Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11543

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
16-11-2020
Zaaknummer
NL19.15941
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Informatie achtergehouden bij de asielaanvraag: eiser had naast de Syrische ook de Armeense nationaliteit. Eiser heeft een ‘Certification (On termination of the citizenship of the Republic of Armenia)’ overgelegd waarin staat dat het Armeens staatsburgerschap van eiser is beëindigd. Verweerder moet nader motiveren waarom hij – nu wordt uitgegaan van de authenticiteit van de verklaring – niet uitgaat van de juistheid van de inhoud van de door de bevoegde Armeense autoriteiten afgegeven verklaring, inhoudende dat eisers staatsburgerschap van Armenië is beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.15941


tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. L.I. Siers),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).


Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 11 januari 2013. Daarnaast heeft verweerder bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en dat hem geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Ook is in dit besluit bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en is aan hem een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 4 oktober 2019 en 8 oktober 2020 verweerschriften ingediend.

Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. D.W. Beemers, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat verweerder het jegens eiser uitgevaardigde terugkeerbesluit en opgelegde inreisverbod voor de duur van twee jaar niet langer handhaaft. Dit volgt uit het verweerschrift van 4 oktober 2019.

Verblijfsstatus van eiser

2. Eiser heeft op 11 januari 2013 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 17 januari 2013 heeft verweerder deze aanvraag ingewilligd en aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, geldig van 11 januari 2013 tot 11 januari 2018. Uit het voornemen tot intrekking van deze verblijfsvergunning, uitgebracht op 13 december 2016, volgt dat aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend vanwege de aannemelijk geachte vrees bij terugkeer naar Syrië. Bij besluit van 25 januari 2019 is aan eiser met ingang van 11 januari 2018 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend.

Volledigheid van het dossier

3. In de gronden van beroep maakt de gemachtigde van eiser er melding van dat zij niet over een volledig (digitaal) dossier beschikt. Zo zou de inhoudelijke zienswijze ontbreken evenals een aantal bijlagen die tijdens het intrekkingsgehoor zijn overgelegd.

3.1

Het is de rechtbank niet gebleken dat het dossier onvolledig is. Desgevraagd heeft de kantoorgenoot van de gemachtigde op de zitting aangegeven dat geen stukken ontbreken op basis waarvan deze procedure niet deugdelijk kon worden voorbereid en kan worden gevoerd. De rechtbank zal op deze beroepsgrond dan ook niet nader ingaan.

4. De rechtbank gaat hierna, onder 5, eerst in op de reden die verweerder ten grondslag legt aan de intrekking van de op 17 januari 2013 verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daarna komt de rechtbank, onder 6, toe aan de bespreking van de vraag of verweerder eiser terecht tegenwerpt dat hij op dit moment een verblijfsalternatief heeft in Armenië en er daarom geen aanleiding bestaat om af te zien van de intrekking.

Reden voor intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

5. De rechtbank stelt hierna allereerst vast wat eiser bij zijn asielaanvraag heeft verklaard, voor zover dat voor deze procedure relevant is. Daarna bespreekt zij waarom verweerder vindt dat grond bestaat voor intrekking van de verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, om welke redenen eiser het daarmee niet eens is en wat de rechtbank hierover oordeelt.

Eisers verklaringen ten tijde van zijn asielaanvraag

5.1

Bij zijn asielaanvraag heeft eiser verklaard dat hij (enkel) de Syrische nationaliteit bezit, in Syrië in de plaats [plaats] is geboren, etnisch Armeens is, de Armeens orthodoxe stroming binnen het Christendom aanhangt en naast Arabisch ook Armeens en Syrisch Koerdisch spreekt. Verder heeft eiser verklaard dat bij hem nooit eerder vingerafdrukken zijn afgenomen, dat hij nooit een verblijfsdocument of een visum voor een ander land heeft gehad of aangevraagd, dat hij geen reisdocumenten heeft en dat hij geen eerder verblijf heeft gehad in enig ander land. Ook heeft eiser verklaard dat hij vanaf zijn geboorte tot aan zijn vertrek naar Europa heeft gewoond in de plaats [plaats] (Syrië) en dat hij, nadat hij is ondergedoken in [plaats] , met behulp van een mensensmokkelaar illegaal de grens met Turkije is overgestoken en met een vrachtauto naar Nederland is gereisd.1 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn Syrische nationaliteit een (echt bevonden) Syrische nationale identiteitskaart en een (echt bevonden) Syrisch rijbewijs overgelegd.

Standpunt van verweerder in de besluitvorming

5.2

Bij het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar het voornemen van 13 december 2016, heeft verweerder op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 besloten tot intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, met terugwerkende kracht tot aan de ingangsdatum van deze verblijfsvergunning. Hiertoe overweegt verweerder dat eiser bij zijn asielaanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl bekendheid met de juiste gegevens tot afwijzing van de asielaanvraag zouden hebben geleid. Onder verwijzing naar artikel 19, derde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn, geïmplementeerd in artikel 3.105f, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) overweegt verweerder dat als de vreemdeling aan wie een subsidiaire beschermingsstatus is verleend, zoals eiser, onjuiste gegevens heeft verstrekt, de intrekkingsprocedure moet plaatsvinden.2

Deze beslissing is ingegeven door het volgende.

Uit visumonderzoek in het Vision-systeem leidt verweerder af dat aan eiser op 22 oktober 2012 een (Grieks) visum is verstrekt in een Armeens paspoort op naam van [eiser] , geboren op [datum] 1988 in Syrië en van Armeense nationaliteit. Daarom stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser bij zijn asielaanvraag onjuiste informatie heeft verstrekt. Hierbij acht verweerder van belang dat eiser, tijdens het intrekkingsgehoor dat op 10 augustus 2018 is gehouden, heeft erkend dat hij onjuist heeft verklaard over de door hem afgelegde reisroute voorafgaand aan zijn asielverzoek in Nederland. Ook heeft hij toen erkend dat hij ten tijde van zijn asielverzoek in Nederland de Armeense nationaliteit bezat. Eiser heeft verklaard dat hij op het moment van zijn asielaanvraag (nog) niet van zijn Armeense nationaliteit op de hoogte was, omdat de mensensmokkelaar – tegen betaling en buiten zijn medeweten om – voor hem de Armeense nationaliteit en een (Grieks) visum zou hebben geregeld. Verweerder volgt eiser hierin om twee redenen niet.

Ten eerste overweegt verweerder dat hij er op grond van de registratie in het Vision-systeem, de aanvullende informatie van de Griekse autoriteiten over het verstrekte visum én de gegevens die eiser zelf heeft verstrekt, van mag uitgaan dat het visum op naam van eiser is afgegeven door de Griekse autoriteiten. Ook mag hij er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat het afgeven van een visum plaatsvindt overeenkomstig de Visumcode3. Gelet op de artikelen 10, 13 en 21 van de Visumcode mag verweerder er dan van uitgaan dat er een geldig en authentiek Armeens paspoort op naam van eiser bij de Griekse vertegenwoordiging is overgelegd, dat het visum daar in persoon door eiser is aangevraagd, waarbij hij zich heeft geïdentificeerd met zijn Armeense paspoort en waarbij digitaal vingerafdrukken zijn verzameld, zo stelt verweerder. De verklaring van eiser dat een derde, in dit geval de mensensmokkelaar, namens eiser het (Griekse) visum heeft verkregen, acht verweerder daarom niet aannemelijk.

Ten tweede overweegt verweerder dat het aannemelijk is dat eiser in persoon een Armeens paspoort heeft aangevraagd en verkregen.4 Daarmee acht verweerder het aannemelijk dat eiser ten tijde van zijn asielaanvraag zowel wist van zijn Armeense nationaliteit, van de aanvraag van een Armeens paspoort, alsook van de aanvraag van het (Griekse) visum. Hierbij betrekt verweerder nog dat uit informatie van de Griekse autoriteiten blijkt dat het (Griekse) visum is aangevraagd en afgegeven in Kiev, Oekraïne en dat eiser beschikte over een Oekraïense verblijfsvergunning of inreisvisum. Eiser kan zijn stelling dat hij hiervan niets weet, niet onderbouwen. Verweerder rekent het eiser, mede gelet op zijn verklaringen hierover, aan dat hij het bij de uitreis uit Armenië gebruikte (Armeense) paspoort niet heeft overgelegd. Dat het visumaanvraagformulier niet zou zijn ondertekend en hierop een afwijkende geboortedatum staat vermeld, leidt verweerder vanwege het ontbreken van het gebruikte paspoort, niet tot een ander standpunt.

Het geleverde bewijs dat eiser ten tijde van zijn asielaanvraag naast de Syrische, ook de Armeense nationaliteit bezat, heeft eiser niet weerlegd, aldus verweerder. Verweerder concludeert dat wanneer het bezitten van de Armeense nationaliteit en/of de aanvraag en afgifte van het (Griekse) visum bekend waren geweest ten tijde van het nemen van de beslissing over eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, deze vergunning niet zou zijn verleend. Vanwege zijn Armeense nationaliteit, kon eiser namelijk de bescherming van de Armeense autoriteiten inroepen.5 Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat eiser op één van de andere gronden van artikel 29 van de Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd was verleend, aldus verweerder.

Standpunt van eiser

5.3

Eiser stelt zich, zoals verduidelijkt op de zitting, op het standpunt dat hij ten tijde van zijn inreis en asielaanvraag in Nederland niet wist dat hij over de Armeense nationaliteit beschikte. Hij kwam daar na ongeveer drie jaar verblijf in Nederland pas achter. Toen eiser van andere Syriërs hoorde dat zij volgens verweerder de Armeense nationaliteit zouden hebben, heeft eiser navraag gedaan bij de mensensmokkelaar die destijds zijn vertrek uit Syrië heeft geregeld. De mensensmokkelaar bevestigde dat hij voor eiser de Armeense nationaliteit en een Armeens paspoort had aangevraagd en verkregen. Achteraf bezien beschikte eiser, formeel gezien, bij zijn inreis en asielaanvraag in Nederland inderdaad over de Armeense nationaliteit.

Eiser betwist dat hij ten tijde van zijn asielaanvraag onjuiste gegevens heeft verschaft of gegevens heeft achtergehouden. Zo betwist hij dat hij het (Griekse) visum in persoon heeft aangevraagd en dat hij daarvoor vingerafdrukken en pasfoto’s heeft afgegeven alsook dat het Armeense paspoort op deugdelijke wijze door de Griekse autoriteiten op echtheid is gecontroleerd. Gelet op algemeen bekende problemen bij de Griekse autoriteiten op dit gebied, kan verweerder er volgens hem niet klakkeloos van uitgaan dat eiser bij de Griekse vertegenwoordiging een authentiek Armeens paspoort heeft getoond. Verweerder heeft dit niet onderbouwd en dit volgt ook niet uit de visumregistratie. Volgens eiser zijn er verschillende aanknopingspunten die onderbouwen dat hij nooit zelf het Armeens paspoort en een (Grieks) visum heeft aangevraagd en verkregen. Hiertoe wijst eiser op zijn verklaringen over de mensensmokkelaar die zijn uitreis uit Syrië heeft geregeld en de omstandigheid dat op het visumaanvraagformulier geen handtekening staat, daarop een onjuiste geboortedatum is opgenomen en er niet een kopie van het paspoort met eisers personalia is meegestuurd. Hierom moet volgens eiser worden getwijfeld aan de deugdelijkheid van de visumregistratie door de Griekse autoriteiten. Het paspoort waarmee eiser heeft gereisd, heeft hij moeten teruggeven aan de mensensmokkelaar en kan hij daarom niet overleggen.

Volgens eiser heeft verweerder niet voldaan aan de bewijslast die op verweerder rust om aannemelijk te maken dat de bedoelde grond voor intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zich voordoet.

Oordeel van de rechtbank

5.4

De rechtbank stelt vast dat verweerder aan het besluit tot intrekking van de asielvergunning niet ten grondslag legt dat eiser onjuist of onvolledig heeft verklaard over de door hem afgelegde reisroute voorafgaand aan zijn asielaanvraag in Nederland, zoals het bestreden besluit doet vermoeden. Dit is door de gemachtigde van verweerder op de zitting verduidelijkt. De rechtbank zal daarom verder niet nader ingaan op wat eiser in dat verband naar voren heeft gebracht.

5.5

De vraag die allereerst voorligt is of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden omtrent zijn nationaliteit en het aanvragen en verkrijgen van een visum, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke asielaanvraag zouden hebben geleid.

5.6

Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan, voor zover van belang, de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden ingetrokken als de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zouden hebben geleid.

In artikel 3.015f, eerste lid, van het Vb 2000 is, voor zover van belang, bepaald dat de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 wordt ingetrokken als sprake is van de situatie bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Uit paragraaf C2/10.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) volgt, voor zover van belang, dat met het intrekken van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, verweerder de situatie beoordeelt zoals die zou zijn geweest als op het moment van de asielaanvraag de juiste gegevens bekend zouden zijn geweest.

5.7

Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat als verweerder een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt omdat zich de grond bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 voordoet, het op de weg van verweerder ligt om aannemelijk te maken dat deze intrekkingsgrond zich voordoet. Als verweerder aan zijn bewijslast heeft voldaan, is het vervolgens aan de vreemdeling om het door verweerder geleverde bewijs te weerleggen.6

5.8

Uit de informatie die volgt uit het visasysteem Vision, in combinatie met de nadere informatie van de Griekse autoriteiten, heeft verweerder ervan mogen uitgaan dat aan de persoon van eiser een (Grieks) visum is verstrekt in een Armeens paspoort op naam van eiser. Dat betwist eiser, achteraf bezien, ook niet, en evenmin betwist hij dat hij met dat paspoort naar Nederland is gereisd.

Eiser betwist wel dat het Armeense paspoort een authentiek paspoort was en dat hij ten tijde van zijn inreis en asielaanvraag in Nederland op de hoogte was van het bezit van de Armeense nationaliteit. Naar het oordeel van de rechtbank volgt verweerder eiser niet ten onrechte niet in die verklaring en mag verweerder ervan uitgaan dat eiser ten tijde van zijn asielaanvraag in Nederland van het bezit van de Armeense nationaliteit op de hoogte moet zijn geweest. Ook is verweerder er niet ten onrechte van uitgaan dat het genoemde paspoort een authentiek Armeens paspoort was. Gelet op de voorwaarden en de procedurele voorschriften die gelden voor het aanvragen en verlenen van visa, mag verweerder er immers op vertrouwen dat aan het verlenen van een visum een zorgvuldige beoordeling door de betreffende lidstaat vooraf gaat, dat deze lidstaat zich houdt aan de voorgeschreven procedure alsook dat één en ander op juiste wijze wordt geregistreerd. Onder verwijzing naar de Visumcode gaat verweerder er niet ten onrechte van uit dat het Armeense paspoort dat bij de visumaanvraag is gebruikt, en waarin het visum is aangebracht, door de Griekse autoriteiten op echtheid is gecontroleerd vóórdat tot visumafgifte is overgegaan7 en dat eiser het visum in persoon, met dat paspoort en een daartoe bestemd aanvraagformulier, onder afgifte van vingerafdrukken, bij de Griekse vertegenwoordiging heeft aangevraagd. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan zijn verplichting om te bewijzen dat eiser ten tijde van zijn asielaanvraag op de hoogte moet zijn geweest van het bezit van de Armeense nationaliteit en paspoort alsmede van het aanvragen en verkrijgen van een visum en dat hij deze informatie heeft achtergehouden en/of hierover onjuiste informatie heeft verstrekt.

Het ligt dan op de weg van eiser dit bewijs te weerleggen en te onderbouwen dat het verleende Griekse visum en het daarvoor gebruikte Armeense paspoort op irreguliere wijze zijn verkregen en dat van de informatie in het Vision-systeem en de nadere inlichtingen door de Griekse autoriteiten over het visum en het paspoort (daarom) niet kan worden uitgegaan. Eiser is daar naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiser over de manier waarop hij stelt het (Griekse) visum op irreguliere wijze te hebben verkregen, niet aannemelijk zijn, reeds omdat deze niet passen bij de wijze waarop de visumaanvraag- en verleningsprocedure verloopt, zoals hiervoor uiteengezet. Daarom heeft verweerder eiser redelijkerwijs niet hoeven volgen in zijn verklaringen dat de reisagent voor hem het (Griekse) visum heeft geregeld, zonder dat hij daarbij op enigerlei wijze betrokken was en daarvan op de hoogte was. Eiser heeft bovendien het paspoort waarmee hij heeft gereisd, waarvan hij achteraf niet betwist dat dit een Armeens paspoort was, niet overgelegd zodat dit niet nader kan worden onderzocht op authenticiteit en eisers verklaringen hierover daarom niet zijn onderbouwd. Dat de handtekening op de door de Griekse autoriteiten ingestuurde pagina van het visumaanvraagformulier ontbreekt, op dit formulier een onjuiste geboortedatum van eiser wordt vermeld en een kopie van de personaliapagina van het paspoort ontbreekt, maakt het voorgaande, gelet op de informatie zoals blijkt uit het Vision-systeem in combinatie met de informatie van de Griekse autoriteiten, niet anders. De stelling dat vanwege ‘bekende problemen’ bij de Griekse autoriteiten niet zonder meer kan worden uitgegaan van een juiste registratie rondom het afgegeven visum, heeft eiser niet onderbouwd en is reeds daarom onvoldoende om als weerlegging van het door verweerder geleverde bewijs te dienen.

5.9

Gelet op het voorgaande stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser ten tijde van zijn inreis en asielaanvraag in Nederland ervan op de hoogte was dat hij, naast de Syrische nationaliteit, in het bezit was van de Armeense nationaliteit en een (Grieks) visum en dat eiser hierover bij zijn asielaanvraag onjuist heeft verklaard dan wel deze informatie heeft achtergehouden. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat bekendheid met het (ook) hebben van de Armeense nationaliteit op dat moment had geleid tot afwijzing van de asielaanvraag vanwege het voorhanden zijn van een verblijfsalternatief in Armenië. In dat geval kon en mocht verweerder van eiser verwachten dat hij zich onder de bescherming van de autoriteiten van zijn land van herkomst stelde. Van omstandigheden waarom verweerder dat destijds niet kon en mocht, is niet gebleken.

Beoordeling van de huidige situatie: verblijfsalternatief in Armenië

6. Vervolgens heeft verweerder beoordeeld of zich in het geval van terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst, Armenië, op dit moment een gegronde vrees voor vervolging voordoet dan wel sprake is van een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Volgens verweerder is dat laatste niet het geval en heeft eiser (nog steeds) een verblijfsalternatief in Armenië. Eiser betwist dit. Hieronder zal de rechtbank daarom ingaan op de vraag of verweerder eiser terecht tegenwerpt dat hij op dit moment een verblijfsalternatief heeft in Armenië vanwege het bezitten van de Armeense nationaliteit. Voordat zij tot haar oordeel komt, zal de rechtbank de standpunten van partijen hierover bespreken.

6.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder over zijn standpunt in het bestreden besluit dat Armenië voor eiser (ook) heeft te gelden als veilig derde land, in het verweerschrift van 4 oktober 2020 heeft aangegeven dit standpunt niet langer te handhaven. Dit is bevestigd in het verweerschrift van 8 oktober 2020. Op wat hierover is aangevoerd, zal de rechtbank daarom niet ingaan.

6.2

Bij het intrekkingsgehoor dat op 10 augustus 2018 is gehouden heeft eiser een verklaring (‘Certification’), van de Armeense vertegenwoordiging overgelegd van 6 februari 2017, ondertekend door attaché [naam] , waarin het volgende is opgenomen:

“The Consular Section of the Embassy of the Republic of Armenia in the Kingdom of the Netherlands informs, hereby, that the following individual:

[eiser] , born on [datum] 1988 is not a citizen of the Republic of Armenia.”

Standpunt van verweerder in de besluitvorming

6.3

Verweerder volgt niet de stelling van eiser, dat uit de verklaring van de Armeense vertegenwoordiging in Nederland van 6 februari 2017 blijkt dat hij niet langer over het Armeense staatsburgerschap beschikt. Hiertoe verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 20178 die gaat over dergelijke verklaringen. Verweerder betrekt bij zijn standpunt ook dat eiser vage verklaringen heeft afgelegd over het opgeven van de Armeense nationaliteit, waarvoor hij verklaart naar Armenië te zijn afgereisd. Eiser heeft geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat hij in Armenië het Armeense staatsburgerschap heeft opgegeven. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat Armenië voor eiser geldt als een veilig land van herkomst. Niet is gebleken dat Armenië voor eiser niet veilig is, in die zin dat hij daar te vrezen heeft voor vluchtelingrechtelijke vervolging dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, aldus verweerder.

6.4

In het verweerschrift van 4 oktober 2019 heeft verweerder aangegeven dat in het bestreden besluit abusievelijk de term veilig land van herkomst is gebruikt. Verweerder heeft bedoeld te zeggen dat eiser in Armenië een verblijfsalternatief heeft.

Standpunt van eiser

6.5

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij op dit moment niet langer in het bezit is van de Armeense nationaliteit. In de aanvullende gronden van beroep van 2 oktober 2020 overlegt eiser, in aanvulling op de eerder overgelegde verklaring, een andere verklaring van de Armeense vertegenwoordiging in Nederland. Deze verklaring, van 24 september 2020, genaamd ‘Certification (On termination of the citizenship of the Republic of Armenia)’, ondertekend door Second Secretary [naam] , luidt als volgt:

“This is to certify, that the Republic of Armenia citizenship of [eiser] , born on [datum] 1986, was terminated by No. 848-A Decree of the President of the Republic of Armenia, dated 14.09.2016.”

Eiser meent dat hij hiermee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet meer beschikt over het Armeense staatsburgerschap. Als verweerder hem daarin niet volgt, is het volgens eiser aan verweerder om nader onderzoek te doen en te onderbouwen dat eiser de Armeense nationaliteit wel zou hebben.

Standpunt van verweerder over de verklaring van 24 september 2020

6.6

In het verweerschrift van 8 oktober 2020 heeft verweerder zich uitgelaten over de betekenis van verklaring van 24 september 2020 van de Armeense vertegenwoordiging in Nederland. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser ook hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij afstand heeft gedaan van de Armeense nationaliteit. Eiser heeft een brondocument overgelegd, maar heeft niet het presidentieel decreet waarnaar in dat document wordt verwezen overgelegd. Daardoor is de verklaring van 24 september 2020 onvoldoende duidelijk en inzichtelijk, aldus verweerder. Verweerder betwist niet de authenticiteit van deze verklaring, maar wel de inhoud ervan. Verweerder ziet zich in dit standpunt gesteund door de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 17 juli 20209, die vervolgens op 2 september 2020 is bevestigd door de Afdeling10, en waarin eenzelfde verklaring was ingebracht.

Oordeel van de rechtbank

6.7

Zoals volgt uit wat onder 5.9 is overwogen, mocht verweerder ervan uitgaan dat eiser op het moment van de inreis en asielaanvraag in Nederland (ook) in het bezit was van de Armeense nationaliteit. De vraag die voorligt is of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dit moment niet langer in het bezit is van de Armeense nationaliteit dan wel of op verweerder in dit verband een nadere onderzoeksplicht rust.

6.7.1

Ten aanzien van de verklaring van de Armeense vertegenwoordiging van 6 februari 2017, stelt verweerder zich onder verwijzing naar de eerder genoemde Afdelingsuitspraak van 3 oktober 2017 terecht op het standpunt dat eiser daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet langer beschikt over de Armeense nationaliteit. In deze uitspraak was een qua tekst gelijkluidende verklaring aan die van 6 februari 2017 overgelegd. Hierover heeft de Afdeling geoordeeld dat de inhoud van die verklaring onvoldoende duidelijkheid biedt om van het verval van de Armeense nationaliteit uit te gaan. De reden daarvoor is dat uit de tekst van de verklaring niet eenduidig blijkt dat niet over de Armeense nationaliteit wordt beschikt én het niet duidelijk is op grond van welke documenten de verklaring is opgesteld.

6.7.2

Ten aanzien van de verklaring van de Armeense vertegenwoordiging van 24 september 2020 overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder betwist niet de authenticiteit van deze verklaring. Dit betekent dat verweerder er daarmee van uitgaat dat het een van de autoriteiten van Armenië afkomstig, en bevoegd opgemaakt en afgegeven, document is.

6.7.3

Wel betwist verweerder de inhoudelijke juistheid van dit document. Op de zitting heeft verweerder aangegeven dat van eiser in dit verband wordt verwacht dat hij de inhoudelijke juistheid van dit document nader onderbouwt. Eiser dient hiertoe het presidentieel decreet, dat genoemd staat in de verklaring van 24 september 2020 en waarbij het bezit van de Armeense nationaliteit zou zijn beëindigd, over te leggen. Eiser betoogt dat hij ter staving van zijn stelling een authentiek, van de Armeense autoriteiten afkomstig, document heeft overgelegd en dat als verweerder twijfelt aan de inhoud van de verklaring, verweerder in het kader van de samenwerkingsverplichting nu aan zet is en nader onderzoek dient te doen door navraag te doen bij de Armeense autoriteiten.

6.7.4

De rechtbank is van oordeel dat de Armeense autoriteiten, al dan niet in de vorm van een buitenlandse vertegenwoordiging, bij uitstek de autoriteit is om te verklaren of iemand al dan niet in het bezit is van de nationaliteit van dat land. Het komt de rechtbank voor dat, anders dan de verklaring van 6 februari 2017, de tekst van de verklaring van 24 september 2020 eenduidig is. Daarin staat namelijk dat het staatsburgerschap van eiser is beëindigd, waaruit volgt dat eiser niet meer over de nationaliteit van Armenië beschikt. Ook blijkt uit deze verklaring van 24 september 2020, eveneens anders dan de eerdere verklaring, op basis van welk document de verklaring is opgesteld, namelijk het daarin met nummer en datum genoemde presidentieel decreet. De ‘bezwaren’ die in de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2017 zijn geuit doen zich ten aanzien van de verklaring van 24 september 2020 dan ook niet voor.

Gezien het voorgaande, in combinatie met de omstandigheid dat verweerder niet twijfelt aan de authenticiteit van de verklaring van 24 september 2020, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in beroep onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij, desondanks, twijfelt aan de inhoud van deze verklaring van de Armeense autoriteiten en dus aan de juistheid van de door deze autoriteiten gegeven informatie. In de door verweerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020 ziet de rechtbank geen bevestiging van het standpunt van verweerder dat met de verklaring van 24 september 2020 nog altijd niet aannemelijk is gemaakt dat eiser de Armeense nationaliteit niet langer bezit. Het betreft een ongemotiveerde bevestiging van de rechtbankuitspraak waartegen het hoger beroep was ingesteld. Zonder daarbij de grieven in te brengen, kan de rechtbank niet beoordelen wat de grondslag van die uitspraak was. Dat de Afdeling, als het oordeel van de rechtbank over voorliggende verklaring van de Armeense vertegenwoordiging onjuist was geweest, daar wel iets over zou hebben gezegd, zoals verweerder ter zitting betoogt, volgt de rechtbank niet gelet op het van toepassing zijnde grievenstelsel in hoger beroep.

6.8

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in beroep zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Armeense nationaliteit niet meer heeft en dat Armenië voor eiser op dit moment nog steeds heeft te gelden als een verblijfsalternatief onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er een motiveringsgebrek kleeft aan de besluitvorming en het nadere standpunt van verweerder.

7. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek te herstellen of te laten herstellen. De rechtbank ziet, gelet op wat onder 6.7.4 en 6.8 is overwogen, aanleiding om dat in dit geval te doen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing. Om het gebrek te herstellen moet verweerder nader motiveren waarom – nu wordt uitgegaan van de authenticiteit van de verklaring –

verweerder niet uitgaat van de juistheid van de inhoud van de door de bevoegde Armeense autoriteiten afgegeven verklaring, inhoudende dat eisers staatsburgerschap van Armenië is beëindigd. Ook dient verweerder nader te motiveren waarom, gezien de authenticiteit van het document, de samenwerkingsverplichting er niet toe zou moeten leiden dat verweerder bij de Armeense autoriteiten nader onderzoek dient te doen naar de Armeense nationaliteit van eiser.

Indien verweerder zijn standpunt ten aanzien van de Armeense nationaliteit van eiser niet meer handhaaft, dient verweerder in zijn nadere reactie ook aan te geven wat dit voor gevolgen heeft voor het bestreden besluit.

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

7.1

Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb de rechtbank binnen één week meedelen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen om binnen zes weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak doen op het beroep.

8. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die hierin zijn besproken, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.

9. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt

Beslissing

De rechtbank:

- heropent het onderzoek;

- draagt verweerder op om de rechtbank binnen één week mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om het gebrek te herstellen binnen zes weken na plaatsing van deze tussenuitspraak in het digitale dossier met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt verder iedere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak..

1 Verklaringen van deze strekking heeft eiser afgelegd tijdens het eerste gehoor op 11 januari 2013.

2 Verweerder verwijst in dit verband ook naar Werkinstructie 2013/5.

3 Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.

4 In dit verband verwijst verweerder naar het Thematisch ambtsbericht Staatsburgerschap- en vreemdelingenwetgeving in de Republiek Armenië, van maart 2011, het rapport van de Immigration and Refugee Board of Canada, van 11 oktober 2013, en het rapport ‘European values and the Syrian exodus: EU, Armenia and the neighbours’ van EuFoA van 15 oktober 2015.

5 Verweerder verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 15 februari 2019, zaaknummers NL18.15506, NL18.15507 en NL18.15509 (niet gepubliceerd).

6 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 23 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:169, 3 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2693 en 29 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:280.

7 Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2693.

8 ECLI:NL:RVS:2017:2693.

9 ECLI:NL:RBDHA:2020:8018.

10 Zaaknummers 202004117/1/V3 en 202004117/2/V3 (niet gepubliceerd).