Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11805

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2020
Datum publicatie
23-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 7829
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet WIA. Eiser betoogt onder meer dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. De rechtbank ziet geen aanleiding het onderzoek verricht door de verzekeringsarts b&b onzorgvuldig te achten. In de omstandigheid dat eiser niet op het spreekuur is gezien door de verzekeringsarts b&b ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen. Volgens vaste rechtspraak leidt de omstandigheid dat de verzekeringsarts b&b heeft volstaan met dossieronderzoek namelijk niet tot onzorgvuldige besluitvorming. De rechtbank ziet evenmin aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van toegenomen klachten uit dezelfde ziekteoorzaak. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/7829

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. Y. Ben - Saddek-El Hamri),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: J.H. Swart).

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder met ingang
8 november 2018 eiser een uitkering ingevolge de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd.

Bij besluit van 29 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Wat ging er aan de zaak vooraf?

1.1.

Eiser was laatstelijk werkzaam als beheerder fietsenstalling. Hij is in 2012 voor dit werk uitgevallen vanwege lichamelijke en psychische klachten. Eiser heeft per einde wachttijd een WIA-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 24 juli 2014 heeft verweerder hem met ingang van 2 oktober 2014 een WIA-uitkering geweigerd, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is te achten. In bezwaar, beroep en hoger beroep is dit besluit gehandhaafd.

1.2.

Op 8 november 2018 heeft eiser opnieuw een WIA-uitkering aangevraagd vanwege toegenomen klachten. Ter onderbouwing heeft eiser informatie van zijn psychiater overgelegd gedateerd op 19 oktober 2018. Naar aanleiding van de aanvraag heeft verweerder verzekeringsgeneeskundig onderzoek laten verrichten door een arts. De primaire arts heeft zijn bevindingen neergelegd in het rapport van 18 februari 2019. Volgens de primaire arts was voldoende informatie aanwezig om tot een zorgvuldig oordeel te komen. Daarom is geen informatie bij de behandelend sector opgevraagd. De primaire arts komt tot de conclusie dat de medische informatie van eisers psychiater hem geen aanleiding geeft om toegenomen beperkingen aan te nemen. De Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van
4 februari 2015 is volgens de primaire arts een juiste weergave van eisers belastbaarheid ten tijde van de datum in geding (8 november 2018). Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen.

2.1.

In het kader van de bezwaarprocedure is eiser op 5 augustus 2019 uitgenodigd voor een spreekuur bij de primaire arts. De primaire arts heeft zijn bevindingen neergelegd in het rapport van 5 september 2019. In dit rapport is onder meer opgenomen dat de primaire arts kennis heeft genomen van de door eiser verstrekte brief van zijn psychiater van 4 juli 2019. Volgens de primaire arts dient een zorgvuldig medisch onderzoek verricht te worden om te beoordelen of er wijzigingen in de mentale en fysieke belastbaarheid van eiser zijn opgetreden. Dit werd echter belemmerd en onmogelijk gemaakt doordat eiser het spreekuur heeft verlaten voordat afspraken konden worden gemaakt over aanvullend onderzoek, voordat lichamelijk onderzoek kon worden verricht en voordat hij een machtiging kon ondertekenen teneinde medische informatie bij zijn behandelaar op te vragen. Volgens de primaire arts kan daarom niet worden beoordeeld in welke mate bij eiser sprake is van psychische en fysieke beperkingen. Over eisers functionele mogelijkheden en zijn prognose heeft deze arts om die reden geen uitspraken gedaan.

2.2.

Bij brief van 18 september 2019 heeft verweerder eiser verzocht om een machtiging op te stellen zodat medische informatie bij de behandelend sector kon worden opgevraagd. Verweerder heeft op 30 september 2019 een formulier ‘machtiging medische gegevens’ ontvangen. Volgens verweerder was dit machtigingsformulier niet volledig en kon daarom geen informatie worden opgevraagd. Bij brief van 14 oktober 2019 heeft verweerder eiser wederom verzocht het machtigingsformulier in te vullen en terug te sturen. Op 18 oktober 2019 heeft verweerder het machtigingsformulier van eiser ontvangen.

2.3.

Vervolgens stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) op 28 oktober 2019 een rapport op. De verzekeringsarts b&b heeft de aanwezige gegevens in bezwaar nader bestudeerd en komt tot de conclusie dat hij voldoende informatie heeft om tot een besluit te komen. Anders dan de primaire arts heeft hij geen aanvullende informatie nodig om de claim van toegenomen arbeidsongeschiktheid te kunnen beoordelen. Dit komt onder andere vanwege het feit dat de verzekeringsarts b&b eiser kent van eerdere beoordelingen in bezwaar, beroep en hoger beroep en vanwege de verkregen informatie bij de fysieke beoordeling door de primaire arts op 5 september 2019. De verzekeringsarts b&b komt in zijn rapport tot de conclusie dat bestudering van het dossier en de beschrijving van de primaire arts hem geen ander beeld geeft dan waarmee eiser bekend is. Eiser heeft geen nieuwe medische informatie ingebracht. Ook zijn er geen nieuwe onderzoeken of behandelingen ingezet. Eiser heeft slechts 1 keer per 3 maanden een bezoek aan de psychiater en er is geen indicatie voor intensievere behandelingen. Dit was ook al aan de orde bij de psychiatrische expertise van Psyon. Er zijn geen significante wijzigingen opgetreden sindsdien. De verzekeringsarts b&b ziet vanuit medisch oogpunt geen noodzaak af te wijken van de afgegeven beslissing.

2.4.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Het bestreden besluit berust aldus eveneens op het standpunt dat eiser met ingang van 8 november 2018 geen recht heeft op een WIA-uitkering.

Standpunten van partijen

3.1.

Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij betoogt – samengevat weergegeven – dat het bestreden besluit niet op een draagkrachtige motivering berust en niet zorgvuldig is voorbereid. Ten eerste heeft verweerder niet kunnen volstaan met een beoordeling waarbij eiser zowel door de primaire arts als de verzekeringsarts b&b niet medisch is onderzocht. Daarnaast had de verzekeringsarts b&b informatie op moeten vragen bij de behandelend sector. Tot slot betoogt eiser dat zijn gezondheidsklachten zijn onderschat. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser wederom de medische informatie van de psychiater van 4 juli 2019 overgelegd.

3.2.

Naar aanleiding van eisers beroepschrift heeft verweerder de rechtbank verzocht om aanhouding van de zaak, zodat verweerder alsnog medische informatie kon opvragen bij de behandelend sector om een zo volledig mogelijk beeld van de gezondheidsproblematiek van eiser te krijgen. Na ontvangst van de medische informatie van de psychiater van
10 februari 2020 heeft de verzekeringsarts b&b op 13 mei 2020 een aanvullend rapport opgesteld. De verzekeringsarts b&b komt in dit rapport tot de conclusie dat er op basis van de ontvangen medische informatie geen aanwijzingen zijn voor een toename van beperkingen ten aanzien van eisers belastbaarheid op de datum in geding. Verweerder ziet vanwege voornoemd aanvullend rapport geen aanleiding om zijn standpunt te herzien.

Beoordeling door de rechtbank

4.1.

Het is vaste rechtspraak dat verweerder zijn besluiten omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.

4.2.

Het betoog van eiser dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat eiser

tijdens het primaire onderzoek en tijdens het onderzoek in bezwaar niet medisch is onderzocht, slaagt niet. De rechtbank neemt hiertoe allereerst in overweging dat verweerder eiser uit het oogpunt van zorgvuldigheid in de bezwaarprocedure alsnog heeft uitgenodigd op het spreekuur bij de primaire arts op 5 augustus 2019. Eiser heeft er evenwel zelf voor gekozen het spreekuur te verlaten voordat de primaire arts lichamelijk dan wel psychisch onderzoek kon verrichten. Dat door de primaire arts geen medisch onderzoek is verricht, kan dus niet aan verweerder worden tegengeworpen. Daarnaast blijkt uit het rapport van
28 oktober 2019 van de verzekeringsarts b&b dat de verzekeringsarts b&b het dossier van eiser nader heeft bestudeerd en dat hij kennis heeft genomen van de voorhanden zijnde stukken alsmede van de verkregen informatie bij de fysieke beoordeling door de primaire arts op 5 september 2019. Vervolgens heeft de verzekeringsarts b&b inzichtelijk gemotiveerd waarom hij anders dan de primaire arts van oordeel is dat hij geen aanvullende informatie nodig heeft om de claim van toegenomen arbeidsongeschiktheid te kunnen beoordelen en waarom hij geen aanleiding heeft gezien een andere belastbaarheid aan te nemen dan neergelegd in de FML van 4 februari 2015. Uit genoemde activiteiten kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat er een zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden door de verzekeringsarts b&b. In de omstandigheid dat eiser niet op het spreekuur is gezien door de verzekeringsarts b&b ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) leidt de omstandigheid dat de verzekeringsarts b&b heeft volstaan met dossieronderzoek namelijk niet tot onzorgvuldige besluitvorming.1

4.3.

Voorts is in geschil of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat bij eiser ten tijde van de datum in geding geen sprake is van toegenomen klachten uit dezelfde ziekteoorzaak.

4.4.

Eiser heeft bij zijn aanvraag gesteld dat zijn klachten zijn verergerd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij verwezen naar medische informatie van zijn psychiater van 19 oktober 2018. De verzekeringsarts b&b heeft deze informatie beoordeeld en kenbaar in zijn beoordeling betrokken. Hetzelfde geldt voor de medische informatie van de psychiater van 4 juli 2019 (door eiser ingebracht tijdens de bezwaarfase en in de beroepsprocedure). Volgens de verzekeringsarts b&b zijn de klachten die in deze medische informatie staan vermeld meegewogen en onderkend bij de eerdere beoordeling, zodat niet gesproken kan worden van een significante wijziging van eisers psychische klachten. De rechtbank kan dit volgen. Voorts bevestigt de medische informatie die verweerder uit oogpunt van zorgvuldigheid in beroep heeft opgevraagd de eerdere conclusie van de verzekeringsarts b&b. Nu door eiser geen nieuwe medische informatie is overgelegd waaruit blijkt dat de verzekeringsarts b&b zijn psychische belastbaarheid onjuist heeft ingeschat, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat op de datum in geding sprake is van toegenomen klachten uit dezelfde ziekteoorzaak. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Lemmen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
25 september 2020.

De rechter is
verhinderd deze
uitspraak te
griffier ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 30 juli 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6938.