Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11555

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
16-11-2020
Zaaknummer
NL20.18989
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijheidsbeperkende maatregel artikel 56 Vw gekoppeld aan plaatsing in de HTL – motiveringsgebrek - beroep gegrond.

Eiser wil geen gebruik maken van zijn recht op opvang gedurende de asielprocedure omdat hij bij zijn familie wil en kan verblijven.

De rechtbank overweegt dat artikel 56 Vw geen grondslag biedt om de bewegingsvrijheid van asielzoekers die geen gebruik willen maken van het recht op opvang te beperken tot het moeten verblijven in de HTL. Eiser heeft immers geen plicht om van opvangvoorzieningen gebruik te maken. Het standpunt van verweerder dat de oplegging van de maatregel wordt gekoppeld aan de plaatsing in de HTL om toezicht te kunnen houden op eiser gedurende de asielprocedure wordt dan ook niet gevolgd. Voor zover verweerder wil bewerkstelligen dat eiser zich niet aan het toezicht onttrekt gedurende de asielprocedure kan verweerder eiser niet verplichten om vanwege grensoverschrijdend gedrag van opvangvoorzieningen gebruik te maken. Indien de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert kan de bewegingsvrijheid op grond van artikel 56 Vw worden beperkt, maar deze maatregel kan niet worden gekoppeld aan verblijf enkel in de HTL. In de maatregel is bepaald dat eiser uitsluitend in de HTL mag verblijven. Verweerder had in dit geval de maatregel, indien hij een maatregel wil opleggen in verband met de openbare orde, moeten koppelen aan een ander gebied, bijvoorbeeld aan de verblijfplaats van eiser bij zijn familie.

De maatregel miskent bovenstaand toetsingskader en de strekking van de verklaringen van eiser waarom hij niet in de HTL wil verblijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.18989

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiser] , geboren op [geboortedag] 1987, van Somalische nationaliteit, eiser

[V-nummer]

(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder met toepassing van artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) aan eiser de verplichting opgelegd met ingang van 21 oktober 2020 te verblijven in de gemeente Hoogeveen, alwaar hij zich in het kader van deze maatregel in de Handhaving- en Toezichtlocatie Hoogeveen (HTL) dient op te houden.

Eiser heeft op 29 oktober 2020 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Eiser heeft op 8 november 2020 en ter zitting beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gelijktijdig met de behandeling van het beroep in de zaak NL20.18984 plaatsgevonden op 9 november 2020. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft aansluitend aan de behandeling ter zitting het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Aan eiser is op 21 oktober 2020 een maatregel van vrijheidsbeperking zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw opgelegd.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat tenuitvoerlegging van de maatregel in de HTL vrijheidsontneming is en geen vrijheidsbeperking en dat artikel 56 Vw daarvoor geen grondslag biedt zodat de maatregel onrechtmatig is. Eiser stelt zich bovendien op het standpunt dat hij door deze maatregel wordt gedwongen gebruik te maken van zijn recht op opvang gedurende de asielprocedure en dat hij dat niet wil omdat hij wil en kan verblijven bij zijn familie. Eiser maakt bovendien bezwaar tegen het Corona-beleid dat de HTL voert want gelet op zijn medische problemen is de verplichte quarantaine, die in een AZC volgens eiser niet geldt, onredelijk bezwarend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de maatregel rechtmatig is. Beide partijen verwijzen ter onderbouwing van hun standpunt naar de uitspraak van 25 mei 2020 van deze zittingsplaats (ECLI:NL:RBDHA:2020:4558).

3. De rechtbank overweegt dat bij elke maatregel die de bewegingsvrijheid van de vreemdeling beperkt of ontneemt heeft te gelden dat de maatregel niet alleen zorgvuldig moet worden voorbereid maar ook deugdelijk moet worden gemotiveerd. De rechtbank acht hiervoor de jurisprudentie van de Afdeling ten aanzien van de motiveringsvereisten van de maatregel van bewaring en het toetsen van de maatregel door de rechtbank overeenkomstig van toepassing als het gaat om een maatregel van vrijheidsbeperking.

4. Net als bij bewaring en grensdetentie wordt bij het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel gebruik gemaakt van een standaardformulier, in dit geval het zogenaamde model M108-A. Dit model biedt de mogelijkheid om de gronden die van toepassing zijn aan te kruisen en van een toelichting te voorzien.

5. Ingevolge artikel 93, eerste lid van de Vw 2000 wordt het opleggen van een maatregel strekkende tot vrijheidsbeperking voor het instellen van beroep gelijkgesteld met een besluit. Uit een besluit tot het opleggen van vrijheidsbeperking moet voor de betrokken vreemdeling duidelijk blijken welke grond(en) verweerder heeft gebruikt en waarom deze grond(en) van toepassing is (zijn).

Hierbij heeft in ieder geval te gelden dat de gronden van de maatregel expliciet moeten worden gegeven en deze gronden ook worden voorzien van een deugdelijke motivering. Tevens moet in de maatregel worden gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met een alternatieve –lichtere- verplichting zoals bijvoorbeeld de oplegging van enkel een meldplicht. Weliswaar wordt een artikel 56 Vw-maatregel geregeld opgelegd bij wijze van een lichter middel voor de maatregel van bewaring. Echter ook ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregel heeft te gelden dat in de maatregel deugdelijk moet worden gemotiveerd waarom het doel dat wordt beoogd niet met een ander middel kan worden bereikt. De rechtbank overweegt dat de argumenten die eiser in zijn gehoor voorafgaand aan oplegging van de maatregel heeft genoemd om af te zien van oplegging van de maatregel

–kenbaar- moeten worden betrokken en gewogen bij de beslissing om de maatregel op te leggen. De rechtbank verwijst hierbij naar paragraaf A5/1 van de Vreemdelingencirculaire, waarin onder meer is bepaald dat ook ten aanzien van vrijheidsbeperking de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit voortdurend in acht moeten worden genomen.

6. In de maatregel is aangekruist dat eiser rechtmatig verblijf heeft zoals bedoeld in artikel 8 Vw, met uitzondering van de onderdelen b, d en e. Eiser is voorts, zoals aangekruist in de M108-A, verplicht om in een deel van de gemeente Hoogeveen, te weten binnen de op de bijgevoegde plattegrond aangegeven gebieden, te verblijven. Hieraan is toegevoegd dat eiser zich in de HTL dient op te houden.

7. De maatregel vermeldt vervolgens:

(…)

“Het belang van de openbare orde vordert het opleggen van de maatregel ex artikel 56 Vw2000. Hierbij is tevens van belang dat:”

(…)

(X) plaatsing op de Handhavings- en Toezichtlocatie (HTL) Hoogeveen:

(…)

[X] Hierbij zijn door de vreemdeling wel bijzondere omstandigheden aangevoerd, te

weten:

(…)

Betrokkene heeft tot slot aangevoerd dat hij tijdens zijn procedure bij zijn familie wil

verblijven.

Overwogen wordt dat deze omstandigheid niet van dien aard is dat van de

vrijheidsbeperkende maatregel zou moeten worden afgezien. De bewoners van een

Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) Hoogeveen hebben de gelegenheid om bezoek te

ontvangen. Hierdoor is het mogelijk voor betrokkene om zijn familieleden, vrienden en

kennissen te ontvangen op de locatie.

(…)

8. De rechtbank overweegt dat deze motivering de strekking van de verklaring van eiser miskent en daarom ondeugdelijk is. Eiser heeft recht op opvang omdat er een (asiel)procedure aanhangig is en nog niet is beslist op de asielaanvraag. Eiser heeft bij de HTL te kennen gegeven dat hij geen gebruik wenst te maken van zijn recht op opvang tijdens de asielprocedure. Gemachtigde van eiser heeft dit ter zitting nader toegelicht. Eiser verblijft, volgens gemachtigde, gedurende lange tijd in Nederland en zijn familie woont in de Randstad. Eiser kan en wil bij hen verblijven gedurende de procedure. Het gaat dus niet om de wens van eiser om familiebezoek te ontvangen maar om het verblijven bij zijn familie gedurende de asielprocedure.

9. Uit het dossier blijkt dat eiser eerder op grond van een artikel 56 Vw-maatregel heeft verbleven in de HTL en op 14 oktober 2020 te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van zijn recht op opvang. Eiser heeft op 14 oktober 2020 na ondertekening van de zogenaamde “consequentieverklaring” de HTL verlaten. In de consequentieverklaring is vermeld dat de wekelijkse meldplicht bij de AVIM blijft bestaan, dat hij zich binnen 24 uur na uitschrijving dient te melden bij de lokale politie in de gemeente waar hij zijn intrek heeft genomen en dat, als hij zich niet binnen negen dagen meldt, een zogenaamde mob-melding volgt. Tevens is vermeld dat deze melding gevolgen kan hebben voor de asielprocedure en dat het de eigen verantwoordelijkheid is van eiser om zich beschikbaar te houden tijdens de behandeling van de asielaanvraag. De rechtbank stelt vast dat het tekstvakje waar kan worden aangegeven waar eiser zal gaan verblijven niet is ingevuld. Tot slot is vermeld dat eiser dit formulier uitgelegd heeft gekregen en heeft begrepen en aldus door zijn vertrek uit de HTL bewust afstand van genoemde verstrekkingen doet. Verweerder heeft de stelling van eiser dat hij de adresgegevens van de familie in de Randstad heeft doorgegeven bij de HTL en heeft aangegeven dat hij de HTL wil verlaten om bij deze familieleden te verblijven terwijl hij de uitkomst van de procedure afwacht niet betwist.

10. Ook uit het bovenstaande volgt dat de HTL een opvanglocatie is en dat als eiser zijn recht op opvang wil effectueren, hij dit enkel kan doen door te verblijven in de HTL en dat als hij de HTL feitelijk verlaat hij door ondertekening van deze verklaring afstand doet van opvang en overige verstrekkingen. Dit blijkt (ook) uit het Coa-besluit dat overigens in deze procedure niet ter toetsing voorligt.

11. Verweerder heeft ter zitting de stelling van gemachtigde dat in dit geval het vrijwillig vertrek onmiddellijk is gevolgd door een mob-melding desgevraagd bevestigd. Eiser heeft op 14 oktober 2020 de HTL verlaten en op diezelfde dag is een mob-melding gevolgd. Eiser stelt zich hiermee terecht op het standpunt dat de termijn die hij volgens de consequentieverklaring heeft om zich te melden bij de politie in de Randstad feitelijk niet is gegeven. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat op 14 oktober 2020 het voornemen is uitgebracht dat de asielaanvraag van eiser buiten behandeling zal worden gesteld in verband met de mob-melding van diezelfde dag, 14 oktober 2020. Gemachtigde heeft toegelicht dat door deze gevolgen van het verlaten van de HTL voor de asielprocedure eiser zich op 21 oktober 2020 bij de HTL heeft gemeld. Eiser wil geen gebruik maken van zijn recht op opvang maar wil wel een inhoudelijke beoordeling van zijn asielaanvraag en ziet zich daardoor gedwongen opvang te aanvaarden in de HTL. Verweerder heeft aangegeven dat op 5 november 2020 een nieuw voornemen in de asielprocedure is uitgebracht. Omdat eiser zich weer in de HTL heeft gemeld is de mob-melding komen te vervallen waardoor alsnog een inhoudelijk voornemen is uitgebracht, aldus verweerder.

12. De rechtbank overweegt dat artikel 56 Vw geen grondslag biedt om de bewegingsvrijheid van asielzoekers die geen gebruik willen maken van het recht op opvang te beperken tot het moeten verblijven in de HTL. Eiser heeft immers geen plicht om van opvangvoorzieningen gebruik te maken. Het standpunt van verweerder dat de oplegging van de maatregel wordt gekoppeld aan de plaatsing in de HTL om toezicht te kunnen houden op eiser gedurende de asielprocedure wordt dan ook niet gevolgd. Voor zover verweerder wil bewerkstelligen dat eiser zich niet aan het toezicht onttrekt gedurende de asielprocedure kan verweerder eiser niet verplichten om vanwege grensoverschrijdend gedrag van opvangvoorzieningen gebruik te maken. Indien de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert kan de bewegingsvrijheid op grond van artikel 56 Vw worden beperkt, maar deze maatregel kan niet worden gekoppeld aan verblijf enkel in de HTL. In de maatregel is bepaald dat eiser uitsluitend in de HTL mag verblijven. Verweerder had in dit geval de maatregel, indien hij een maatregel wil opleggen in verband met de openbare orde, moeten koppelen aan een ander gebied, bijvoorbeeld aan de verblijfplaats van eiser bij zijn familie.

De maatregel miskent bovenstaand toetsingskader en de strekking van de verklaringen van eiser waarom hij niet in de HTL wil verblijven.

13. Dit betekent dat de maatregel die op 21 oktober 2020 is opgelegd reeds hierom van aanvang af onrechtmatig is. De rechtbank komt in de onderhavige procedure dan ook niet toe aan de beoordeling van de principiële vraag die partijen verdeeld houdt of sprake is van vrijheidsbeperking of vrijheidsontneming omdat de artikel 56 Vw-maatregel die aan eiser is opgelegd is gekoppeld aan plaatsing in de HTL. Ook de andere beroepsgronden behoeven geen nadere bespreking. De rechtbank zal de onmiddellijke opheffing van de maatregel bevelen.

14. De rechtbank acht gronden aanwezig om de verzochte schadevergoeding toe te kennen voor de periode van 21 oktober 2020 tot en met heden. Eiser heeft verzocht om toekenning van € 100,- per dag dat hij onrechtmatig in zijn vrijheid is beperkt en stelt dat dit overeenkomstig de standaardbedragen voor onrechtmatig ondergane vreemdelingenbewaring is. Eiser heeft geen andere onderbouwing gegeven voor de hoogte van de mogelijk toe te kennen schadevergoeding. Verweerder heeft op dit punt geen standpunt ingenomen. De rechtbank overweegt dat voor onrechtmatig ondergane vreemdelingenbewaring doorgaans een bedrag van € 80,- bij wijze van schadevergoeding wordt toegekend voor zover de maatregel in het DTC Rotterdam ten uitvoer wordt gelegd. De rechtbank zal een bedrag van € 50,- toekennen voor elke dag dat de maatregel is gekoppeld aan plaatsing in de HTL. De dag van opheffing van de maatregel wordt bij de toekenning betrokken omdat de rechtbank aansluiting zoekt bij de toekenning van schadevergoeding in vreemdelingenbewaring en ondergane onrechtmatige detentie op strafrechtelijke gronden. Dit betekent dat eiser aanspraak maakt op een bedrag van € 1.200,- aan schadevergoeding omdat de maatregel tot vrijheidsbeperking onrechtmatig is nu deze niet is voorzien van een deugdelijke motivering.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank overweegt hierbij dat de behandeling van het beroep weliswaar gelijktijdig met de behandeling het beroep in de zaak NL20.18984 heeft plaatsgevonden, maar dat de zaken ter zitting niet zijn gevoegd en bovendien met deels andere gronden is opgekomen tegen separate maatregelen tot vrijheidsbeperking.

16. De vordering van gemachtigde van eiser tot vergoeding van de reiskosten wijst de rechtbank af. De gemachtigde kan deze kosten in beginsel declareren op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand, waarbij de rechtbank overweegt dat gemachtigde niet heeft gesteld en onderbouwd dat zij niet voor declaratie van deze kosten in aanmerking komt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de onmiddellijke opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregel;

- veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de schade aan eiser tot een bedrag van € 1.200,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.C.M. Boerboom, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 november 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.