Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11773

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
19-11-2020
Zaaknummer
AWB 20/536
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Marokkaanse nationaliteit, tijdelijk humanitaire gronden, slachtoffer huiselijk geweld, par B8/2 van de Vc 2000

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/536

v-nummer: [nummer 1]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiseres,

gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 januari 2020 (het bestreden besluit).

Van verweerder is op 1 oktober 2020 een verweerschrift ontvangen. Op 6 oktober 2020 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2020. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1974 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Vanwege haar huwelijk met [naam 2] (hierna: echtgenoot) is zij op 2 mei 2017 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent’, geldig van 3 mei 2017 tot 3 mei 2022. Bij besluit van 29 mei 2018 heeft verweerder deze verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 3 mei 2017. Bij besluit van 2 mei 2019 heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Op 6 juni 2019 zijn eiseres en haar echtgenoot gescheiden.

2. Op 21 mei 2019 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als doel ‘tijdelijke humanitaire gronden’1, omdat zij slachtoffer is geworden van huiselijk geweld (hierna: de aanvraag). Bij het besluit van 21 oktober 2019 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en zij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van een van de uitzonderingsgronden2. Verweer heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet zou kunnen terugkeren naar Marokko om zich te onttrekken aan het huiselijk geweld en daarmee niet voldoet aan de voorwaarden van het beleid. Verder meent verweerder dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste in het geval van eiseres niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard (hierna: de hardheidsclausule). Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

3. Op wat eiseres hiertegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Voor het relevante juridisch kader verwijst de rechtbank naar de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

5. De rechtbank stelt voorop dat bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 juni 2020 (2020002895/1/V2) de intrekking van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier in rechte is komen vast te staan. De beroepsgronden die in verband hiermee zijn ingediend, behoeven daarom geen bespreking.

6. Vaststaat verder dat eiseres niet beschikt over een geldige mvv. De kern van het geschil spitst zich toe op de vraag of eiseres in aanmerking komt voor vrijstelling van dit vereiste3.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder f, van het Vb en daarom dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Daarbij heeft verweerder terecht gewezen op het toepasselijke beleid voor slachtoffers van huiselijk geweld zoals is neergelegd in paragraaf B8/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). In zijn verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat het Verdrag van Istanbul4 in het bestaande vreemdelingenrecht is geïmplementeerd. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat niet aan alle voorwaarden voor vergunningverlening is voldaan. Zo heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij niet kan terugkeren naar Marokko om zich te onttrekken aan het huiselijk geweld door zich te vestigen in het land van herkomst. Weliswaar volgt verweerder dat eiseres in Nederland zonder verblijfstitel slachtoffer is geworden van huiselijk geweld5, maar niet dat zij ook in Marokko voor haar haar ex-echtgenoot heeft te vrezen. De enkele stelling dat hij haar nog steeds bedreigt en zegt haar overal te kunnen vinden, is hiervoor onvoldoende. Terecht heeft verweerder in zijn verweerschrift opgemerkt dat haar ex-echtgenoot in Nederland verblijft en zij daarom in Nederland een groter gevaar loopt om door hem te worden gevonden dan in Marokko. Verweerder heeft verder terecht aan eiseres tegengeworpen dat zij niet met objectief verifieerbare stukken heeft onderbouwd dat zij in Marokko heeft te vrezen voor haar eigen broers. Niet is aangetoond dat de brief van haar (gestelde) zus en de WhatsApp-gesprekken met haar (gestelde) broer(s) inderdaad afkomstig zijn van haar zus en broer(s). Het in beroep overgelegde familieboekje kan eiseres evenmin baten, nu dit een (niet leesbare) kopie betreft en deze niet op echtheid kan worden onderzocht. Verweerder heeft verder van belang kunnen vinden dat eiseres een volwassen vrouw is die het overgrote deel van haar leven in Marokko heeft gewoond en in Nederland nooit rechtmatig verblijf heeft gehad. Terecht heeft verweerder gewezen op het feit dat eiseres na haar huwelijk in 2012 nog vijf jaar zonder haar echtgenoot in Marokko heeft gewoond. Van haar kan en mag dan ook worden verwacht dat zij zich, al dan niet met hulp, staande weet te houden in Marokko. Zij hoeft niet terug te keren naar haar familie in Marokko of haar familie van haar terugkeer op de hoogte te stellen. De door eiseres in beroep overgelegde landeninformatie van Vluchtelingenwerk van 7 februari 2020 over de positie van (alleenstaande) vrouwen in Marokko en de beschermingsmogelijkheden kan niet tot een ander oordeel leiden. Het beeld dat daarin wordt geschetst van de omstandigheden waaronder alleenstaande vrouwen in dat land vaak leven, laat onverlet dat eiseres heel lang deel heeft uitgemaakt van die maatschappij.

8. De hardheidsclausule van artikel 3.71, derde lid, van het Vb biedt verweerder de mogelijkheid in zeer uitzonderlijke individuele gevallen6 vreemdelingen vrij te stellen van het mvv-vereiste. In de door eiseres genoemde persoonlijke omstandigheden dat zij in de afgelopen jaren alleen maar tegenslagen heeft gekend, dat zij momenteel in onzekerheid leeft over haar toekomst en dat zij medische klachten heeft ontwikkeld, heeft verweerder niet ten onrechte geen aanleiding gezien om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste. De rechtbank kan begrijpen dat eiseres in Nederland wenst te blijven, maar dit is onvoldoende grond voor verweerder om af te wijken van het mvv-vereiste. De rechtbank volgt evenmin het betoog van eiseres ter zitting dat het besluit in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Eiseres heeft in dit verband aangevoerd dat het aan haar

ex-echtgenoot te wijten is dat haar verblijfsvergunning is ingetrokken en voorts dat zij door hem slachtoffer is geworden van huiselijk geweld. Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank geen feiten en omstandigheden die maken dat het voor haar onevenredig bezwarend zou zijn dat verweerder vasthoudt aan het mvv-vereiste en zij moet terugkeren naar Marokko. Voor zover eiseres meent dat zij vanwege haar medische situatie op verblijf in Nederland is aangewezen, zal zij een daartoe strekkende aanvraag moeten indienen.

9. Het beroep van eiseres ter zitting op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slaagt niet, nu dit niet concreet is onderbouwd.

10. Nu sprake is van een zogenaamde ex-tunc toets heeft verweerder de wereldwijde corona-pandemie en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor eiseres niet kunnen en hoeven meewegen in zijn besluitvorming. Voor zover eiseres betoogt dat zij thans niet kán terugkeren vanwege de pandemie overweegt de rechtbank dat dit een tijdelijk beletsel is dat niet aan de rechtmatigheid van het besluit in de weg staat.

11. Verweerder mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen afzien indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de inhoud van het primaire besluit en wat daartegen door eiseres is aangevoerd, doet een dergelijke situatie zich hier voor en heeft verweerder kunnen afzien van horen. Van schending van de hoorplicht is geen sprake.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2020.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:84

Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 14

3. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden opgesteld over de ambtshalve verlening, wijziging en verlenging, de beperkingen en de voorschriften.

Artikel 16

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:

a. de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd;

(…)

g. de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven;

(…).

Artikel 17

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) indien het betreft:

(…)

g. de vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie;

(…).

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 3.4

De in artikel 14, derde lid, van de Wet bedoelde beperkingen houden verband met:

(…)

q. tijdelijke humanitaire gronden;

(…).

Artikel 3.48

1. De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan onder een beperking, verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden worden verleend aan de vreemdeling, die:

(…)

f. zonder verblijfstitel slachtoffer is geworden of dreigt te worden van huiselijk geweld;

(…).

4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid.

Artikel 3.71

1. De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

2. Van het vereiste van een geldige mvv is, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Wet, vrijgesteld de vreemdeling:

(…)

q. die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder f ,(…);

(…);

3. Onze Minister kan het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Vreemdelingencirculaire 2000

B8/2 Eergerelateerd en huiselijk geweld

2.1

Beleidsregels

Huiselijk geweld

De Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) verleent op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder f, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) een verblijfsvergunning aan een slachtoffer van huiselijk geweld als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

1. er is sprake van (een reële dreiging van) huiselijk geweld;

2. het huiselijk geweld heeft geleid tot verbreking van de (huwelijks)relatie;

3. het huiselijk geweld heeft geen relatie met eer(wraak);

4. het slachtoffer kan zich niet onttrekken aan het huiselijk geweld door vestiging in

het land van herkomst; en

5. het slachtoffer komt niet op enige andere grond dan in deze paragraaf genoemd in aanmerking voor een verblijfsvergunning.

Ad 4.

De vreemdeling moet aannemelijk maken dat hij zich niet aan het geweld kan onttrekken als hij zich zou vestigen in het land van herkomst. Naast geweld of dreiging van geweld in Nederland moet ook in het land van herkomst dreiging aanwezig zijn. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat van de kant van de familieleden die in het land van herkomst wonen, dreiging voor betrokkene uitgaat.

2.3

Bewijsmiddelen

Huiselijk geweld

De IND beschouwt als bewijsmiddel van huiselijk geweld:

• recente bescheiden van de politie, waarbij bij de politie aannemelijk gemaakt moet zijn dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden; óf

• een recente verklaring van de politie of het OM dat het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld.

in combinatie met recente medische informatie van de (vertrouwens)arts of een recente verklaring van een andere hulpverlener of recente gegevens over verblijf in de opvang of andere objectieve gegevens uit betrouwbare bron, waaruit voldoende moet blijken dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden.

1 op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder q en 3.48, eerste lid, aanhef en onder f, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)

2 op grond van artikel 3.71 van het Vb

3 op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder q van het Vb of op grond van het derde lid van dit artikel

4 Verdrag van de Raad van Europa van 11 mei 2011 inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.

5 Zie hiervoor artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder q van het Vb en artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder f, van het Vb

6 vergelijk de uitspraak van 26 juni 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AH9212