Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11844

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
20-11-2020
Zaaknummer
NL20.15124
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring; ongegrond; afzien interventie; geen presentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.15124

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: B.H. Wezeman).

Procesverloop

Verweerder heeft op 23 april 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

  1. Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [2002] .

  2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 7 juli 2020 (in de zaak NL20.13000) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.

4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Daarbij voert eiser aan dat hij al eerder heeft laten weten dat rappelleren zinloos is, indien niet door verweerder wordt gemotiveerd of er ├╝berhaupt presentaties in persoon plaats zullen vinden. Gelet op de toename van het aantal besmettingen ligt het niet in de lijn der verwachtingen dat er binnen zes maanden een presentatie op het consulaat van Marokko zal kunnen plaatsvinden. Daarnaast voert eiser aan dat hij nu ruim vier maanden in bewaring zit en dat al deze maanden behoudens het rappelleren niets is gebeurd dat wijst op enige vooruitgang.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de inbewaringstelling nog rechtmatig is en dat zicht op uitzetting aanwezig is. Het ingediende verzoek tot afgifte van een laissez passer (lp) is nog altijd in onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten. Verweerder heeft daar laatstelijk op 22 juli 2020 schriftelijk op gerappelleerd. Verder wordt eiser maandelijks gehoord. Uit het laatste vertrekgesprek van 22 juli 2020 blijkt dat eiser is aangeboden in gesprek te gaan met het bureau Maatschappelijk Herstel en Rehabilitatie (het MHR) die eiser kan helpen bij terugkeer naar Marokko. Ondanks dat eiser heeft gezegd dat hij graag met het MHR in gesprek gaat, blijkt uit de M120 dat eiser na een gesprek met het MHR heeft afgezien van een interventie. Verweerder leidt hieruit af dat eiser niet wil terugkeren naar zijn land van herkomst. Verweerder merkt ook op dat eiser de afgifte van een lp ook zelf kan versnellen als hij zijn geboorteakte uit het land van herkomst laat overkomen. Uit het vertrekgesprek van 22 juli 2020 blijkt echter dat eiser niet van plan is dit te gaan doen. De door eiser aangevoerde reden waarom hij zijn geboorteakte niet zou kunnen laten opsturen vindt verweerder niet geloofwaardig of verschoonbaar. Verweerder volgt eiser niet in zijn stelling dat rappelleren zinloos is. Verweerder merkt daarbij op dat er op dit moment in Marokko onderzoek plaatsvindt op basis van de ingediende stukken, waaronder de afgenomen vingerafdrukken (dacty) van eiser.

6. Uit de beschikbare stukken blijkt dat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt. Verweerder rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een lp, voor het laatst op 22 juli 2020. De Marokkaanse autoriteiten hebben niet te kennen gegeven dat zij geen lp aan eiser zullen afgeven. De rechtbank overweegt dat verweerder voor het plannen van een presentatie in persoon afhankelijk van de Marokkaanse autoriteiten. Voor zover op dit moment geen presentaties in persoon plaatsvinden, is bovendien niet gezegd dat deze niet hervat kunnen worden, of dat een lp zonder presentatie in persoon kan worden afgegeven. Ook heeft verweerder voor het laatst op 22 juli 2020 een (vierde) vertrekgesprek gevoerd met eiser. In dit gesprek heeft eiser redenen genoemd waarom hij zijn geboorteakte niet naar Nederland kan laten verzenden. Deze redenen overtuigen de rechtbank niet dat het niet mogelijk zou zijn om zijn geboorteakte toe te laten sturen. Naar aanleiding van dit vertrekgesprek is eiser wel in gesprek gegaan met het MHR op 5 augustus 2020, maar is er afgezien van een interventie. De rechtbank benadrukt dat op eiser de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer mee dat hij actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. Op dit moment,

gelet op het bovenstaande, is niet gebleken dat eiser die medewerking verleent. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is of dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Eisers beroepsgronden slagen daarom niet.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, rechter, in aanwezigheid van N.J.R. Kalaykhan, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

19 augustus 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.