Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11664

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
NL19.7511
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. Volgens eiser loopt hij gevaar in zijn land van herkomst (Nigeria) omdat hij homoseksueel is. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Verweerder gelooft niet dat eiser homoseksueel is en daardoor in Nigeria problemen heeft ondervonden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers persoonlijkheid en achtergrond en ook onvoldoende de verklaringen van de getuigen (kenbaar) heeft meegewogen. Daarom moet verweerder een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak. Dat betekent met name dat verweerder in het nieuwe besluit kenbaar moet motiveren hoe de persoonlijke omstandigheden van eiser en de verklaringen van derden worden betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.7511


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).


Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiser heeft [getuige 1] (getuige 1) en [getuige 2] (getuige 2) als getuigen meegebracht. Verder heeft eiser Sandro Kortekaas van LGBT Asylum Support als deskundige meegebracht. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Asielrelaas en besluitvorming

1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1994. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in 2016 uit Nigeria is gevlucht, omdat hij homoseksueel is. Eiser verklaart dat hij op een kostschool zat en daar langere tijd seksueel contact had met drie andere jongens: [klasgenoot 1] , [klasgenoot 2] en [vriendje] . Toen [klasgenoot 1] en [klasgenoot 2] afstudeerden en van school gingen, kreeg eiser een relatie met [vriendje] . Nadat eiser en [vriendje] waren afgestudeerd, keerden zij beiden terug naar [woonplaats] , waar zij beiden vandaan kwamen. Toen eiser en [vriendje] op een dag seks hadden, zijn zij door de vader van [vriendje] betrapt. [vriendje] ’s vader sprak hen aan en zei dat zij moesten stoppen, omdat het anders gevaarlijk voor hen zou worden. Dat was het moment dat eiser er achter kwam dat homoseksualiteit in Nigeria niet geaccepteerd wordt. Eiser en [vriendje] hadden daarna nog steeds seks met elkaar, maar waren wel voorzichtiger. Zij werden echter weer betrapt, dit keer door het zusje van [vriendje] . Zij begon te gillen en daar kwamen mensen op af. Eiser en [vriendje] wisten te ontsnappen en besloten om naar Lagos te vertrekken. Daar verbleven zij bij een vriend van [vriendje] , [kennis] . Op een dag werden eiser en [vriendje] door [kennis] betrapt toen zij seks hadden. [kennis] begon te schreeuwen, daarop zijn eiser en [vriendje] weggerend. Vervolgens besloten eiser en [vriendje] naar Abuja te gaan. Onderweg werden zij aangehouden door de politie. De agenten zeiden dat [vriendje] homo was en sloegen [vriendje] in elkaar. Eiser wist te ontsnappen. Eiser vermoedt dat de politie naar aanleiding van dit incident naar hem op zoek is, omdat [vriendje] eisers portemonnee bij zich droeg met daarin eisers identiteitskaart en zodoende op de hoogte is van eisers identiteit. Verder verklaart eiser dat hij in Nigeria werd lastig gevallen door leden van Aye Cult, een geheim genootschap. Eiser vreest bij terugkeer naar Nigeria voor de leden van de Aye Cult en vervolging vanwege zijn geaardheid.

2. Verweerder heeft eisers asielrelaas beoordeeld. Volgens verweerder bevat eisers asielrelaas de volgende relevante elementen.

1. nationaliteit, identiteit en herkomst;

2. eiser is homoseksueel;

3. eiser heeft problemen ondervonden vanwege zijn homoseksuele geaardheid;

4. eiser heeft problemen ondervonden met het geheime genootschap Aye Cult.

Verweerder gaat uit van de door eiser opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst (element 1). Verweerder acht de overige elementen ongeloofwaardig.

3. Eiser betwist verweerders standpunt over element 4 niet. Dit heeft hij op de zitting bevestigd. De gronden van beroep richten zich tot verweerders standpunten over de elementen 2 en 3. Dat betekent dat het in deze zaak gaat om de vraag of verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het niet geloofwaardig is dat eiser homoseksueel is en vanwege zijn geaardheid problemen heeft ondervonden in Nigeria.

Relevant element 2

4. Verweerder stelt dat van eiser verwacht en verlangd mag worden dat hij op een persoonlijke en inhoudsvolle wijze kan vertellen over zijn gevoel en ervaringen omtrent zijn homoseksuele geaardheid en over wat de ontdekking van het homoseksueel zijn voor hem persoonlijk heeft betekend. Zeker nu eiser afkomstig is uit Nigeria, een land waar homoseksualiteit niet geaccepteerd wordt. Volgens verweerder overtuigen de door eiser afgelegde verklaringen niet. Verweerder heeft in het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen uitgebreid uiteengezet waarom hij vindt dat eisers antwoorden op vragen over (het bewust worden van) zijn homoseksualiteit vaag en summier zijn en waarom hij vindt dat eiser geen inzicht geeft in zijn gevoelens en gedachten. Ook heeft eiser volgens verweerder oppervlakkig en summier verklaard over zijn (gestelde) relaties met [klasgenoot 1] , [klasgenoot 2] en [vriendje] . Verweerder heeft in dat verband onder meer aan eiser tegengeworpen dat hij geen persoonlijke informatie over [klasgenoot 1] en [klasgenoot 2] kan geven, zoals hun achternaam of wat zij studeerden. Daarnaast heeft verweerder het ongeloofwaardig gevonden dat eiser, zoals hij verklaart, vóór de betrapping door [vriendje] ’s vader niet op de hoogte was van het feit dat homoseksuele handelingen verboden waren in Nigeria.

5. Eiser erkent dat hij summier en niet diepgaand heeft verklaard. Eisers gemachtigde heeft op de zitting toegelicht dat eiser in zeer eenvoudige bewoording heeft verklaard en veel vragen met ‘ja’ en ‘nee’ heeft beantwoord, maar dat dit de manier is waarop eiser verklaart. Volgens eisers gemachtigde verwacht verweerder van eiser een te grote mate van zelfanalyse, die in eisers geval niet vanzelfsprekend is. Verweerder dient er rekening mee te houden dat elk persoon anders is. De mate waarin iemand in staat is zijn eigen gevoelens en gedrag te analyseren en verwoorden, kan immers van persoon tot persoon sterk verschillen. Om dit te onderbouwen heeft eiser in beroep een rapportage ingebracht van LGBT Asylum Support, die is opgesteld door Kortekaas. Volgens Kortekaas handelt verweerder niet conform zijn beleid.

Verder heeft eiser ter onderbouwing van zijn homoseksuele geaardheid in beroep drie schriftelijke verklaringen overgelegd van getuige 1, getuige 2 en [getuige 3] . Getuigen 1 en 2 hebben hun verklaringen op de zitting verder toegelicht.

De Werkinstructie

6. Het beleid ten aanzien van het “horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid is aangevoerd” is neergelegd in de Werkinstructie 2019/171 (de Werkinstructie). Paragraaf 3 van die werkinstructie heeft betrekking op de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid. Daarin staat dat het bepalen welk gewicht toekomt aan de antwoorden op de vragen die zijn gesteld over iemands seksuele gerichtheid, sterk afhankelijk is van de individuele zaak. Verweerder houdt evenals tijdens het gehoor rekening met het referentiekader van de vreemdeling (opleidingsniveau, leeftijdsfase, cultuur, afkomst etc.). Bij de beoordeling wordt betrokken of de verklaringen consistent zijn en overeenkomen met hetgeen bekend is over de algemene situatie (ten aanzien van lhbti’s) in het land van herkomst. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat iedere zaak op zijn individuele merites beoordeeld moet worden en dat – zeker bij een onderwerp als seksuele gerichtheid – niet alles te vatten is in objectief meetbare criteria.

Verder staat in paragraaf 3 dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid niet als uitgangspunt neemt dat er in alle gevallen een interne worsteling moet hebben plaatsgevonden voordat de vreemdeling zijn lhbti-gerichtheid heeft geaccepteerd. Echter verwacht verweerder wel dat bij een vreemdeling sprake zal zijn van een (denk)proces waarin de vreemdeling zich onder andere voor de vraag gesteld ziet wat het betekent om anders te zijn dan hetgeen de maatschappij (en de wet) verwacht/verlangt en op welke wijze hij daaraan invulling wil en kan geven. Bij beoordeling van de geloofwaardigheid van de lhbti-gerichtheid zal gewicht worden toegekend aan het proces van ontdekking van de gerichtheid en de wijze waarop de vreemdeling heeft verklaard daarmee te zijn omgegaan. Uiteraard blijft het van belang om in de vraagstelling en de beoordeling rekening te houden met de persoonlijkheid en achtergrond van de vreemdeling. Elke vreemdeling heeft immers een eigen referentiekader op basis van opleiding, culturele achtergrond, levensfase etc.

In paragraaf 3.1 van de Werkinstructie staat dat verweerder ingebrachte informatie van derden altijd meeweegt, maar dat het gewicht dat hieraan wordt toegekend afhankelijk is van de individuele casus. In de beschikking moet worden gemotiveerd hoe rekening is gehouden met ingebrachte verklaringen van derden (of waarom daar geen rekening mee is gehouden). Op deze wijze wordt inzichtelijk welk gewicht er aan verklaringen van derden is toegekend. De enkele stelling dat het aan de vreemdeling is om het lhbti-zijn aannemelijk te maken middels zijn verklaringen, is dus onvoldoende motivering. Daarmee zijn de verklaringen van derden namelijk niet zichtbaar meegewogen. Verder staat er in de paragraaf dat in twijfelgevallen verklaringen van derden – mits deze verklaringen daadwerkelijk een toevoeging zijn op het dossier – de doorslag kunnen geven. Het is echter afhankelijk van de individuele omstandigheden of een derdenverklaring eventueel opweegt tegen hetgeen de vreemdeling zelf heeft verklaard. Bij het beoordelen hoe informatie van derden wordt meegewogen, kijkt verweerder in ieder geval naar de inhoud en bron van de verklaring.

7. De rechtbank stelt voorop dat verweerder terecht veel waarde hecht aan eisers verklaringen over zijn eigen ervaringen omtrent zijn (gestelde) homoseksuele geaardheid.2Tussen partijen is niet in geschil dat eiser tijdens de gehoren summier heeft verklaard.

De afname van de gehoren

8. Voor zover eiser betoogt dat de gehoren onzorgvuldig zijn geweest omdat hierbij niet de juiste interviewtechniek is toegepast, volgt de rechtbank dit niet. De rechtbank is van oordeel dat uit de verslagen van de gehoren blijkt dat de hoormedewerkers zich oprecht hebben ingespannen om eiser te laten verklaren over zijn seksuele gerichtheid. Uit de gehoren blijkt ook dat de gehoormedewerkers voldoende vragen hebben gesteld om eiser zijn verklaringen te laten aanvullen en de vragen anders geformuleerd hebben.

De geloofwaardigheidsbeoordeling

9. De rechtbank volgt eiser wel in zijn betoog dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers persoonlijkheid en achtergrond en ook onvoldoende de verklaringen van de getuigen (kenbaar) heeft meegewogen. Daarbij is het volgende van belang.

9.1

Getuige 1, [getuige 1] , heeft geschreven en op de zitting toegelicht dat hij eiser heeft ontmoet via een datingapp voor mensen met een homoseksuele geaardheid en dat hij in 2017-2018 ongeveer zes maanden met eiser een relatie heeft gehad. Ook heeft hij toegelicht dat eiser twijfelachtig was over de relatie, vanwege het leeftijdsverschil tussen hen en omdat eiser nog geen vaste relatie wilde. Getuige 2, [getuige 2] , heeft geschreven en op de zitting toegelicht dat hij eiser ook via een datingapp voor mensen met een homoseksuele geaardheid heeft ontmoet. Ook heeft getuige 2 toegelicht dat hij en eiser besloten elkaar uiteindelijk in het echt te ontmoeten. Zij hebben bij getuige 2 thuis samen gekookt en gegeten. Op een gegeven moment was er ook intiem contact. Deze verklaringen zijn weliswaar pas in beroep overgelegd en op de zitting toegelicht, maar gelet op het ex nunc karakter van de beoordeling zal de rechtbank deze wel bij de beoordeling betrekken. Verweerder heeft zich hier ook niet tegen verzet.

9.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze (schriftelijke) verklaringen niet afdoen aan zijn conclusie, omdat het aan eiser is om zijn gestelde geaardheid aannemelijk te maken en hierover overtuigend te verklaren. Verweerder heeft hierbij gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 september 2017.3De rechtbank stelt echter vast dat in de Werkinstructie is opgenomen dat moet worden gemotiveerd hoe rekening wordt gehouden met ingebrachte verklaringen van derden (of waarom daar geen rekening mee is gehouden). Op deze wijze wordt inzichtelijk welk gewicht er aan verklaringen van derden is toegekend. De enkele stelling dat het aan de vreemdeling is om het lhbti-zijn aannemelijk te maken middels zijn verklaringen, is volgens die Werkinstructie dus onvoldoende motivering. Daarmee zijn de verklaringen van derden namelijk niet zichtbaar meegewogen.

9.3

De rechtbank stelt verder vast dat de (schriftelijke) verklaringen van getuigen 1 en 2 niet beperkt zijn tot een alternatieve geloofwaardigheidsbeoordeling, maar informatie geven over de feitelijke gedragingen van eiser.4 Verweerder heeft geen redenen aangevoerd om te twijfelen aan de oprechtheid van hun verklaringen en ook de rechtbank ziet geen reden om daaraan te twijfelen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat niet is gebleken dat de getuigen 1 en 2 een (eigen) belang hebben bij een positieve uitkomst van de asielaanvraag.5 Getuige 1 heeft immers al sinds 2013 een verblijfsvergunning in Nederland terwijl getuige 2 Nederlander is.

Wel heeft verweerder gesteld dat het vreemd is dat eiser niet over zijn relatie met getuige 1 heeft verklaard, nu deze relatie – uitgaande van de verklaringen van getuige 1 – gaande was ten tijde van de afname van de gehoren. De omstandigheid dat eiser niet heeft verklaard over zijn relatie met getuige 1 en heeft aangegeven dat hij geen relatie heeft, acht de rechtbank echter onvoldoende voor het oordeel dat de verklaringen van de getuigen onjuist zouden zijn. Eiser heeft tijdens het Nader Gehoor wel verklaard dat hij bevriend is met mensen met een homoseksuele geaardheid, soms met hen uitgaat en seks met hen heeft6, terwijl getuige 1 heeft verklaard dat eiser twijfelachtig was over de relatie, vanwege het leeftijdsverschil tussen hen en omdat eiser nog geen vaste relatie wilde. Dit kan een verklaring zijn voor de omstandigheid dat eiser niet expliciet heeft gesproken over deze relatie.

9.4

Het voorgaande betekent dat, voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat niet aannemelijk is dat eiser in Nederland relaties heeft gehad, hij dat nader dient te motiveren. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat de door de getuigen geschetste relaties geloofwaardig zijn, moet hij nader motiveren wat dit betekent voor de geloofwaardigheid van eisers gestelde homoseksuele geaardheid.

9.5

Het voorgaande is ook van belang voor de vraag of verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijkheid en achtergrond van eiser. Uit de gehoren komt naar voren dat eiser afwachtend is ten opzichte van de gehoormedewerkers. Hoewel de inwilliging van zijn asielaanvraag hier mogelijk van afhangt, beantwoordt eiser de vragen summier, niet diepgaand en soms met ‘ja’ of ‘nee’. Hieruit is mogelijk af te leiden dat eiser moeite heeft om te begrijpen welk belang de gehoren voor hem hebben en dat hij moeite heeft om zijn gevoelens onder woorden te brengen en zijn gedachten inzichtelijk te maken. Dit beeld wordt bevestigd door de wijze waarop eiser heeft verklaard en zich heeft gepresenteerd op de zitting. De rechtbank heeft tijdens de zitting namelijk vragen gesteld aan eiser, onder meer over de relaties die eiser stelt te hebben gehad in Nederland. Ook op deze vragen heeft eiser summier, kort en oppervlakkig geantwoord. Zoals hiervoor overwogen heeft verweerder echter niet gemotiveerd betwist dat eiser wel degelijk relaties heeft gehad in Nederland. De summiere verklaringen van eiser daarover illustreren dus veel meer de neiging van eiser om summier en niet diepgaand te verklaren als het om zijn relaties en gevoelens gaat. Verweerder zal nader moeten motiveren in hoeverre deze constatering dat eiser ook over zijn relaties in Nederland summier en niet diepgaand heeft verklaard, van belang is voor de vraag in hoeverre eisers persoonlijkheid de oorzaak is voor zijn summiere verklaringen over zijn eigen ervaringen omtrent zijn homoseksualiteit.

Conclusie

10. Gelet op wat onder 9., 9.4. en 9.5 is overwogen, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht omdat het onvoldoende is gemotiveerd. Aan de overige beroepsgronden die zien op element 3 komt de rechtbank niet toe. Ook ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de standpunten van verweerder over elementen 3 en 4 voldoende zijn om het bestreden besluit te dragen of betrokken dienen te worden bij het oordeel van de rechtbank. Het niet geloofwaardig achten van eisers verklaringen over gebeurtenissen die voor hem (directe) aanleiding waren om het land van herkomst te verlaten, leiden immers niet vanzelfsprekend tot het ongeloofwaardig achten van de seksuele gerichtheid.7

De rechtbank ziet vanwege de aard van het geconstateerde gebrek geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen of zelf in de zaak te voorzien. Het is immers aan verweerder om een nadere weging te maken als bedoeld in de Werkinstructie. Verweerder zal dan een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dat betekent met name dat verweerder in het nieuwe besluit kenbaar moet motiveren hoe de persoonlijke omstandigheden van eiser en de verklaringen van derden worden betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.

Deze uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Deze werkinstructie (WI) vervangt WI 2018/9 LHBT.

2 Vergelijk bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:556 (r.o. 4.1.).

3 ECLI:NL:RVS:2017:2376.

4 Zie ook paragraaf 3.1.1. van Werkinstructie 2019/17 over de zwaarte die dergelijke, feitelijke informatie toekomt.

5 Zie ook paragraaf 3.2.2. van Werkinstructie 2019/17 over de mate van objectiviteit van verklaringen afkomstig van een bron die wél belang heeft bij de uitkomst van de asielaanvraag.

6 Zie p. 25/26 van het Nader Gehoor.

7 Zie ook paragraaf 3 van de Werkinstructie.