Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11921

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
NL20.13548
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Litouwse nationaliteit. Protocol nr. 24. Veilig land. Artikel 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.13548


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: N. Jansen).


Procesverloop
Bij besluit van 29 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.13549, plaatsgevonden op 28 augustus 2020. Eiseres is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

1. Vaststaat dat eiseres van Litouwse nationaliteit is. Daarmee staat vast dat zij onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie en dat Protocol nr. 24 inzake Asiel voor Onderdanen van Lidstaten van de Europese Unie van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie op haar asielaanvraag van toepassing is.

Op grond van dat Protocol kan een asielaanvraag slechts ontvankelijk worden verklaard, indien sprake is van één van de in het Protocol bepaalde gevallen. Het betreft situaties waarin niet langer op voorhand wordt aangenomen dat een lidstaat kan worden beschouwd als een veilig land. Gesteld noch gebleken is dat een van die situaties zich hier voordoet.

2. De rechtbank volgt niet dat het bestreden besluit niet tijdig is uitgereikt aan eiseres. Eiseres heeft een beroep gedaan op de beslistermijn die is vermeld in artikel 3.114, zesde lid, van het Vb1. De aanvraag is echter niet-ontvankelijk verklaard. Analoog aan het bepaalde in artikel 3.109ca, eerste lid, van het Vb, brengt dat mee dat artikel 3.114, zesde lid, van het Vb niet van toepassing is.

3. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de conclusie dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Voor zover eiseres wijst op het afbreken van het gehoor van 12 juni 2020 omdat zij in de Litouwse taal wilde worden gehoord, moet worden vastgesteld dat zij vervolgens op 16 en 23 juni 2020 alsnog aanvullend is gehoord in die taal. Eiseres heeft niet toegelicht op welke wijze zij zou zijn benadeeld door de gang van zaken.

4. Verweerder heeft daarnaast gemotiveerd overwogen dat eiseres haar persoonlijke problemen in Litouwen niet inzichtelijk heeft weten te maken en dat daardoor ook niet aannemelijk is geworden dat Litouwen voor haar niet kan gelden als een veilig land.

Eiseres voert hiertegen aan dat verweerder haar beide schriftelijke klachten niet kenbaar bij de beoordeling van de aanvraag heeft betrokken. Verder stelt eiseres dat verweerder ten onrechte niet alle relevante documenten heeft ingenomen en beoordeeld. Eiseres meent dat zij onvoldoende in de gelegenheid is geweest om te verklaren over haar asielmotieven.

Eiseres heeft echter in het geheel niet geconcretiseerd op grond van welke feiten en omstandigheden volgens haar moet worden aangenomen dat Litouwen voor haar niet veilig is en waarom het bestreden besluit in zoverre ontoereikend is gemotiveerd. Evenmin heeft zij specifieke documenten overgelegd om dit te onderbouwen.

5. Verweerder heeft de aanvraag dan ook terecht niet-ontvankelijk geacht.

6. Het bestreden besluit levert geen schending van artikel 8 van het EVRM2 op. Eiseres wordt door het bestreden besluit immers niet feitelijk van haar man gescheiden. Dat zijn aanvraag afzonderlijk wordt afgedaan vanwege een Dublintraject doet daar niet aan af. Op eiseres als onderdaan van een EU-lidstaat rust immers geen vertrekplicht uit Nederland.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2020 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

1 Vreemdelingenbesluit 2000

2 Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden