Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11718

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
AWB 20/2893
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Arrest Mangat Singh. De verblijfsvergunning regulier met als doel ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ (het zoekjaar) is een tijdelijk en formeel beperkt verblijfsrecht, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn langdurig ingezetenen. De formele beperkingen van dit verblijfsrecht impliceren namelijk dat het verblijfsrecht van tijdelijke aard is en laten niet toe dat de houder daarvan zich , op grond van deze vergunning, duurzaam vestigt in de betrokken lidstaat. Dat deze verblijfsvergunning als doel heeft duurzame vestiging te faciliteren, maakt dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/2893

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 november 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer [nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Wildeboer).

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen afgewezen.

Bij besluit van 16 maart 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd en eiseres een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd verleend met ingang van 11 maart 2020.

Op 8 april 2020 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 september 2020. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

Waar gaat deze uitspraak over?

1. Eiseres heeft van 29 september 2010 tot 24 juni 2018 rechtmatig verblijf gehad voor het volgen van hoger onderwijs. Van 24 juni 2018 tot 24 juni 2019 was eiseres in het bezit van een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ (het zoekjaar). Vanaf 24 juni 2019 is zij in het bezit van een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘arbeid als kennismigrant’. Op 13 september 2019 heeft zij een aanvraag ingediend om verlening van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres voldoet volgens verweerder niet aan de voorwaarde dat zij minimaal vijf jaar zonder onderbreking in Nederland heeft verbleven op grond van een geldige verblijfsvergunning met een niet‑tijdelijk verblijfsdoel. De periode van rechtmatig verblijf vanwege studie telt voor de helft mee bij de berekening van deze vijf jaar. De verblijfsvergunning voor het zoekjaar telt volgens verweerder echter niet mee. Volgens verweerder is het zoekjaar namelijk een tijdelijk verblijfsdoel. Hierdoor beschikte eiseres dus nog niet voor vijf jaar over een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard. Verweerder heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 45b, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

3. De bepaling dat tijdelijk verblijfsrecht niet (of in het geval van studie slechts deels) wordt meegeteld voor de berekening van de vereiste periode van vijf jaar is neergelegd in het derde lid van artikel 45b van de Vw 2000, gelezen in samenhang met het eerste lid van dit artikel. Deze bepalingen zijn een implementatie van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, en artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn langdurig ingezetenen1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de verblijfsvergunning voor het zoekjaar een tijdelijk en/of formeel beperkt verblijfsrecht is, als bedoeld in deze artikelen.

4. Het wettelijk kader is weergegeven in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Het arrest Mangat Singh 2

5. In het arrest Mangat Singh heeft het Hof van Justitie antwoord gegeven op prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om uitleg van het begrip ‘formeel beperkte verblijfsvergunning’, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn langdurig ingezetenen. Het Hof van Justitie overweegt in dit arrest ten eerste dat het artikellid zo moet worden uitgelegd dat het betrekking heeft op twee situaties, te weten de situatie van onderdanen van derde landen die in een lidstaat verblijven uitsluitend om redenen van tijdelijke aard, en de situatie van onderdanen van derde landen wier verblijfsvergunning formeel is beperkt. Vervolgens overweegt het Hof van Justitie als volgt:

“50 Anders dan het geval van de onderdanen van derde landen wier verblijf uitsluitend is terug te voeren op redenen van tijdelijke aard, in welk geval vaststaat dat deze tijdelijkheid geen duurzame vestiging van de betrokken onderdaan toelaat, kan op basis van het enkele feit dat een verblijfsvergunning een formele beperking bevat niet worden uitgemaakt of deze onderdaan van een derde land zich, niettegenstaande het bestaan van een dergelijke beperking, duurzaam in de lidstaat zou kunnen vestigen.

51 Een formeel beperkte verblijfsvergunning in de zin van het nationale recht, waarvan de formele beperking evenwel niet belet dat de betrokken onderdaan van een derde land zich duurzaam vestigt, kan dus niet worden aangemerkt als een formeel beperkte verblijfsvergunning in de zin van artikel 3, lid 2, sub e, van richtlijn 2003/109, omdat anders de verwezenlijking van de door deze richtlijn nagestreefde doelen in gevaar wordt gebracht en deze richtlijn haar nuttig effect wordt ontnomen (zie in die zin arrest Commissie/Nederland, reeds aangehaald, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52 Het staat dus aan de nationale rechter om na te gaan of de formele beperking van een verblijfsvergunning in de zin van het nationale recht al dan niet toelaat dat de houder van deze vergunning zich duurzaam vestigt in de betrokken lidstaat.

(...)

54 Het feit dat de geldigheid van een verblijfsvergunning voor achtereenvolgende tijdvakken kan worden verlengd, ook gedurende meer dan vijf jaar, en met name dat zij onbeperkt kan worden verlengd, kan daarentegen een belangrijke aanwijzing vormen voor de conclusie dat de daaraan verbonden formele beperking de onderdaan van een derde land niet belet zich duurzaam in de betrokken lidstaat te vestigen. Het staat evenwel aan de nationale rechter om gelet op alle omstandigheden na te gaan of dat inderdaad het geval is.”

5.1.

Eiseres betoogt dat verweerder een onjuiste interpretatie geeft van de Richtlijn langdurige ingezetenen en de uitleg die het Hof van Justitie daaraan heeft gegeven in het arrest Mangat Singh. Volgens eisers volgt uit overweging 51 van dit arrest dat wanneer een verblijfsvergunning naar nationaal recht formeel beperkt is, maar deze niet belet dat de betreffende vreemdeling zich duurzaam vestigt, deze verblijfsvergunning niet kan worden aangemerkt als een formeel beperkt verblijfsrecht als bedoeld in de richtlijn. Volgens eiseres is de verblijfsvergunning voor het zoekjaar een dergelijke vergunning. Het doel van deze vergunning is volgens eiseres namelijk het faciliteren van duurzame vestiging voor hoogopgeleide vreemdelingen.

5.2.

Volgens verweerder volgt uit het arrest Mangat Singh enkel dat niet kan worden gesproken van een formeel beperkt verblijfsrecht, wanneer de geldigheidsduur van een aan een specifieke groep vreemdelingen toegekende verblijfsvergunning onbeperkt kan worden verlengd, zonder uitzicht te geven op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De verblijfsvergunning voor het zoekjaar kan volgens verweerder niet onbeperkt worden verlengd. Om die redenen mist het arrest volgens verweerder toepassing in de situatie van eiseres.

5.3.

Gelet op dit arrest moet de rechtbank toetsen of de formele beperking van de verblijfsvergunning voor het zoekjaar toelaat dat de houder daarvan zich duurzaam vestigt in de betrokken lidstaat.

De verblijfsvergunning voor het zoekjaar

6. Op grond van artikel 3.58, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de verblijfsvergunning voor het zoekjaar afgegeven voor ten hoogste één jaar en is deze niet verlengbaar. Deze verblijfsvergunning kent daarmee twee formele beperkingen volgens het nationale recht, namelijk in tijdsduur (maximaal één jaar) en in doel (het zoeken naar en verrichten van arbeid).

6.1.

Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat de verblijfsvergunning voor het zoekjaar een tijdelijk en formeel beperkt verblijfsrecht is. De hiervoor genoemde formele beperkingen van dit verblijfsrecht impliceren namelijk dat het verblijfsrecht van tijdelijke aard is. Zij laten ook niet toe dat de houder van deze verblijfsvergunning zich, op grond van deze vergunning, duurzaam vestigt in Nederland. De vergunning is namelijk niet verlengbaar en bedoeld om een vreemdeling, van wie een eerder verblijfsrecht op grond van studie of onderzoek is beëindigd vanwege het afronden daarvan, in de gelegenheid te stellen een verblijfsrecht op grond van het verrichten van arbeid te verkrijgen. De houder daarvan weet dus dat hij (nog) niet aan de voorwaarden voor het beoogde verblijfsrecht voor het verrichten van arbeid voldoet en dus (nog) niet aan een duurzame vestiging in Nederland is begonnen. Dat de verblijfsvergunning voor het zoekjaar als doel heeft duurzame vestiging te faciliteren, maakt dat niet anders. Voor die duurzame vestiging is namelijk een verblijfsvergunning op een andere grond nodig, waarvoor ook andere voorwaarden zijn gesteld. Het betoog van eiseres slaagt daarom niet.

Conclusie

7. Het voorgaande betekent dat verweerder het zoekjaar terecht niet heeft meegeteld bij de berekening van de periode die eiseres ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om verlening van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen daarom op goede gronden afgewezen.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, mr. G.A. van der Straaten en mr. A.S.W. Kroon, rechters, in aanwezigheid van mr. R.P.H. Evers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2020.

griffier

de voorzitter is niet in de gelegenheid te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE: WETTELIJK KADER

Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn langdurig ingezetenen

Deze richtlijn is niet van toepassing op onderdanen van derde landen die:

in een lidstaat verblijven uitsluitend om redenen van tijdelijke aard, als au pair of als seizoenarbeider, of als gedetacheerd werknemer van een dienstverlener in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening, of als verlener van grensoverschrijdende diensten, of in gevallen waarin hun verblijfsvergunning formeel beperkt is;

Artikel 45b van de Vreemdelingenwet 2000

  1. De aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen wordt afgewezen, indien de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag:

  2. een verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;

  3. een formeel beperkt verblijfsrecht heeft;

(...)

2. Onverminderd het eerste lid kan de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen slechts worden afgewezen, indien de vreemdeling:

3. niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 heeft gehad, met inachtneming van het derde lid;

(…)

3. Voor de berekening van de periode bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt verblijf als bedoeld in het eerste lid en verblijf als bedoeld in het tweede lid, onder b, niet meegeteld, met uitzondering van verblijf voor studie of beroepsopleiding, dat voor de helft wordt meegeteld.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid.

Artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder g, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Tijdelijk is het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning, verleend onder een beperking verband houdend met:

het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst;

Artikel 3.58, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor een verblijfsdoel als bedoeld in kolom I kan in eerste instantie worden verleend voor de geldigheidsduur, bedoeld in kolom II, en kan worden verlengd, voor zover dat is bepaald in kolom III.

I. Verblijfsdoel

II. Geldigheidsduur

III. Verlengbaar

(…)

(…)

(…)

n. «Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst»

Ten hoogste één jaar, en, indien het de vergunning, bedoeld in artikel 3.31b, betreft, zoveel langer als de vreemdeling wegens het ontbreken van een verblijfsvergunning geen toegang tot de arbeidsmarkt had

Niet verlengbaar na één jaar

(…)

(…)

(…)

1 Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.

2 Hof van Justitie 18 oktober 2012, ECLI:EU:C:2012:636.