Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11541

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-11-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
SGR 19/6792 en SGR 19/6793
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het realiseren van een windturbine verleend. De rechtbank begrijpt dat eiseressen zich betrokken voelen bij de onderhavige planologische ontwikkelingen en dat zij graag meer inspraak hadden willen hebben. De rechtbank ziet in hetgeen eiseressen hebben aangevoerd geen aanleiding om de voorbereiding van het bestreden besluit onzorgvuldig dan wel ondeugdelijk te achten. Ter zitting is bevestigd dat op basis van de vergunningen uit 1979 en 1985 minder dan 1.500 m2 vergund is en dat de revisievergunning geen verandering wat betreft de bruto vloeroppervlakte teweeg heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is reeds op grond hiervan het bedrijfsgebouw van eiseres terecht aangemerkt als beperkt kwetsbaar object. Verweerder dient uit te gaan van de vergunde situatie en niet van de actuele situatie ter plaatse. Overigens heeft eiseres niet kunnen onderbouwen dat de actuele situatie afwijkend is van de vergunde situatie en dat 2.244 m2 aan bruto vloeroppervlakte gebruikt wordt als kantoor. Eiseressen voeren aan dat verweerder de veiligheidsrisico’s niet goed beoordeeld heeft. In het verweerschrift heeft verweerder uiteengezet hoe het veiligheidsrisico beoordeeld is. Volgens verweerder wordt het veiligheidsrisico bepaald door de kans op het afbreken van de rotor als gevolg van het falen van de windturbine. Verweerder verwijst wat betreft de beoordeling van de veiligheidsrisico’s naar de ‘Analyse externe veiligheid’ van 28 november 2016, welke deel uitmaakt van de vergunningaanvraag, en de ruimtelijke onderbouwing van de vergunningaanvraag. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder op dit punt niet te volgen. Hetgeen in de ruimtelijke onderbouwing is geconcludeerd komt overeen met hetgeen in de Analyse externe veiligheid is opgenomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor twijfel aan de hierin getrokken conclusies. De rechtbank acht hierbij van doorslaggevend belang dat eiseressen geen tegenrapport van een onafhankelijke deskundige hebben ingebracht. Zij hebben enkel volstaan met de stelling dat de ruimtelijke onderbouwing op het punt van externe veiligheid niet voldoet. Dit is onvoldoende voor twijfel aan de ruimtelijke onderbouwing op dit punt. Hetzelfde geldt voor de door eiseres geuite zorgen wat betreft geluidsoverlast en het verstoren van radars. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de windturbine kan voldoen aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en dat eveneens voldaan kan worden aan aanvullende vereisten ten aanzien van geluid zoals opgenomen in de structuurvisie. Verder wordt eiseres door vergunninghoudster voldoende tegemoetgekomen in eventueel te ondervinden slagschaduwhinder. Aan een inhoudelijke beoordeling van de door eiseres geuite zorgen over de financiële gevolgen van het projectplan staat het relativiteitsvereiste in de weg, gelet op het statutaire doel van eiseres. Ten slotte slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet, nu geen sprake is van gelijke gevallen. Gelet op het vorenstaande voldoet de ruimtelijke onderbouwing, aangevuld met de Nota, naar het oordeel van de rechtbank aan de motiveringseisen die in dit geval aan de afwijking van het bestemmingsplan moeten worden gesteld. De beroepen zijn dan ook ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 18/6792 en SGR 18/6793

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2020 in de zaken tussen

Stichting Bewonerscomité Lindtwind, gevestigd te Zwijndrecht, Lindtwind

(SGR 18/6792),

[eiser, sub 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , [eiser, sub 2] (SGR 18/6793)

(gemachtigde: mr. D.R.D.A. Buren-Baks),

en

het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, verweerder

(gemachtigde: M.J.A. Verhees, werkzaam bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: HVC N.V., statutair gevestigd te Alkmaar, vergunninghoudster

(gemachtigden: R.C. Korsuize en mr. S.M. Vos-Kruijff).

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een windturbine op de locatie [weg] [nummer] te [plaats] , kadastraal bekend als gemeente Dordrecht, sectie [X] , nummers [sectienummer 1] en [sectienummer 2] (de percelen).

Lindtwind heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brieven van
22 oktober 2018, 14 januari 2019en 29 oktober 2019 heeft zij haar beroepschrift aangevuld.

[eiser, sub 2] heeft eveneens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft in beide beroepszaken een verweerschrift ingediend.

Op 11 november 2019 heeft een regiezitting plaatsgevonden in de beroepszaak
met zaaknummer SGR 18/6792. Namens Lindtwind zijn [A] (voorzitter), [B ] (penningmeester) en [C] (adviseur) verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar toenmalige gemachtigden, E. van den Berg en P. Rozendaal.

Bij brief van 5 december 2019 heeft Lindtwind een reactie op het verweerschrift en aanvullende stukken ingediend. Verweerder en vergunninghoudster hebben geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om te reageren op deze reactie dan wel de bijbehorende stukken.

Op verzoek van verweerder en na goedkeuring te hebben verkregen van Lindtwind en [eiser, sub 2] zijn de beroepszaken gevoegd. Partijen waren uitgenodigd voor een zitting op

23 april 2020. In verband met de maatregelen rondom het coronavirus zijn partijen bij brief van 27 maart 2020 gevraagd of zij toestemming geven om de beroepszaken schriftelijk af te doen. Lindtwind heeft bij e-mail van 29 maart 2020 aangegeven geen toestemming te verlenen voor een schriftelijke afdoening van de zaak. Bij brief van 1 april 2020 heeft [eiser, sub 2] eveneens aangegeven geen toestemming te verlenen. Vergunninghoudster heeft bij

e-mail van 3 april 2020 wel toestemming verleend voor een schriftelijke afdoening. Verweerder heeft niet gereageerd op eerdergenoemde brief van 27 maart 2020.

Bij brief van 8 mei 2020 heeft verweerder, op verzoek van de rechtbank, een nadere schriftelijke toelichting en aanvullende stukken ingediend wat betreft het later in deze uitspraak aan bod komende aspect ‘bodem’ (SGR 18/6792). Lindtwind heeft hierop bij brieven van 5 juni 2020 en 10 juni 2020 gereageerd.

Bij brief van 13 mei 2020 heeft [eiser, sub 2] , op verzoek van de rechtbank, een aanvullend stuk ingediend.

Bij brieven van 20 mei 2020 en 17 juni 2020 heeft verweerder, eveneens op verzoek van de rechtbank, aanvullende stukken ingediend (SGR 18/6793).

Op 18 september 2020 heeft Lindtwind aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 5 oktober 2020 plaatsgevonden. Namens Lindtwind zijn [A] , J [B ] en [C] verschenen. [eiser, sub 2] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door P.G. Roest. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [D] . Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Op 30 november 2016 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een windturbine op de percelen. Het gebied waar de percelen zijn gelegen wordt ook wel aangeduid als ‘Krabbegors’ of ‘Duivelseiland’.

1.2

Bovengenoemde aanvraag betreft de activiteiten “het bouwen van een bouwwerk” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), “het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald” als bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo en “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

1.3

Naast het indienen van bovenstaande aanvraag heeft vergunninghoudster een melding in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer gedaan.

1.4

Verweerder heeft de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd, als bedoeld in paragraaf 3.3. van de Wabo. Bij besluit van 26 september 2017 heeft de gemeenteraad van de gemeente Dordrecht een ontwerpverklaring van geen bedenkingen afgegeven. Vervolgens heeft verweerder op 23 oktober 2017 een ontwerpbesluit gepubliceerd op de website van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Dit ontwerpbesluit heeft samen met de ontwerpverklaring van geen bedenkingen van 23 oktober 2017 tot en met 4 december 2017 ter inzage gelegen. Lindtwind en [eiser, sub 2] hebben hiertegen tijdig een zienswijze ingediend.

2.1

Bij het bestreden besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor bovengenoemde activiteiten “het bouwen van een bouwwerk” en “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan”. Verweerder heeft hierbij toepassing gegeven aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de gemeenteraad van de gemeente Dordrecht bij besluit van 19 juni 2019 verklaard heeft geen bedenkingen te hebben tegen het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning. Ondanks het feit dat de desbetreffende locatie is aangeduid als welstandsvrij gebied heeft verweerder de welstandscommissie toch om advies gevraagd. Uit dit advies blijkt dat ook de welstandscommissie geen bezwaar heeft tegen het project. Gelet op de conclusies uit het in 2014 verrichte bodemonderzoek kan de verleende omgevingsvergunning echter nog niet in werking treden. Inwerkingtreding vindt volgens verweerder pas plaats als het bevoegde gezag, in dit geval verweerder, heeft ingestemd met een zogenaamde BUS-melding dan wel een saneringsplan.

2.2

Voor de activiteit “het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald” heeft verweerder geen omgevings-vergunning verleend. Volgens verweerder is dit niet vereist, omdat aan de percelen geen archeologische waarden zijn toegekend.

3. Lindtwind en [eiser, sub 2] kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit en voeren daartoe – kort en zakelijk weergegeven – aan dat de omgevingsvergunning, gelet op de hierna te bespreken gronden, niet verleend had mogen worden.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Belanghebbendheid

5.1

Ambtshalve ziet de rechtbank zich allereerst geplaatst voor de vraag of Lindtwind en [eiser, sub 2] belanghebbende(n) zijn in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5.2

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt verstaan onder belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

5.3

Zoals door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is overwogen in haar uitspraak van 16 maart 20161 moet, wil er sprake zijn van belanghebbendheid als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, aannemelijk zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden. In haar uitspraak van 23 augustus 20172 heeft de Afdeling een nadere invulling van het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ gegeven en daartoe onder meer overwogen dat het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit (zoals een bestemmingsplan of een vergunning) toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de

woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt.

5.4

[eiser, sub 2] is eigenaresse van het perceel aan de [weg] 21 te Dordrecht en drijft daarnaast haar onderneming op dit perceel. Voornoemd perceel ligt direct naast de percelen waarop het projectplan ziet. Gelet op de omvang en de ruimtelijke uitstraling van het project, bestaat geen grond voor het oordeel dat voor [eiser, sub 2] gevolgen van enige betekenis ontbreken, zodat zij als belanghebbende kan worden aangemerkt.

5.5

Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstellingen en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.3

5.6

Lindtwind heeft, gelet op artikel 3, eerste lid, van haar statuten, onder andere, tot doel het bevorderen van het welzijn en welbevinden van mensen en het, in het kader van het vorenstaande, behartigen, beschermen en borgen van belangen van de burgers in het gebied, meer in het bijzonder wat betreft veiligheid, leefbaarheid en gezondheid. Verder heeft Lindtwind tot doel het optreden als gesprekspartner en onderhandelingspartner; zoals met betrokken partijen in het kader van de toewijzing door de Provincie Zuid-Holland van het bedrijventerrein als locatie om windmolens te realiseren. Volgens artikel 1 van de statuten wordt met “het bedrijventerrein” bedoeld: het bedrijventerrein Groote Lindt te Zwijndrecht. Volgens ditzelfde artikel wordt met “het gebied” bedoeld: het gebied op- en grenzende aan het bedrijventerrein.

5.7

Gelet op haar statutaire doelen, haar feitelijke werkzaamheden en haar werkgebied is Lindtwind naar het oordeel van de rechtbank als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb aan te merken.

Voorbereiding van het bestreden besluit

6.1

In beroep voeren Lindtwind en [eiser, sub 2] – samengevat weergegeven – aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid.

6.1.1

Lindtwind voert aan dat zij, als vertegenwoordigers van de bewoners van de wijken Kort Ambacht en Nederhoven in Zwijndrecht, en de overige omwonenden onvoldoende is betrokken bij de voorbereiding van het bestreden besluit. Er is geen sprake geweest van een transparant, democratisch en zorgvuldig besluitvormingsproces. Er heeft gebrekkige tot geen communicatie plaatsgevonden met de bewoners van Zwijndrecht. Alles wijst erop dat de communicatie met de bewoners van Zwijndrecht stelselmatig uit de weg wordt gegaan totdat zij geen rol meer kunnen spelen in het besluitvormingsproces. Deze bewoners hebben geen mogelijkheid gehad om hun standpunten naar voren te brengen wat betreft de locatiekeuze voor de windturbine en worden telkens overvallen met voldongen feiten, bijvoorbeeld de vaststelling van de structuurvisie. Daarnaast staan er onwaarheden in de nota ‘Beantwoording zienswijzen’ (de Nota) en worden openstaande vragen niet beantwoord, terwijl verweerder had toegezegd dat dit in de definitieve versie van de Nota wel zou gebeuren. Het lijkt erop dat er nooit serieus naar de Nota is gekeken, nu deze is vastgesteld zonder aanpassingen en zonder antwoord te geven op uitstaande vragen. Dit is schandelijk, nu de Nota bij de verklaring van geen bedenkingen hoort (VVGB) en onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit.

6.1.2

[eiser, sub 2] voert aan dat verweerder zich slechts beperkt heeft uitgelaten over de door [eiser, sub 2] naar voren gebrachte zienswijze. In de Nota is met name met algemeenheden gereageerd op hetgeen naar voren is gebracht. Daarmee heeft verweerder het motiveringsbeginsel geschonden.

6.2

De rechtbank begrijpt dat Lindtwind, gelet op haar doelstellingen, en [eiser, sub 2] , als eigenaresse van het naastgelegen perceel, zich betrokken voelen bij de onderhavige planologische ontwikkelingen en dat zij graag meer inspraak hadden willen hebben. De punten die Lindtwind naar voren heeft gebracht met betrekking tot de besluitvormingsprocedure wat betreft de structuurvisie kunnen in deze procedure echter geen rol (meer) spelen. De structuurvisie is immers reeds op 10 mei 2016 definitief vastgesteld. Lindtwind heeft in die procedure een zienswijze kunnen indienen, hetgeen zij, zoals zij ter zitting heeft bevestigd, ook heeft gedaan.

6.3

Wat betreft de voorbereiding van het bestreden besluit merkt de rechtbank het volgende op. Zoals reeds in 1.4 is aangegeven, is de uitgebreide voorbereidingsprocedure, als bedoeld in paragraaf 3.3. van de Wabo, van toepassing. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze procedure volledig en op de juiste wijze doorlopen. Verweerder heeft de gemeenteraad van de gemeente Dordrecht (de gemeenteraad) gevraagd om een VVGB af te geven. De gemeenteraad heeft eerst een ontwerp-VVGB afgegeven. Deze ontwerp-VVGB is vervolgens samen met het ontwerpbesluit tot verlening van de omgevingsvergunning ter inzage gelegd. De hiertegen ingediende zienswijzen zijn door verweerder, het college van burgemeester & wethouders van de gemeente Dordrecht en de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid beantwoord in de Nota. Nadien heeft de gemeenteraad, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht, een definitieve VVGB afgegeven en bepaald dat de Nota deel uitmaakt van het bestreden besluit. Voor zover Lindtwind heeft aangevoerd dat de Nota onwaarheden bevat en dat er structureel geen antwoord is gegeven op de gestelde vragen, ziet de rechtbank geen aanleiding om Lindtwind op dit punt te volgen. Uit de gedingstukken maakt de rechtbank op dat de onwaarheden waarop gedoeld wordt, gaan over het ten onrechte op de website over de windturbine (www.windkrabbegors.nl) vermelden dat het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard betrokken is bij de realisering van de windturbine en het in de Nota opnemen dat deze passage in februari 2018 van de website is verwijderd, terwijl dit pas op 28 mei 2018 is gebeurd. De rechtbank merkt in dit verband op dat voornoemde fout van de website is gehaald, zij het na meermaals aandringen van Lindtwind, en dat Lindtwind niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op enigerlei wijze in haar belangen geschaad is door deze foutieve vermelding van voornoemd Hoogheemraadschap op de website. Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding om [eiser, sub 2] en Lindtwind te volgen in hun standpunt dat er slechts met algemeenheden is gereageerd op hetgeen in de zienswijze(n) naar voren is gebracht en er geen antwoord is gegeven op nog openstaande vragen. In de Nota wordt elke zienswijze, zij het in sommige gevallen in clusterverband, omschreven en wordt vervolgens op elke zienswijze gereageerd. Dat [eiser, sub 2] niet tevreden is met de wijze waarop gereageerd is op haar zienswijze en Lindtwind naar aanleiding van de gegeven reactie nog aanvullende vragen heeft, betekent niet de Nota niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

6.4

Ten aanzien van de wijze van communiceren door verweerder blijkt uit het bestreden besluit en de Nota dat nog voordat vergunninghoudster de vergunningaanvraag had ingediend, op 16 november 2016, een inloopavond voor bewoners, bedrijven en andere belangstellenden is georganiseerd in het Duurzaamheidscentrum Weizigt. Ter aankondiging van deze bijeenkomst zijn circa 6000 huis-aan-huis-brieven verspreid en zijn brieven bij bedrijfsverenigingen bezorgd. Ook is deze bijeenkomst aangekondigd via een persbericht, het gemeentenieuws en op de websites van de gemeente Dordrecht, vergunninghoudster en Drechtse Wind. Verder heeft de Energie Coöperatie Dordrecht (ECD) bedrijven en omwonenden bij brief van 18 september 2017 geïnformeerd over de laatste stand van zaken. Begin november 2017 heeft opnieuw een inloopavond plaatsgevonden in Duurzaamheidscentrum Weizigt. De aanleiding voor deze bijeenkomst was de afgifte van de definitieve VVGB door de gemeenteraad. Omwonenden en bedrijven zijn opnieuw per brief op de hoogte gebracht van deze bijeenkomst. Gelet op het voorgaande deelt de rechtbank het standpunt van Lindtwind dat gebrekkige tot geen communicatie heeft plaatsgevonden met omwonenden dan ook niet. Daarbij merkt de rechtbank op dat Lindtwind een zienswijze heeft kunnen indienen tegen het ontwerpbesluit, van welke gelegenheid zij ook gebruik heeft gemaakt. Uit de door Lindtwind ingediende zienswijze blijkt overigens ook dat Lindtwind op de hoogte was van voornoemde informatiebijeenkomsten. Dat, naar de mening van Lindtwind, de eigenlijke besluitvorming grotendeels in een eerder stadium heeft plaatsgevonden, doet niets af aan het feit dat omwonenden gedurende de voorbereidingsprocedure van het bestreden besluit geïnformeerd zijn over de stand van zaken en ook bij deze procedure zijn betrokken.

6.5

In al het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de voorbereiding van het bestreden besluit onzorgvuldig dan wel ondeugdelijk te achten. Bovenstaande beroepsgronden falen derhalve.

Wettelijk kader

7. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan,

(…).

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd in geval van – kort gezegd – (a) strijd met het Bouwbesluit, (b) strijd met de Bouwverordening, (c) strijd met het bestemmingsplan of (d) strijd met de redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, een omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd in met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd in met het bestemmingsplan:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

Bestemmingsplan

8.1

Ter plaatse van de projectplanlocatie is het bestemmingsplan ‘Zeehavens Dordrecht’ van kracht en geldt de enkelbestemming ‘Bedrijf -2’ en de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – bedrijf t/m categorie 5.2’ , ‘gezoneerd industrieterrein’ en ‘zone geluidverkaveling’. Qua maatvoering geldt een maximale bouwhoogte van 45 meter. Qua bebouwingspercentage geldt een maximum van 80%.

Ingevolge artikel 4.1 van de planregels zijn de voor ‘Bedrijf-2’ aangewezen gronden bestemd voor:

  1. bedrijven;

  2. kantoren;

  3. openbare dienstverlening;

  4. bij de bestemming behorende voorzieningen, zoals verhardingen, groen, water, parkeervoorzieningen en nutsvoorzieningen.

Ingevolge artikel 4.2 van de planregels gelden voor het bouwen de volgende regels:

4.2.1

Bouwen algemeen

Toegestaan zijn gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

4.2.2

Gebouwen

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. bouwen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';

  2. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste de in de verbeelding aangegeven hoogtemaat;

  3. de oppervlakte bedraagt ten hoogste het aangegeven bebouwingspercentage van het aanduidingsvlak dat tot één instelling of bedrijf behoort.

4.2.3

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels

 de bouwhoogte bedraagt ten hoogste:

 erfafscheidingen: 3 meter

 lichtmasten: 9 meter

 vlaggenmasten: 9 meter

 silo's: 50 meter

 schoorstenen, installaties en kranen: 80 meter

 overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 6 meter

8.2

De rechtbank stelt vast, en tussen partijen is niet in geschil, dat het projectplan in strijd is met de artikelen 4.1 en 4.2.2, aanhef en onder b, van de planregels. Een windturbine valt namelijk niet onder de onder 4.1 opgesomde bestemmingen en de te bouwen windturbine zal de maximale bouwhoogte van 45 meter overschrijden.

8.3

Verweerder heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo een omgevingsvergunning voor het projectplan verleend.

8.4

De rechtbank overweegt dat de beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12., eerste lid, aanhef en onder a, onder 3ᵒ, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan, behoort tot de bevoegdheid van verweerder, waarbij verweerder beleidsruimte heeft. De rechtbank toetst of verweerder in redelijkheid tot het besluit om al dan niet de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen, heeft kunnen komen.4

Ruimtelijke onderbouwing

9.1.

Lindtwind en [eiser, sub 2] bestrijden – samengevat weergegeven – dat het bestreden besluit berust op een goede ruimtelijke onderbouwing.

9.1.1

[eiser, sub 2] voert ten eerste aan dat verweerder het door [eiser, sub 2] en haar (toenmalige) huurder Riam in gebruik zijnde bedrijfspand ten onrechte kwalificeert als een beperkt kwetsbaar object. Van het bedrijfspand wordt in totaal 2.244 m2 als kantoorgebouw benut. Het bedrijfspand dient dus gekwalificeerd te worden als een kwetsbaar object en valt als geheel binnen de risicocontour. Daardoor is de plaatsing van een windturbine op de beoogde plek niet toegestaan. Ten tweede voert [eiser, sub 2] aan dat verweerder het veiligheidsrisico voor de werknemers van [eiser, sub 2] onjuist en onvolledig geanalyseerd heeft. Verweerder gaat er in de Nota aan voorbij dat veel werknemers hun werkzaamheden buiten uitvoeren, waardoor sprake is van een groter veiligheidsrisico. Verder is het aspect ‘slagschaduw’ onvoldoende gemotiveerd in de Nota. Ten slotte voert [eiser, sub 2] aan dat verweerder onvoldoende onderzocht heeft welke (nadelige) gevolgen het bestreden besluit voor haar gaat hebben. De plaatsing van de windturbine brengt een beperking van de gebruiksmogelijkheden van het perceel mee. [eiser, sub 2] kan hierdoor haar perceel niet anders of slechts beperkt anders inrichten. Ook vreest [eiser, sub 2] dat haar perceel in waarde zal dalen. De belangen van [eiser, sub 2] dienen zwaarder te wegen dan die van vergunninghoudster.

9.1.2

Lindtwind voert aan grote zorgen te hebben wat betreft de veiligheidsrisico’s als gevolg van het realiseren van een windturbine. Door verweerder wordt geen verdere uitleg of onderbouwing gegeven, anders dan dat het mogelijk is om op de planlocatie een windturbine te plaatsen. Verder is er geen maatschappelijk draagvlak voor het plan. In 2014 heeft de gemeente Dordrecht geconcludeerd dat er geen maatschappelijk draagvlak was voor het plaatsen van windturbines in de omgeving van de Dordrechtse wijk ‘De Staart’ en heeft de gemeente afgezien van het plaatsen hiervan. De Staart is vergelijkbaar met de wijk ‘Kort Ambacht’ in Zwijndrecht. Er moet in dit geval dan ook afgezien worden van het plaatsen van een windturbine. Voorts is het onduidelijk wat de financiële gevolgen van het exploiteren van een niet-rendabele windturbine gaan zijn voor de lokale overheid. Lindtwind krijgt structureel geen antwoorden op haar vragen wat betreft de financiering. Ten slotte blijven ook antwoorden op vragen over de ernstig vervuilde bodem en de al dan niet verrichte bodemonderzoeken uit.

Kwalificatie bedrijfsgebouw [eiser, sub 2]

10.1

Volgens [eiser, sub 2] wordt het door haar en haar (toenmalige) huurder Riam in gebruik zijnde bedrijfsgebouw ten onrechte gekwalificeerd als een beperkt kwetsbaar object. Ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) wordt een kantoorgebouw met een bruto vloeroppervlakte van meer dan 1.500 m2 aangemerkt als een kwetsbaar object. Verweerder heeft volgens de Nota bij een ‘inventariserende controle’ geconstateerd dat slechts op de eerste verdieping een kantoor gevestigd is en dat dat kantoor een bruto vloeroppervlakte heeft van minder dan 1.500 m2. [eiser, sub 2] is niet bekend met deze controle en daarnaast is deze controle onjuist. Van het bedrijfspand wordt in totaal 2.244 m2 als kantoorgebouw benut. Het bedrijfspand is dus een kwetsbaar object en valt als geheel binnen de risicocontour. Daardoor is de plaatsing van een windturbine niet toegestaan.

10.2

In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat theoretisch, op grond van de in 1979 en 1985 verleende omgevingsvergunningen, blijkt dat de bruto vloeroppervlakte minder dan 1.500 m2 bedraagt. Blijkens de in 2019 verrichte controle is dit in de praktijk ook het geval. Dit betekent dat sprake is van een beperkt kwetsbaar object. Volgens verweerder is dit ook in overeenstemming met het bestemmingsplan, aangezien op grond daarvan geen kwetsbare objecten zijn toegestaan in een veiligheidszone. Beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan als deze al aanwezig waren, hetgeen in casu het geval is.

10.3

Niet in geschil is dat het perceel van [eiser, sub 2] gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – bevi’ heeft.

Ingevolge artikel 1.36 onder c van de planregels wordt als kwetsbaar object aangemerkt ‘gebouwen waarin meestal grote aantallen personen (> 50 pers.) gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren:

• kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m² per object, voor zover zij niet behoren tot een risicovolle inrichting.

Ingevolge artikel 1.10 onder b van de Planregels wordt als beperkt kwetsbaar object aangemerkt ‘kantoorgebouwen, voor zover zij niet onder het begrip kwetsbaar object vallen en voor zover zij niet behoren tot een risicovolle inrichting’.

Uit artikel 20.3.1 onder b van de planregels volgt dat kwetsbare objecten niet zijn toegestaan in een veiligheidszone.

Uit artikel 20.3.1 onder c, sub 1, van de planregels volgt dat beperkt kwetsbare objecten niet zijn toegestaan, met dien verstande dat dit niet geldt voor aanwezige beperkt kwetsbare objecten.

10.4

De rechtbank stelt vast dat ter zitting door (de gemachtigde van) [eiser, sub 2] desgevraagd bevestigd is dat op basis van de vergunningen uit 1979 en 1985 minder dan 1.500 m2 vergund is. Voorts is ter zitting door (de gemachtigde van) verweerder bevestigd dat de revisievergunning geen verandering wat betreft de bruto vloeroppervlakte teweeg heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is reeds op grond hiervan het bedrijfsgebouw van [eiser, sub 2] terecht aangemerkt als beperkt kwetsbaar object. In tegenstelling tot hetgeen (de gemachtigde van) [eiser, sub 2] ter zitting naar voren heeft gebracht hoeft verweerder niet uit te gaan van de actuele situatie ter plaatse. Hetgeen vergund is, is leidend in dit geval. Overigens heeft [eiser, sub 2] niet kunnen onderbouwen dat de actuele situatie afwijkend is van de vergunde situatie en dat 2.244 m2 aan bruto vloeroppervlakte gebruikt wordt als kantoor. Uit de door [eiser, sub 2] op 13 mei 2020 verstrekte foto kan niet afgeleid worden dat het gedeelte van het bedrijfsgebouw dat [eiser, sub 2] heeft aangemerkt als kantoorruimte daadwerkelijk gebruikt wordt als kantoor. Daarnaast is de ingetekende maatvoering niet te verifiëren. Dat het bedrijfsgebouw eerder gesplitst is geweest, waarbij het ene gedeelte gekwalificeerd werd als kwetsbaar en het andere gedeelte gekwalificeerd werd als beperkt kwetsbaar, zoals ter zitting naar voren is gebracht, doet aan het voorgaande niet af. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Externe veiligheid

11.1

Lindtwind en [eiser, sub 2] voeren aan dat verweerder de veiligheidsrisico’s niet goed beoordeeld heeft. Ter zitting heeft Lindtwind toegelicht zich zorgen te maken over de te verwachten geluidsoverlast voor omwonenden en de gevolgen voor de schippers die dagelijks over de vaarroute langs de planlocatie varen. Bij mist kunnen deze schippers enkel gebruik maken van hun radar om te navigeren. De windturbine kan het radarsignaal verstoren, waardoor de schepen tegen elkaar of tegen de kant aan zouden kunnen botsen. Zowel [eiser, sub 2] als Lindtwind maakt zich zorgen over de gevolgen van het afbreken van een rotorblad. Volgens [eiser, sub 2] lopen de werknemers die buiten werken extra risico en is daarmee geen rekening gehouden door verweerder. Ook is niet onderbouwd waar de trefkans door een rotorblad vandaan komt. Lindtwind is vooral bezorgd wat betreft de veiligheid van de schippers.

11.2

In het verweerschrift van 5 december 2019 (SGR 18/6793) heeft verweerder uiteengezet hoe het veiligheidsrisico beoordeeld is. Volgens verweerder wordt het veiligheidsrisico bepaald door de kans op het afbreken van de rotor als gevolg van het falen van de windturbine. Verweerder verwijst wat betreft de beoordeling van de veiligheidsrisico’s naar de ‘Analyse externe veiligheid’ van 28 november 2016, welke deel uitmaakt van de vergunningaanvraag, en de ruimtelijke onderbouwing van de vergunningaanvraag. Volgens verweerder staat externe veiligheid niet in de weg aan een goede ruimtelijke onderbouwing.

11.3

De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder op dit punt niet te volgen. Uit de ruimtelijke onderbouwing en figuur 3.1 behorend bij de Analyse externe veiligheid blijkt dat er geen beperkt kwetsbare objecten of gebouwen gelegen zijn binnen de PR10-5 contour (35,5 meter) van de windturbine. Ook zijn binnen de PR10-6 contour (122 meter) geen kwetsbare objecten gelegen. Er wordt op dit punt dan ook voldaan aan de vereisten van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Verder wordt in de ruimtelijke onderbouwing het groepsrisico beoordeeld. Gezien de ruimtelijke bestemming van de planlocatie, zijnde ‘bedrijventerrein’, worden geen grote groepen mensen verwacht. Volgens de ruimtelijke onderbouwing levert dit dus ook geen problemen op. Hetzelfde geldt voor het individueel passantenrisico en het maatschappelijk risico. Deze risico’s zijn in dit geval lager dan de normwaarden die in het Handboek risicozonering windturbines 2014 zijn omschreven en die door Rijkswaterstaat worden gehanteerd. Hetgeen in de ruimtelijke onderbouwing is geconcludeerd komt overeen met hetgeen in de Analyse externe veiligheid is opgenomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor twijfel aan de hierin getrokken conclusies. De rechtbank acht hierbij van doorslaggevend belang dat [eiser, sub 2] en Lindtwind geen tegenrapport van een onafhankelijke deskundige hebben ingebracht. Zij hebben enkel volstaan met de stelling dat de ruimtelijke onderbouwing op het punt van externe veiligheid niet voldoet. Dit is onvoldoende voor twijfel aan de ruimtelijke onderbouwing op dit punt.

11.4

Hetzelfde geldt voor de door Lindtwind geuite zorgen wat betreft geluidsoverlast en het verstoren van radars. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de windturbine kan voldoen aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en dat eveneens voldaan kan worden aan aanvullende vereisten ten aanzien van geluid zoals opgenomen in de structuurvisie. Verder blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing dat TNO onderzoek heeft gedaan naar de mogelijke effecten van de windturbine op de aanwezige VTS walradars en binnenvaartscheepsradars. TNO kwam – samengevat weergegeven – tot de conclusie dat er geen belemmeringen en effecten zijn voor voornoemde radars. Aangezien Lindtwind haar standpunten ten aanzien van de te verwachten geluidsoverlast en radarverstoringen op geen enkele wijze heeft onderbouwd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de ruimtelijke onderbouwing op dit punt ondeugdelijk te achten.

11.5

De beroepsgronden van Lindtwind en [eiser, sub 2] wat betreft externe veiligheid falen.

Slagschaduw

12.1

[eiser, sub 2] voert aan, de in de Nota opgenomen motivering wat betreft slagschaduw onvoldoende te achten. [eiser, sub 2] vindt het opmerkelijk dat in de Nota wordt geconcludeerd dat [eiser, sub 2] hinder zal ondervinden als gevolg van slagschaduw, maar dat het kantoor deels in de schaduw van andere gebouwen staat en dat [eiser, sub 2] beschikt over de juiste blindering om de slagschaduw buiten te sluiten. Dit komt erop neer dat [eiser, sub 2] de hinder zelf maar moet oplossen.

12.2

In de ruimtelijke onderbouwing wordt geconcludeerd dat bij geen enkele woning meer dan de voorgestelde streefwaarde van 6 uur slagschaduwhinder per jaar optreedt. Dit betekent dat er wat betreft woningen geen mitigerende maatregelen genomen hoeven te worden. Wat betreft bedrijven wordt toegelicht dat bedrijfspanden formeel niet hindergevoelig zijn en dat wat betreft slagschaduw ook geen norm gesteld is voor de hinderduur. Desondanks is toch aandacht besteed aan bedrijven. Figuur 5.2 geeft inzicht in de mate van slagschaduwhinder. Buiten de rode contour wordt voldaan aan de norm voor woningen. Binnen de rode contour (5 uur slagschaduwhinder per jaar) zijn een beperkt aantal bedrijven gelegen. Verwacht wordt dat ook daar geen slagschaduwhinder op zal treden, omdat de kantoorruimtes vaak van de windturbine afgekeerd zijn en door bedrijfsgebouwen afgeschermd worden en omdat bedrijven met grote hallen vaak weinig ramen hebben. De algehele conclusie luidt dat de windturbine kan voldoen aan de normen van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Rarim) en ingepast kan worden in de omgeving vanuit het aspect slagschaduw. In hetgeen [eiser, sub 2] heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om de ruimtelijke onderbouwing ondeugdelijk te achten op dit punt. Voorts acht de rechtbank van belang dat, ondanks het feit dat bedrijven niet aangemerkt worden als hindergevoelig voor slagschaduw, vergunninghoudster bij brief van 10 augustus 2018 heeft aangegeven maatregelen te willen treffen ten behoeve van de bedrijven die hinder zullen ondervinden, waaronder [eiser, sub 2] . De maatregel houdt in dat de windturbine wordt uitgerust met een slagschaduwprogrammering. De bedrijven worden voorzien van een ‘app’ waarmee zij de windturbine kunnen stilzetten bij het optreden van hinder binnen de voor het specifieke bedrijf geldende periode van slagschaduwprogrammering. Naar het oordeel van de rechtbank wordt [eiser, sub 2] met het treffen van deze maatregel voldoende tegemoetgekomen in eventueel te ondervinden slagschaduwhinder. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Bodemonderzoeken

13.1

Lindtwind voert aan dat antwoorden op vragen over de ernstig vervuilde bodem en de al dan niet verrichte bodemonderzoeken uitblijven. Verder komen in het verleden verrichte bodemonderzoeken die eerder in de besluitvormingsprocedure nog niet genoemd worden later in de procedure ineens boven water. Deze onderzoeken zijn bovendien verricht op een naburig perceel. Dit acht Lindtwind zeer onzorgvuldig.

13.2

Niet in geschil is dat de planlocatie gelet op de in de jaren ’60 verrichte ophogingswerkzaamheden verdacht wordt van bodemverontreiniging met zware metalen, minerale olie, PCB’s, asbest en tributyltin. Evenmin is in geschil dat het noodzakelijk is een bodemonderzoek te verrichten op de planlocatie.

13.3

Ter zitting heeft vergunninghoudster naar voren gebracht dat inmiddels een verkennend bodemonderzoek heeft plaatsgevonden op de planlocatie en dat een saneringsplan ter goedkeuring is ingediend bij verweerder. De rechtbank merkt in dit verband op dat deze handelswijze, het na de aanvraag indienen van een bodemonderzoek, in overeenstemming is met de geldende wet- en regelgeving. In artikel 2.7, derde lid, van de Regeling omgevingsrecht (Mor) is namelijk bepaald dat in de vergunning kan worden opgenomen dat een bodemonderzoek als bedoeld in artikel 2.4 van de Mor op een later moment ingediend mag worden, indien de aard van het bouwplan naar het oordeel van het bevoegd gezag daartoe aanleiding geeft. In dit geval heeft verweerder in het bestreden besluit opgenomen dat de verleende omgevingsvergunning pas in werking treedt als het bevoegde gezag de BUS-melding dan wel het saneringsplan heeft goedgekeurd. Dit is geheel in overeenstemming met artikel 6.2c van de Wabo.

13.4

De rechtbank begrijpt dat het voor Lindtwind begrijpelijker en overzichtelijker was geweest als verweerder steeds alle beschikbare stukken waarnaar verwezen wordt, had bijgevoegd bij de besluitvorming. Dat dit niet altijd gebeurd is, is echter geen reden om de besluitvorming onzorgvuldig te achten. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Financiële haalbaarheid van het projectplan

14.1

Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

14.2

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling5 heeft de wetgever blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht6 met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de belanghebbende door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de belanghebbende.

14.3

Lindtwind betoogt dat onzekerheid bestaat over de financiële gevolgen van het projectplan. Het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste staat aan een inhoudelijke beoordeling hiervan in de weg. Zoals de rechtbank reeds in 5.6 heeft vastgesteld heeft Lindtwind tot doel het bevorderen van welzijn en welbevinden van mensen en het, in het kader van het vorenstaande, behartigen, beschermen en borgen van belangen van de burgers in het gebied, meer in het bijzonder wat betreft veiligheid, leefbaarheid en gezondheid. Verder heeft Lindtwind tot doel het optreden als gesprekspartner en onderhandelingspartner; zoals met betrokken partijen in het kader van de toewijzing door de Provincie Zuid-Holland van het bedrijventerrein als locatie om windmolens te realiseren. De financiële haalbaarheid van het projectplan dan wel de financiële gevolgen van de exploitatie van de windturbine vallen niet onder de doelstellingen dan wel de belangen die Lindtwind behartigt. De rechtbank ziet dan ook af van een inhoudelijke bespreking van het betoog over de financiële haalbaarheid.

Gelijkheidsbeginsel

15. Voor zover Lindtwind een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel door te verwijzen naar de situatie in de Dordrechtse wijk ‘De Staart’ slaagt dit beroep niet. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van gelijke gevallen. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit hetgeen door Lindtwind is aangevoerd, namelijk dat in de omgeving van ‘De Staart’ afgezien is van het plaatsen van windturbines omdat daar het maatschappelijk draagvlak ontbrak, niet afgeleid worden dat sprake is van een gelijke situatie. Daarnaast heeft verweerder in het verweerschrift gemotiveerd betwist dat sprake is van gelijke gevallen. Volgens verweerder gaat het om een andere omgeving, een ander aantal en een ander type windturbines. Lindtwind heeft het voorgaande niet op basis van concrete en verifieerbare gegevens ontkracht. Het beroep faalt in zoverre.

Conclusie/Belangenafweging

16.1

Gelet op het vorenstaande voldoet de ruimtelijke onderbouwing, aangevuld met de Nota, naar het oordeel van de rechtbank aan de motiveringseisen die in dit geval aan de afwijking van het bestemmingsplan moeten worden gesteld.

16.2

De rechtbank ziet, gelet op wat Lindtwind en [eiser, sub 2] hebben aangevoerd alsmede de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing en de Nota, geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor het aan de orde zijnde bouwplan.

17. De beroepen zijn ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. R.A.E. Bach, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

16 november 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:RVS:2016:737.

2 ECLI:NL:RVS:2017:2271.

3 zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2022.

4 Zie voorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2318.

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:917.

6 Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20.