Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11894

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-10-2020
Datum publicatie
23-11-2020
Zaaknummer
09/026653-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden met aftrek voor overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte heeft als bestuurder van een auto opzettelijk meerdere verkeersregels geschonden: hij heeft op de snelweg en in de bebouwde kom voortdurend met een veel te hoge snelheid gereden, is meermalen door rood licht gereden en heeft een aantal voertuigen gevaarlijk ingehaald. De verdachte heeft zich daarmee volstrekt onverantwoordelijk gedragen op de weg. Hij heeft welbewust onaanvaardbare risico’s genomen en andere weggebruikers ernstig in gevaar gebracht. Het is een gelukkig toeval dat niemand als gevolg van het gedrag van de verdachte ernstig letsel of erger heeft opgelopen. Uiterst kwalijk is bovendien dat de reden voor dit gevaarlijke rijgedrag was dat de verdachte aan de politie wilde ontkomen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de in de strafvorderingsrichtlijn van het openbaar ministerie voor een geval als dit vermelde strafhoogtes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/026653-20

Datum uitspraak: 23 oktober 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 oktober 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.M. Ariese en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman

mr. D.C.E. Timmermans naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 januari 2020 te Den Hoorn Zh, althans gemeente Midden-Delfland, en/of

Rijswijk en/of Delft, als bestuurder van een motorrijtuig (auto) opzettelijk zich zodanig in het

verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in erntige mate werden geschonden door op de

route [… 1]

,

- ( voortdurend) met een veel te hoge snelheid te rijden en/of (telkens) de maxium toegestane

snelheid in aanzienlijke mate te overschrijden en/of

- ( meermalen) zeer dicht achter een ander voertuig te rijden en/of

- ( meermalen) door rood licht te rijden en/of

- ( meermalen) gevaarlijk in te halen en/of rechts in te halen

terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten

was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij op of omstreeks 25 januari 2020 te Den Hoorn Zh, althans gemeente Midden-Delfland, en/of

Rijswijk en/of Delft, als bestuurder van een motorrijtuig (auto) zich zodanig in het verkeer heeft

gedragen dat de verkeersregels in erntige mate werden geschonden door op de route [… 1]

,

- ( voortdurend) met een veel te hoge snelheid te rijden en/of (telkens) de maxium toegestane

snelheid in aanzienlijke mate te overschrijden en/of

- ( meermalen) zeer dicht achter een ander voertuig te rijden en/of

- ( meermalen) door rood licht te rijden en/of

- ( meermalen) gevaarlijk in te halen en/of rechts in te halen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden

gehinderd.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

In deze zaak gaat het om het verkeersgedrag van de verdachte als bestuurder van een personenauto op 25 januari 2020. De officier van justitie heeft dit gedrag op verschillende manieren aan de verdachte ten laste gelegd. De rechtbank zal eerst vaststellen welk verkeersgedrag kan worden bewezen en daarna ingaan op de vraag hoe dit gedrag juridisch moet worden geduid.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.4.1

De bewijsmiddelen

Op 25 januari 2020 omstreeks 0.20 uur hebben twee verbalisanten op de rijksweg A4 bij Den Hoorn Zh (de rechtbank begrijpt: Zuid-Holland), gemeente Midden-Delfland2 links ter hoogte van hectometerpaal 57.3 tijdens een lasersnelheidscontrole geconstateerd dat een personenauto van het merk [auto] met een snelheid van 235 kilometer per uur reed, waar 100 kilometer per uur was toegestaan.3 Direct hierna hebben de verbalisanten de achtervolging ingezet. Tijdens de achtervolging hebben de verbalisanten het volgende waargenomen.

De [auto] reed continu op rijstrook 1 en had een fors snelheidsverschil met het overige verkeer. Op een gegeven moment naderde de [auto] langzamer rijdend verkeer op de rijbaan en de remlichten van de [auto] gingen vervolgens door een harde remming snel knipperen.

Het interventievoertuig van de verbalisanten reed met een snelheid boven de 200 kilometer per uur en de [auto] kwam niet dichterbij. Eén van de verbalisanten heeft hierop de optische en geluidssignalen en het stoptransparant aangezet. De [auto] liep nog steeds uit, terwijl de verbalisanten reden met een snelheid van 240 kilometer per uur (geijkt 224 kilometer per uur en gecorrigeerd 217 kilometer per uur), waar 100 kilometer per uur was toegestaan. Ter hoogte van de oprit van de [straatnaam] reed meer verkeer en de [auto] moest wederom fors remmen voor langzamer rijdend verkeer. De remlichten gingen wederom snel knipperen. Voorts stuurde de [auto] van rijstrook 1 zonder richting aan te geven in één keer door naar rijstrook 5 en nam hierbij de uitrit naar de [straatnaam] te Rijswijk. Daarna accelereerde de [auto] weer en liep fors uit op het interventievoertuig van de verbalisanten. De [auto] haalde met een snelheidsverschil van minimaal 50 kilometer per uur ten opzichte van het overige verkeer rechts van de blokmarkering vijf of zes voertuigen in. Hierna reed de [auto] door richting de kruising met de [straatnaam] , waar het verkeerslicht voor de [auto] rood licht uitstraalde. Op dat kruispunt naderde ook ander verkeer komende vanuit de richting van Rijswijk en gaande in de richting van Delft. De [auto] remde wederom zeer krachtig en de remlichten van de [auto] gingen weer snel knipperen. Ook brak de achterkant van het voertuig uit. Het verkeer van links reed het kruisingsvlak op en een bestuurder van een auto op het kruisingsvlak deed een noodremming om een aanrijding met de [auto] te voorkomen. De [auto] accelereerde direct weer fors en liep uit op het interventievoertuig van de verbalisanten. De verbalisanten en de [auto] reden inmiddels in de bebouwde kom van Rijswijk, waar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur gold.

De [auto] bleef uitlopen en bij de verkeerslichten bij de kruising met de [straatnaam] te Rijswijk negeerde de [auto] zonder snelheid te minderen op die kruising het rode verkeerslicht. De [auto] bleef met 160 kilometer per uur (geijkt 151 kilometer per uur, gecorrigeerd 146 kilometer per uur) uitlopen. Op de boordsnelheidsmeter van het interventievoertuig zag de verbalisant dat de [auto] 180 kilometer per uur (geijkt 169 kilometer per uur, gecorrigeerd 163 kilometer per uur) reed en dat de [auto] nog steeds uitliep. De [auto] negeerde wederom zonder snelheid te verminderen met een geijkte snelheid van boven de 169 kilometer per uur bij de kruising met het [straatnaam] het rode verkeerslicht. Ter hoogte van het [… 2] , waar een duikertje in de weg zit, kwam de [auto] los en de bestuurder verloor hierbij bijna de macht over het stuur. De [auto] reed door naar de kruising van de [straatnaam] te Delft, waar rechts bij het rode verkeerslicht voetgangers en fietsers stonden te wachten. De [auto] sloeg rechtsaf de [straatnaam]

in en daarbij deed een fietser een stap achteruit. De [auto] reed de bocht te hard in en de bestuurder verloor de macht over het stuur. Het voertuig gleed door naar links en kwam met de linker velgen hard tegen de trottoirband. De [auto] accelereerde direct weer en reed door in de richting van de [straatnaam] en sloeg rechtsaf de [straatnaam] op. Hier stopte de [auto] .4 De bestuurder van de [auto] bleek de verdachte te zijn.5

Na nader onderzoek naar de [auto] die door de verdachte werd bestuurd, bleek dat deze auto is voorzien van zogenoemde pulserende remlichten. Deze pulserende remlichten worden geactiveerd bij een noodremming, waarbij het rempedaal zo krachtig wordt ingetrapt dat de boordcomputer van de auto de inschatting maakt dat de verwachte remvertraging door achteropkomende verkeer niet als zodanig kan worden ingeschat.6

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat het klopt dat hij op 25 januari 2020 met ongeveer 235 kilometer per uur over de snelweg A4 heeft gereden, terwijl 100 kilometer per uur was toegestaan. Toen hij op een gegeven moment zag dat hij werd achtervolgd door de politie, raakte hij in paniek en heeft hij doelbewust geprobeerd te ontkomen aan de politie, waarbij hij heeft gereden met snelheden ver boven de maximum toegestane snelheid. Ook heeft hij verklaard dat het mogelijk is dat hij diverse malen hard heeft geremd, onder andere toen hij een afslag moest nemen. Toen hij de afslag nam, is hij van vier rijstroken gewisseld zonder richting aan te geven en heeft hij diverse auto’s rechts ingehaald. De verdachte heeft voorts verklaard dat het klopt dat hij een aantal malen door rood is gereden en dat hij binnen de bebouwde kom met een snelheid van over de 160 kilometer per uur heeft gereden, waar 50 kilometer per uur was toegestaan. Uiteindelijk is hij in de [straatnaam] gestopt omdat hij zelf ook vond dat zijn rijgedrag gevaarlijk was.7

3.4.2

Het oordeel van de rechtbank over het primair ten laste gelegde (verkeersgevaarlijk gedrag)

Het primair ten laste gelegde feit is toegesneden op artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). De rechtbank moet in dat verband beoordelen of de verdachte (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen. Artikel 5a WVW 1994 is een nieuwe bepaling, die in werking is getreden op 1 januari 2020. Wat de betekenis is van de in die bepaling opgenomen begrippen, is dan ook nog niet in de rechtspraak uitgemaakt. De rechtbank zal daarom bij de beoordeling van dit feit kijken naar de bedoeling van de wetgever, zoals die blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5a WVW 1994.8

a. De verkeersregels

De verdachte wordt verweten dat hij de verkeersregels heeft geschonden. Daarbij gaat het volgens de officier van justitie om:

- voortdurend met een veel te hoge snelheid rijden en de maximum toegestane snelheid in aanzienlijke mate overschrijden;

- meermalen zeer dicht achter een ander voertuig rijden;

- meermalen door rood licht rijden;

- meermalen gevaarlijk inhalen en rechts inhalen.

De rechtbank stelt op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat de verdachte die gedragingen inderdaad heeft verricht, met uitzondering van het meermalen zeer dicht achter een ander voertuig rijden. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de waarnemingen van de verbalisanten en aan hetgeen zij hebben gerelateerd in hun proces-verbaal van bevindingen. De verdachte heeft deze gedragingen ook grotendeels bekend.

De vraag is vervolgens of deze gedragingen van de verdachte zijn aan te merken als het schenden van de verkeersregels, zoals bedoeld in artikel 5a WVW 1994. In dat artikel is een twaalftal gedragingen uitdrukkelijk, maar niet limitatief, benoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels. De gedragingen van de verdachte zijn in voornoemd artikel uitdrukkelijk afzonderlijk vermeld, met uitzondering van de gedragingen “voortdurend rijden met een veel te hoge snelheid” en “rechts inhalen”.

Het “voortdurend met een veel te hoge snelheid rijden” kan echter in samenhang worden bezien met de gedraging “de maximum toegestane snelheid in aanzienlijke mate overschrijden” en is daarom ook aan te merken als het schenden van de verkeersregels, zoals bedoeld in artikel 5a WVW 1994.

Met betrekking tot het “rechts inhalen” overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 11, vierde lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 bestuurders die zich rechts van een blokmarkering bevinden, bestuurders die zich links van deze markering bevinden, rechts mogen inhalen. Het “rechts inhalen” vond in dit geval plaats ter hoogte van een blokmarkering en is daarom op zichzelf niet in strijd met de verkeersregels. De rechtbank zal de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Wel kan het rechts inhalen van vijf of zes voertuigen met een snelheidsverschil van minimaal 50 kilometer per uur gekwalificeerd worden als “gevaarlijk inhalen”, een gedraging die in artikel 5a WVW 1994 uitdrukkelijk is genoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels.

De tussenconclusie is dan ook dat de verdachte de verkeersregels heeft geschonden door voortdurend met een veel te hoge snelheid te rijden en de maximum toegestane snelheid in aanzienlijke mate te overschrijden, meermalen door rood licht te rijden en door een aantal voertuigen gevaarlijk in te halen.

b. In ernstige mate

Artikel 5a WVW 1994 heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Dat zal doorgaans niet zijn gelegen in de enkele schending van één verkeersregel. Volgens de wetgever gaat het bij ernstig verkeersgevaarlijk gedrag bijvoorbeeld om het meerdere keren of gedurende langere tijd schenden van een verkeersregel, of het schenden van meerdere verkeersregels.9 Gekeken moet worden naar het samenstel van de gedragingen van de verdachte, waarbij alle omstandigheden in ogenschouw worden genomen.10 In deze zaak gaat het om gedurende een langere tijd (dat wil zeggen: langer dan een enkel moment) schenden van meerdere voor de verkeersveiligheid zeer belangrijke verkeersregels. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.

c. Opzettelijk

Volgens de wetgever moet het opzet van de verdachte zowel zijn gericht op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels.11

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte de verkeersregels opzettelijk heeft geschonden, gelet op de verklaring van de verdachte dat hij, nadat hij zag dat de politie hem achtervolgde, doelbewust heeft geprobeerd aan de politie te ontkomen en daarbij diverse verkeersovertredingen heeft begaan. Daarin ligt een bewuste keuze besloten.

Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten volgens de wetgever de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels gericht zijn geweest.12 In deze zaak bestond het samenstel van gedragingen van de verdachte eruit dat hij voortdurend met een veel te hoge snelheid heeft gereden en de maximum toegestane snelheid in aanzienlijke mate heeft overschreden, meermalen door rood licht heeft gereden en een aantal voertuigen gevaarlijk heeft ingehaald. Naar het oordeel van de rechtbank zijn die gedragingen, in samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels.

d. Gevaar te duchten

Om vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest.13 In zijn algemeenheid acht de rechtbank het voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie ontstaat door het vertonen van het hiervoor beschreven rijgedrag. De verdachte heeft over een lange afstand voortdurend veel te hard gereden en daarbij een aantal keren een rood verkeerslicht genegeerd. Er waren daarbij telkens andere verkeersdeelnemers aanwezig, zoals blijkt uit het proces-verbaal. Deze waren mogelijk niet bedacht op een verkeersdeelnemer die zó hard reed en het rode verkeerslicht negeerde. Door zo hard te rijden en door rood te rijden kan dan ook een zeer gevaarlijke situatie ontstaan. Dat die zeer gevaarlijke situatie zich in dit geval ook daadwerkelijk heeft voorgedaan, blijkt uit de bewijsmiddelen: een voertuig moest een noodstop maken toen de verdachte met veel te hoge snelheid een rood verkeerslicht negeerde en een fietser moest een stap achteruit zetten, toen de verdachte met een veel te hoge snelheid een bocht nam. De rechtbank acht daarom bewezen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was.

Conclusie

De rechtbank acht daarmee het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 25 januari 2020 te Den Hoorn (Zuid-Holland) en Rijswijk en Delft, als bestuurder van een motorrijtuig, auto, opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door op de route Rijksweg A4 en de [straatnaam] en de [straatnaam] en de [straatnaam] en de [straatnaam] ,

- voortdurend met een veel te hoge snelheid te rijden en telkens de maximum toegestane snelheid in aanzienlijke mate te overschrijden en

- meermalen door rood licht te rijden en

- gevaarlijk in te halen,

terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten

was.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd (cursief weergegeven). Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest. De officier van justitie heeft daarbij de strafvorderingsrichtlijn van het openbaar ministerie voor overtreding van artikel 5a WVW 1994 tot uitgangspunt genomen. Die richtlijn vermeldt als uitgangspunt een gevangenisstraf van vier weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden. De officier van justitie heeft een hogere straf geëist omdat de verdachte een aantal dagen vóór het ten laste gelegde feit een boete heeft gekregen voor een snelheidsovertreding.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht aan de verdachte, gelet op zijn proceshouding en zijn persoonlijke omstandigheden, een taakstraf of een geldboete en een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Voorts heeft hij verzocht aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen gelijk aan de duur dat het rijbewijs van de verdachte reeds ingevorderd is geweest.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft als bestuurder van een auto opzettelijk meerdere verkeersregels geschonden: hij heeft op de snelweg en in de bebouwde kom voortdurend met een veel te hoge snelheid gereden, is meermalen door rood licht gereden en heeft een aantal voertuigen gevaarlijk ingehaald.

De verdachte heeft zich daarmee volstrekt onverantwoordelijk gedragen op de weg. Hij heeft welbewust onaanvaardbare risico’s genomen en andere weggebruikers ernstig in gevaar gebracht. Het is een gelukkig toeval dat niemand als gevolg van het gedrag van de verdachte ernstig letsel of erger heeft opgelopen. Uiterst kwalijk is bovendien dat de reden voor dit gevaarlijke rijgedrag was dat de verdachte aan de politie wilde ontkomen.

Persoon van de verdachte en persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie, gedateerd 19 augustus 2020. Daaruit blijkt dat de verdachte op 20 januari 2020 een strafbeschikking van 570 euro heeft gekregen voor een snelheidsovertreding.

Strafmaat

Het misdrijf strafbaar gesteld bij artikel 5a WVW 1994 is sinds begin dit jaar in de wet opgenomen. De wens van de wetgever was om tegen ernstige verkeersovertredingen met grote risico’s voor de verkeersveiligheid, ook wanneer zij gelukkigerwijs zonder gevolgen blijven, krachtig te kunnen optreden.14 Op overtreding van artikel 5a WVW 1994 staat een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van ten hoogste de vierde categorie. Daarnaast kan een ontzegging van de rijbevoegdheid van maximaal vijf jaren worden opgelegd.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank geen acht kunnen slaan op meerdere vergelijkbare zaken, omdat die zaken er nog niet meermalen zijn geweest, althans geen zaken waarin enkel de overtreding van artikel 5a WVW 1994 is ten laste gelegd en bewezen verklaard. Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor zaken waarin sprake is van schuld aan het veroorzaken van een verkeersongeval met ernstige gevolgen (artikel 6 WVW 1994). Daarin is als uitgangspunt vermeld voor het met een zeer hoge mate van schuld veroorzaken van een verkeersongeval met tijdelijke ziekte tot gevolg, een gevangenisstraf van twee maanden en een rijontzegging van een jaar. Artikel 5a WVW 1994 verschilt daarvan enerzijds doordat sprake is van opzet, wat een zwaarder verwijt is dan schuld, maar anderzijds doordat juist geen gevolg is opgetreden.

Gelet daarop, en in aanmerking genomen het ernstig gevaarzettend karakter van het delict, acht de rechtbank voor overtreding van artikel 5a WVW 1994 door de bestuurder van een motorvoertuig in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke rijontzegging aangewezen. De in de strafvorderingsrichtlijn van het openbaar ministerie voor een geval als dit vermelde strafhoogtes acht de rechtbank als uitgangspunt passend.15 Voor een samenstel van gedragingen verricht door de bestuurder van een motorvoertuig zonder recidive gaat het om een gevangenisstraf van vier weken en een rijontzegging van zes maanden. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken; niet in strafmatigende, maar ook niet in strafverhogende zin.

Anders dan de officier van justitie kent de rechtbank aan de omstandigheid dat de verdachte op 20 januari 2020 een strafbeschikking heeft gekregen voor een snelheidsovertreding geen zelfstandige, strafverhogende betekenis toe. De verdachte was door die strafbeschikking echter wel een gewaarschuwd mens. Desondanks heeft hij een aantal dagen later meerdere ernstige verkeersovertredingen begaan. Mede gelet hierop en op het belang van normstelling en de daarvan uitgaande generale preventie en gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, acht de rechtbank geen andere dan een vrijheidsbenemende straf passend. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte zijn, afgewogen tegen het vorenstaande, niet dermate zwaarwegend of doorslaggevend dat de rechtbank tot een ander oordeel zou moeten komen. Een straf zoals door de raadsman bepleit doet onvoldoende recht aan de ernst van het bewezen verklaarde.

De rechtbank zal dus aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van vier weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 5a, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) WEKEN;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (ZES) MAANDEN;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.P.M. Loos, voorzitter,

mr. A.M.A. Keulen, rechter,

mr. B.W. Mulder, rechter,

in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 oktober 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en), dat onderdeel uitmaakt van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2020024768, van de politie eenheid Den Haag, dienst regionale operationele samenwerking, afdeling infrastructuur, team verkeer (DH).

2 Proces-verbaal van overtreding met het nummer PL1500-2020024768-1.

3 Proces-verbaal snelheid met het nummer 250120200020110737.

4 Proces-verbaal van bevindingen met het nummer PL1500-2020024768-6.

5 Proces-verbaal snelheid met het nummer 250120200020110737.

6 Proces-verbaal van bevindingen met het nummer PL1500-2020024768-8.

7 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 9 oktober 2020.

8 Kamerstukken II 2018-19, 35 086.

9 Kamerstukken II 2018-19, 35 086, nr. 3, p. 11-12.

10 Kamerstukken II 2018-19, 35 086, nr. 6, p. 14.

11 Kamerstukken II 2018-19, 35 086, nr. 6, p. 11.

12 Kamerstukken II 2018-19, 35 086, nr. 6, p. 11.

13 Kamerstukken II 2018-19, 35 086, nr. 3, p. 13.

14 Kamerstukken II 2018-19, 35 086, nr. 3, p. 1.

15 Richtlijn voor strafvordering verkeersongevallen en verlaten plaats ongeval, Stcrt. 2019, 66642.