Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11919

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
09/181997-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee jaar gevangenisstraf voor twee inbraken – twee diefstalen, één poging. Verdachte kreeg al drie maal de ISD-maatregel. Voor medewerking aan vierde maatregel geen aanknopingspunten. Bescherming van de maatschappij op andere wijze te bereiken. Verdachte valt buiten landelijke handvatten voor strafoplegging. Wettelijk strafmaximum als handvat. Meerdaadse samenloop. Eventuele begeleiding en behandeling in penitentiair programma.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/181997-20

Datum uitspraak: 24 november 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Haaglanden, PPC te Den Haag.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 8 oktober 2020 (pro forma) en 10 november 2020 (inhoudelijk).

De verdachte is op beide zittingen niet verschenen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Kooijmans en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. A.P. Visser, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 juli 2020 te 's-Gravenhage een muesli-reep van het merk

"Eat Natural", in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoorde, te weten aan de [bedrijf 1] (filiaal [ adres bedrijf 1] ), heeft

weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft

en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van

braak en/of verbreking en/of inklimming:

2.

hij op of omstreeks 13 juli 2020 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen van zijn gading, in elk

geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan

de [bedrijf 1] (filiaal [ adres bedrijf 1] ), weg te nemen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot

de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen

goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of

verbreking,

het handvat/slot van een kluis heeft verbogen, althans heeft geforceerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 juli 2020 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk

(het handvat/slot van) een kluis, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan

een ander, te weten aan de [bedrijf 1] (filiaal [ adres bedrijf 1] ) toebehoorde,

heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3.

hij op of omstreeks 13 juli 2020 te 's-Gravenhage, een geldbedrag van 200 euro (te

weten vier bankbiljetten van 50 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele

aan een ander toebehoorde, te weten aan [bedrijf 2] (filiaal [adres bedrijf 2] ), heeft

weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft

en/of dat weg te nemen geld/goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel

van braak en/of verbreking en/of inklimming;

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair, en 3 ten laste gelegde.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de verdachte integraal vrij te spreken.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

Bewijsmiddelen

Op 13 juli 2020 omstreeks 05:00 uur werd de getuige [naam getuige] wakker van luide klappen. Hij keek naar buiten en zag een man tegen de deur van de ‘ [bedrijf 1] ’ trappen. Hij zag dat het raam van de deur geheel kapot was. Hierop heeft de getuige de politie gebeld. Hij zag dat de man het pand binnen ging en op een gegeven moment weer uit het pand kwam. De man ging vervolgens richting het [locatie] . De getuige omschreef de man onder andere als zijnde tussen de 1,70 meter en 1,80 meter lang en gekleed in een zwarte hoodie met capuchon met een lichte streep daarop.2 [naam getuige] verklaarde verder dat, toen hij met de politie belde, er veel tijd gemoeid was met het doorschakelen naar de juiste afdeling.3

Op 13 juli 2020 omstreeks 05:06 uur werd de politie door de meldkamer gestuurd naar de [locatie] omdat aldaar een man zou hebben ingebroken bij de ‘ [bedrijf 1] ’ gelegen aan het [ adres bedrijf 1] te ’s-Gravenhage. Volgens de politie is de aanrijtijd met een personenauto vanaf het politiebureau waar zij zich bevonden naar deze locatie maximaal twee minuten. Aan het begin van de [straatnaam] troffen zij een man aan van ongeveer 1,75 meter, met een zwarte trainingsjas met een capuchon waarop aan de bovenzijde een lichtgroene streep zat. In de omgeving hebben zes surveillance-eenheden gezocht. De verdachte was de enige persoon die werd aangetroffen. De man is vervolgens staande gehouden. De politie trof in zijn zakken onder meer een reep van het merk ‘Eat Natural’ aan. Verder werden vier briefjes van € 50, - aangetroffen. Een verbalisant is vervolgens met de reep naar de ‘ [bedrijf 1] ’ gereden. Een verbalisant die reeds in de [bedrijf 1] aanwezig was kwam tot de conclusie dat het type reep dat bij de man werd gevonden ook bij de ‘ [bedrijf 1] ’ werd verkocht en dat de houdbaarheidsdatum van die reep overeen kwam met die van de repen in de winkel. De man werd als de verdachte aangemerkt en is omstreeks 05:18 uur aangehouden.4

[naam verbalisant] was op 13 juli 2020 omstreeks 05:13 uur bij de ‘ [bedrijf 1] ’. Hij hoorde van zijn ter plaatse gekomen collega dat bij de verdachte een mueslireep in een paarse verpakking van het merk ‘Eat Natural’ met houdbaarheidsdatum augustus 2020, boven water was gekomen. De verbalisant is de winkel binnen gegaan en is naar beneden gelopen naar het magazijn. Hij zag dat daar verschillende dozen mueslirepen stonden en dat één van deze dozen scheef stond. In die doos lagen repen van het merk ‘Eat Natural’ met een paarse verpakking, met als houdbaarheidsdatum augustus 2020. Voorts zag de verbalisant in een ruimte in het magazijn een kluis waarvan een hendel helemaal verbogen was.5

Namens de ‘ [bedrijf 1] ’ gevestigd aan het [ adres bedrijf 1] te ’s-Gravenhage is aangifte gedaan. De [naam aangever 1] verklaarde dat ze zag dat de glazen ruit bij de voordeur er compleet uit lag. Verder zag zij dat er braakschade aan de kluis zat.6

Door [naam aangever 2] is aangifte gedaan namens de [bedrijf 2] , gelegen aan het [adres bedrijf 2] te ‘s-Gravenhage. Zij hoorde van de politie dat er was ingebroken. Bij de winkel aangenomen, zag zij dat de ruit van de voordeur in zijn geheel was verwijderd. De kassalade was uit de counter gehaald en de bedrading van de kassalade was losgetrokken. Verder zag zij in het logboek van de kassa dat er vier maal € 50, - in de kassalade zouden moeten zitten, maar dat de lade leeg was.7

Door de politie werd bij de [bedrijf 2] , op de ruit die uit de voordeur was getrapt, een schoenspoor aangetroffen. Dit schoenspoor vertoonde overeenkomsten met de schoenzolen van de verdachte.8

Bewijsoverwegingen

Naar het oordeel van de rechtbank hebben, gelet op het hierboven genoemde korte tijdsverloop, beide inbraken kort na elkaar plaatsgevonden.

Bij de verdachte is een mueslireep aangetroffen die grote overeenkomsten vertoont met de

repen die bij de [bedrijf 1] zijn aangetroffen, terwijl de doos waar die repen in lagen scheef stond ten opzichte van de andere dozen. Tegelijkertijd werden bij de verdachte vier bankbiljetten van € 50, - aangetroffen terwijl bij de [bedrijf 2] diezelfde combinatie van coupures was weggenomen en werd op het glas dat uit de deur was verwijderd een schoenspoor aangetroffen dat overeenkomsten vertoonde met de schoenzolen van de verdachte. Voorts werd, terwijl zes surveillance-eenheden in de omgeving aan het zoeken was, alleen de verdachte op straat aangetroffen. Verder is er de verklaring van de [naam getuige] die de inbraak ziet en een opvallend kenmerk van de kleding van de inbreker beschrijft. De kleding van verdachte heeft datzelfde kenmerk.

Door de verdediging is naar voren gebracht dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten 1 en 2, omdat het tijdsverloop het daderschap van de verdachte uitsluit. Verder wordt aangevoerd dat de biljetten van € 50, - worden verklaard door - kort gezegd - het tegoed van zijn gedetineerdenrekening van € 356,36 dat verdachte bij zijn eerdere vrijlating op 26 juni 2020 uitgekeerd kreeg. De rechtbank overweegt als volgt.

[naam getuige] heeft verklaard dat hij omstreeks 05:00 uur wakker werd van meerdere klappen. Deze formulering laat de mogelijkheid open dat de getuige eerder dan 05:00 uur werd gewekt. Voor zover de raadsman heeft bedoeld te betogen dat, gezien het feit dat de melding om 05:06 uur binnen kwam bij de politie, de getuige omstreeks dat moment de politie heeft gebeld, wordt het volgende opgemerkt. De getuige heeft verklaard dat het enige tijd heeft geduurd voordat hij de juiste afdeling te spreken kreeg, voorts werden verbalisanten om 05:06 door de meldkamer naar de [straatnaam] gestuurd.

Omdat uit de verklaring van [naam getuige] niet volgt op welk tijdstip de verdachte de ‘ [bedrijf 1] ’ heeft verlaten, sluit zijn verklaring niet uit dat de verdachte omstreeks 05:04 uur het feit 3 bij de [bedrijf 2] heeft gepleegd.

Verdachte heeft geen bekende bron van inkomsten en geen vaste woon- of verblijfplaats.

Tussen vrijlating van verdachte en het tenlastegelegde zitten zeker 17 dagen. Volgens de lezing van de verdediging zou, ook zonder inkomstenbron en huisvesting, na die tijd nog
€ 204, - over zijn, exact vier briefjes van € 50, - en verder € 4, - in munten.

Die lezing is, gelet op de specifieke, grote coupures en het tijdsverloop tussen inbraak en aantreffen bij verdachte, onvoldoende om dat aantreffen van de briefjes van € 50, - bij verdachte niet voor het bewijs te gebruiken.

De genoemde feiten en omstandigheden, hoewel elk op zich niet doorslaggevend, leiden in onderlinge samenhang bezien tot het wettig en overtuigend bewijs van de onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde feiten.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

1.

hij op 13 juli 2020 te 's-Gravenhage een mueslireep van het merk "Eat Natural", die toebehoorde aan de [bedrijf 1] (filiaal [ adres bedrijf 1] ), heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

2.

hij op 13 juli 2020 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat toebehoorde, aan de [bedrijf 1] (filiaal [ adres bedrijf 1] ), weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, het handvat van een kluis heeft verbogen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 13 juli 2020 te 's-Gravenhage, een geldbedrag van 200 euro, te weten vier bankbiljetten van 50 euro, dat aan een ander toebehoorde, te weten aan [bedrijf 2] (filiaal [adres bedrijf 2] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee diefstallen met braak en één poging daartoe. Dit zijn ernstige feiten waar ondernemers veel schade van ondervinden. In dit geval hebben de winkels schade geleden doordat de verdachte de deuren heeft vernield. Dit soort feiten veroorzaakt naast schade ook onrust en angst bij hen die daar getuige van zijn.

Rapportage

De reclassering heeft op 14 oktober 2020 een advies uitgebracht. Uit dit advies blijkt dat de verdachte heeft geweigerd met de reclassering in gesprek te gaan door niet van zijn cel af te komen. Ook gaf de verdachte geen toestemming om contact op te nemen met referenten. De reclassering heeft daarom haar advies gebaseerd op informatie over de verdachte die al eerder bekend was.

Er is volgens de reclassering sprake van een duidelijk delictpatroon, waarbij er vermoedelijk een verband is met middelengebruik. De verdachte leidt al jaren een marginaal bestaan. Hij heeft geen huisvesting, inkomen of dagbesteding. Er zijn geen beschermende factoren. Als belangrijke risicofactor noemt de reclassering de houding van de verdachte zelf. Er wordt vermoed dat sprake is van psychische problematiek, maar dat ontkent de verdachte en hij weigert hier onderzoek naar te laten doen of hier behandeling voor te volgen.

Door de houding van de verdachte zijn alle trajecten die in de afgelopen jaren zijn ingezet mislukt. In 2006, 2010 en 2015 kreeg de verdachte de ISD-maatregel opgelegd. De laatste twee maatregelen bracht de verdachte geheel in detentie door omdat hij weigerde mee te werken aan behandeling. Verder is de verdachte in 2010, 2011 en 2012 behandeld door de Forensische Polikliniek Palier. Geen van deze trajecten heeft tot een langdurige behandeling geleid.

De reclassering schat het risico op recidive en onttrekking aan voorwaarden op dit moment als hoog in. De kans op letselschade wordt als gemiddeld ingeschat.

De frequentie en de ernst van de delicten is dusdanig dat in het belang van de verdachte en ter bescherming van de maatschappij wordt geadviseerd aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. De reclassering heeft de verdachte gebeld en hem de conclusie van het rapport medegedeeld. De verdachte had verder geen interesse in een gesprek en verbrak de verbinding.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte. Ook na de op 28 september 2015 opgelegde ISD-maatregel is hij meermalen veroordeeld tot gevangenisstraffen voor onder andere een aanzienlijk aantal inbraken.

Algemene opmerkingen

Een op te leggen straf dient in zijn algemeenheid drie doelen: vergelding, preventie en resocialisatie. De strafrechter zal in iedere zaak moeten afwegen welke strafrechtelijke reactie in verhouding staat tot het gepleegde feit of feiten en welk van deze doelen daarbij op de voorgrond staat.

In bepaalde gevallen kan de rechter ervoor kiezen om in plaats van een straf, een alternatief daarvoor op te leggen. Een dergelijk alternatief is de ISD-maatregel, waarvan de officier van justitie in dit geval de oplegging heeft gevorderd. Het doel van deze maatregel is tweeledig, gedragsverandering bij een verdachte realiseren om de kans op recidive te verminderen en/of de bescherming van de maatschappij tegen het gedrag van een verdachte.

ISD-maatregel

De verdachte pleegt al jarenlang (zeer) frequent (ernstige) strafbare feiten en weigert iedere vorm van hulpverlening en bemoeienis. Er is driemaal geprobeerd om de vicieuze cirkel van delictgedrag bij de verdachte te doorbreken via de ISD-maatregel maar dat is door de eigen keuzes van de verdachte niet gelukt. Ook de behandelingen bij Palier hebben tot niets geleid. Het feit dat de verdachte langdurig de vrijheid is ontnomen, heeft hem er niet van weerhouden delicten te blijven plegen.

In het dossier is geen enkel aanknopingspunt te vinden voor de verwachting dat verdachte deze vierde keer wel zal meewerken aan behandeling in het kader van een ISD-maatregel. De bescherming van de maatschappij, die dan als doel van de maatregel resteert, weegt niet op tegen het bezet houden van een ISD-plaats; de ISD-maatregel betekent immers – terecht – dat ook een hardnekkig weigerende ISD-er tijd en bijzondere aandacht worden besteed in een ultieme poging om tot behandeling te komen.

De bescherming van de maatschappij kan ook op andere wijze worden bereikt. Voorgeschiedenis in ISD en hulpverlening en actuele houding ten opzichte van de reclassering maken dat deze vorm van bescherming van de maatschappij thans niet meer aan de orde is.

Straf

Aan verdachte zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd. Gelet op feiten en strafblad is voor een andere dan een vrijheidsbenemende straf geen plaats.

Over de hoogte van die straf overweegt de rechtbank dat de handvatten voor straffen, zoals die bijvoorbeeld te vinden zijn in de landelijke oriëntatiepunten, niet voorzien in een buitencategorie voor recidivisten als verdachte. Een lijn in de jurisprudentie ontbreekt voor gevallen als deze, met dergelijke hardnekkige recidive, waarin ook drie ISD-maatregelen geen aanwijsbare verbetering brachten.

De justitiële voorgeschiedenis van verdachte is zo aanzienlijk, dat de ernst van de bedrijfsinbraken daarbij verbleken.

Om te bepalen welke straf passend en geboden is of – anders gezegd: welke straf in verhouding staat tot deze twee bedrijfsinbraken gepleegd door deze verdachte – zal de rechtbank ook het wettelijk strafmaximum in ogenschouw nemen. Op inbraken als deze staat een gevangenisstraf van maximaal zes jaren en, als de inbraken tezamen worden bestraft, een maximumstraf van acht jaren (art. 57 Sr.) Wettelijke strafmaxima vormen handvatten voor de strafoplegging en zijn voldoende gedifferentieerd om lichte en zware misdrijven – en alles daartussen – verschillend en passend te bestraffen, juist ook als andere aanknopingspunten ontbreken.

In dit geval wegen de strafdoelen vergelding – kort gezegd: afrekenen – en met name de preventie, de bescherming van de maatschappij, als zwaarste. Bij de bepaling van de duur van de straf heeft de rechtbank ook de duur van de ISD-maatregel, die de maatschappij twee jaar zou beschermen, in ogenschouw genomen.

De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf van twee jaren opleggen. Die straf is in dit geval passend en geboden.

Mocht verdachte in die twee jaren alsnog willen meewerken aan verbetering van zijn situatie door behandeling of begeleiding, dan kan dat in het kader van een penitentiair programma vorm krijgen. Het strafdoel resocialisatie kan dan mogelijk alsnog worden gediend.

Dat verdachte wat betreft netto vrijheidsbeneming gunstiger uitkomt dan bij een ISD-maatregel, door de wettelijke bepaalde aftrek van voorarrest en voorwaardelijke invrijheidstelling, leidt in dit geval nog niet tot een hogere straf dan deze twee jaar. Wel moet verdachte zich beseffen dat het strafmaximum nog altijd bij lange na niet is gehaald en een straf voor een volgend vergrijp niet tot twee jaren beperkt hoeft te zijn.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, primair, en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

ten aanzien van feit 2

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

ten aanzien van feit 3

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.G.P. Glas, voorzitter,

mr. M.M.F. Holtrop, rechter,

mr. G.H.M. Smelt, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.V. van Wijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 november 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2020204874, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag - Centrum, basisteam Jan Hendrikstraat (doorgenummerd p. 1 t/m 70).

2 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 38 t/m 39.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige, parketnummer: 09/181997-20, RC-nummer: 20/1358, randnummer 23.

4 Proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 7 t/m p. 9.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 42.

6 Proces-verbaal van aangifte, p. 20.

7 Proces-verbaal van aangifte, p. 31 t/m 32.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 43.