Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11795

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2020
Datum publicatie
15-01-2021
Zaaknummer
C/09/526013 / FA RK 17-656
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

litispendentie artikel 12 Rv echtscheidingsprocedure Turkije bevoegdheid nevenverzoeken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 17-656

Zaaknummer: C/09/526013

Datum beschikking: 20 november 2020

Scheiding

Beschikking op het op 24 januari 2017 ingekomen verzoek van:

[X] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. F. Arslan te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam.

Procedure

Bij beschikking van 16 november 2017 van deze rechtbank is iedere verdere beslissing ten aanzien van de echtscheiding, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, de partneralimentatie, de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime en de proceskosten pro forma aangehouden in afwachting van de uitkomst van de echtscheidingsprocedure tussen partijen in Turkije.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

- het bericht van 16 mei 2018 van de zijde van de vrouw;

- het bericht van 31 mei 2018 van de zijde van de vrouw;

- het bericht van 5 juni 2018 van de zijde van de man;

- het bericht van 19 juli 2018 van de zijde van de vrouw;

- het bericht van 20 juli 2018 van de zijde van de vrouw;

- het bericht van 16 november 2018 van de zijde van de vrouw;

- het bericht van 24 november 2018 van de zijde van de vrouw;

- het bericht van 29 november 2018 van de zijde van de man;

- het bericht van 17 januari 2019 van de zijde van de vrouw;

- het bericht van 21 januari 2019 van de zijde van de vrouw;

- het bericht van 22 februari 2019 van de zijde van de man;

- het bericht van 30 april 2019 van de zijde van de man;

- het bericht van 30 april 2019 van de zijde van de vrouw;

- het bericht van 21 mei 2019 van de zijde van de vrouw;

- het bericht van 28 juni 2019 van de zijde van de man;

- het bericht van 28 juni 2019 van de zijde van de vrouw;

- het bericht van 12 juli 2019, met bijlage, van de zijde van de vrouw;

- het bericht van 18 juli 2019 van de zijde van de man;

- het bericht van 30 augustus 2019 van de zijde van de man;

- het bericht van 31 oktober 2019 van de zijde van de vrouw;

- de brief van 31 oktober 2019, met bijlage, van de zijde van de man;

- het bericht van 1 november 2019 van de zijde van de man;

- het bericht van 6 november 2019 van de zijde van de vrouw;

- het bericht van 22 november 2019 van de zijde van de man;

- de brief van 11 augustus 2020, met bijlagen, van de zijde van de man;

- het bericht van 31 augustus 2020 van de zijde van de vrouw;

- het bericht van 2 september 2020 van de zijde van de man;

- het bericht van 16 september 2020 van de zijde van de vrouw

- het bericht van 14 oktober 2020 van de zijde van de man.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking van 16 november 2017 is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Echtscheiding

Bij beschikking van [beschikkingsdatum] 2019 heeft de Turkse rechter de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Nu de echtscheiding op [datum echtscheiding] 2019 is ingeschreven bij de burgerlijke stand in Turkije, staat vast dat de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Turkije en Nederland zijn beiden partij bij het CIEC-Verdrag van Luxemburg inzake de erkenning van beslissingen betreffende de huwelijksband van 8 september 1967, Trb. 1979, nr. 130 (verder te noemen: het Luxemburgse verdrag). Nu echter uit artikel 13 van dit verdrag blijkt dat het de verdragsluitende partijen vrij staat om gunstigere nationale erkenningsregels te formuleren en toe te passen en de in de artikelen 10:57 en 10:58 van het Burgerlijk Wetboek (BW) neergelegde erkenningsregels soepeler zijn dan dit verdrag, kan met toepassing van die regels worden volstaan. In artikel 10:57 BW is bepaald dat een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen ontbinding van het huwelijk in Nederland wordt erkend, indien zij tot stand is gekomen door de beslissing van een rechter of andere autoriteit en indien aan de rechter of andere autoriteit rechtsmacht toekwam. Gebleken is dat de Turkse rechter het huwelijk heeft ontbonden. Gesteld noch gebleken is dat hierbij geen sprake zou zijn geweest van een behoorlijke rechtspleging en nu partijen naar de rechtbank aanneemt beide naast de Nederlandse nationaliteit ook de Turkse nationaliteit hadden kwam de Turkse rechter op die grond rechtsmacht toe. Gelet hierop komt de ontbinding van het huwelijk voor erkenning in aanmerking. De rechtbank verklaart zich dan ook ingevolge artikel 12 Rv onbevoegd om van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen.

Nevenverzoeken

Het ontbreken van bevoegdheid ten aanzien van het echtscheidingsverzoek staat niet in de weg aan de bevoegdheid ten aanzien van de verzochte nevenvoorzieningen. De rechtbank zal deze verzoeken als zelfstandige verzoeken beschouwen.

De rechtbank stelt allereerst vast dat blijkens de Turkse echtscheidingsbeschikking de verzoeken tot vaststelling van een partneralimentatie en tot afwikkeling van het huwelijksvermogensregime niet bij de Turkse rechter aanhangig zijn (geweest). Aan de orde waren uitsluitend een verzoek tot echtscheiding, een verzoek tot materiële en immateriële schadevergoeding en een verzoek tot het treffen van conservatoire maatregelen ten aanzien van de vermogensbestanddelen van partijen in Turkije. Het verzoek tot materiële en immateriële schadevergoeding betreft geen verzoek tot levensonderhoud als bedoeld in artikel 175 Turks Burgerlijk Wetboek en het verzoek tot het treffen van conservatoire maatregelen ten aanzien van de vermogensbestanddelen van partijen in Turkije betreft geen verzoek tot verdeling als bedoeld in boek twee van het Turks Burgerlijk Wetboek.

Voortgezet gebruik echtelijke woning

Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek terzake van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en wordt dit volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst. Nu de echtscheiding ruim een jaar geleden is ingeschreven bij de burgerlijke stand in Turkije, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw tot toekenning van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning af. De periode van voortgezet gebruik van de echtelijke woning kan maximaal zes maanden na de inschrijving van de echtscheiding duren en deze periode is inmiddels voorbij.

Partneralimentatie

Nu de man (en overigens ook de vrouw) in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek van de vrouw.

Op grond van artikel 3 lid 1 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen is Nederlands recht op het verzoek van toepassing omdat de vrouw in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft.

De rechtbank kan bij gebreke van recente inkomensgegevens geen oordeel geven over het verzoek ten aanzien van de partneralimentatie. Partijen worden in de gelegenheid gesteld om hiertoe recente gegevens ten aanzien hun inkomen en een draagkrachtberekening over te leggen. Gelet op de maatregelen rond het Coronavirus die leiden tot beperkte zittingscapaciteit bij de rechtbank wordt aan partijen in overweging gegeven in te stemmen met schriftelijk afdoening van dit onderdeel.

Afwikkeling huwelijksvermogensregime

Nu er geen sprake meer is van een nevenvoorziening maar een zelfstandig verzoek zal de rechtbank op de voet van artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de zaak voor wat betreft de vaststelling van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime voor verdere behandeling verwijzen naar Team Handel van deze rechtbank en partijen de gelegenheid bieden om hun processtukken daarop aan te passen.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart zich onbevoegd om van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen;

bepaalt dat partijen voor na te noemen pro forma datum recente stukken ten aanzien van hun inkomen en een draagkrachtberekening over te leggen en de rechtbank te informeren of zij instemmen met schriftelijke afdoening van de partneralimentatie;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de partneralimentatie en de proceskosten pro forma aan tot 16 december 2020;

beveelt dat de procedure voor wat betreft de vaststelling van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure;

bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van woensdag 16 december 2020 te 10:00 uur;

beveelt de vrouw om de man bij exploot aan te zeggen dat de zaak op voornoemde zitting zal worden uitgeroepen, en hem daarbij het inleidende processtuk te doen betekenen.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, bijgestaan door mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 november 2020;