Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11896

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
23-11-2020
Zaaknummer
NL20.14552
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Statushouder Griekenland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.14552


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. P.Th. van Alkemade),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. Rikken).


Procesverloop
Bij besluit van 23 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.14553, plaatsgevonden op 8 september 2020. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), in samenhang met artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit Eurodac verkregen informatie is gebleken dat eiser sinds 5 februari 2019 in Griekenland internationale bescherming geniet. Nu eiser internationale bescherming geniet in Griekenland, heeft eiser een zodanige band met Griekenland dat het voor hem redelijk is om daarnaartoe terug te keren. Verweerder gaat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er vanuit dat Griekenland zijn verplichtingen ten opzichte van eiser zal nakomen. Eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan verweerder niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan.

2. Eiser heeft ter zitting zijn standpunt dat verweerder in verband met zijn vergewisplicht had moeten nagaan of het Griekenland of Duitsland is geweest dat hem internationale bescherming heeft verleend, ingetrokken. Het is nu duidelijk dat de bescherming is verleend door Griekenland.

3. Eiser stelt dat zijn aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat ten aanzien van Griekenland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij voert aan dat hij bij terugkeer naar Griekenland een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU Handvest) en artikel 3 van het EVRM. Eiser betoogt dat door de wijziging van de Griekse asielwetgeving in maart 2020 en de vele nieuwe maatregelen van de Griekse overheid de situatie voor statushouders aanzienlijk is verslechterd, waardoor hij in Griekenland in een situatie van materiële deprivatie zal belanden zoals bedoeld in het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie1. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar het AIDA rapport van 23 juni 2020, een artikel van 31 maart 2020 van European Public Health Alliance (EPHA) getiteld “Access to health is a luxury for stranded refugees in Greece” en een artikel van 9 juni 2020 van Infomigrants getiteld “Why thousands of refugees in Greece face eviction – and where they can turn”. Volgens eiser blijkt hieruit dat Griekse statushouders in de praktijk geen toegang hebben tot opvang, sociale voorzieningen, gezondheidszorg en de arbeidsmarkt.

4. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, waaronder het hiervoor genoemde arrest Ibrahim, volgt dat lidstaten er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het algemeen van mogen uitgaan dat de andere lidstaten asielzoekers en statushouders in overeenstemming met het Unierecht en de door dat recht erkende grondrechten behandelen. Als een vreemdeling met een door een andere lidstaat afgegeven asielstatus in Nederland asiel aanvraagt, mag Nederland dat asielverzoek daarom in principe zonder nader onderzoek afwijzen en de vreemdeling naar die andere lidstaat sturen. Van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan echter niet worden uitgegaan als er een ernstig risico bestaat op schending van het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling zoals genoemd in artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM. Dit alles moet worden bepaald op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten worden aan het beschermingsniveau van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten. Hiervoor geldt wel een hoge drempel. Er is pas sprake van een schending van het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling als de vreemdeling, die volledig afhankelijk is van overheidssteun, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. Deze toestand moet bovendien zijn veroorzaakt door onverschilligheid van de autoriteiten van het land die de status heeft verleend en geheel buiten de schuld van de vreemdeling liggen. Die drempel wordt niet bereikt in situaties die, ook al worden zij gekenmerkt door een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden van de betrokken persoon, geen zeer verregaande materiële deprivatie meebrengen waardoor deze persoon in een situatie terechtkomt die zo ernstig is dat zijn toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling.

Als een statushouder in de lidstaat waar hem asiel is verleend, geen sociale ondersteuning krijgt of alleen ondersteuning krijgt die duidelijk beperkter is dan die in andere lidstaten, maar hij wel hetzelfde wordt behandeld als de eigen inwoners van die lidstaat, leidt dat op zichzelf niet tot schending van artikel 4 van het EU Handvest. Dat is pas anders als het gebrek aan sociale ondersteuning tot gevolg heeft dat de statushouder door zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. In elk geval is het enkele feit dat de sociale bescherming of de leefomstandigheden gunstiger zijn in de lidstaat waar de statushouder een nieuwe asielaanvraag indient, dan in de lidstaat die hem al een asielvergunning heeft verleend, volgens het Hof van Justitie onvoldoende om te concluderen dat hij bij uitzetting naar die laatste lidstaat een reëel risico loopt op schending van artikel 4 van het EU Handvest, aldus de rechtspraak van het Hof van Justitie.

4.1.

Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 mei 2018, 15 juli 2019, 6 december 2019 en 17 juni 20202 volgt dat de situatie voor statushouders in Griekenland in beginsel niet zodanig slecht is dat zij bij terugkeer een reëel risico lopen op een artikel 3 van het EVRM – dat gelijk staat aan artikel 4 van het EU Handvest – strijdige behandeling. De Afdeling is van oordeel dat de situatie van statushouders in Griekenland weliswaar moeilijk is, omdat zij moeilijk betaald werk kunnen vinden, de toegang tot de gezondheidszorg moeizaam is en dat de statushouders volledig op zichzelf zijn aangewezen om huisvesting te vinden. De situatie is echter niet zodanig dat sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig staan. Voorts volgt uit die uitspraken dat de situatie niet zodanig is dat van de vreemdelingen niet mag worden verwacht dat zij zelf in Griekenland de rechten die voortvloeien uit hun status effectueren.

4.2.

Het AIDA-rapport van 23 juni 2020 en de twee artikelen waar eiser zijdelings naar verwijst, leiden naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel. In de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2019 is het AIDA-rapport over Griekenland van 29 maart 2019 meegewogen. In de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2020 is informatie over de situatie van statushouders in Griekenland betrokken tot april 2020.3 Het meest recente AIDA-rapport van 23 juni 2020 laat geen wezenlijk ander beeld zien dan het rapport van 29 maart 2019. Uit het rapport blijkt dat situatie voor statushouders nog even slecht is als beschreven in de genoemde uitspraken van de Afdeling. Die situatie is echter niet zo slecht dat sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig zouden staan. De rechtbank ziet onvoldoende grond om op basis van het AIDA-rapport van 23 juni 2020 te oordelen dat de tekortkomingen waarvan sprake is in Griekenland, en waarin eiser als statushouder terechtkomt bij terugkeer naar dat land, zodanig zijn dat zij de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken die is beschreven in de arresten van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Jawo4 en Ibrahim.

4.3.

Verder heeft verweerder bij zijn beoordeling terecht betrokken dat eiser niet bijzonder kwetsbaar is als bedoeld in het arrest Ibrahim. Eiser is immers een jonge alleenstaande man, zonder medische klachten. Voorts kan verweerder ook worden gevolgd dat de persoonlijke verklaringen van eiser geen blijk geven dat hij bij terugkomst in Griekenland terecht zal komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie.

4.4.

Tot slot overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij ten minste zelf pogingen doet om in Griekenland de rechten die voortvloeien uit zijn status te effectueren. Dit heeft eiser nog niet gedaan. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de Griekse (hogere) autoriteiten of geëigende instanties eiser niet zouden kunnen of willen helpen dan wel beschermen in geval van driegende of zich voordoende problemen in Griekenland. Uit het relaas van eiser blijkt dat hij zich voor hulp niet heeft gewend tot de Griekse (hogere) autoriteiten dan wel geëigende instanties.5

5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Griekenland in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest terecht zal komen. Verweerder is op goede gronden in het geval van eiser ten aanzien van Griekenland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid vanmr. H. Siragedik, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 september 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Arrest van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219.

2 ECLI:NL:RVS:2018:1795, ECLI:NL:RVS:2019:2385, ECLI:NL:RVS:2019:4118 en ECLI:NL:RVS:2020:1382.

3 Een overzicht van de informatie is ook kenbaar uit ECLI:NL:RBDHA:2020:2854.

4 ECLI:EU:C:2019:218.

5 Rapport gehoor bescherming EU, p. 8.