Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11727

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
20-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2622
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beëindiging WIA-uitkering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/2622

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W.A. Timmer),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: A.M. Snijders).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Adecco Personeelsdiensten B.V., te Zaltbommel, belanghebbende.

(gemachtigde: drs. H.E. Wonnink, arts-gemachtigde).

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van

17 oktober 2018 beëindigd.

Bij besluit van 25 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn nadien aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vervolgens nadere stukken overgelegd, waarop verweerder heeft gereageerd.

Eiser heeft daarna wederom nadere stukken in het geding gebracht, waarop verweerder opnieuw heeft gereageerd. Eiser heeft vervolgens opnieuw een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op een online zitting van 6 oktober 2020.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Belanghebbende is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van griffierecht voor het beroep. Dit beroep wordt gehonoreerd. De rechtbank is van oordeel dat eiser (ten tijde van het instellen van beroep) aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn financiële situatie het griffierecht niet kan betalen. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat zijn financiële situatie sinds het instellen van dit beroep niet is gewijzigd. Daarom kan in alle redelijkheid niet worden geoordeeld dat eiser door het niet betalen van het griffierecht in verzuim is geweest. Er bestaat daarom geen grond om het beroep van eiser wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk te verklaren.

2.1

Eiser is werkzaam geweest bij belanghebbende als heftruckchauffeur voor 40 uur per week. Op 20 oktober 2011 heeft hij zich ziek gemeld in verband met lichamelijk klachten. Na afloop van zijn dienstverband heeft verweerder hem aanvankelijk een uitkering in het kader van de Ziektewet (ZW) toegekend, daarna een WIA-uitkering. Verweerder heeft bij besluit van 8 september 2015 eiser een loonaanvullingsuitkering in verband met de regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.2

Eiser heeft in verband met zijn medische klachten operaties ondergaan in 2010, 2012 en 2013. Op verzoek van belanghebbende heeft verweerder in 2016 beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een uitkering in het kader van de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA).

2.3

Bij besluit van 10 mei 2016 heeft verweerder bepaald dat eisers WIA-uitkering ongewijzigd blijft. Bij besluit van 25 november 2016 heeft verweerder dit besluit gehandhaafd. Bij uitspraak van 20 juli 2017 heeft de rechtbank Midden-Nederland het door belanghebbende tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.4

In april 2018 heeft verweerder op verzoek van belanghebbende een onderzoek ingesteld naar de mogelijkheden van eiser om deel te nemen aan het arbeidsproces. Op

21 april 2018 heeft eiser daartoe een vragenlijst ingevuld. Vervolgens heeft de verzekeringsarts een medische beoordeling uitgevoerd. Naar aanleiding daarvan heeft de verzekeringsarts op 9 juli 2018 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige een onderzoek ingesteld naar de arbeids-mogelijkheden van eiser.

2.5

Bij het primaire besluit heeft verweerder eisers WIA-uitkering met ingang van

17 oktober 2018 beëindigd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser volgens de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vanaf 18 juni 2018 meer arbeidsgeschikt is dan voorheen. Eiser is op basis van de theoretische schatting 0% arbeidsongeschikt, dus minder dan 35%, aldus verweerder.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hierin overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) vindt dat eisers mogelijkheden om te werken juist zijn vastgesteld. De arbeidsdeskundige b&b is van mening dat eiser niet alle voorbeeldfuncties kan uitoefenen. Wel blijven er voldoende functies over, op basis waarvan terecht is vastgesteld dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is, aldus verweerder. Verweerder heeft rapporten van de verzekeringsarts b&b van 25 oktober 2019 en van 15 april 2020 in het geding gebracht.

4. Eiser voert aan dat de pijnklachten sinds 2015/2016 zijn toegenomen en ondragelijk zijn geworden. Daarom heeft hij besloten zich te laten opereren aan zijn rug. Op 20 mei 2019 heeft de operatie plaatsgevonden. Er is verder onder meer sprake van een nekhernia, artrose in de schouders, slijtage in de onderrug en het schoudergewricht, slapeloosheid en psychische problemen. Hij stelt dat continu pijn aanwezig is, waarvan de intensiteit wisselt en die het meest aanwezig is in de rug. Dit leidt ertoe dat er het ene moment redelijk gezeten kan worden, maar ook dat zitten soms niet mogelijk is. Bukken is extreem lastig. Torderen geeft ook veel last. Lopen is de activiteit waarbij eiser het minste last heeft, maar is alleen mogelijk in een rustig tempo en gedurende ongeveer 5 minuten aaneen. Daarna moet er 2-3 minuten gerust worden, waarna eiser weer kan lopen. Eiser stelt dat hij ook last heeft van tintelingen in de benen tot in de tenen, een branderig aanvoelende onderrug en pijnlijke schouders en nek. Hij voert daarnaast aan dat verweerder zijn klachten en de hieruit volgende beperkingen ten onrechte en zonder deugdelijke motivering heeft onderschat. Als gevolg van zijn - objectiveerbare - klachten zijn beperkingen in de FML aannemelijk ten aanzien van persoonlijk functioneren, dynamische handelingen, statische handelingen en werktijden. Eiser voert verder aan dat hij niet lichamelijk is onderzocht en dat geen medische informatie is ingewonnen bij de behandeld neuroloog. Verder stelt hij dat bij de operatie in mei 2019 een forse recessus lateralis L4-5 en L5-S1 beiderzijds werd geconstateerd, ter onderbouwing waarvan hij diverse medische stukken in het geding heeft gebracht. Dit valt volgens hem niet te verenigen met de lichte en matige beperkingen die verweerder heeft aangenomen met betrekking tot de rug. Hij stelt dat niet aannemelijk is dat hij, zoals bijvoorbeeld gewoon is in de functie wikkelaar (SBC-code 267053), tien kilogram kan tillen, of 1200 keer kan reiken zoals vereist is in de functie inpakker (SBC-code 111190) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), of vijf keer drie minuten achtereen torderen (productiemedewerker industrie, SBC code 111180). Bij brief van 25 februari 2020 heeft eiser nadere medisch informatie van de behandelend sector overgelegd, die naar zijn mening aanleiding moet zijn om het bestreden besluit in te trekken.

5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder zijn besluiten omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekerings-artsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.

6.1

De primaire verzekeringsarts heeft op 18 juni 2018 zowel lichamelijk als psychisch onderzoek bij eiser verricht en aan de hand van zijn bevindingen een FML, gedateerd 9 juli 2018, opgesteld waarin hij de beperkingen van eiser heeft vastgelegd. Eisers stelling dat hij niet lichamelijk is onderzocht is dan ook feitelijk onjuist. De verzekeringsarts b&b heeft op 1 maart 2019 rapport uitgebracht, waarin hij heeft uiteengezet waarom hij het eens is met de bevindingen van de primaire verzekeringsarts. De verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht en geen lichamelijk onderzoek verricht, omdat dit reeds is gedaan omstreeks de datum in geding en geen sprake is van tegenstrijdige informatie. Daarnaast beschikte de verzekeringsarts b&b over medische informatie van de behandelend orthopedisch chirurg, te weten een brief van R. de Ridder van 1 februari 2019 en heeft hij deze informatie kenbaar betrokken bij zijn beoordeling. De rechtbank is daarom van oordeel dat in deze zaak een zorgvuldig medisch onderzoek is verricht. Eisers stelling dat ten onrechte geen informatie is ingewonnen bij de neuroloog leidt niet tot een ander oordeel, aangezien uit de door eiser overgelegde brief van 4 maart 2019 blijkt dat eiser pas op 20 februari 2019 op het spreekuur is geweest, zijnde 4 maanden na de datum in geding. Daarnaast staat in de door eiser overgelegde brief van De Ridder van 29 januari 2019 dat eiser is doorverwezen omdat hij sinds enkele maanden last heeft van lage rugklachten.

6.2

De verzekeringsarts b&b heeft in zijn rapport van 1 maart 2019 aangegeven dat bij de inventarisatie van dit moment blijkt dat de situatie van eiser in de afgelopen jaren niet in ingrijpende zin is gewijzigd sedert de laatste primaire beoordeling in 2016 (IVA) en schatting in 2015. Grond voor rugsparende belemmeringen wordt gevonden in de aanwezigheid van chronische rugklachten (failed back surgery), zonder uitvalsverschijn-selen. Op grond van beloop (geen wijzigingen) wordt de gezondheidssituatie beschouwd als min of meer stationair. Bij lichamelijk onderzoek zijn er geen afwijkende bevindingen buiten de pijnaangifte. Eiser beweegt redelijk binnen verwachte grenzen met wel een buigbeperking. Er is geen spierverval, geen zenuwuitval, geen uitval van motoriek. Bij de verder ontbrekende specialistische interventies in de afgelopen jaren bevestigt dit de al jaren bestaand stabiele situatie. De reactief mentale klachten worden behandeld met een doorgaand antidepressivum, zonder verdere ondersteuning. Bij inschatting van de belastbaarheid in juli 2018 is rekening gehouden met productiepieken en autorijden als zoekcriterium voor passend werk. Er zijn lichte tot matige beperkingen opgenomen ten aanzien van rugbelasting, mobiliteit en statische houding en bovenhands werken. Er is een beperking ten aanzien nachtelijk werk. Een eerdere urenbeperking is bij deze energetische beperkingen en statische gezondheid komen te vervallen, een en ander in overeenstemming met de richtlijn duurbelastbaarheid in arbeid. Er is op grond van deze bevindingen geen reden om te komen tot wijziging van de ingeschatte belastbaarheid per 17 oktober 2018. Ten aanzien van de melding van consultatie neurochirurg in maart 2019 wordt opgemerkt dat dit niet leidt tot wijziging van deze opvatting op de datum in geding.

6.3

In zijn rapport van 25 oktober 2019 heeft de verzekeringsarts b&b aangegeven dat de door eiser in geding gebrachte medische informatie overeenstemt met hetgeen over eiser bekend is. Daarbij heeft hij verwezen naar het onderzoeksverslag van de verzekeringsarts met medische informatie en het lichamelijk onderzoek van 9 juli 2018. De operatieve ingreep is hiermee geen ‘bewijs’ dat er ernstige afwijkingen over het hoofd zijn gezien bij de vaststelling van de belastbaarheid op datum in geding. De FML van 9 juli 2018 bevat volgens de verzekeringsarts b&b passende beperkingen bij de vermelde “dysbasi en dysstasia” klachten met beperkingen in mobiliteit en statische houdingen. De ingebrachte medische informatie geeft geen aanleiding om het standpunt te wijzigen, aldus deze verzekeringsarts.

6.4

In zijn rapport van 15 april 2020 heeft de verzekeringsarts b&b in reactie op de door eiser bij brief van 25 februari 2020 overgelegde nadere medische stukken vermeld dat het huidige beloop de aanhoudende pijnklachten met pogingen tot vermindering van de ervaren pijnklachten bevestigt, maar geen zicht biedt op wijziging van eerdere bevindingen en conclusies daarvan. Eerder is dit een bevestiging van de min of meer stationaire situatie van betrokkene, waarbij geen van de betrokken artsen melding maken van meer of andere pathologie dan eerder bekend was. Voor zover de bevindingen van klinisch onderzoek van rug en ledematen zijn genoteerd (huisarts in februari 2019) bevestigt dit de afwezigheid van spier en gevoelsuitval of andere signalen van wortelcompressie die bedreigend is voor de uittredende zenuwbanen. Het zicht op de aandoening en de ernst daarvan op de datum in geding wijzigt niet door deze informatie van de omstandigheden daarna en de op verzachting en kwaliteit van leven gerichte behandeling van mei 2019, aldus de verzekeringsarts b&b. De rechtbank ziet in de beroepsgronden en de toelichting ter zitting geen reden om deze gemotiveerde conclusies van de verzekeringsarts b&b niet te volgen.

6.5

De neuroloog heeft in zijn brief van 4 maart 2019 weliswaar aangegeven dat eisers loopafstand fors beperkt is, maar tijdens het lichamelijk onderzoek heeft de verzekeringsarts geconstateerd dat de kracht in beide benen voldoende is. Bovendien is in dit rapport aangegeven dat eiser lopend naar het kantoor van het Uwv is gekomen, zijnde een afstand van 1,5 kilometer. Voor de juistheid van eisers stelling dat lopen alleen mogelijk is gedurende ongeveer 5 minuten aaneen heeft de rechtbank dan ook geen aanknopingspunten gevonden. Overigens heeft de verzekeringsarts lopen tijdens het werk licht beperkt geacht.

Dat daarnaast de beenklachten een grotere rol hadden moeten spelen, zoals eiser stelt, volgt de rechtbank evenmin. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport immers vermeld dat eiser geen uitstralende pijnen naar de benen heeft.

6.6

In het rapport van de verzekeringsarts van 9 juli 2018 is vermeld dat eiser al jaren nekklachten heeft, uitstralend naar de rechterarm, zonder uitvalsverschijnselen of tintelingen. Op basis van het door hem verrichte lichamelijk onderzoek heeft de verzekeringsarts geconstateerd dat eiser weliswaar nekpijn aangeeft, maar dat de nekfunctie ongestoord is. Over de nieuwe nekklachten heeft de verzekeringsarts b&b in zijn rapport van 15 april 2020 opgemerkt dat die niet direct verklaard kunnen worden vanuit ernstige pathologie van de halswervelkolom. Bovendien blijkt uit het journaal van de huisarts dat die klachten zich pas op 27 februari 2019 hebben gemanifesteerd, zijnde na de datum in geding.

De rechtbank ziet dan ook geen reden om deze conclusie van de verzekeringsarts b&b niet te volgen.

6.7

Uit alle informatie van de behandelend sector die eiser in het geding heeft gebracht is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de rapporten van de verzekeringsarts b&b van 25 oktober 2019 en 15 april 2020, niet af te leiden dat de FML van 9 juli 2018 een onjuist beeld geeft van de beperkingen van eiser voor het verrichten van arbeid op de datum in geding. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd ook geen reden voor twijfel aan dit medisch oordeel. De rechtbank acht zich in dit licht voldoende voorgelicht en ziet daarom geen reden een deskundige te benoemen. Dit oordeel neemt niet weg dat de rechtbank zich bewust is van de intensiteit waarop eiser zijn (pijn)klachten beleeft en dat deze beleving de kwaliteit van zijn leven ernstig beperkt. Zonder afbreuk te doen aan deze beleving van de klachten en de impact op zijn leven, zoals ter zitting toegelicht, komt de rechtbank evenwel. zoals hierboven toegelicht, tot de vaststelling dat de gronden geen (voldoende) afbreuk kunnen doen aan het onderzoek en de hieruit volgende conclusies van de verzekeringsartsen. Dit betekent dan ook dat de rechtbank de medische onderbouwing van het bestreden besluit onderschrijft.

7. Uitgaande van de juistheid van de FML ziet de rechtbank evenmin aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van eiser voor de geduide functies productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) Sbc-code 111180, wikkelaar (nieuw en revisie) Sbc-code 267053 en inpakker (handmatig) Sbc-code 111190, waarmee de mate van arbeidsongeschiktheid uitkomt op 10,58%. De arbeidsdeskundige b&b heeft blijkens onderdeel C van het rapport van 22 maart 2019 de signaleringen, in overleg met de verzekeringsarts b&b, immers van een toelichting voorzien. Daarmee is in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat eiser de werkzaamheden verbonden aan de functies kan verrichten, ondanks overschrijdingen van de belastbaarheid. De arbeidsdeskundige b&b heeft daarom terecht geconcludeerd dat de geduide functies voor eiser geschikt zijn, zodat hij in staat is meer dan 65% van het voor hem geldende maatmanloon te verdienen.

8. Het vorenstaande betekent dat eisers WIA-uitkering terecht en op goede gronden met ingang van 17 oktober 2018 is beëindigd.

9. Het beroep is dan ook ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.M. Harms, rechter, in aanwezigheid van drs.

A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.