Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11658

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1353
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Melding verzoek realiseren uitrit voor parkeerplek op eigen terrein. Geen toestemming. Geen bijzondere omstandigheden. Geen rechtsongelijkheid, buren hebben ambtshalve toestemming gekregen wegens niet tijdig reageren verweerder. Verlies openbare plek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR19/1353

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.T.F. van Berkel),

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft, verweerder

(gemachtigde: M. de Lange).

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder naar aanleiding van een melding, een verzoek van eiser voor het maken van een nieuwe uitweg afgewezen en eiser verboden om een in- en uitrit aan te leggen en om de bestaande situatie te veranderen.

Bij besluit van 15 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vervolgens nog een nadere reactie ingediend, waarop verweerder schriftelijk heeft gereageerd.

Partijen hebben schriftelijk toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen.

Overwegingen

1.1

Eiser woont op het adres [adres] [huisnummer 1] te [plaats] . Het perceel is kadastraal bekend als sectie [X] nr. [sectienummer] . Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Zuidwest deelgebied 2 (Buitenhof/Kerkpolder).

1.2

Op 17 juli 2018 heeft eiser een melding ingediend, waarin hij aangeeft een uitrit naar de openbare weg te willen realiseren. Met een uitrit is het voor eiser mogelijk om op eigen terrein te parkeren.

2. Verweerder heeft eisers verzoek afgewezen en hem verboden om de uitrit te realiseren en dit besluit na bezwaar gehandhaafd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat door de uitrit een openbare parkeerplaats komt te vervallen in een straat waar sprake is van een hoge parkeerdruk. In dat geval verbiedt de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) het maken of veranderen van een uitweg, aldus verweerder.

3. Eiser betwist dat er een parkeerplek verloren gaat en stelt dat de parkeerdruk afneemt als hij op eigen terrein parkeert. In de APV staat bovendien niet vermeld wat wordt verstaan onder parkeerplek. Eiser stelt in dit verband dat het feit dat op straat mag worden geparkeerd niet kan worden gekwalificeerd als een openbare parkeerplaats. In plaats van voor zijn woning kan er in dit verband ook aan de andere zijde van de straat worden geparkeerd. Daarnaast stelt eiser dat verweerder handelt in strijd met het gelijkheids-beginsel. Bij de woningen [adres] [huisnummer 2] en [huisnummer 3] is wel toestemming gegeven voor het realiseren van een uitrit. Dat deze toestemming van rechtswege is verkregen omdat verweerder in beide gevallen niet binnen vier weken op de melding heeft gereageerd, maakt dat volgens eiser niet anders omdat verweerder hiermee een ongeschreven beleidslijn heeft gecreëerd. Verder benadrukt eiser dat de parkeervraag met één zal afnemen omdat eiser zelf voortaan op eigen terrein parkeert. Bovendien heeft verweerder niet (voldoende) toegelicht hoe de parkeerdruk is gemeten. Tot slot stelt eiser de noodzaak voor het maken van een uitrit is gelegen in het feit dat hij dan altijd een parkeerplek nabij zijn woning heeft, zodat niet kan worden gesproken over “zonder noodzaak” als bedoeld in de APV. In zijn aanvullende reactie heeft eiser voorts een situatieschets gegeven, waardoor zelfs meer mogelijkheid aanwezig zal zijn om te parkeren.

De rechtbank komt tot de navolgende beoordeling.

4.1

De rechtbank stelt vast dat het maken van een uitweg ten aanzien van het onderhavige perceel is geregeld in artikel 2.9 van de APV, waarin is vastgesteld dat sprake is van een meldingsplicht. Ingevolge het derde lid van artikel 2.9 van de APV kan de uitweg worden aangelegd indien verweerder niet binnen vier weken na ontvangt van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden.

4.2

In gevolge artikel 2.9, tweede lid, van de APV verbiedt verweerder het maken of veranderen van de uitweg indien:

a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;

b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c. het openbare grond daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

d. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

4.3

Zoals besproken in de conclusie bij de uitspraak van de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State (RvS) van 12 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014: 4116) worden meldingenstelsels als het onderhavige toegepast in een situatie waarin ook een vergunningenstelsel had kunnen worden gehanteerd en is dit stelsel ook geïntroduceerd als alternatief voor een dergelijk (vergunningen)stelsel. De reden voor deze introductie is de behoefte die bij de regering vanaf begin jaren negentig van de vorige eeuw ontstond aan deregulering en de vermindering van administratieve lasten van zowel de overheid als het bedrijfsleven. Weliswaar is nadien in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht opgenomen dat bepalingen inzake een uitweg in een gemeentelijke verordening gelden als een verbod om een dergelijk project uit te voeren zonder omgevingsvergunning, maar deze verplichte integratie in de omgevingsvergunning heeft blijkens de tekst van die bepaling alleen betrekking op de aanleg van een uitweg waarvoor ingevolge een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist. Als de gemeentelijke wetgever voor die aanleg welbewust niet heeft gekozen voor deze stelsels, maar voor een meldingenstelsel, dan kan dat meldingenstelsel naar het oordeel van de rechtbank niet met een vergunning of ontheffing gelijk worden gesteld en kan de in de APV opgenomen procedure dus niet effectief uit worden geschakeld.

4.4

Alhoewel hieruit volgt dat de rechtspraak van de RvS inzake uitweg niet onverkort op de onderhavige zaak van toepassing is, betreft het weigeren of verlenen van een uitweg ook binnen het meldingsstelsel een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Bij de beoordeling van de vraag of één van de weigeringsgronden van artikel 2.9, tweede lid, van de APV zich voordoet, komt verweerder dus beoordelingsruimte toe. Die beoordeling dient door de bestuursrechter dan ook terughoudend te worden getoetst.

4.5

De rechtbank is verder van oordeel dat ook het in de APV neergelegde stelsel strekt ter bescherming van specifiek genoemde belangen, zoals eveneens vaste rechtspraak is inzake in een APV neergelegde vergunningenstelsels. Dit brengt met zich dat in het onderhavige geval de omgevingsvergunning slechts geweigerd kan worden op één van de in artikel 2.9, tweede lid, van de APV genoemde gronden.

5.1

Verweerder heeft in de situatie van eiser aan de weigering een uitweg toe te staan, ten grondslag gelegd dat met het creëren van een uitrit een openbare parkeerplaats verloren gaat. Dit betekent dat in dit geschil aan de rechtbank ter beoordeling voorligt het standpunt van verweerder dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid van de APV (en aldus dat het realiseren van de uitrit zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats). De rechtbank zal deze beoordeling langs lopen aan de hand van de door eiser ingediende beroepsgronden.

5.2

Het betoog van eiser dat aan deze weigeringsgrond niet is voldaan omdat geen plek verloren gaat omdat hij op eigen terrein parkeert, treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel omdat deze plek bij afwezigheid van eiser niet door een derde kan worden gebruikt om te parkeren. De rechtbank volgt daarom het standpunt van verweerder dat een openbare parkeerplek verloren gaat.

5.2

Het is juist dat in de APV geen definitie staat opgenomen van wat onder een ‘openbare parkeerplaats’ moet worden verstaan, zoals eveneens door eiser naar voren is gebracht. Wel is er jurisprudentie en wetgeving met betrekking tot de openbaarheid van een weg, zoals de uitspraken van de RVS van 29 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA131) en 20 februari 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BC4655) en de artikelen 4 en 7 van de Wegenwet. In aansluiting bij deze jurisprudentie en wetgeving, is de rechtbank van oordeel dat onder een ‘openbare’ parkeerplaats moet worden begrepen ‘een voor een ieder (feitelijk) toegankelijke’ parkeerplaats. Dit brengt met zich mee dat indien er op straat mag worden geparkeerd, deze plekken als openbare parkeerplaats zijn aan te merken en dat het niet nodig is om deze plaatsen van belijning te voorzien. Deze beroepsgrond kan daarom evenmin slagen.

5.3

De stelling van eiser dat verweerder er voor zou kunnen kiezen om de parkeerstrook te verplaatsen naar de overzijde van de straat, waardoor er meer parkeerplaatsen zouden kunnen worden gerealiseerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Daargelaten dat deze stelling buiten de omvang van het (op basis van het bestreden besluit voorliggende) geding valt, wenst de rechtbank te benadrukken dat zij evenmin (voldoende) is onderbouwd. Los van de ruimtelijke consequenties ontbreekt immers een verkeersrapportage waardoor niet duidelijk wat het benoemde verplaatsen van de parkeerplaatsen voor gevolgen heeft voor het verkeer (zoals verkeersonveilige situaties danwel andere belemmeringen).

5.4.

Eiser voert voorts aan dat de noodzaak van de uitrit, als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, van de APV, is gelegen in het feit dat hij altijd een parkeerplek nabij zijn woning heeft. Eiser heeft evenwel niet onderbouwd waarom het voor hem noodzakelijk is om altijd nabij zijn woning te kunnen parkeren. Het enkele feit dat de parkeerdruk ter plekke hoog is, hetgeen door verweerder wordt erkend, vormt een onvoldoende onderbouwing om te kunnen spreken van noodzaak van een parkeerplek op eigen terrein. Ook deze grond faalt daarom.

5.5.

Eisers betoog dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden omdat bij de woningen op nummer 51 en 53 wel toestemming is verleend voor het realiseren van een uitrit, kan evenmin slagen. Zoals door verweerder is toegelicht is in beide gevallen niet binnen vier weken gereageerd als genoemd in het derde lid van artikel 2.9 van de APV. De regeling in de APV betekent dat een uitweg in die situatie kan worden verleend, zonder een beoordeling of deze, gelet op de wettelijke eisen en de betrokken belangen, wel behoort te worden verleend. Nu de door eiser genoemde uitwegen, aldus niet zijn gebaseerd op een inhoudelijke weging maar op een wettelijk gevolg van het niet tijdelijk reageren, kan de regeling niet met zich meebrengen dat eiser hier rechten aan kan ontlenen. In beroep heeft verweerder in dit verband nog toegelicht dat ook naar aanleiding van een melding ten aanzien van de woning op nummer 55, een uitweg eveneens is geweigerd op grond van artikel 2.9, eerste lid aanhef en onder b, van de APV. Het betoog van eiser treft dus geen doel.

6. Gezien het al bovenstaande kunnen de door eiser aangevoerde beroepsgronden niet slagen en is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid het realiseren van de in- en uitrit heeft kunnen verbieden.

7. Het beroep is daarom ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.M. Harms, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Kraan, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 18 november 2020.

griffier rechter

de griffier is niet in de

gelegenheid deze uitspraak

mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.