Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11544

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
16-11-2020
Zaaknummer
C/09/592089
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroep tegen een crisismaatregel; afwijzing scahdevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0862
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Zaak-/rekestnummer: C/09/592089 / FA RK 20-2620

Datum beschikking: 7 september 2020

Beroep tegen een crisismaatregel

Beschikking naar aanleiding van het op 3 maart 2020 ingediend beroep ex artikel 7:6 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) tegen een crisismaatregel, ten aanzien van:

[de vrouw]

hierna te noemen: betrokkene,

geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. mr. A.A. van Harmelen te 's-Gravenhage,

Procesverloop

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 3 maart 2020, heeft betrokkene beroep ingesteld tegen de door de burgemeester van de gemeente Delft op 11 februari 2020 jegens haar opgelegde crisismaatregel.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

- een beslissing van de burgemeester houdende het opleggen van de crisismaatregel van 11 februari 2020.

Vervolgens heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:

- een verweerschrift namens de burgemeester van 2 juni 2020;

- de brief van 9 juni 2020 van mr. A.A. van Harmelen met bijlagen;

- de brief van 17 juni 2020 van de gemeente Delft, met bijlagen.

Met instemming van partijen wordt de zaak schriftelijk zonder zitting afgedaan door de rechtbank omdat het houden van een fysieke zitting vanwege de geldende veiligheidsmaatregelen met betrekking tot het coronavirus niet mogelijk was. Mede daardoor heeft de rechtbank buiten de wettelijke termijn op het beroep beslist.

Verzoek en verweer

De advocaat stelt namens betrokkene dat de burgemeester niet tot het oordeel had kunnen komen dat een crisismaatregel noodzakelijk was. Evenmin zijn de wettelijke voorschriften in acht genomen. Op de avond van 10 februari 2020 ging het niet goed met betrokkene, maar was er zeker geen sprake van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel. Betrokkene was ten tijde van het voorval hevig geƫmotioneerd door het overlijden van haar oma. De advocaat stelt namens betrokkene dat niet is voldaan aan de criteria die de Wvggz stelt.

De advocaat stelt verder dat betrokkene geen afschrift heeft ontvangen van de door de burgemeester genomen crisismaatregel en dat dit een schending is van artikel 7:2 lid 2 van de Wvggz. Daarnaast is betrokkene weliswaar gehoord, maar dit was telefonisch, waardoor betrokkene niet goed in staat was om adequaat en alert te reageren. Op grond daarvan is de crisismaatregel afgegeven, hetgeen verstrekkende gevolgen had voor betrokkene, waardoor zij in haar belangen is geschaad. Uit het verslag blijkt bovendien niet door wie betrokkene is gehoord en of die persoon wel bevoegd was.

Daarnaast is er tijdelijk verplichte zorg verleend gedurende het opleggen van de crisismaatregel, maar is niet duidelijk welke vormen van verplichte zorg zijn verleend en door wie deze is opgelegd.

Op grond van artikel 10:12 Wvggz verzoekt betrokkene om vergoeding van de schade.

De burgemeester heeft verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat er op moment van beoordeling sprake was van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel en van een ernstig vermoeden dat dit nadeel voortvloeit uit een psychische stoornis. Het enkele feit dat de betrokkene geen afschrift van de crisismaatregel heeft ontvangen leidt niet tot onrechtmatigheid nu een afschrift wel was verstrekt aan de behandelende instelling en de advocaat van de betrokkene. Het telefonisch horen van de betrokkene op een nachtelijk tijdstip was afdoende, temeer nu de betrokkene daar zelf mee heeft ingestemd. Er is op een correcte wijze voldaan aan het horen van de betrokkene voorafgaand aan het nemen van de crisismaatregel.

De advocaat heeft gesteld dat het horen niet op de juiste wijze is uitbesteed en dat Khonraad geen medewerkers levert die zijn opgeleid om betrokkene te horen. Zij blijft van mening dat het horen niet zorgvuldig en niet door een daartoe voldoende deskundig persoon is geschied en dat daarvoor een rechtsgeldige machtiging van de burgemeester ontbreekt. Zij verzoekt het beroep gegrond te verklaren en aan betrokkene een schadevergoeding toe te kennen.

De burgemeester heeft in reactie op de advocaat nog gesteld dat Khonraad de Nationale Hoorservice biedt en dat de hooragenten die daar werkzaam zijn medisch zijn onderlegd, zoals bijvoorbeeld artsen in opleiding, waaronder een aantal die worden opgeleid tot psychiater. Deze agenten moeten aan specifieke deskundigheidseisen voldoen en over specifieke competenties beschikken.

Beoordeling

Beroepsgrond 1: de crisismaatregel voldeed niet aan de vereiste criteria

Gelet op artikel 7:1, eerste lid, onder a Wvggz moet er sprake zijn van een onmiddellijk dreigend ernstig nadeel ten aanzien van een persoon alvorens de burgemeester een crisismaatregel mag nemen. Artikel 7:1, eerste lid, onder d Wvggz bepaalt dat de crisissituatie zo ernstig moet zijn dat een procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht. Betrokkene stelt dat aan deze vereisten niet werd voldaan, hetgeen wordt betwist door de burgemeester.

De rechtbank dient te beoordelen of de burgemeester een crisismaatregel kon nemen op basis van onder meer bovengenoemde criteria.

Uit de stukken blijkt dat aan betrokkene op 11 februari 2020 een crisismaatregel is opgelegd op basis van een medische verklaring van een (onafhankelijke) psychiater die geoordeeld heeft dat op dat moment sprake was van een onmiddellijk dreigend ernstig nadeel en van een ernstig vermoeden dat dit nadeel werd veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis. Omdat er sprake was van verzet kon naar het oordeel van de psychiater het ernstig nadeel slechts worden weggenomen door het nemen van de crisismaatregel. De burgemeester mocht vertrouwen op de deskundigheid en de medische verklaring van de psychiater, waarin gemotiveerd is opgenomen dat van een ernstig nadeel en een psychische stoornis in de zin van de Wvggz sprake was. De rechtbank heeft geen aanleiding aan te nemen dat het voorgaande anders zou zijn, hetgeen ook steun vindt in het gegeven dat op 14 februari 2020 door de rechtbank in het kader van de voortzetting van de crisismaatregel is geoordeeld dat (nog steeds) sprake was een onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, vermoedelijk voortkomend uit een psychische stoornis.

Deze beroepsgrond kan niet slagen.

Beroepsgrond 2: toezenden afschrift van de maatregel

Ingevolge artikel 7:2, tweede lid, Wvggz zendt de burgemeester onverwijld een afschrift van de beslissing tot het nemen van een crisismaatregel en de afgegeven medische verklaring aan de betreffende persoon, de advocaat (en zo nodig aan andere belanghebbenden). Betrokkene stelt dat er geen afschrift is uitgereikt. De burgemeester stelt dat dit vanwege het nachtelijk tijdstip mogelijk niet is gebeurd, maar dat dit niet kan leiden tot onrechtmatigheid van de genomen crisismaatregel. Bovendien was wel een exemplaar verstrekt aan de behandelende instelling en aan de advocaat van betrokkene. Betrokkene is hierdoor niet in haar belang geschaad.

De rechtbank dient te beoordelen of het niet afgeven van een afschrift van de crisismaatregel aan betrokkene tot onrechtmatigheid van de crisismaatregel zelf leidt. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene dit afschrift hoort te ontvangen, mede omdat de beroepsmogelijkheid tegen de maatregel hierin wordt vermeld, maar dat het niet verstrekken hiervan aan betrokkene in dit concrete geval niet kan leiden tot onrechtmatigheid van de genomen crisismaatregel. In het onderhavige geval heeft de advocaat van betrokkene deze stukken ontvangen en via Khonraad kunnen inzien. Daarnaast heeft betrokkene invulling kunnen geven aan haar recht op beroep, wat blijkt uit het feit dat dit verzoek voorligt.

Ook deze beroepsgrond kan niet slagen.

Beroepsgrond 3: horen van betrokkene

Namens betrokkene is aangevoerd dat zij niet is gehoord door de burgemeester, maar (onrechtmatig) door een derde.

De rechtbank oordeelt als volgt. De wetgever heeft beoogd om de rechtsbescherming van een betrokkene bij een voorgenomen crisismaatregel te versterken, (onder andere) door te bepalen dat betrokkene, zo mogelijk, in de gelegenheid wordt gesteld om te worden gehoord. Uit de tweede nota van wijziging bij het betreffende wetsvoorstel, waarin deze bepaling is toegevoegd (TK 2015-2016, 32399, nummer 25), is daarover in de toelichting het volgende opgemerkt. De burgemeester dient moeite te doen om betrokkene te horen en mag er niet te licht vanuit gaan dat dat niet mogelijk is. Het horen hoeft niet door de burgemeester zelf plaats te vinden. Hoe het horen praktisch wordt vormgegeven hangt af van de omstandigheden.

De rechtbank constateert dat de wetgever een balans heeft willen vinden tussen enerzijds het belang voor een betrokkene om, indien hij dat wenst, zijn mening kenbaar te maken, en anderzijds het belang om in een crisissituatie snel te kunnen handelen. Tussen die twee belangen zit een spanningsveld. De wijze waarop de burgemeester in de onderhavige zaak invulling heeft gegeven aan het horen is naar het oordeel van de rechtbank mede gelet op het voorgaande niet in strijd met artikel 7:1, tweede lid, onder b, Wvggz. Betrokkene is telefonisch gehoord. Dat zij verward was en niet adequaat kon reageren doet daaraan niet af. Juist in een crisissituatie zal het immers vaak het geval zijn dat een betrokkene niet (goed) aanspreekbaar is, maar dat wel snel gehandeld dient te worden. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet meer had kunnen en moeten worden gedaan om invulling te geven aan de mogelijkheid van betrokkene om haar visie te geven en om haar informatie te verstrekken.

Dat de burgemeester betrokkene niet zelf heeft gehoord en dat het horen telefonisch is gebeurd doet aan de rechtmatigheid niet af, gelet op het feit dat de burgemeester het horen heeft belegd bij de Nationale Hoorservice en dat ook mocht doen, gelet op wat er in de toelichting bij de genoemde nota van wijziging is opgemerkt over de praktische eisen die gesteld kunnen worden aan het horen.

Ook deze beroepsgrond kan niet slagen.

Beroepsgrond 4: tijdelijk verplichte zorg

De rechtbank stelt vast dat de tijdelijk verplichte zorg is verleend voorafgaand aan het nemen van de crisismaatregel. De rechtbank kan in het kader van het voorliggende beroep tegen die crisismaatregel dan ook geen oordeel geven over de rechtmatigheid van die tijdelijk verplichte zorg. Voor betrokkene staat een klachtprocedure open (bij de instelling) tegen de beslissing om tijdelijk verplichte zorg te verlenen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard. Aan een beoordeling van de verzochte schadevergoeding komt de rechtbank dan ook niet toe.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep tegen de crisismaatregel ongegrond;

wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. Sluymer, rechter, bijgestaan door S.P.M. Flipse als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 september 2020.