Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1174

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
SGR 19/1075
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen dienstverbandaandoening, geen MIP/ geen arbeidsongeschiktheid met dienstverband/ arbeidsconflict

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/1075

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.H. Gerritsen),

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J. Engels Linssen).

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een arbeidsongeschiktheidspensioen toegekend met ingang van 1 oktober 2017 en heeft bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een militair invaliditeitspensioen.

Bij besluit van 10 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2020.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser was met ingang van 13 november 1995 aangesteld bij het beroepspersoneel van de Koninklijke Landmacht, laatstelijk in de rang van majoor.

Eiser is met ingang van 2 december 2013 uitgevallen wegens ziekte.

Eiser heeft op 21 februari 2014 een Geneeskundig Onderzoek ondergaan. Op basis van de onderzoeksbevindingen is geconcludeerd dat eiser vermoedelijk blijvend dienstongeschikt wordt geacht.

1.2

Eiser is op 2 juli 2015 onderworpen aan een Militair Geneeskundig Onderzoek (MGO). Tevens is op 14 januari 2016 een psychiatrische expertise verricht door [A] (hierna: [A] ), psychiater bij Bijzondere Medische Beoordelingen van Defensie, waarvan op 3 mei 2016 een rapport is uitgebracht. Op 2 mei 2017 is het MGO-rapport uitgebracht. In dit rapport is mede op basis van het rapport van psychiatrische expertise geconcludeerd dat eiser op 2 juli 2015 (blijvend) ongeschikt wordt geacht voor de militaire dienst in verband met een aandoening van psychische aard, zijnde een bipolaire stoornis type I. Voor deze aandoening wordt geen dienstverband aanvaard.

1.3

Aan eiser is met ingang van 1 oktober 2017 eervol ontslag verleend wegens blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de dienst uit hoofde van een ziekte of een gebrek. Het ontslag is in bezwaar gehandhaafd. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 10 april 2019 door deze rechtbank ongegrond verklaard (SGR 18/1400). Eiser heeft hoger beroep ingesteld, waarop ten tijde van dit geding nog geen uitspraak is gedaan.

2. Bij het primaire besluit van 13 november 2017 heeft verweerder op basis van het MGO-rapport van 2 mei 2017 geweigerd aan eiser een militair invaliditeitspensioen toe te kennen. Verweerder aanvaardt geen verband met de uitoefening van de militaire dienst ten aanzien van de bij eiser geconstateerde aandoening van psychische aard.

3. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat er ten onrechte geen dienstverband wordt aangenomen voor zijn aandoening. Toen eiser in 1995 binnen Defensie kwam werken, had eiser geen bipolaire stoornis. In 2008 is eiser door allerlei werkgerelateerde omstandigheden ziek geworden en in behandeling gekomen. In 2013 heeft eiser een in en door zijn werk veroorzaakt trauma meegemaakt. Door PTSS en de gevolgen hiervan is eiser met ingang van 4 september 2015 arbeidsongeschikt. Eiser is dus ziek geworden door de uitoefening van de dienst. De omstandigheden waaronder eiser zijn werk diende te verrichten waren buitengewoon of daarmee vergelijkbaar. Het gaat er in de kern om dat eiser is blootgesteld aan schadelijke omstandigheden, zonder dat maatregelen ter bescherming van de gezondheid zijn genomen.

4. Bedrijfsarts [B] (hierna: de bedrijfsarts) heeft bij brief van 9 maart 2018 aangegeven dat het MGO zorgvuldig is verricht en dat de door eiser in bezwaar aangedragen informatie geen aanleiding geeft om de gestelde diagnose bipolaire type I-stoornis te verlaten. De door eiser geclaimde diagnose PTSS kan volgens de bedrijfsarts niet worden gesteld omdat er niet voldaan wordt aan het A-criterium en het C-criterium uit het PTSS-protocol.

5.1

Op 22 mei 2018 heeft eiser een reactie op het advies van de bedrijfsarts ingediend.

5.2

Op 14 november 2018 heeft eiser – naar aanleiding van de hoorzitting van

11 oktober 2018 – een (ongedateerde) brief van psychiater [C] (hierna:

[C] ) ingediend waarin een toelichting is gegeven over hoe psychiater

[C] ten aanzien van eiser tot de diagnose PTSS komt.

6.1

Psychiater [A] heeft bij brief van 17 december 2018 in reactie op de voornoemde brief van [C] aangegeven dat het arbeidsconflict niet aan het A-criterium van de diagnose PTSS voldoet en dat hij op basis van de bekende stukken geen aanleiding ziet om de eerder door hem gestelde diagnose bipolaire type I-stoornis te herzien.

6.2

De bedrijfsarts heeft bij brief van 17 december 2018, onder verwijzing naar de reactie van psychiater [A] , geadviseerd dat er geen grond is voor wijziging van het eerder ingenomen standpunt ten aanzien van de diagnose en het dienstverband, zoals vermeld in het MGO-rapport. De bedrijfsarts ziet geen grond te twijfelen dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling als zorgvuldig aangemerkt dient te worden.

7. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, met verwijzing naar het commentaar van psychiater [A] en de bedrijfsarts, het primaire besluit ongewijzigd gehandhaafd.

8. Eiser stelt dat verweerder hem ten onrechte geen militair invaliditeitspensioen heeft toegekend. Eiser is van mening dat hij wel degelijk in en door de uitoefening van de dienst arbeidsongeschikt is geworden en dat er daarom sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband. Hij stelt met verwijzing naar brieven van diverse artsen dat hij PTSS heeft opgelopen als gevolg van de ziekmakende omstandigheden op het werk, bestaande uit ongewenst gedrag, intimidatie, isolatie, strafbare feiten en integriteitsschendingen op het werk.

9. De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van de weigering van het invaliditeitspensioen

9.1

Gelet op het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV) kan slechts aanspraak op een invaliditeitspensioen bestaan in geval van invaliditeit met dienstverband. Ingevolge artikel 2, derde tot en met zesde lid, van het Besluit AO/IV is daarvoor kort samengevat vereist dat sprake is geweest van invaliditeit als gevolg uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden. Hiermee wordt niet gedoeld op arbeidsconflicten of slechte werkomstandigheden, maar op oorlogs- en gevechtssituaties waaraan een verhoogd risico is verbonden, zoals bijvoorbeeld in het kader van een uitzonderingstoestand of deelname aan internationale operaties. Van zulke of daarmee vergelijkbare situaties is naar het oordeel van de rechtbank in het geval van eiser duidelijk geen sprake. Verweerder heeft gezien het vorenstaande reeds op grond hiervan terecht geen aanleiding gezien om aan eiser een militair invaliditeitspensioen toe te kennen.

Ten aanzien van de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspensioen

9.2

De rechtbank begrijpt dat eisers grieven zich ook richten tegen het niet toekennen van een hoger uitkeringspercentage wegens arbeidsongeschiktheid met dienstverband.

9.3

Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van het Besluit AO/IV wordt het percentage waarop het arbeidsongeschiktheidspensioen is gebaseerd hoger vastgesteld, indien sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband. In artikel 2, eerste lid, van het Besluit AO/IV is bepaald dat onder arbeidsongeschiktheid met dienstverband wordt verstaan een arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekten of gebreken, die in overwegende mate hun oorzaak vinden in de aard van de aan de militair opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder zij moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid zijn te wijten.

Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de in opdracht van verweerder uitgevoerde psychiatrische expertise en het MGO onzorgvuldig zijn geweest. De rapporten van onderzoek en de reacties in bezwaar van de bedrijfsarts en de door hem geraadpleegde psychiater [A] , zijn gemotiveerd, inzichtelijk en concludent. Alle door eiser ingebrachte medische informatie is daarbij betrokken en daar is zowel door psychiater [A] als de bedrijfsarts nog uitgebreid op ingegaan. Verweerder mag zich daarom op de bevindingen in die rapporten en reacties baseren.

Verweerder heeft zich op basis van die bevindingen op goede gronden op het standpunt gesteld dat bij eiser al langere tijd sprake is van een bipolaire stoornis type I en dat die psychische aandoening niet in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan eiser opgedragen werkzaamheden. In de voornoemde rapporten is gemotiveerd toegelicht en onderbouwd dat een bipolaire stoornis een chronische psychiatrische stoornis is waarbij biologische aanleg/erfelijkheid een rol speelt. Ook verstoringen van het biologische ritme, psychische en sociale factoren zijn van invloed op de aandoening. Psychische factoren die daarbij een rol spelen zijn persoonlijke eigenschappen, zoals hoe iemand met zijn problemen omgaat, een gebrek aan zelfvertrouwen en een neiging tot perfectionisme. Ingrijpende levensgebeurtenissen kunnen episoden uitlokken. In het MGO-rapport en het onderliggen rapport van psychiater [A] wordt genoegzaam gemotiveerd aangegeven dat bij eiser de episoden werden uitgelokt door onder andere een verbouwing/verhuizing, bevalling, relatieproblemen, het overlijden van zijn moeder en ook het arbeidsconflict. Aldus is er voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid sprake geweest van een breed scala van factoren/ingrijpende gebeurtenissen, waardoor voldoende aannemelijk is geworden dat de vermeende trauma multifactorieel is bepaald en niet in overwegende mate door één bepaalde situatie – of zoals eiser stelt een arbeidsconflict – is ontstaan. Verweerder heeft zich daarom op goede gronden op het standpunt gesteld dat ten aanzien van eiser geen sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband.

Aan de omstandigheid dat psychiater [C] de diagnose PTSS heeft gesteld, komt niet de door eiser gewenste betekenis toe, nu uit de toelichting van [C] niet blijkt dat bij de uitoefening van de militaire dienst sprake is geweest van traumatische gebeurtenissen als bedoeld bij het A-criterium van het PTSS-protocol van 5 augustus 2009 (Staatscourant 2009 nr. 11661). Daarvan is ingevolge dat protocol pas sprake als betrokkene “heeft ondervonden, getuige is geweest van of werd geconfronteerd met een of meer gebeurtenissen die een feitelijke of dreigende dood of een ernstige verwonding met zich meebracht, of die een bedreiging vormde voor de fysieke integriteit van betrokkene of anderen”. Hoezeer de rechtbank ook begrip heeft voor het lijden dat eiser heeft ervaren en nog ervaart als gevolg van de door hem beschreven omstandigheden op het werk, deze omstandigheden kunnen niet geduid worden als vallend binnen deze omschrijving van het A-criterium, zoals psychiater [A] in zijn reactie van 17 december 2018 op de brief van [C] ook aangeeft.

9.4

Voor zover eiser verzoekt om een deskundige in te schakelen voor nader onderzoek is de rechtbank van oordeel dat daartoe geen aanleiding bestaat, nu er geen reden is voor twijfel aan de juistheid van de medische onderbouwing van het bestreden besluit.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.