Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11865

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
20-11-2020
Zaaknummer
AWB 20/45
Formele relaties
Hersteluitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2020:14683
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

nareis Eritrea - identiteit niet aannemelijk gemaakt - geen officiële documenten - geen bewijsnood - inidicatieve documenten zijn niet substantieel - beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/2691

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer [V-nummer] eiseres,

(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf voor het doel “nareis asiel” afgewezen.

Bij besluit van 9 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Daarnaast is referent [referent] met een tolk verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiseres is geboren in 1998 en stelt de Eritrese nationaliteit te hebben. Zij verblijft momenteel in Ethiopië. Referent, [referent] , verblijft in Nederland op basis van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiseres stelt dat zij en referent ten tijde van de inreis van referent, oktober 2018, een relatie hadden en verloofd waren. Daarom heeft referent namens eiseres een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis.

Standpunt verweerder

2. Verweerder heeft de aanvraag tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen omdat eiseres haar identiteit niet heeft aangetoond. Zij heeft geen officiële documenten overgelegd over haar identiteit. Verweerder heeft geen bewijsnood aangenomen omdat uit het algemeen ambtsbericht van Eritrea volgt dat eiseres wel de mogelijkheid heeft gehad om in Eritrea een identiteitsbewijs aan te vragen, en zij niet goed heeft uitgelegd waarom ze dat niet heeft gedaan. Eiseres heeft verschillende indicatieve documenten overgelegd om haar identiteit aan te tonen, maar volgens verweerder is er geen sprake van substantieel indicatief bewijs. Verweerder heeft daarnaast gesteld dat eiseres als verloofde/vriendin van referent niet aan de voorwaarden van nareis voldoet. Zij valt immers niet onder de groep mensen die na kan reizen.

Standpunt eiseres

3. Eiseres voert aan dat zij haar identiteit wel heeft aangetoond. Het klopt dat zij geen officieel identiteitsdocument heeft overgelegd. Verweerder had hier echter bewijsnood voor moeten aannemen. Eiseres was voor haar 18e verjaardag schoolgaand en schoolgaande kinderen hebben alleen een schoolkaart en geen identiteitskaart. Toen zij stopte met school had zij wellicht een identiteitskaart kunnen aanvragen, maar omdat toen de militaire dienstplicht was geactiveerd was zij bang opgepakt te worden om haar militaire dienst te vervullen. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat zij voldoende substantieel bewijs voor haar identiteit heeft overgelegd. Hiertoe verwijst zij naar haar doopakte, de Ethiopische vluchtelingenkaart, haar residence card en de identiteitskaart van haar moeder. Ook heeft eiseres in de beroepsprocedure nog stukken overgelegd van haar huwelijk met referent, gesloten in [2020] . Dit betreffen onder meer een huwelijksakte, waar ook persoonsgegevens op staan, en foto’s van onder andere haarzelf en haar moeder. Eiseres wijst er op dat verweerder een samenwerkingsplicht heeft, wat onder meer volgt uit het arrest E tegen Nederland van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU).1 Die samenwerkingsplicht brengt met zich mee dat alle indicatieve documenten in onderlinge samenhang moeten worden bezien. Verweerder had deze documenten voldoende moeten vinden om eiseres te horen, om zo haar identiteit te kunnen vaststellen.

Oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank overweegt dat verweerder een gedragslijn toepast op nareisaanvragen van vreemdelingen met de Eritrese nationaliteit. Deze gedragslijn is door de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (ABRvS) in overeenstemming met het unierecht geacht, in het bijzonder met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.2 De rechtbank vat dit beoordelingskader als volgt kort samen. Een vreemdeling moet in principe zijn identiteit aantonen met officiële documenten. Wanneer de vreemdeling deze officiële documenten niet overlegt, betrekt de staatssecretaris ook onofficiële documenten bij zijn beoordeling en kan hij aanvullend onderzoek aanbieden. Dit doet hij in dat geval alleen als de vreemdeling met één of meer van deze onofficiële documenten substantieel bewijs voor zijn identiteit heeft overgelegd. Daarnaast moet de identiteit van de vreemdeling op basis van de indicatieve documenten aannemelijk worden geacht, of moet – kort gezegd – aannemelijk worden gemaakt dat hier geen bewijs van kan worden overgelegd.

5. Niet in geschil is dat eiseres geen officiële identiteitsdocumenten heeft overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiervoor geen bewijsnood heeft hoeven aannemen. In de brief van Vluchtelingenwerk van 24 april 2019 staat dat eiseres wel een identiteitsbewijs heeft aangevraagd maar dat deze niet meer werden afgegeven. Uit het Algemeen ambtsbericht van juni 2018, waar verweerder in het bestreden besluit naar heeft verwezen, blijkt er tijdelijk geen identiteitsbewijzen werden afgegeven maar dat dit vanaf juni 2014 wel weer mogelijk was. Op basis van deze gegevens was het voor eiseres mogelijk een identiteitsbewijs te verkrijgen vanaf 2016, omdat zij toen 18 jaar werd. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit voor haar dan niet mogelijk was. De stelling in beroep dat eiseres bij het aanvragen van haar identiteitsbewijs gevaar liep om te worden opgepakt om haar militaire dienst te vervullen, heeft zij niet onderbouwd.

6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de indicatieve documenten die eiseres heeft overgelegd onvoldoende substantieel zijn. Verweerder heeft weinig waarde aan de doopakte mogen toekennen omdat het onderzoek door Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat de doopakte met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven door de in het document genoemde kerk. Verweerder mag in beginsel uitgaan van een verklaring van Bureau Documenten, omdat dit een deskundigenadvies is.3 Eiseres heeft hier geen contra-expertise tegen ingebracht. De stelling van eiseres dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat de chronologische volgorde van de data in de doopakte niet juist is, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat het onderzoek van Bureau Documenten niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft ook weinig waarde mogen hechten aan de residence card uit Eritrea die eiseres heeft overgelegd. Verweerder heeft er hierbij op mogen wijzen dat de kaart van 2013 is, terwijl uit het Algemeen ambtsbericht blijkt dat de kaart jaarlijks moet worden vernieuwd. Eiseres heeft niet goed uitgelegd waarom zij geen meer recente kaart heeft. Bovendien staat er geen foto van eiseres op de kaart, en is er slechts een kopie overgelegd waardoor de echtheid niet kan worden onderzocht. Aan de identiteitskaart van de moeder van eiseres heeft verweerder ook niet de door eiseres gewenste waarde hoeven toekennen. Op de residence card staat weliswaar een verwijzing naar deze identiteitskaart, maar eiseres heeft geen officieel document overgelegd die de familierechtelijke relatie tussen haar en haar moeder aantoont. De Ethiopische vluchtelingenkaart van eiseres heeft verweerder ook niet voldoende substantieel hoeven vinden, omdat deze kaart is opgemaakt naar aanleiding van de opgave van eiseres zelf en niet op basis van een officieel brondocument van de Eritrese autoriteiten. Verweerder heeft eiseres verder tegen mogen werpen dat zij geen schoolkaart heeft over kunnen leggen. Uit het Algemeen ambtsbericht volgt immers dat alle jeugdigen deze kaart hebben om zich te kunnen identificeren.

De in beroep overgelegde huwelijksakte maakt niet dat verweerder heeft moeten vinden dat er wel voldoende substantieel bewijs van de identiteit van eiseres is overgelegd. Omdat deze akte pas na het bestreden besluit is opgemaakt, kan deze niet worden meegenomen in de beoordeling van het bestreden besluit. Eiseres stelt dat de akte als bewijs moet worden gezien van een eerder aangekondigd standpunt, namelijk het voorgenomen huwelijk van eiseres en referent. De omstandigheid het huwelijksvoornemen na het bestreden besluit werkelijkheid is geworden, betekent echter niet dat het huwelijk van [2020] betrokken moeten worden bij de ex tunc beoordeling van het bestreden besluit.

Bovendien blijkt uit de verklaringen op de zitting dat deze akte is opgemaakt op basis van de Ethiopische vluchtelingenkaart, die op basis van de eigen verklaring van eiseres is opgemaakt. In het geval de akte wel bij de beoordeling zou worden betrokken, kan er daarom maar weinig waarde aan worden toegekend voor het bepalen van de identiteit van eiseres.

De rechtbank concludeert dat verweerder alle door eiseres overgelegde documenten heeft betrokken in zijn beoordeling. Hierbij heeft verweerder een individuele beoordeling gemaakt waarbij hij rekening heeft gehouden met alle relevante elementen van het geval, zoals bedoeld in het arrest E. tegen Nederland.4 Verweerder heeft zich op basis van die individuele beoordeling op het standpunt mogen stellen dat alle documenten samen niet voldoende substantieel zijn voor het aantonen van de identiteit van eiseres. Verweerder was daarom ook niet gehouden om nader onderzoek aan eiseres aan te bieden. De beroepsgrond treft geen doel.

7. Eiseres betoogt ook dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor nareis omdat zij ten tijde van de inreis van referent ‘slechts’ verloofde was. De rechtbank zal deze beroepsgrond niet behandelen omdat verweerder de aanvraag al af heeft kunnen wijzen op de grond dat eiseres haar identiteit niet heeft aangetoond. De rechtbank verwijst hiervoor naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).5

Conclusie

8. De rechtbank concludeert dat verweerder de aanvraag af heeft mogen wijzen omdat de identiteit van eiseres niet aannemelijk is gemaakt. De door eiseres overgelegde stukken heeft verweerder onvoldoende mogen vinden. Verweerder heeft daarom ook geen nader onderzoek naar de identiteit van eiseres aan hoeven bieden. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van

mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier, op 21 augustus 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 HvJEU 13 maart 2019 ECLI:C:2019:192.

2 Zie bijvoorbeeld Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 16 mei 2018 ECLI:NL:RVS:2018:1508 en ABRvS 16 mei 2018 ECLI:NL:RVS:2018:1637.

3 Zie onder meer Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 3 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1768) en ABRvS 9 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1695).

4 Europese Hof van Justitie 13 maart 2019 ECLI:C:2019:192.

5 ABRvS 15 juli 2020 ECLI:NL:2020:1684.