.] op 15 maart 2019 heeft dan ook geen rechtsgevolg. De licentie van de Staat is niet door opzegging geëindigd per 1 mei 2019.

4.13.

De opzegging kan ook niet op het bepaalde in artikel 25f lid 3 Aw gebaseerd worden, nu gesteld noch gebleken is dat de Overeenkomst eenzijdig aan de Staat het recht op tussentijdse opzegging geeft.

Naamsvermelding

4.14.

[gedaagde sub 1 c.s.] hebben zeven verschillende overtredingen van de verplichting tot naamsvermelding zoals bepaald in artikel 9.4 van de Overeenkomst gesteld. De rechtbank zal die hierna een voor een beoordelen. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de maker op grond van artikel 25 lid 1 sub a Aw het recht heeft zich te verzetten tegen openbaarmaking van het werk zonder vermelding van zijn naam of andere aanduiding als maker, tenzij het verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid. In artikel 9.4 van de Overeenkomst heeft de Staat zich ook contractueel verbonden aan deze wettelijke plicht, waarbij tot uitdrukking is gebracht dat die tussen partijen van toepassing blijft in geval van bewerking.

4.15.

[gedaagde sub 1 c.s.] stellen dat in ‘Trainersmateriaal: Aanvullende instructies’ uit 2012 (zie 2.11.1) de naamsvermelding ontbreekt. De Staat bestrijdt niet dat dat feitelijk zo is, maar betwist dat dat een tekortkoming van artikel 9.4 vormt, omdat het ‘Trainersmateriaal: Aanvullende instructies’ een leeswijzer vormt voor de docent die de training Kies voor Verandering geeft. Deze instructies zullen dus samen met het Werkboek voor de cursisten worden gebruikt. Ook is het onontkoombaar dat delen van de tekst uit het Werkboek en de training in die handleiding staan vermeld, aldus de Staat.

4.16.

Het ‘Trainersmateriaal: Aanvullende instructies’ is later dan het Werkboek tot stand gekomen, pas gedurende de looptijd van de Overeenkomst. De Staat bestrijdt niet dat deze trainers-handleiding zelf ook een auteursrechtelijk beschermd werk is. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de na totstandkoming van de Overeenkomst door [gedaagde sub 1 c.s.] gemaakte materialen voor de training Kies voor Verandering onder het bereik van de in artikel 9 van de Overeenkomst verstrekte licentie vallen. Er is derhalve sprake van een tekortkoming in de nakoming van artikel 9.4 en handelen in strijd met artikel 25 lid 1 sub a Aw, doordat de Staat (DJI) op de editie uit 2012 van ‘Trainersmateriaal: Aanvullende instructies’ niet de namen van [gedaagde sub 1 c.s.] heeft vermeld. Dat deze instructies samen met het Werkboek gebruikt worden, ontslaat de Staat niet van die verplichting, tenzij dat niet in redelijkheid van hem gevergd kan worden (welke uitzondering hierna in 4.24 aan de orde komt).

4.17.

Het deelnemersmateriaal voor de training met de titel ‘Kies voor Verandering, Oefeningen’ uit december 2012 (zie 2.11.2) bevat ook geen naamsvermelding. [gedaagde sub 1 c.s.] stellen dat delen van de tekst van dit oefenmateriaal zijn overgenomen uit het Werkboek en het door [gedaagde sub 1 c.s.] gemaakte cursusmateriaal voor de training ‘Kies voor verandering’ uit 2011. de Staat bestrijdt dit; er zou slechts sprake zijn van het citeren van een enkele zin.

4.18.

Het deelnemersmateriaal ‘Kies voor Verandering. Oefeningen’ uit december 2012 vormt geen letterlijke verveelvoudiging van (delen van) het Werkboek. Dat neemt niet weg dat in ieder geval de in 2.11.2 weergegeven tekst zonder meer ontleend is aan de in 2.2 weergegeven passage van het Werkboek. Daarbij is ook sprake van overname van elementen die van het Werkboek een eigen intellectuele schepping maken. De rechtbank wijst met name op de passage: “De vaak moeilijke, problematische wereld om je heen kun je vaak niet controleren en naar je hand zetten. Waar je wel controle over kunt krijgen is jouw manier van omgaan met de problemen die je in die wereld tegenkomt. Goed kunnen omgaan

met problemen verhoogt je welzijn en brengt je dichter bij het leven dat je echt wilt en bij je past.” uit het Werkboek, die in het deelnemersmateriaal uit 2012 als volgt luidt: “De wereld om je heen, die soms moeilijk en problematisch is, kun je niet controleren of naar je hand zetten. Waar je wel controle over kunt krijgen is jouw manier van omgaan met deze problemen. Goed kunnen omgaan met problemen verhoogt je welzijn en brengt je dichter bij het leven dat je echt wilt en bij je past.” Door het overnemen van, in ieder geval, deze passage zonder naamsvermelding heeft de Staat in strijd met de Overeenkomst en artikel 25 lid 1 sub a Aw gehandeld. Dat dit niet de enige overneming is, blijkt genoegzaam uit de door [gedaagde sub 1 c.s.] overgelegde resultaten van een plagiaatcheck (productie 40).

4.19.

Ook in de publicatie Deelnemersmateriaal Bijlagen 2012 (zie 2.11.3) zijn [gedaagde sub 1 c.s.] niet als auteurs vermeld. De Staat betwist niet dat deze uitgave van 21 bladzijden een zelfstandig auteursrechtelijk werk vormt. Dat dit materiaal een bijlage vormt bij andere cursusmaterialen en in samenhang daarmee gebruikt wordt, staat er dan ook niet aan in de weg dat ook op dit werk naamsvermelding had moeten plaatsvinden. Het betoog van de Staat dat deze uitgave slechts kort gebruikt zal zijn omdat er in 2013 een versie is uitgegeven waarin wel naamsvermelding heeft plaatsgevonden, baat haar niet. De Staat wijst daarbij op een productie waarvan niet vastgesteld kan worden dat die in 2013 is gepubliceerd. Dat er op die productie met de hand ‘2013’ is geschreven is, gelet op de betwisting door [gedaagde sub 1 c.s.] , onvoldoende bewijs daarvoor.

4.20.

De flyer Kies voor Verandering: wat, waarom en hoe? (zie 2.11.4) vormt een bewerking van de flyer die [gedaagde sub 1 c.s.] maakten. Daarmee is het een openbaarmaking en verveelvoudiging in gewijzigde vorm. Er zijn wat woorden vervangen of weggelaten, maar het is duidelijk dat het gaat om een bewerking van de flyer van [gedaagde sub 1 c.s.] De litigieuze flyer bevat – bij wijze van bijvoorbeeld – de volgende tekst:

De door [gedaagde sub 1 c.s.] ontwikkelde flyer bevatte deze tekst:

Er is bij deze flyer geen sprake van een eigen uitwerking door een nieuwe maker, waarbij de overeenkomsten enkel het gevolg zijn van het feit dat dezelfde informatie verschaft moet worden. De elementen van de tekst waarbij [gedaagde sub 1 c.s.] eigen keuzes hebben gemaakt in zinsopbouw zijn grotendeels overgenomen en de woordkeus is ook deels identiek. In deze flyer heeft geen naamsvermelding plaatsgevonden, zodat de Staat daarmee in strijd met de Overeenkomst en artikel 25 lid 1 sub a Aw heeft gehandeld.

4.21.

De in 2015 uitgegeven Trainershandleiding vermeldt DJI als auteur (zie 2.11.5). Ook voor deze trainershandleiding geldt dat het beoogde doel, gebruik in combinatie met het Werkboek, niet betekent dat naamsvermelding op dit afzonderlijke werk achterwege mocht blijven. Niet in geschil is dat [gedaagde sub 1 c.s.] (mede-)auteurs zijn van deze handleiding. De verwijzing op bladzijde 9 van dit werk (zie citaat in 2.11.5), kan niet aangemerkt worden als een vermelding van [gedaagde sub 1 c.s.] als (mede-)auteurs van de trainershandleiding. Integendeel, met die vermelding wordt juist afstand genomen van de werken van [gedaagde sub 1 c.s.] Ook bij deze handleiding is derhalve sprake van een tekortkoming in de nakoming van de Overeenkomst en een inbreuk op de persoonlijkheidsrechten van [gedaagde sub 1 c.s.]

4.22.

De Staat betwist niet dat [gedaagde sub 1 c.s.] ten onrechte niet als auteurs zijn vermeld in de uitgave Kies voor Verandering Werkboek Deelnemers uit 2015 (zie 2.11.6). Ook in dit geval is derhalve sprake van een tekortkoming in de nakoming van de Overeenkomst en een inbreuk op de persoonlijkheidsrechten van [gedaagde sub 1 c.s.]

4.23.

Ten aanzien van het toegankelijk maken van (een digitale kopie van) het Werkboek op de intranetsite van DJI (zie 2.11.7), bestrijdt de Staat dat daarbij naamsvermelding vereist is omdat de titel van het werk is vermeld zodat duidelijk is om welk werk het gaat. De vermelding van de titel waarmee achterhaald kan worden wie de auteur is, vormt echter geen uitzondering op het recht op naamsvermelding. Ook hierbij is derhalve sprake van een niet nakoming van de Overeenkomst en een inbreuk op de persoonlijkheidsrechten van [gedaagde sub 1 c.s.]

4.24.

Uit het voorgaande volgt dat er geen sprake is van een incidentele overtreding die zo klein is dat daaraan geen rechtsgevolgen kunnen worden verbonden. De Staat is herhaaldelijk tekort gekomen in de nakoming van de Overeenkomst en haar wettelijke verplichting tot naamsvermelding. Voor zover de Staat nog bedoeld heeft te betogen dat het beroep van [gedaagde sub 1 c.s.] op naamsvermelding in strijd met de redelijkheid zou zijn, kan dat verweer ook niet slagen. Bij de onderhavige uitgaven kan niet gezegd worden dat naamsvermelding ongebruikelijk is of een te zware last voor de Staat.

Recht op naamsvermelding bij verwijzingen naar de Werken

4.25.

Anders dan [gedaagde sub 1 c.s.] stellen, is van een handelen in strijd met de Overeenkomst of de Auteurswet geen sprake in de gevallen dat de Staat de namen van [gedaagde sub 1 c.s.] niet heeft vermeld daar waar hij enkel verwijst naar de Werken, in andere materialen en websites onder zijn beheer. Die verwijzingen zijn geen openbaarmaking of verveelvoudiging van de Werken zelf. Er is geen wettelijke plicht om bij een bronvermelding de auteurs van een werk te vermelden en partijen zijn dat ook niet overeen gekomen, ook al is dat met name in de academische wereld gebruikelijk.

COA

4.26.

[gedaagde sub 1 c.s.] stellen dat de Staat de Werken in strijd met de Overeenkomst heeft laten exploiteren door het COA. Zij wijst daarbij op de in 2.13 en 2.14 beschreven publicaties. Ter zitting heeft de Staat, bij monde van de heer [B] , verklaard dat hij inderdaad met de Werken bij het COA is geweest en dat is bekeken of de training ingezet kon worden voor asielzoekers, maar dat daarvan is afgezien en is gekozen voor een training die niet is ontleend aan de Werken.

4.27.

Gelet op deze gemotiveerde betwisting, vormen de in 2.13 en 2.14 beschreven uitingen onvoldoende bewijs van het feit dat het COA op enig moment daadwerkelijk (delen van) de Werken heeft gebruikt voor een training en dat de Staat (DJI) daarvoor (al dan niet mondeling) een gebruiksrecht heeft verstrekt. [gedaagde sub 1 c.s.] tonen slechts aanwijzingen dat er een training is gegeven die dezelfde of een vergelijkbare titel heeft. Wat de inhoud van die training was en dat daarbij de Werken zijn gebruikt, blijkt daar niet uit. Van een tekortkoming in de nakoming van de Overeenkomst door een gebruiksrecht aan het COA te verschaffen, is derhalve geen sprake.

De Hoofdtrainer

4.28.

Tot slot stellen [gedaagde sub 1 c.s.] dat de Staat een gebruiksrecht aan De Hoofdtrainer heeft verleend. Daarbij wijzen zij op de in 2.15 weergegeven informatie op de website van De Hoofdtrainer. Uit die informatie volgt dat de training in opdracht van DJI wordt gegeven. Gesteld noch gebleken is dat De Hoofdtrainer de Werken ook gebruikt voor andere opdrachtgevers dan DJI. Naar het oordeel van de rechtbank valt het gebruik door De Hoofdtrainer (en bij dat bureau aangesloten trainers) van de Werken in het kader van opdrachten van DJI binnen de licentie die [gedaagde sub 1 c.s.] hebben verstrekt. Dit valt aan te merken als een exploitatie die beantwoordt aan het doel van de Overeenkomst: het recht van DJI om vrijelijk gebruik te maken van de Werken voor het geven van trainingen aan gedetineerden en om daarbij ook andere trainers dan [gedaagde sub 1 c.s.] in te zetten. Artikel 9.4 bepaalt ook uitdrukkelijk dat DJI de Werken aan justitiabelen en derden, waaronder ketenpartners, ter beschikking mag stellen. De Overeenkomst kan dan ook niet aldus worden uitgelegd dat DJI bij het geven van trainingen aan de hand van de Werken of bewerkingen daarvan, alleen eigen personeel zou mogen inzetten als trainer en geen externe trainers zou mogen inhuren. Van een niet-nakoming van de Overeenkomst is in dit geval dan ook geen sprake.

Ontbinding

4.29.

Uit het voorgaande volgt dat de Staat de Overeenkomst heeft geschonden door niet te voldoen aan de verplichting tot naamsvermelding van [gedaagde sub 1 c.s.] bij bewerkingen van de Werken. Deze tekortkomingen zijn aan de Staat toerekenbaar.

4.30.

Deze tekortkomingen geven [gedaagde sub 1 c.s.] in beginsel recht op ontbinding van de overeenkomst. De Staat voert aan dat door de geringe betekenis van de tekortkoming ontbinding in dit geval niet gerechtvaardigd is. Daartoe voert hij aan dat de naamsvermelding niet de kern van de prestatie betrof, dat de Staat zich niet bewust was van de tekortkoming en daarop niet door [gedaagde sub 1 c.s.] is gewezen, dat hij naamsvermelding alsnog heeft doorgevoerd en een vergoeding van € 7.500 heeft toegekend aan [gedaagde sub 1 c.s.] Voorts voert hij aan dat ontbinding onaanvaardbare gevolgen heeft omdat het landelijke trainingsprogramma voor gedetineerden dan opnieuw vormgegeven zou moeten worden.

4.31.

Daar staat tegenover dat [gedaagde sub 1 c.s.] schade lijden door het niet vermelden van hun namen. Waar de aangepaste versies van de Werken worden genoemd als bron in andere publicaties, worden zij niet langer als auteurs vermeld. Zij ondervinden daarvan nadeel in hun wetenschappelijke werk en hun advieswerk. De Staat heeft tot nu toe alleen in die uitgave waarvan zij heeft erkend dat naamsvermelding ontbrak, die naamsvermelding alsnog toegevoegd. Het is dus niet zo dat de Staat alle verplichtingen alsnog is nagekomen.

4.32.

Doorslaggevend voor de vraag of ontbinding van de overeenkomst in dit geval gerechtvaardigd is, acht de rechtbank het feit dat DJI in geval van ontbinding haar huidige trainingen met onmiddellijke ingang zou moeten beëindigen en niet meer kan geven totdat zij nieuw trainingsmateriaal heeft ontwikkeld. Gezien het feit dat de geschonden verplichting niet tot de kern van de contractuele verplichtingen behoort, is ontbinding met dat verstrekkende gevolg niet gerechtvaardigd. De vordering om de overeenkomst ontbonden te verklaren wordt dan ook afgewezen.

Matiging boetes

4.33.

[gedaagde sub 1 c.s.] vorderen op grond van de overeenkomst ook betaling van verbeurde contractuele boetes ter hoogte van € 250.000,- op grond van artikel 9.8 van de Overeenkomst, te weten € 50.000,- per schending waarbij zij zich beperken tot vijf schendingen. Partijen twisten over de vraag of het niet-nakomen van de verplichting tot naamsvermelding geldt als een schending, of dat iedere publicatie waarbij niet aan die verplichting is voldaan geldt als een afzonderlijke schending.

4.34.

Het betreffende boetebeding is op verzoek van de Staat in de Overeenkomst opgenomen, waarbij [gedaagde sub 1 c.s.] hun bezwaren daartegen in het kader van de onderhandelingen over de inhoud van de Overeenkomst hebben laten varen. Het boetebeding heeft alleen betrekking op artikel 9 van de Overeenkomst, de bepaling waarin de voorwaarden van de exclusieve licentie aan DJI is vastgelegd, en geldt wederzijds. Gelet op het karakter van artikel 9 brengt een redelijke uitleg van de overeenkomst mee dat onder ‘een schending’ wordt verstaan een handeling die aan de rechthebbende/licentienemer is voorbehouden in auteursrechtelijke zin. Anders zou ‘een boete per schending’ neerkomen op een boete voor enkel de eerste schending. Dat betekent in dit geval dat iedere afzonderlijke uitgave van DJI waarin geen naamsvermelding heeft plaatsgevonden aangemerkt dient te worden als een schending. De rechtbank heeft zeven schendingen vastgesteld, zodat het gevorderde boetebedrag van € 250.000 in beginsel verschuldigd is.

4.35.

De Staat heeft matiging van de boetes gevraagd. Op grond van artikel 6:94 BW kan voor matiging slechts reden zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. De in deze bepaling opgenomen maatstaf, brengt mee dat de rechter pas als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.1 Van de bevoegdheid tot matiging mag slechts terughoudend gebruik worden gemaakt.

4.36.

Enerzijds heeft de Staat zelf in de onderhandelingen het opnemen van een boetebeding in de Overeenkomst geëist, ondanks de bezwaren van [gedaagde sub 1 c.s.] daartegen, die nota bene als zelfstandigen de overeenkomst aangingen en dus in privé aansprakelijk zouden worden in geval zij de overeenkomst niet volledig zouden nakomen. De boete is niet eens gemaximeerd. De Staat valt nu in de spreekwoordelijke kuil die hijzelf gegraven heeft. Anderzijds betreft het een boete die is gesteld op uiteenlopende tekortkomingen met naar aard en omvang eveneens uiteenlopende (mogelijke) schade (een zogenaamde eenheidsboete). Voor schendingen van persoonlijkheidsrechten worden in de jurisprudentie schadevergoedingen toegekend, die veel lager liggen dan € 50.000. De Staat heeft onweersproken gesteld dat in dit geval een schadevergoeding van maximaal € 5.000 in lijn zou zijn met die jurisprudentie. De ernst van de onderhavige tekortkomingen, voor zover die in geld is uit te drukken, staat dan ook niet in verhouding tot een boete van € 250.000. Gelet op dit een en ander zal de rechtbank de boete matigen tot € 70.000 (7 x € 10.000).

Vorderingen

4.37.

De rechtbank begrijpt de vorderingen van [gedaagde sub 1 c.s.] aldus, dat het primair gevorderde petitum aan de orde is als de rechtbank beslist dat de Overeenkomst door opzegging is beëindigd en het subsidiair gevorderde petitum als de rechtbank anders beslist. Uit het voorgaande volgt dat de Overeenkomst niet rechtsgeldig opgezegd kon worden, zodat de primaire vorderingen niet toewijsbaar zijn.

4.38.

Ten aanzien van de onder 1. van de subsidiaire vordering gevraagde verklaring voor recht (zie 3.1.1 en 3.1.10), overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 25 lid 1 Aw betreffen de persoonlijkheidsrechten van [gedaagde sub 1 c.s.] , die onderdeel vormen van hun auteursrechten. De gevraagde verklaring heeft het echter over ‘auteursrechten ex artikel 25 lid 1 Aw alsmede persoonlijkheidsrechten’. De verklaring voor recht is daarom slechts toewijsbaar in de zin dat de Staat inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijkheidsrechten ex artikel 25 lid 1 Aw van [gedaagde sub 1 c.s.] en zal aldus worden geredigeerd.

4.39.

Gelet op de vastgestelde inbreuken op de persoonlijkheidsrechten van [gedaagde sub 1 c.s.] , is het onder 3.1.2 (jo. 3.1.10) gevorderde stakingsbevel eveneens toewijsbaar. Ter voorkoming van executieproblemen zal daarvoor een termijn van twee dagen worden bepaald. De daarbij gevorderde dwangsom wordt niet toegewezen, nu er vanuit gegaan mag worden dat de Staat zich aan dit rechterlijk bevel houdt.

4.40.

Nu niet is vastgesteld dat de Staat in strijd met de Overeenkomst gebruiksrechten aan derden heeft verstrekt, komt het onder 3.1.3 (jo 3.1.10) gevorderde verbod en de onder 3.1.4 (jo 3.1.10) gevorderde verklaring voor recht niet voor toewijzing in aanmerking.

4.41.

De onder 3.1.11 gevorderde nakoming van de verplichting tot naamsvermelding is, voor zover deze vordering verder strekt dan het toewijsbare auteursrechtelijke inbreukverbod, gelet op de (gematigde) toewijzing van de contractuele boete, in gevolge artikel 6:92 lid 1 BW niet toewijsbaar.

4.42.

De onder 3.1.7 (jo. 3.1.10) gevorderde veroordeling tot betaling van contractuele boetes, is toewijsbaar in de zin dat een bedrag van € 70.00,- zal worden toegewezen. [gedaagde sub 1 c.s.] hebben wettelijke handelsrente over dit bedrag gevorderd. De Overeenkomst is gesloten in juli 2011 en valt daarmee buiten de temporele werkingssfeer van artikel 119b BW. De Staat heeft niet betwist dat in dat geval artikel 119a BW van toepassing is op deze vordering, zodat de wettelijke handelsrente zal worden toegewezen vanaf de datum die in de sommatie door [gedaagde sub 1 c.s.] van 18 december 2018 is gesteld: 11 januari 2019.

4.43.

De Staat zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. [gedaagde sub 1 c.s.] hebben een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 1019h Rv gevorderd en opgegeven dat hun proceskosten € 15.778 ex btw bedragen. De onderhavige zaak wordt aangemerkt als een normale zaak, waarvoor een indicatietarief van € 17.500 geldt. De opgegeven kosten kunnen derhalve worden aangemerkt als redelijk en evenredig. Vermeerderd met het griffierecht van € 297,- en dagvaardingskosten van € 81,83 is derhalve een bedrag van € 16.156,83 toewijsbaar. De daarover gevorderde wettelijke rente is eveneens toewijsbaar.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de Staat inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijkheidsrechten van [gedaagde sub 1 c.s.] ex artikel 25 lid 1 Aw door de namen van [gedaagde sub 1 c.s.] niet te vermelden in de in 2.11 beschreven uitgaven van (bewerkingen van) werken van [gedaagde sub 1 c.s.] ,

5.2.

beveelt de Staat om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden elke auteursrechtinbreuk terzake de in 2.1 en 2.3 bedoelde Werken van [gedaagde sub 1 c.s.] en bewerkingen daarvan, waaronder met name begrepen het niet voldoen aan de plicht tot naamsvermelding ex artikel 25 lid 1 sub a Aw,

5.3.

veroordeelt de Staat om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde sub 1 c.s.] te betalen € 70.000,-, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW vanaf 11 januari 2019 tot de dag van volledige voldoening,

5.4.

veroordeelt de Staat in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1 c.s.] tot op heden begroot op € 16.156,83, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,

5.5.

verklaart de onderdelen 5.2, 5.3 en 5.4 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. Bus en in het openbaar uitgesproken door

mr. D. Nobel, rolrechter, op 18 november 2020.

1 HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638, NJ 2007/262, rov. 5.3 (Intrahof/Bart Smit).